← Nederland

ECLI:NL:GHSHE:2025:1570

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team familie- en jeugdrecht zaaknummer : 200.346.145/01 zaaknummer rechtbank : C/02/399836 FA RK 22-3288 beschikking van de meervoudige kamer van 5 juni 2025 inzake [de vrouw] , wonende te [woonplaats] , verzoekster in het principaal hoger beroep, verweerster in het incidenteel hoger beroep, hierna te noemen: de vrouw, advocaat mr. S. Kandemir te Dordrecht, tegen [de man] , wonende te [woonplaats] , verweerder in het principaal hoger beroep, verzoeker in het incidenteel hoger beroep, hierna te noemen: de man, advocaat mr. C. Bayrak te Bergen op Zoom. In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend: de Raad voor de Kinderbescherming, hierna te noemen: de raad. 1Het verloop van het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, Breda, van 18 juni 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. 2Het geding in hoger beroep 2.

  1. De vrouw is op 18 september 2024 in hoger beroep gekomen van voornoemde beschikking van 18 juni
  2. 2.
  3. De man heeft op 5 december 2024 een verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep ingediend. 2.
  4. De vrouw heeft op 23 januari 2025 een verweerschrift op het incidenteel hoger beroep ingediend. 2.
  5. Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen: - een journaalbericht van de zijde van de man van 19 december 2024 met bijlage, ingekomen op 30 december 2024; - een journaalbericht van de zijde van de man van 26 maart 2025 met bijlagen, ingekomen op 27 maart 2025; - een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 31 maart 2025 met bijlagen; - het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 13 mei
  6. 2.4.
  7. Op 7 april 2025 is een journaalbericht met productie 29 ingekomen van de zijde van de man. Productie 29 betreft een eigen relaas van de man. Gelet op de twee-conclusieleer en het vereiste van verplichte procesvertegenwoordiging zal het hof productie 29 buiten beschouwing laten. 2.
  8. De mondelinge behandeling heeft op 10 april 2025 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Verder is verschenen [vertegenwoordiger van de raad] , namens de raad. 2.5.
  9. De advocaat van de vrouw heeft tijdens de mondelinge behandeling een pleitnota overgelegd en heeft deze, met uitzondering van het doorgestreepte gedeelte, voorgedragen. 2.
  10. Het hof heeft na te noemen minderjarige [minderjarige 1] in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken. Hij heeft hiervan geen gebruik gemaakt. 3De feiten 3.
  11. Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast. 3.
  12. Partijen zijn op 2 december 2014 in Turkije met elkaar getrouwd. Bij de bestreden beschikking is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 11 juli 2024 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. 3.
  13. De vrouw heeft de Turkse nationaliteit. De man heeft (in ieder geval) de Nederlandse nationaliteit. 3.
  14. Partijen zijn de ouders van: - [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2016 (hierna: [minderjarige 1] ), - [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2019 (hierna: [minderjarige 2] ), (hierna ook: de kinderen). De ouders hebben gezamenlijk het gezag over de kinderen. 4De omvang van het geschil 4.
  15. Bij de bestreden beschikking is, voor zover thans van belang: - bepaald dat de kinderen hun hoofdverblijfplaats bij de vrouw hebben; - een verdeling van zorg- en opvoedingstaken vastgesteld; - het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen afgewezen; - het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een bijdrage in haar levensonderhoud afgewezen. 4.
  16. De vrouw verzoekt in hoger beroep de bestreden beschikking te vernietigen voor wat betreft de zorgregeling, de kinderalimentatie en de partneralimentatie en, opnieuw rechtdoende: I. een zorgregeling vast te stellen inhoudende dat de kinderen om de week een weekend van zaterdag 10:00 uur tot zondag 18:00 uur bij de man verblijven, alsmede de helft van alle (school)vakanties en feestdagen, alsook de Islamitische feestdagen; II. te bepalen dat de man een kinderalimentatie dient te voldoen van € 265,- per kind per maand, althans een zodanige bijdrage als het hof juist acht; III. te bepalen dat de man een partneralimentatie dient te voldoen van € 630,- per maand, althans een zodanige bijdrage als het hof juist acht; Kosten rechtens. De grieven van de vrouw zien op: - de zorgregeling (grief I t/m XI in principaal hoger beroep); - de kinderalimentatie (grief XII t/m XXI in principaal hoger beroep); - de partneralimentatie (grief XXII t/m XII). 4.
