← Nederland

ECLI:NL:GHSHE:2025:1590

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team Handelsrecht zaaknummer 200.325.605/01 arrest van 10 juni 2025 in de zaak van [appellant] , wonende te [woonplaats] , appellant in principaal hoger beroep, geïntimeerde in incidenteel hoger beroep, hierna aan te duiden als [appellant] , advocaat: mr. S.L. Smits-Emons te Echt, tegen 1 [geïntimeerde sub 1] ,wonende te [woonplaats] ,

  1. [geïntimeerde sub 2] ,wonende te [woonplaats] , geïntimeerden in principaal hoger beroep, appellanten in incidenteel hoger beroep, hierna aan te duiden als [geïntimeerden sub 1 + 2] , advocaat: mr. J.B.Th. van 't Grunewold te Roermond, met als op grond van artikel 118 Rv in het geding geroepen partij: [geïntimeerde na oproeping] ,wonende te [woonplaats] , geïntimeerde na oproeping ex artikel 118 Rv, hierna aan te duiden als [geïntimeerde na oproeping] , niet verschenen. als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 28 januari 2025 in het hoger beroep van het door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, onder zaaknummer C/03/302728 / HA ZA 22-120 gewezen vonnis van 22 februari 2023, zoals aangevuld en verbeterd bij herstelvonnis van 29 maart 2023, gewezen tussen [appellant] als gedaagde in conventie, eiser in reconventie, [geïntimeerden sub 1 + 2] als eiseressen in conventie, verweersters in reconventie, en [geïntimeerde na oproeping] als gedaagde in conventie. 5Het verloop van de procedure Het verloop van de procedure blijkt uit: het tussenarrest van 28 januari 2025; de akte uitlaten na tussenarrest van [appellant] , met producties; de akte houdende in het geding brengen producties van [geïntimeerden sub 1 + 2] , met producties 40 en
  2. Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. 6De verdere beoordeling in principaal en incidenteel hoger beroep de wijzigingen van eis 6.1.
  3. Bij genoemd tussenarrest heeft het hof [appellant] in de gelegenheid gesteld de wijzigingen van eis alsnog aan (de erven van) [geïntimeerde na oproeping] te betekenen. Het hof stelt vast dat dit intussen is gebeurd. (De erven van) [geïntimeerde na oproeping] (zijn) is niet in het geding verschenen. 6.1.
  4. [geïntimeerden sub 1 + 2] hebben geen bezwaar gemaakt tegen de eiswijzigingen van [appellant] . Het hof ziet ook geen aanleiding de eiswijziging ambtshalve buiten beschouwing te laten wegens strijd met de goede procesorde. Recht zal worden gedaan op de gewijzigde eis. 6.1.
  5. Bij akte uitlaten na tussenarrest heeft [appellant] medegedeeld dat [geïntimeerde sub 1] is overleden en dat mogelijkerwijs om die reden schorsing van het geding zal worden verzocht. Bij de akte in het geding brengen producties van [geïntimeerden sub 1 + 2] is bevestigd dat [geïntimeerde sub 1] intussen is overleden en dat haar echtgenoot ( [echtgenoot] , executeur in de nalatenschap van [geïntimeerde sub 1] ) de gerechtelijke procedure wenst voort te zetten. Het hof overweegt dat schorsing van de procedure krachtens het bepaalde in artikel 225 Rv niet van rechtswege plaats vindt. Schorsing vindt immers plaats door betekening van de ingeroepen grond voor de schorsing aan de wederpartij dan wel door een daartoe strekkende akte ter rolle. Bij gebreke hiervan wordt op grond van artikel 225 lid 2 Rv het geding op naam van de oorspronkelijke partij, in dit geval [geïntimeerde sub 1] , voortgezet. In deze zaak is geen sprake van betekening van een ingeroepen schorsingsgrond en evenmin van een daartoe strekkende akte. Het hof stelt gelet op het voorgaande daarom vast dat de procedure wordt voortgezet namens [geïntimeerde sub 1] en zal daarom arrest wijzen. de geldlening aan [appellant] 6.2.
