GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team Handelsrecht Uitspraak : 5 juni 2025 Zaaknummer : 200.353.737/01 Zaaknummer eerste aanleg : [insolventienummer] in de zaak in hoger beroep van: [appellant] , wonende te [woonplaats] , appellant, hierna te noemen: [appellant] , advocaat: mr. A.P. van Elswijk te Rotterdam. 1Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst naar het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 11 april
- 2Het geding in hoger beroep 2.
- Bij beroepschrift met één bijlage, ontvangen op 18 april 2025, heeft [appellant] verzocht voormeld vonnis te vernietigen. 2.
- Omdat over de goederen die aan [appellant] toebehoren of zullen toebehoren een bewind is ingesteld (artikel 1:431 lid 1 BW), is de beschermingsbewindvoerder opgeroepen voor de mondelinge behandeling, om zijn visie op het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling te geven (vgl. HR 25 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV4021). 2.
- De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 21 mei
- Bij die gelegenheid zijn gehoord: [appellant] , bijgestaan door mr. Van Elswijk. mevrouw [de bewindvoerder] , hierna te noemen: de bewindvoerder; de heer [de nieuwe beschermingsbewindvoerder] (naar verwachting de beschermingsbewindvoerder van [appellant] vanaf 22 mei 2025), hierna te noemen: de beschermingsbewindvoerder; mevrouw [ambulant zorgbegeleider] , [instantie] ambulant zorgbeleider van [appellant] . De heer [de huidige beschermingsbewindvoerder] (de huidige beschermingsbewindvoerder) is, hoewel op juiste wijze opgeroepen, na zich telefonisch te hebben afgemeld bij het hof, niet ter zitting verschenen. 2.
- Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van: - de brief met bijlagen van de bewindvoerder van 15 mei 2025; - het proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg op 19 februari 2025, overgelegd door mr. Van Elswijk op de mondelinge behandeling in hoger beroep; - de op de mondelinge behandeling in hoger beroep door mr. Van Elswijk overgelegde en voorgelezen spreekaantekeningen. 3De beoordeling 3.
- Bij vonnis van 12 oktober 2022 is ten aanzien van [appellant] de toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken. 3.
- De bewindvoerder heeft op 2 januari 2025 een verzoek gedaan om de schuldsaneringsregeling tussentijds te beëindigen. Hiertoe heeft zij aangevoerd dat [appellant] haar onder andere niet informeerde over zijn verhuizingen. Daarnaast is er een boedelachterstand ontstaan van (t/m december 2024) € 4.402,19 omdat [appellant] niet regulier heeft afgedragen. Ten slotte is er een nieuwe schuld ontstaan door opgelegde parkeerboetes. 3.
- Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank op de voet van artikel 350 lid 3 aanhef en sub c en sub d Faillissementswet (Fw) de toepassing van de schuldsaneringsregeling op verzoek van de bewindvoerder van 2 januari 2025 tussentijds beëindigd, nu [appellant] een of meer van zijn uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren nakomt of door zijn doen of nalaten de uitvoering van de schuldsaneringsregeling anderszins belemmert dan wel frustreert en bovenmatige schulden doet of laat ontstaan. Aangezien er baten zijn voor uitdeling verkeert [appellant] van rechtswege in staat van faillissement zodra de uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan. 3.
- De rechtbank heeft dit als volgt gemotiveerd. “2.
- De rechtbank is gezien het voorgaande van oordeel dat [appellant] in de nakoming van meerdere uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen is tekortgeschoten, te weten de afdrachtverplichting, de informatieverplichting en de verplichting om geen nieuwe schulden te laten ontstaan. Die tekortkoming kan ook aan [appellant] worden toegerekend. [appellant] is arbeidsongeschikt en hij ontvangt een Wajong-uitkering. In het kader van de schuldsaneringsregeling is het bezit van de auto niet noodzakelijk, omdat deze niet nodig is voor woon- werkverkeer. Dat [appellant] er voor kiest om de auto niet van de hand heeft tot gevolg dat zijn budget onder druk staat. Door de kosten van de auto kan niet of te weinig worden afgedragen aan de boedel. Tevens zijn er parkeerboetes ontstaan. Daarbij komt dat [appellant] de bewindvoerder niet of onvoldoende informeert, waardoor de bewindvoerder verstoken blijft van belangrijke informatie. Zo is [appellant] verhuisd, zonder dit tijdig aan de bewindvoerder door te geven. 2.