  17. De man verzoekt in incidenteel hoger beroep de bestreden beschikking te vernietigen voor wat betreft het hoofverblijf en, opnieuw rechtdoende, uitvoerbaar bij voorraad: primair: het hoofdverblijf van de kinderen bij hem te bepalen; subsidiair: op het adres van beide ouders één kind in te schrijven. De man verzoekt aanvullend te bepalen met betrekking tot de vakanties en feestdagen dat de ouder waar de kinderen verblijven, de kinderen naar de andere ouder brengt. Kosten rechtens. De grief van de man ziet op het hoofdverblijf c.q. de inschrijving van de kinderen. 4.
  18. Het hof zal de grieven per onderwerp bespreken. 5De motivering van de beslissing Ontvankelijkheid principaal hoger beroep 5.
  19. Het meest verstrekkende verweer van de man is dat de vrouw niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar verzoeken in hoger beroep wegens misbruik van procesrecht. Het hof is van oordeel dat hetgeen de man heeft aangevoerd niet de conclusie rechtvaardigt dat de vrouw misbruik maakt van procesrecht, zodat het hof van oordeel is dat de vrouw ontvankelijk is en over zal gaan tot een inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep. Zorgregeling 5.
  20. Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen hun hoger beroep ten aanzien van de zorgregeling ingetrokken. Het hof leidt hieruit af dat partijen hun grieven tegen de zorgregeling niet langer handhaven en zal hen niet-ontvankelijk verklaren in hun verzoeken in hoger beroep over de zorgregeling. Hoofdverblijfplaats (grief in incidenteel hoger beroep) 5.
  21. De rechtbank heeft de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw bepaald. 5.3.
  22. De man kan zich met deze beslissing niet verenigen en voert in incidenteel beroep het volgende aan. Nu sprake is van een gelijkwaardige zorgregeling ziet het hoofverblijf met name op de inschrijving. De man is van mening dat inschrijving van de kinderen op zijn adres het meest in hun belang is. Ondanks het feit dat de kinderen bij de vrouw staan ingeschreven en de vrouw ook alle toeslagen en dergelijke ontvangt, is het de man die alles voor de kinderen regelt en daarnaast de verblijfsoverstijgende kosten draagt omdat de vrouw haar verantwoordelijkheden op dit punt niet nakomt. Verder spreekt de vrouw de Nederlandse taal niet en is zij afhankelijk van tolken en derden om basale zaken te regelen, hetgeen leidt tot vertragingen en onvolledige oplossingen. De vrouw heeft meermaals aangegeven niet in staat te zijn de kinderen naar sport- en schoolactiviteiten te brengen. De man daarentegen beschikt over de middelen, het netwerk en de taalvaardigheid om de kinderen een stabiele omgeving te bieden. Tenslotte heeft de man zorgen over de psychische gesteldheid van de vrouw. 5.3.
  23. De vrouw voert het volgende verweer. De vrouw acht het in het belang van de kinderen dat hun hoofdverblijf bij haar wordt vastgesteld. De kinderen hebben al drie jaar feitelijk hoofdverblijf bij de vrouw. Er is geen enkele juridische of feitelijke reden om dit te wijzigen. De man wil slechts het hoofdverblijf om geen kinderalimentatie te betalen en/of aanspraak te maken op toeslagen. De man heeft valse stukken overgelegd. De e-mails van de huisarts, de school, de dansschool en voetbal zijn door de man vervalst, hetgeen de vrouw aantoont middels verklaringen van de betreffende personen. De vrouw maakt zich op haar beurt zorgen over de psychische gesteldheid van de man. De man is bekend met depressie, angstaanvallen en paniekaanvallen. De vrouw legt stukken over met betrekking tot de medicijnen die aan de man zijn voorgeschreven. 5.3.