  6. Grief II in principaal hoger beroep richt [appellant] tegen het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de overeenkomst van geldlening tussen [vader van appellant] en zichzelf. Hij stelt daartoe dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat niet kan worden aangenomen dat de geldleningsovereenkomst door [vader van appellant] is opgezegd, en daarmee is verjaard, of is kwijtgescholden. Hij voert ter onderbouwing aan dat uit de verklaring van de accountant van [vader van appellant] , de heer [persoon 1] , duidelijk blijkt dat [vader van appellant] de geldleningsovereenkomst twee keer heeft opgezegd, namelijk op 21 februari 2014 en op 8 januari
  7. De gemachtigde van [geïntimeerden sub 1 + 2] heeft zich ook op het standpunt gesteld dat [vader van appellant] de geldleningsovereenkomst meerdere keren heeft opgezegd. Tegenstrijdigheid tussen de mailberichten van [persoon 1] van 30 maart 2022 en van 29 juni 2021 doet zich niet voor. [persoon 1] bevestigt enerzijds dat [vader van appellant] meermaals heeft verzocht de geldleningsovereenkomst af te lossen en anderzijds dat [vader van appellant] de geldleningsovereenkomst heeft opgezegd. De betekenis is het zelfde. Het gaat om een geldleningsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Om deze geldlening op te eisen moet de uitlenende partij eerst uitdrukkelijk aanspraak maken op terugbetaling van de lening. Op grond van artikel 7:129e BW was [appellant] gehouden het geleende bedrag binnen 6 weken daarna terug te betalen. Vanaf dat moment is de verjaringstermijn gaan lopen, zodat de vordering is verjaard. Nadat [vader van appellant] de geldlening had opgezegd, heeft hij [appellant] de lening kwijtgescholden: [appellant] hoefde alleen nog rente te betalen. Anders dan de rechtbank meent, heeft de opzeggingsverklaring van [vader van appellant] hem wel bereikt, zo stelt hij. 6.2.
  8. [geïntimeerden sub 1 + 2] betogen dat [vader van appellant] de overeenkomst van geldlening nimmer heeft opgezegd, maar uitsluitend bij [appellant] heeft aangedrongen op terugbetaling van de lening. [vader van appellant] was er als hoogbejaarde ook niet de persoon naar om de geldlening integraal en dwingend van zijn zoon op te eisen. Als [vader van appellant] de lening daadwerkelijk had opgezegd had hij deze niet nog eens hoeven opzeggen. [persoon 1] is geen juridisch geschoold persoon. Dat hij spreekt over opgezegd heeft ongetwijfeld te maken met de aan hem voorgelegde vraag. Hij zal de strekking van zijn bevestiging niet hebben doorzien. Deze vermeende opzegging is ook niet gevolgd door een bevestiging van de opzegging en een aanspraak op algehele terugbetaling. Partijen zijn het er dan ook niet over eens dat [vader van appellant] tijdens zijn leven de lening meerdere keren heeft opgezegd. Dat geen sprake is van opzegging blijkt ook uit de buitengerechtelijke correspondentie. [vader van appellant] heeft nooit geschonken aan zijn kinderen. Hij was zeer op de cent. Van een schenking die niet is gecommuniceerd met de andere kinderen en niet met de accountant in verband met de aangifte IB is geen sprake. 6.2.
  9. Het hof komt tot het volgende oordeel. In de overeenkomst van geldlening tussen [vader van appellant] en [appellant] van 12 januari 2011 is onder andere bepaald:
  10. Aflossing zal in onderling overleg plaatsvinden. In ieder geval zal direct worden afgelost het bedrag dat door B wordt ontvangen wegens verkoop van door hem, in privé, in eigendom behorende onroerende zaken. Betalingen worden eerst in mindering gebracht op verschuldigde renten en daarna op verschuldigde hoofdsommen. (…)
  11. De geldlening is steeds met onmiddellijke ingang opzegbaar en opeisbaar.” Er is in de overeenkomst dus een duidelijk onderscheid gemaakt tussen het in onderling overleg aflossen van de lening enerzijds, en de opzegging en opeisbaarheid anderzijds. 6.2.