- De rechtbank ziet geen, althans onvoldoende, gronden om te bepalen dat de tekortkoming gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis buiten beschouwing mag blijven. 2.
- De tekortkoming ziet toe op een lange periode. Gelet op de duur, de omvang en ernst van de tekortkoming acht de rechtbank geen gronden aanwezig voor een verlenging van de schuldsaneringsregeling. 2.
- [appellant] heeft bovendien onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij met zijn huidige inkomen of op een andere wijze de boedelachterstand alsmede de nieuwe schulden gedurende een eventuele verlenging van twee jaar kan inlopen. Van een onderbouwd plan anderszins dat ertoe strekt de boedelachterstand en de nieuwe schulden in te lopen is ook geen sprake. 2.
- Naar het oordeel van de rechtbank is er, gelet op hel voorgaande, geen grond om de schuldsaneringsregeling voort te zetten. De rechtbank heeft niet het vertrouwen dat [appellant] zich in het vervolg wel zal houden aan de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen.” 3.
- [appellant] kan zich met deze beslissing niet verenigen en is hiervan in hoger beroep gekomen. [appellant] heeft in het beroepschrift – zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd. [appellant] is ter zitting van de rechtbank van 19 februari 2025 niet verschenen en heeft dan ook zijn standpunt over de voorgestelde beëindiging niet naar voren kunnen brengen. Zo verbaast het [appellant] dat er een nieuwe schuld aan de zorgverzekeraar is ontstaan, nu de betaling van de premie tot nu toe geen probleem is geweest. [appellant] is bereid de auto van de hand te doen indien er een alternatief bestaat om zijn dochter in [plaats 1] te bezoeken. Het bedrag van € 27,00 per maand dat nu voor hem beschikbaar is gesteld om met het openbaar vervoer te gaan, is hiervoor te weinig. Dit bedrag kan wellicht worden opgehoogd als de auto wordt verkocht. De opslag is per 1 april 2025 beëindigd hetgeen weer meer financiële ruimte oplevert. Daarnaast is er nog een mogelijkheid om binnen een redelijke termijn de boedelachterstand in te lopen aangezien [appellant] op 23 april in dienst treedt van de firma [firma] te [plaats 2] . Zijn inkomen zal naar verwachting dan € 800,- tot € 1.000,- per maand meer gaan bedragen dan zijn huidige Wajong-uitkering. [appellant] is bereid om naast deze baan nog een tweede dienstbetrekking aan te gaan om op deze wijze meer inkomen voor de boedel te genereren. Hij wil alles proberen om aan te tonen dat het hem ernst is om de schone lei verwerven. 3.
- Hieraan is door en namens [appellant] ter zitting in hoger beroep – zakelijk weergegeven – het volgende toegevoegd. [appellant] krijgt vanaf morgen, naar verwachting, een nieuwe beschermingsbewindvoerder (de heer [de nieuwe beschermingsbewindvoerder] ) waar hij veel vertrouwen in heeft. [appellant] werkt niet meer bij [firma] , maar begint over enkele dagen met een cursus om beveiliger te worden. Hij zal een maand na het beginnen van deze cursus het leren gaan combineren met een baan. Met deze nieuwe baan tijdens deze cursus zal hij zo’n € 500,- tot € 700,- per maand meer gaan verdienen (afhankelijk van welke positie en welk rooster hij krijgt). Daarnaast zijn er andere uitgavenposten van [appellant] waar hij inmiddels op heeft bespaard of nog op gaat besparen. De auto heeft [appellant] voor zijn werk nodig, omdat hij naar diverse werkplekken gestuurd kan worden en er ’s nachts geen openbaar vervoer beschikbaar is. 3.
- De bewindvoerder heeft in haar reactie op het beroepschrift van 15 mei 2025 – zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd. [appellant] was wel aanwezig op de zitting van 19 februari 2025 en op deze zitting is hem gelegenheid geboden om voor 1 april 2025 een financieel plan aan te leveren waaruit blijkt hoe de boedelachterstand in een verlenging kan worden ingelopen. De gemeente [woonplaats] heeft beslag gelegd op de uitkering van [appellant] vanwege de parkeerboetes. Hierdoor was de bewindvoerder niet in staat om alle vaste lasten te betalen. De nieuwe achterstand bij de zorgverzekeraar is € 763,
- [appellant] is nu wel bereid om zijn auto van de hand te doen, als er een alternatief bestaat om zijn dochter te bezoeken. Gezien het bedrag van € 1.646,55 aan parkeerboetes dat openstaat, is de bewindvoerder van mening dat [appellant] zich niet in de positie verkeert om eisen te stellen. Ook is er al een alternatief, namelijk het openbaar vervoer, waarvoor de kosten lager zijn dan de auto. Ten slotte is er te weinig bekend over de nieuwe dienstbetrekking van [appellant] . Het aantal werkuren en de hoogte van het loon is onbekend. De aflossingscapaciteit kan dus niet worden berekend. De geschatte boedelachterstand is € 6.173,
- 3.