  24. De raad heeft tijdens de mondelinge behandeling het volgende verklaard. De kinderen verblijven evenveel tijd bij beide ouders. De raad kan dan geen duidelijk advies geven. Dan komt het aan op praktische zaken om vast te stellen welke inschrijving het meest in het belang van de kinderen is. Beide ouders kunnen alles goed regelen voor de kinderen. De kinderen hebben er geen last van als ze bij de ene dan wel bij de andere ouder staan ingeschreven. De kinderen hebben wel last van de strijd tussen de ouders en de slechte communicatie. Daar hebben de ouders hulpverlening voor nodig. In de praktijk wordt wel eens gezien dat wanneer het gaat om twee kinderen en een gelijke verdeling van zorg één kind bij de ene ouder en één kind bij de andere ouder wordt ingeschreven. 5.3.
  25. Ten aanzien van het hoofdverblijf overweegt het hof als volgt. Rechtsmacht en toepasselijk recht 5.3.
  26. Omdat de gewone verblijfplaats van de kinderen in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om te beslissen op de verzoeken van partijen aangaande de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen. Geen grieven zijn gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat Nederlands recht van toepassing is. Ook het hof zal daarom uitgaan van toepasselijkheid van Nederlands recht (vgl. HR 10 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:200). 5.3.
  27. Ingevolge artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag aan de rechter worden voorgelegd. Daartoe behoort ook, gelet op artikel 1:253a lid 2, aanhef en sub b BW, het geschil bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft. De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt. 5.3.
  28. Het hof wijst het primaire verzoek van de man, om het hoofdverblijf van beide kinderen bij hem te bepalen, af. Gelet op de feitelijke situatie dat de kinderen al gedurende drie jaar staan ingeschreven op het adres van de vrouw en er geen aanleiding is om aan te nemen dat de vrouw nalatig is in het nemen van de verantwoordelijkheden die samenhangen met het hoofdverblijf, waaronder de financiële verantwoordelijkheden, ziet het hof – evenals de rechtbank – geen aanleiding om het hoofdverblijf van beide kinderen bij de man te bepalen. Ook het subsidiaire verzoek van de man om bij iedere ouder een kind in te schrijven, wijst het hof af. Indien een kind bij de man en een kind bij vrouw staat ingeschreven, hebben zij ieder een andere ouder als eindverantwoordelijke voor hun verblijfsoverstijgende kosten. Gelet op het verschil in inkomen tussen de ouders en de discussies over deze kosten tussen hen, bestaat het risico dat er een verschil in uitgavenpatroon voor de kinderen zal ontstaan en dat de kinderen daar last van gaan krijgen. Het hof acht dit niet in hun belang van. Het hof zal de beschikking van de rechtbank op het punt van het hoofdverblijf dan ook bekrachtigen. Kinderalimentatie (grief XII t/m XXI) en partneralimentatie Rechtsmacht en toepasselijk recht 5.
  29. Omdat de Nederlandse rechter bevoegd is met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding, heeft hij tevens rechtsmacht met betrekking tot het verzoek tot vaststellen van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen en met betrekking tot het verzoek tot vaststelling van een bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw. Geen grieven zijn gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat Nederlands recht van toepassing is. Ook het hof zal daarom uitgaan van toepasselijkheid van Nederlands recht (vgl. HR 10 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:200). Ingangsdata Kinderalimentatie 5.
  30. De rechtbank heeft overwogen dat partijen het er op de mondelinge behandeling over eens zijn geworden dat voor de ingangsdatum van een eventueel vast te stellen bijdrage kan worden uitgegaan van de datum van de beschikking, te weten 18 juni
  31. De rechtbank heeft uiteindelijk geen kinder- of partneralimentatie vastgesteld. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft de man aangevoerd dat, indien het hof wel zou komen tot het opleggen van een bijdrage, deze pas moet ingaan op de datum van de beschikking van het hof. 5.5.
  32. Het hof zal een eventuele kinderbijdrage laten ingaan op de datum van de beschikking van de rechtbank: 18 juni
  33. De man heeft er in ieder geval vanaf het moment van indiening van het verzoekschrift door de vrouw rekening mee kunnen houden dat er een bijdrage zou kunnen worden opgelegd. Hij heeft verder geen argumenten aangevoerd tegen de bij de rechtbank overeengekomen ingangsdatum. Partneralimentatie 5.5.