  12. Dat van opzegging sprake is geweest, blijkt volgens [appellant] uit de e-mails van [persoon 1] . In de e-mail van 29 juni 2021 aan de toenmalige gemachtigde van [geïntimeerden sub 1 + 2] schrijft [persoon 1] : “In antwoord op uw mail van 22 juni 2021 bevestigen wij u dat [vader van appellant] meerdere malen, zoon [appellant] verzocht heeft de geldleningsovereenkomst tussen zoon en erflater af te lossen.” In zijn e-mail van 30 maart 2022 aan de advocaat van [appellant] schrijft [persoon 1] : “Naar aanleiding van uw verzoek 17 maart j.l. bevestig ik nogmaals dat zowel op 21 februari 2014 als ook op 8 januari 2015 door wijlen [vader van appellant] de geldleningsovereenkomst werd opgezegd.” In de eerste e-mail spreekt [persoon 1] over het aandringen op aflossen van de geldlening en in de tweede e-mail over een opzegging. Daaruit volgt dus niet zonder meer de juistheid van het standpunt van [appellant] , temeer niet nu niet valt in te zien om welke reden twee keer tot opzegging zou zijn overgegaan. Als het de bedoeling van [vader van appellant] zou zijn geweest om op te zeggen teneinde de geleende geldsom ineens te kunnen opeisen, dan had dat na de eerste keer al kunnen gebeuren. Daarvan blijkt niets. Integendeel, [persoon 1] heeft in de aangifte IB en daarna in de aangifte erfbelasting ingevuld dat er (op moment van overlijden van [vader van appellant] ) sprake was van een rentedragende lening. Dat rijmt niet met ‘opzegging’. Daar komt bij dat een al opgezegde overeenkomst niet nog een keer kan – en hoeft – te worden opgezegd. Dat [appellant] en [vader van appellant] in die gesprekken hebben gesproken over een aflossing op de lening als bedoeld in artikel 3 van de overeenkomst van geldlening past ook meer bij hetgeen [appellant] daar tijdens de mondelinge behandeling bij de rechtbank zelf over heeft verklaard: “ [appellant] verklaart verder dat wijlen vader hem in eerste instantie om aflossing van de lening had gevraagd maar uiteindelijk alleen rente wilde toen hij van [appellant] vernam dat hij onvoldoende inkomsten uit de kermis genoot om de lening af te lossen.” [appellant] is vervolgens ook doorgegaan met het betalen van de rente. 6.2.
  13. Daar komt bij dat [appellant] het standpunt dat [vader van appellant] de lening heeft opgezegd pas is gaan innemen toen de toenmalige gemachtigde van [geïntimeerden sub 1 + 2] aan hem mededeelde dat zij van de boekhouder had begrepen dat de geldlening al tijdens het leven van [vader van appellant] was opgeëist. In de eerdere e-mail van 3 juni 2021 schrijft de advocaat van [appellant] immers: “Beoogd is dat de vader gedurende zijn leven de geldlening zou kunnen opeisen. Dat is niet gebeurd. Niet bedoeld is dat de geldlening door de erfgenamen kan worden opgeëist na het overlijden van vader.”. Ook schrijft zij dat [appellant] de lening pas hoeft af te lossen bij verkoop van een tot zijn eigendom behorend onroerend goed en dat er in de tussentijd wel rente betaald moet en zal worden. Dat standpunt is gebaseerd op artikel 3 van de overeenkomst van geldlening. Dat alles duidt er zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet op dat [appellant] in de veronderstelling verkeerde dat de overeenkomst van geldlening was opgezegd en deze bepaling dus geen werking meer had. 6.2.
  14. In het licht van het voorgaande en in het bijzonder de wisselende en tegenstrijdige stellingen en verklaringen had het op de weg van [appellant] gelegen om tegenover het verweer van [geïntimeerden sub 1 + 2] meer concreet en specifiek te onderbouwen dat en op welke wijze [vader van appellant] aan hem heeft verklaard dat hij de geldlening heeft opgezegd in de in artikel 6 van de overeenkomst van geldlening bedoelde zin (met een toelichting op de omstandigheden waaronder dat is gebeurd). Dat heeft hij nagelaten. Nu hij niet aan zijn stelplicht heeft voldaan, wordt aan bewijslevering niet toegekomen. Het bewijsaanbod wordt als niet ter zake dienend gepasseerd. 6.2.