- Hieraan is door de bewindvoerder ter zitting in hoger beroep – zakelijk weergegeven – het volgende toegevoegd. Het is positief dat er een nieuwe beschermingsbewindvoerder wordt benoemd en dat [appellant] inmiddels een parkeervergunning heeft zodat er geen nieuwe parkeerboetes bij zullen komen. De bewindvoerder heeft er in deze nieuwe situatie vertrouwen in dat [appellant] elke week contact zal opnemen over de stand van zaken aangezien hij dat ter zitting heeft verklaard. De boedelachterstand zal moeten worden ingelopen uit het vrij te laten bedrag. Het gaat om een behoorlijk bedrag, dus het is de bewindvoerder niet zonder meer duidelijk hoe [appellant] dit in twee jaar tijd in zou kunnen lopen. 3.
- Het hof komt tot de volgende beoordeling. 3.9.
- Het hof dient, gelet op het bepaalde in artikel 350 lid 3 aanhef en sub c en d Fw, te beoordelen of er bij [appellant] sprake is van het niet naar behoren nakomen van één of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen of het door zijn doen of nalaten anderszins belemmeren dan wel frustreren van de uitvoering van de schuldsaneringsregeling en het doen of laten ontstaan van bovenmatige schulden. 3.9.
- Gelet op de inhoud van de processtukken en op hetgeen ter gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep namens [appellant] naar voren is gebracht, is het hof van oordeel dat het zich onvoldoende voorgelicht acht om een weloverwogen beslissing te kunnen nemen over het al dan niet tussentijds beëindigen van de wettelijke schuldsaneringsregeling en de eventuele gevolgen daarvan voor de looptijd van de wettelijke schuldsanering. Het hof kan op basis van de processtukken niet nagaan of het reëel is om aan te nemen dat [appellant] in staat is om in een verlenging van de looptijd zijn tekortkomingen in de nakoming van zijn verplichtingen te herstellen. [appellant] zal hiervoor een financieel plan moeten aanleveren waarin duidelijk staat aangegeven wanneer en uit welke middelen [appellant] extra geld kan afdragen om de boedelachterstand in te lopen en de nieuwe schulden af te betalen. Ook wil het hof een afschrift van de benoeming van de nieuwe beschermingsbewindvoerder ontvangen. Daarnaast moet [appellant] , al dan niet via de nieuwe beschermingsbewindvoerder, alle ontbrekende informatie aan de bewindvoerder doen toekomen. In het bijzonder gaat het om de informatie die nodig is om het vrij te laten bedrag te kunnen berekenen, bijvoorbeeld loonstroken, arbeidscontracten, bankafschriften en correspondentie betreffende structurele uitgaven. De bewindvoerder krijgt vervolgens de tijd om op al deze informatie te reageren en haar standpunt te geven over het al dan niet verlengen van de looptijd van de schuldsaneringsregeling. 3.9.
- Het hof zal de behandeling van de zaak aanhouden tot 1 september 2025 om [appellant] en zijn advocaat gelegenheid te geven om alle stukken die relevant zijn of kunnen zijn voor een goed verloop van de wettelijke schuldsaneringsregeling aan de bewindvoerder en aan het hof over te leggen. Deze stukken moeten uiterlijk op 15 augustus 2025 bij de bewindvoerder zijn aangeleverd, zodat zij de mogelijkheid heeft om uiterlijk 1 september 2025 op de stukken te reageren. 3.9.
- Afhankelijk van de inhoud van de overgelegde stukken zal het hof na ontvangst van schriftelijke informatie van [appellant] de zaak hetzij op de stukken afdoen dan wel een nieuwe mondelinge behandeling gelasten. 3.
- Al hetgeen hiervoor is overwogen leidt tot de volgende beslissing. 4De uitspraak Het hof: houdt de behandeling aan tot 1 september 2025 PRO FORMA; houdt iedere verdere beslissing aan. Dit arrest is gewezen door mrs. J.I.M.W. Bartelds, R.R.M. de Moor en M.W.M. Souren en in het openbaar uitgesproken op 5 juni 2025.