  34. De partneralimentatie kan niet eerder kan ingaan dan op de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. Daarom zal het hof deze ingangsdatum vaststellen op 11 juli
  35. Betrouwbaarheid van de stukken; artikel 21 Rv 5.
  36. Van een groot aantal van de door de man in het geding gebrachte stukken heeft de vrouw gemotiveerd gesteld en onderbouwd dat deze vervalst zijn. Zo heeft de man als productie 21 bij brief van 27 maart 2025 een e-mail overgelegd d.d. 6 januari 2025 die afkomstig zou zijn van [eigenaresse dansschool] van [dansschool] . In deze e-mail worden negatieve uitlatingen gedaan over de vrouw en wordt beweerd dat er betalingsachterstanden zijn. De vrouw heeft als productie 3 bij brief van 31 maart 2025 een e-mail overgelegd van [eigenaresse dansschool] waarin zij schrijft dat de door de man overgelegde e-mail niet van haar afkomstig is. Het e-mailadres in de e-mail die de man heeft overgelegd komt niet overeen met het e-mailadres dat op de website van de dansschool staat vermeld en waarvan de door de vrouw overgelegde e-mail wel afkomstig is. De man heeft zijn enkele bewering tijdens de mondelinge behandeling, dat de eigenaresse van de dansschool terugkomt op haar eerdere verklaring omdat de vrouw zou hebben gedreigd met negatieve reviews, niet verifieerbaar onderbouwd. De man is niet ingegaan op de discrepantie in de e-mailadressen. Als productie 23 bij brief van 27 maart 2025 heeft de man een e-mail overgelegd d.d. 24 januari 2025, die afkomstig zou zijn van zijn huisarts, dokter [huisarts] . In deze e-mail staat dat de medicijnen in het door de vrouw overgelegde medicijnenoverzicht niet aan de man zijn voorgeschreven. De man heeft over deze medicijnen, die zijn voorgeschreven aan ‘ [voorletter + achternaam man] ’ beweerd dat deze aan zijn tweelingbroer, [voornaam tweelingbroer 1] , zijn voorgeschreven. De man heet [voornaam man] , dus beiden hebben de voorletter ‘ [voorletter] ’. De vrouw heeft dit betwist en stelt dat de tweelingbroer van de man geen [voornaam tweelingbroer 1] maar [voornaam tweelingbroer 2] heet. De vrouw legt als productie 4 bij brief van 31 maart 2025 een e-mail over van [huisarts] , huisarts, d.d. 31 maart 2025, waarin zij aangeeft dat de door de man overgelegde e-mail niet van haar noch van een van de medewerkers van haar huisartsen-praktijk afkomstig is. Gelet op het gebruikte mailadres, het taalgebruik en de ondertekening van deze e-mail acht het hof het aannemelijk dat deze laatste mail daadwerkelijk van de betreffende huisarts afkomstig is, en de eerste (door de man overgelegde) niet. Bij productie 23 heeft de man tevens een schriftelijk stuk overgelegd van MijnOverheid, welke uitdraai betrekking heeft op [voornaam + achternaam tweelingbroer 1] , geboortedatum [geboortedatum] 1987, geboorteplaats [geboorteplaats] , Turkije (dezelfde geboortedatum en -plaats als de man), Burgerservicenummer: [burgerservicenummer] . Gelet op de stellingen van partijen, die lijnrecht tegenover elkaar staan, heeft het hof de Basisregistratie Personen (BRP) geraadpleegd. Het Burgerservicenummer [burgerservicenummer] bestaat niet. Er komt wel een [voornaam + achternaam tweelingbroer 1] voor in de BRP, maar deze persoon heeft een andere geboortedatum en -plaats en andere ouders dan de man. Uit het BRP-uittreksel van de ouders van de man blijkt dat zij geen kind hebben dat [voornaam tweelingbroer 1] heet en dat de tweelingbroer van de man [voornaam tweelingbroer 2] heet. Het door de man overgelegde stuk van MijnOverheid is dus vervalst. De man heeft als productie 24 een e-mail d.d. 26 maart 2025 in de Turkse taal overgelegd die afkomstig zou zijn van [advocaat] , advocaat in Turkije, met daarachter een Nederlandse vertaling. Uit deze e-mail zou moeten blijken dat de vrouw de man in Turkije heeft beschuldigd van terrorisme en het aanhangen van gedachtegoed dat strookt met de denkbeelden van Atatürk. Als gevolg van deze beschuldigingen zou de man direct worden gearresteerd indien hij naar Turkije reist. De vrouw legt als productie 5 bij brief van 31 maart 2025 een e-mail d.d. 28 maart 2025 in de Turkse taal over van [advocaat] , met daarachter een Nederlandse vertaling. In deze e-mail beweert advocaat [advocaat] dat het e-mailadres waarvan de door de man overgelegde e-mail is verstuurd, niet van hem is, dat hij de e-mail niet heeft geschreven en dat hij niet bekend is met en geen bemoeienissen heeft gehad met de man en de vrouw. Ook de schrijfstijl van de door de man overgelegde e-mail maakt duidelijk dat deze niet door een advocaat is geschreven, aldus [advocaat] . Het hof is van oordeel dat van de in het voorgaande genoemde door de man overgelegde stukken vast is komen te staan dat deze door hem zijn vervalst. De man heeft dus niet voldaan aan de in artikel 21 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) neergelegde verplichting om de rechter volledig en naar waarheid te informeren. Het hof mag hieraan de gevolgtrekking verbinden die het geraden acht. 5.6.