  15. Dat hij niet aan zijn stelplicht heeft voldaan en dat zijn bewijsaanbod als niet ter zake dienend wordt gepasseerd geldt ook voor de stelling dat [vader van appellant] de lening heeft kwijtgescholden. Pas tijdens de mondelinge behandeling bij de rechtbank heeft [appellant] dit standpunt ingenomen door te verklaren: “Volgens [appellant] hoefde wijlen vader het geld van de lening niet meer omdat hij het niet nodig had. Hij wilde alleen de rente.”. Iedere verdere onderbouwing daarvan ontbreekt, ook in hoger beroep. Alleen al het feit dat [appellant] rente moest – en ook is – blijven betalen, ook nog ná het overlijden van [vader van appellant] , strookt niet met de stelling dat de lening zou zijn kwijtgescholden: in dat geval is immers geen rente meer verschuldigd. Het ligt, ook in het licht van het voorgaande, de gesprekken tussen hen over aflossing en het niet weersproken standpunt van [geïntimeerden sub 1 + 2] dat hij nooit heeft geschonken aan zijn kinderen en dat de lening is opgenomen in de aangifte IB, veel meer voor de hand dat [vader van appellant] vanwege de betalingsonmacht van [appellant] heeft aangegeven dat hij toch nog niet hoefde af te lossen. Daar komt bij dat van de kwijtschelding, die zou moeten worden gekwalificeerd als een schenking van een bedrag van € 300.000,00, geen enkel document is overgelegd. Dit ligt weinig voor de hand bij een schenking met deze omvang aan slechts één van de kinderen, mede gelet op het feit dat [vader van appellant] zich liet bijstaan door een boekhouder. Ook is geen schenkbelasting afgedragen en heeft de boekhouder (zoals hiervoor al vermeld) in de aangifte erfbelasting opgave gedaan van de rentedragende lening van wijlen [vader van appellant] aan [appellant] . Tot slot geldt ook hier dat [appellant] zich steeds heeft gedragen alsof hij de lening nog op enig moment zou moeten aflossen en is het onaannemelijk dat [appellant] zich een schenking van deze omvang pas in een laat stadium van de procedure herinnert. 6.2.
  16. Tegen het oordeel van de rechtbank in rov. 3.13 van het (herstelde) vonnis waarvan beroep dat er geen beperkingen gelden op de opzegbaarheid van de overeenkomst, zodat deze gewoon opeisbaar is, is geen voldoende kenbare grief gericht. De enkele vermelding dat wat in eerste aanleg is aangevoerd als herhaald moet worden beschouwd, volstaat daartoe niet. Daarmee is dat ook voor het hof uitgangspunt, zodat terecht aanspraak wordt gemaakt op terugbetaling van de geleende som van € 300.000,
  17. 6.2.
  18. Nu de grief niet slaagt, is evenmin sprake van onverschuldigde betaling van het door [appellant] op de ervenrekening gestorte bedrag van € 150.000,
  19. De vordering tot terugbetaling van dat bedrag wordt daarom afgewezen. de geldlening aan [geïntimeerde sub 2] 6.3.
  20. [appellant] heeft door middel van grief IV in principaal hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat [geïntimeerde sub 2] een totaalbedrag van € 6.104,00 uit hoofde van de nalatenschap van [moeder van appellant] kan verrekenen met de aan haar verstrekte geldlening, alsmede dat de rechtbank ten onrechte geen aanleiding heeft gezien om te bepalen dat zij onverwijld € 15.000,-, althans € 10.408,67 inbrengt. Volgens [appellant] is de vordering van [geïntimeerde sub 2] op de nalatenschap uit hoofde van haar erfdeel uit de nalatenschap van [moeder van appellant] primair verjaard en subsidiair doet hij een beroep op rechtsverwerking. Voor zover haar wel een beroep op verrekening toekomt, dan geldt dat de rente tot een te hoog bedrag is toegekend, aldus [appellant] . 6.3.
  21. [geïntimeerden sub 1 + 2] voeren aan dat [appellant] de vordering van [geïntimeerde sub 2] eerder heeft erkend, zodat het in strijd met de redelijkheid en billijkheid is om hierop terug te komen. Bovendien vloeit deze voort uit de verdeling van de nalatenschap van moeder waar zij als minderjarige niet zelf bij was betrokken. Daar komt bij dat de vordering pas bij het overlijden van [vader van appellant] opeisbaar is geworden, zo hebben zij tijdens de mondelinge behandeling aangevoerd. 6.3.
  22. Het hof komt tot het volgende oordeel. Dat [geïntimeerde sub 2] haar kindsdeel uit de nalatenschap van [moeder van appellant] nog niet had ontvangen, is tussen partijen niet in geschil. [appellant] doet een beroep op verjaring van deze vordering van [geïntimeerde sub 2] op de nalatenschap en voert daarmee een bevrijdend verweer. Het is dan aan hem om te stellen dat en wanneer de verjaringstermijn is gaan lopen en is verstreken. De verjaringstermijn gaat lopen als de vordering opeisbaar is. Dat volgt uit artikel 3:313 BW. Met het niet deugdelijk onderbouwde standpunt dat de vordering opeisbaar is geworden toen [geïntimeerde sub 2] meerderjarig is geworden, heeft [appellant] niet aan zijn stelplicht voldaan. Het blijkt niet uit de akte van verdeling van 28 maart 1969, voor zover het hof dat heeft kunnen nagaan uit de niet goed leesbare productie. De advocaat van [appellant] heeft de grondslag van dit standpunt tijdens de mondelinge behandeling ook niet kunnen verduidelijken. Evenmin heeft [appellant] toegelicht waarom de verjaringstermijn is gaan lopen toen [geïntimeerde na oproeping] het haar toekomende kindsdeel ontving. Het beroep op verjaring wordt als onvoldoende onderbouwd afgewezen. 6.3.
  23. [appellant] heeft subsidiair aangevoerd dat [geïntimeerde sub 2] meer dan 50 jaar geen aanspraak heeft gemaakt op haar erfdeel, zodat zij haar rechten heeft verwerkt. Rechtsverwerking kan worden aangenomen indien de rechthebbende zich heeft gedragen op een wijze die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onverenigbaar is met het vervolgens geldend maken van zijn recht of bevoegdheid. Tijdsverloop alleen is daarvoor onvoldoende. Er moet sprake zijn van bijzondere omstandigheden op grond waarvan bij de wederpartij gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de rechthebbende zijn aanspraak niet meer geldend zal maken, of waardoor de positie van de wederpartij onredelijk verzwaard of benadeeld zou worden indien het recht of de bevoegdheid alsnog geldend wordt gemaakt. ‘Stilzitten’ kan slechts tot rechtsverwerking leiden, indien op grond van de omstandigheden van het geval redelijkerwijs een bepaald handelen van de rechthebbende had mogen worden verwacht (zie onder meer HR 11 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2574). Zelfs als zou moeten worden aangenomen dat de vordering al op een eerder moment opeisbaar is geweest, dan nog geldt dat [geïntimeerde sub 2] onvoldoende gemotiveerd weersproken heeft aangevoerd dat zij pas ná het overlijden van [vader van appellant] bekend raakte met haar vordering op [vader van appellant] uit hoofde van de nalatenschap van [moeder van appellant] . Meteen daarna heeft zij aanspraak gemaakt op betaling. Al om die reden slaagt de grief op dit onderdeel niet. Los daarvan heeft te gelden dat [appellant] niet heeft aangevoerd van welke ‘bijzondere omstandigheden’ in de hiervoor bedoelde zin moet worden uitgegaan. 6.3.
  24. Ten aanzien van de rente overweegt het hof dat partijen het er kennelijk over eens zijn er voor de rente op deze vorderingen een bedrag van fl. 5.000,00 is gereserveerd bij de akte van verdeling van 28 maart
  25. Het feit dat [geïntimeerde na oproeping] bij de betaling aan haar in 1980 geen rente toegekend heeft gekregen, zoals [appellant] stelt, is op zichzelf geen reden om [geïntimeerde sub 2] nu ook rente te ontzeggen. Op welke grondslag de rechtbank slechts 1/3e deel van de gefixeerde rente aan haar had moeten toewijzen, heeft [appellant] voorts op geen enkele wijze duidelijk gemaakt. Ook in zoverre treft de grief geen doel. 6.3.