  37. Ook de door de man overgelegde inkomensgegevens en andere stukken die hij heeft overgelegd ter onderbouwing van zijn draagkracht worden door de vrouw gemotiveerd in twijfel getrokken. Zo heeft de advocaat van de vrouw tijdens de mondelinge behandeling uitgebreid toegelicht dat er discrepanties zijn in de jaaropgave
  38. Er is een vreemde verkleuring te zien op de overgelegde kopie en de tekst verspringt op een vreemde manier. Bij de functie-code staat “Assistent Letselscha”, vermeld, waardoor het lijkt alsof er een stuk tekst is weggevallen. Dit is ook het geval bij de salarisspecificaties januari t/m maart
  39. Ook is het woord “nee” achter “Auto van de zaak” in de jaaropgaaf versprongen naar een volgende regel. In de salarisstroken staat dit woord wel op dezelfde regel. De man heeft aangevoerd dat er geen reden is om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de salarisspecificaties. De man heeft in het kader van zijn draagkracht aangevoerd dat rekening moet worden gehouden met de aflossing van (huwelijkse) schulden. De advocaat van de vrouw heeft tijdens de mondelinge behandeling gesteld dat de bewijsstukken van deze schulden en de aflossing hiervan vals zijn. Zo is van de brief van DUO niet te zien van welke datum deze brief is en is driekwart van de pagina niet zichtbaar. Het verschil in hoogte van de DUO-schuld op 2 mei 2024 en 26 maart 2025 is maar € 500,- terwijl de man stelt op deze schuld met een bedrag van € 450,- per maand af te lossen. De man heeft aangevoerd dat hij heeft ingelogd en een print screen heeft gemaakt. Volgens de man heeft hij slechts vier of vijf maanden niet afgelost op de DUO-schuld omdat er andere schulden waren die voorrang behoefden. De vrouw heeft daarop gesteld dat, voor zover deze stelling van de man al juist zou zijn, ook dan het verschil in hoogte van de schuld op de genoemde data groter had moeten zijn. Ten aanzien van de schuld aan de belastingdienst heeft de man als productie 33 bij verweerschrift in eerste aanleg een stuk overgelegd met betrekking tot door hem op 22 januari 2024 gevraagd uitstel van betaling ten aanzien van toeslagen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de advocaat van de vrouw aangevoerd dat dit stuk niet is gedateerd, er geen BSN-nummer op staat, geen aanslagnummer, de kantlijn niet klopt en het maar de helft van een brief lijkt te zijn. Er is ook geen recent overzicht overgelegd. De vrouw is dan ook van mening dat ook dit stuk door de man zelf in elkaar is gezet, geknipt en geplakt. Bovendien, voor zover die schuld er al was, had deze al lang afgelost kunnen zijn. De man heeft, onder verwijzing naar stukken in eerste aanleg, aangevoerd dat de schuld bij de belastingdienst zo’n € 9.000,- bedraagt en dat bij productie 28 aflossingsbewijzen zijn overgelegd. De man heeft steeds bewijzen van de schulden en aflossingsbewijzen op dezelfde wijze in rechte aangeleverd en pas nu wordt daar door de vrouw bezwaar tegen gemaakt. Met betrekking tot de aflossingen op alle door de man gestelde schulden heeft de advocaat van de vrouw tijdens de mondelinge behandeling aangevoerd dat deze gestelde aflossingen niet zijn onderbouwd met bankafschriften. Het gaat om vensters in internetbankieren, die door de man zelf zijn gefabriceerd en dus vals zijn. Het hof is allereerst van oordeel dat het de vrouw ook in dit stadium van de procedure vrij staat om standpunten van de man te weerspreken op de wijze zoals zij heeft gedaan. Het hof is van oordeel dat de man de door de vrouw opgeworpen vragen over de onregelmatigheden in de door hem overgelegde inkomensgegevens alsmede in de bewijsstukken ten aanzien van de schulden, onvoldoende heeft beantwoord. Zo zijn bijvoorbeeld de discrepanties in de salarisstroken niet opgehelderd. Bij consequente door de man gestelde aflossing op de DUO-schuld zou de schuld aanzienlijk lager zijn dan thans kennelijk het geval is. Een recent overzicht van de belastingschuld ontbreekt. Met de vrouw stelt het hof vast dat er geen bankafschriften zijn overgelegd die de gestelde aflossingen aantonen en stelt het hof ook vast dat de door man wel overgelegde stukken mogelijk niet authentiek zijn. Nu – zoals is geoordeeld in rov. 5.