  26. Het voorgaande brengt het hof tot de conclusie dat de grief faalt zodat het oordeel van de rechtbank dat [geïntimeerde sub 2] een bedrag van € 6.104,00 kan verrekenen met haar schuld aan de boedel in stand blijft. Gebleken is dat [geïntimeerde sub 2] het door haar na verrekening nog aan de boedel verschuldigde bedrag intussen heeft gestort op de ervenrekening, zodat [appellant] geen belang meer heeft bij een beoordeling van de grief op het onderdeel van de onmiddellijke betaling. de oldtimers 6.4.
  27. Met hun incidentele grief richten [geïntimeerden sub 1 + 2] zich tegen het oordeel van de rechtbank dat de eigendom van de oldtimers aan [appellant] is overgedragen en dat deze dus niet tot de nalatenschap behoren. Volgens [geïntimeerden sub 1 + 2] is de reden voor de wijziging van de tenaamstelling dat de oldtimers in de bedrijfsvoorraad van de onderneming van [appellant] zouden moeten worden opgenomen, zodat geen motorrijtuigenbelasting meer betaald hoefde te worden. Om die reden zijn ze ook niet in de aangifte erfbelasting opgenomen, omdat de erven bang waren dat er alsnog een naheffing zou komen, aldus [geïntimeerden sub 1 + 2] . [appellant] heeft buiten rechte ook toegezegd dat hij de opbrengst – na aftrek van gemaakte reparatiekosten – van al verkochte oldtimers in de nalatenschap zou brengen. Tot slot voeren zij aan dat [appellant] de oldtimers niet daadwerkelijk in zijn bezit heeft gekregen. Zij betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het gestelde bezit, samen met de overschrijving, voldoende aanwijzing is dat de auto's door [vader van appellant] niet alleen aan [appellant] zijn overgeschreven, maar ook aan hem zijn geleverd, zonder dat [appellant] de titel voor de overschrijving van de kentekens (een koopovereenkomst) of het exclusieve gebruiksrecht van de loods (een gebruiks- of huurovereenkomst) zelfs maar aannemelijk heeft hoeven te maken. [geïntimeerden sub 1 + 2] betwisten uitdrukkelijk dat er sprake is geweest van een koopovereenkomst ter zake de oldtimers en dat aan [appellant] het gebruiksrecht van de loods door [vader van appellant] is toegekend. 6.4.
  28. [appellant] betwist dat de oldtimers tot de nalatenschap behoren en voert aan dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat niet is gebleken dat de wijziging van de tenaamstelling een andere reden had dan wisseling van eigenaar. Hij wijst er onder andere op dat de door [geïntimeerden sub 1 + 2] gestelde reden voor de wijziging van de tenaamstelling van de oldtimers niet juist is. De regelgeving is niet per 1 juli 2006 gewijzigd, maar pas per 1 januari
  29. Bovendien gold de vrijstellingsregeling alleen voor privépersonen, zodat die juist kwam te vervallen na het overschrijven van de voertuigen naar de bedrijfsvoorraad van de onderneming van [appellant] . Volgens [appellant] hield [vader van appellant] de oldtimers in zijn loods voor [appellant] . Tot slot betwist hij dat hij heeft toegezegd dat hij de opbrengst van de al verkochte oldtimers in de nalatenschap zou inbrengen, onder aftrek van gemaakte reparatiekosten. 6.4.
  30. Het hof overweegt als volgt. Tussen partijen is in geschil of de oldtimers die staan genoemd in rov. 3.2.6 van het tussenarrest van 28 januari 2025 onderdeel uitmaken van de nalatenschap. Vaststaat dat al deze oldtimers niet (meer) op naam stonden van [vader van appellant] ten tijde van zijn overlijden. Ook staat vast dat ze niet in de aangifte erfbelasting zijn opgenomen. Aangezien [geïntimeerden sub 1 + 2] stellen dat de oldtimers behoren tot de omvang van de nalatenschap, rusten volgens de hoofdregel van artikel 150 Rv op hen de bewijslast en het bewijsrisico van die stelling. Zij dienen, met andere woorden, te stellen en, bij gemotiveerd verweer, te bewijzen dat [vader van appellant] ten tijde van zijn overlijden eigenaar was van de oldtimers. 6.4.