  40. – de man in ieder geval een aantal van de door hem overgelegde stukken heeft vervalst en hij de bedenkingen die de vrouw heeft opgeworpen tegen de door hem overgelegde financiële stukken onvoldoende heeft weerlegd, zijn deze (financiële) stukken naar het oordeel van het hof onvoldoende betrouwbaar. Het hof kan deze stukken daarom niet gebruiken om de draagkracht van de man vast te stellen. Gelet op de waarheids- en volledigheidsplicht van artikel 21 Rv heeft de rechter de bevoegdheid om hieraan de gevolgtrekking te verbinden die hij geraden acht. Dit is een discretionaire bevoegdheid van de rechter, hetgeen impliceert dat de rechter de vrijheid heeft om hieraan die consequenties te verbinden die hij in overeenstemming acht met de aard en de ernst van de schending van de uit artikel 21 Rv voortvloeiende verplichting en de omstandigheden van het geval (vgl. HR van 25 maart 2011 ECLI:NL:HR:2011:BO 9675). In de onderhavige zaak verbindt het hof aan het niet voldoen aan deze verplichting de gevolgtrekking dat de man niet aannemelijk gemaakt dat hij niet in staat is de door de vrouw verzochte bijdragen te voldoen. Hetgeen overigens is aangevoerd behoeft reeds daarom geen nadere bespreking. Het hof zal dan ook de verzoeken van de vrouw ten aanzien van de kinder- en partneralimentatie toewijzen. Dit betekent dat de man met ingang van 18 juni 2024 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] aan de vrouw een bedrag van € 265,- per kind per maand dient te betalen en met ingang van 11 juli 2024 als bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw een bedrag van € 630,- bruto per maand. Ingevolge de wettelijke indexering bedragen deze bijdragen met ingang van 1 januari 2025 € 282,23 per kind per maand, respectievelijk en € 670,95 bruto per maand. 6De slotsom in het principaal en het incidenteel hoger beroep 6.
  41. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, gedeeltelijk vernietigen en beslissen als volgt. 6.
  42. Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen gewezen echtgenoten zijn. 7De beslissing Het hof: verklaart partijen niet-ontvankelijk in hun verzoeken in hoger beroep over de zorgregeling; vernietigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, Breda , van 18 juni 2024, voor zover aan het betreft de kinder- en de partneralimentatie, en in zoverre opnieuw beschikkende: bepaalt dat de man aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2016 en [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2019 zal voldoen: - met ingang van 18 juni 2024 tot 1 januari 2025 € 265,- per kind per maand; - met ingang van 1 januari 2025 € 282,23 per kind per maand, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen; bepaalt dat de man aan de vrouw als uitkering tot haar levensonderhoud zal betalen: - met ingang van 11 juli 2024 tot 1 januari 2025 € 630,- bruto per maand; - met ingang van 1 januari 2025 € 670,95 bruto per maand, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen; verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad; compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt; wijst af het meer of anders verzochte. Deze beschikking is gegeven door mrs. E.M.D.M van der Linden, E.M.C. Dumoulin en G.M. Goes, en is op 5 juni 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.