  31. Niet in geschil is dat de oldtimers op het moment van het overlijden van [vader van appellant] stonden opgeslagen in zijn loods. [geïntimeerden sub 1 + 2] stellen dat [vader van appellant] hen nimmer heeft medegedeeld dat de oldtimers zijn verkocht aan [appellant] dan wel dat de eigendom is overgedragen: hij heeft zich volgens hen tot aan zijn overlijden beschouwd als eigenaar. Op grond van artikel 3:107 lid 1 BW is degene die een goed voor zichzelf houdt, bezitter. Of iemand een goed houdt en of hij dit voor zichzelf of voor een ander doet, wordt naar verkeersopvatting beoordeeld, met inachtneming van de navolgende regels en overigens op grond van uiterlijke feiten (artikel 3:108 BW). Uit artikel 3:109 BW volgt dat wie een goed houdt, wordt vermoed dit voor zichzelf te houden en op grond van artikel 3:119 BW wordt de bezitter vermoed rechthebbende te zijn. [appellant] heeft gesteld dat de oldtimers door [vader van appellant] in de loods voor hem werden gehouden. Dat hij geen gebruiks- of huurovereenkomst betreffende de loods heeft overgelegd, maakt naar het oordeel van het hof niet dat hij daarvan geen gebruik kon maken voor de opslag van de oldtimers. Zoals de rechtbank in het (herstelde) vonnis waarvan beroep heeft overwogen – en [geïntimeerden sub 1 + 2] niet hebben weersproken – had [appellant] in zijn eigen loods geen plaats voor de auto’s en sloeg hij ook andere zaken op in de loods, zoals zijn kermisspullen. Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof hebben [geïntimeerden sub 1 + 2] toegelicht dat vader nog wel wat aan de auto’s sleutelde, maar ook [appellant] heeft in eerste aanleg verklaard werkzaamheden aan de auto’s te verrichten. Reparatie- en poetswerk aan de oldtimers voerde hij in zijn eigen loods uit en daarna bracht hij de auto’s weer terug. Zijn advocaat heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat [appellant] de kosten voor de oldtimers droeg. Uit dit alles volgt dat hij feitelijke macht uitoefende over de oldtimers. Dat maakt dat [appellant] naar het oordeel van het hof het bewijsvermoeden van artikel 3:109 BW voldoende heeft ontkracht. Dat betekent dat aan het feit dat de oldtimers in de loods van [vader van appellant] stonden geen doorslaggevende betekenis toekomt voor wat betreft de vraag wie rechthebbende is. 6.4.
  32. Een andere belangrijke aanwijzing voor de eigendom is de tenaamstelling en de registratie van het kentekenbewijs bij de RDW. Volgens [geïntimeerden sub 1 + 2] was de reden voor deze wijziging echter niet een eigendomsoverdracht, maar een wijziging in de belastingwetgeving die maakte dat het voordeliger was om de oldtimers te laten overschrijven naar de bedrijfsvoorraad van [appellant] . Ook in hoger beroep hebben zij echter niet voldoende deugdelijk en concreet onderbouwd duidelijk gemaakt om welke wijziging in de wetgeving het dan zou zijn gegaan en op welke wijze de wijziging een financieel voordeel zou hebben opgeleverd. Het blijft bij aannames en veronderstellingen. [appellant] heeft uitvoerig gemotiveerd weersproken dat de door hen genoemde wijziging van de regeling omtrent de vrijstelling van de motorrijtuigenbelasting de reden was voor de overschrijving van de kentekens in respectievelijk 2006 en
  33. In het licht daarvan had het op de weg van [geïntimeerden sub 1 + 2] gelegen hun stellingen nader te onderbouwen, hetgeen zij hebben nagelaten. Om diezelfde reden kan het hof niet uitgaan van de juistheid van hun stelling dat de oldtimers niet in de aangifte erfbelasting zijn opgenomen om te voorkomen dat er een naheffing zou volgen. 6.4.
  34. Tot slot overweegt het hof dat uit de gestelde toezegging van [appellant] dat hij de opbrengst van “al verkochte oldtimers” na aftrek van de kosten zou inbrengen in de nalatenschap, zou die al zijn gedaan, geen erkenning van de eigendom van [vader van appellant] kan worden afgeleid. Daarvoor kan ook een andere reden zijn geweest. Daar komt bij dat niet duidelijk is op welke oldtimers deze toezegging dan precies betrekking zou hebben gehad: alleen de Opel (zoals [appellant] stelt en waarvan de opbrengst ook is gestort op de ervenrekening), of alle oldtimers, of een deel daarvan en welk deel dan? Hetgeen [geïntimeerden sub 1 + 2] daarover hebben gesteld, is onvoldoende concreet. Het hof betrekt bij dat oordeel dat [geïntimeerden sub 1 + 2] in de dagvaarding nog hebben gesteld dat de mededeling is gedaan nog vóór de verkoop van (de) oldtimers, welke stelling zich niet verhoudt tot het nadien in de procedure ingenomen standpunt en nog meer onduidelijkheid oproept ten aanzien van de vraag op welke auto’s de gestelde afspraak zou zien. Voor zover [geïntimeerden sub 1 + 2] hebben beoogd namens de nalatenschap nakoming van de gestelde afspraak over de inbreng van opbrengsten van de oldtimers te vorderen, kan deze vordering gezien het voorgaande niet slagen. 6.4.
  35. Het hof komt gelet op het voorgaande niet toe aan bewijslevering. 6.4.
  36. De incidentele grief slaagt niet. de proceskosten in eerste aanleg 6.5.
  37. [appellant] betoogt door middel van grief V in principaal hoger beroep dat de rechtbank had moeten oordelen tot een compensatie van de proceskosten, nu het een familierechtelijke procedure is waarin uitgangspunt is dat er geen proceskostenveroordeling wordt uitgesproken. Hij betwist dat sprake is van een “onwrikbare opstelling” die veroorzaakt heeft dat deze procedure gevoerd moest worden. 6.5.
  38. Het hof overweegt dat volgens de hoofdregel van artikel 237 lid 1 Rv de in het ongelijk gestelde partij wordt veroordeeld in de proceskosten van de wederpartij. Bij het antwoord op de vraag welke partij (overwegend) in het ongelijk is gesteld, heeft de rechter veel vrijheid. Indien de aard van de rechtsverhouding daartoe aanleiding geeft, bijvoorbeeld in het geval van een familierechtelijke betrekking, of beide partijen over en weer op enkele punten in het ongelijk zijn gesteld, kan de rechter bepalen dat elke partij (gedeeltelijk) de eigen kosten draagt. De rechtbank heeft geen reden gezien om van de hoofdregel af te wijken. Hetgeen [appellant] daar in hoger beroep tegenin heeft gebracht, brengt het hof niet tot een ander oordeel. 6.5.
  39. Grief V in principaal hoger beroep faalt. conclusie 6.6.
  40. Het hof had in het tussenarrest van 25 januari 2025 al overwogen dat [appellant] niet-ontvankelijk is in zijn hoger beroep met betrekking tot de woning (grief I in principaal hoger beroep) en dat grief III in principaal hoger beroep is ingetrokken, zodat die grieven niet hoeven te worden beoordeeld. De gevorderde verklaring voor recht en de restitutievordering worden afgewezen. De grieven II, IV en V in principaal hoger beroep slagen niet. De grief in incidenteel hoger beroep slaagt ook niet. Het (herstelde) vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd (voor zover dat vonnis in hoger beroep onderwerp is van het geschil). 6.6.
  41. Aangezien partijen in een familierelatie tot elkaar staan en zij over en weer in het ongelijk zijn gesteld, ziet het hof aanleiding de proceskosten in het principaal en incidenteel hoger beroep te compenseren, zo dat iedere partij de eigen kosten draagt. 7De uitspraak Het hof: op het principaal en incidenteel hoger beroep verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep tegen het dictum onder rov. 4.1 van het vonnis waarvan beroep van de rechtbank Limburg van 22 februari 2023, zoals hersteld bij aanvullend vonnis van 29 maart 2023, en de daaraan ten grondslag liggende rechtsoverwegingen; bekrachtigt het vonnis waarvan beroep van de rechtbank Limburg van 22 februari 2023, zoals hersteld bij aanvullend vonnis van 29 maart 2023, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen; compenseert de proceskosten in principaal en incidenteel hoger beroep zo dat elke partij de eigen kosten draagt; wijst het meer of anders gevorderde af. Dit arrest is gewezen door mrs. J.J.M. van Lanen, M. van Ham en C.M.J. Peters en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 10 juni
  42. griffier rolraadsheer

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.