← Nederland

ECLI:NL:GHSHE:2025:165

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH Team familie- en jeugdrecht Uitspraak: 23 januari 2025 Zaaknummer: 200.339.751/01 Zaaknummer eerste aanleg: C/01/394272 / FA RK 23-2586 in de zaak in hoger beroep van: [de moeder] , wonende te [woonplaats] (Polen), verzoekster in principaal hoger beroep, verweerster in incidenteel hoger beroep, hierna te noemen: de moeder, advocaat: mr. F. Putmans-de Kok, tegen [de vader] , wonende te [woonplaats] , verweerder in principaal hoger beroep, verzoeker in incidenteel hoger beroep, hierna te noemen: de vader, advocaat: mr. J. Geuze. Deze zaak gaat over de minderjarige: [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2021, hierna te noemen: [minderjarige] . In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend: de Raad voor de Kinderbescherming, locatie [locatie] hierna te noemen: de raad. 1Het geding in eerste aanleg 1.

  1. Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 15 januari 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. 2Het geding in hoger beroep 2.
  2. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 8 april 2024, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende te bepalen dat de verzoeken van de vader ter zake het gezamenlijk gezag en de hoofdverblijfplaats worden afgewezen. 2.
  3. Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 30 april 2024, heeft de vader verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de moeder in haar verzoeken in hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren dan wel deze te ontzeggen als ongegrond. Tevens heeft de vader incidenteel hoger beroep ingesteld en verzocht voormelde beschikking te vernietigen voor wat betreft het gezamenlijk gezag en te bepalen dat de vader voortaan met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] wordt belast. 2.
  4. Bij verweerschrift in incidenteel hoger beroep, ingekomen ter griffie op 6 juni 2024, heeft de moeder verzocht voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, geïntimeerde niet- ontvankelijk te verklaren in zijn incidentele appel, dan wel het incidentele appel van geïntimeerde af te wijzen. 2.
  5. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 10 december
  6. Bij die gelegenheid zijn gehoord: de moeder, bijgestaan door mr. Putmans-de Kok en M. Leszczynska, tolk in de Poolse taal (tolknummer 22646); de vader, bijgestaan door mr. Geuze; de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] . 2.4.
  7. De moeder heeft via een videoverbinding deelgenomen aan de mondelinge behandeling. 2.
  8. Het hof heeft verder kennisgenomen van de inhoud van het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 7 november
  9. 3De beoordeling In principaal en incidenteel hoger beroep De feiten 3.
  10. Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. 3.
  11. Tijdens de relatie van partijen is [minderjarige] geboren. De vader heeft [minderjarige] erkend. 3.
  12. De relatie tussen de ouders is in april 2022 beëindigd. 3.
  13. De vader heeft de Nederlandse nationaliteit, de moeder heeft de Poolse nationaliteit en [minderjarige] heeft zowel de Nederlandse als de Poolse nationaliteit. 3.
  14. De moeder was van rechtswege alleen met het gezag over [minderjarige] belast. [minderjarige] woonde bij de moeder in [plaats] . 3.
  15. De vader heeft in de periode van april 2022 tot april 2023 tweemaal per week voor een paar uur contact gehad met [minderjarige] , steeds in de aanwezigheid van de moeder. 3.
  16. Vanaf april 2023 zag de vader [minderjarige] éénmaal per week enkele uurtjes. 3.
  17. De vader heeft op 23 juni 2023 een verzoekschrift ingediend bij de rechtbank Oost-Brabant waarin hij de rechtbank verzoekt om hem te belasten met het (gezamenlijk) gezag over [minderjarige] , alsmede een verdeling van zorg- en opvoedingstaken vast te stellen, het hoofdverblijf van [minderjarige] bij de vader te bepalen, de moeder te verbieden om zonder toestemming van de vader met [minderjarige] te verhuizen buiten [plaats] , op straffe van een dwangsom, te bepalen dat wanneer de moeder zonder toestemming van de vader buiten [plaats] verhuist het hoofdverblijf bij de vader zal zijn en de vader gerechtigd is met behulp van de sterke arm ervoor te zorgen dat [minderjarige] bij hem zal wonen (bodemprocedure met zaaknummer C/01/394272 / FA RK 23-2586). De moeder heeft verweer gevoerd en zelfstandige tegenverzoeken gedaan. 3.
  18. De vader heeft op 23 juni 2023 tevens een verzoek tot het treffen van een voorlopige omgangsregeling ingediend en – voor zover van belang – verzocht [minderjarige] voorlopig aan de vader toe te vertrouwen. In die procedure heeft de moeder verweer gevoerd en zelfstandige tegenverzoeken gedaan C/01/394273 /FA RK 23-2587). 3.
  19. Zowel de bodemprocedure met zaaknummer C/01/394272 / FA RK 23-2586 als de voorlopige voorzieningenprocedure met zaaknummer C/01/394273 /FA RK 23-2587 zijn ter zitting van de rechtbank Oost-Brabant behandeld op 7 november
  20. 3.
  21. Op 19 september 2023 hebben de vader en [minderjarige] elkaar voor het laatst in Nederland gezien. Partijen hadden met elkaar afgesproken dat de vader [minderjarige] op 30 september 2023 zou komen bezoeken. De moeder heeft deze afspraak op 29 september 2023 afgezegd. Zij gaf daarbij aan dat ze ziek was. De vader is op deze dag toch naar het adres van de moeder gegaan om [minderjarige] te bezoeken. De moeder en [minderjarige] waren echter niet thuis. Later vernam de vader van de moeder dat zij met [minderjarige] naar Polen was vertrokken. Sinds [minderjarige] met de moeder in Polen verblijft hebben [minderjarige] en de vader hoofdzakelijk videobelcontact gehad. Daarnaast is de vader in 2024 een aantal keer naar Polen gegaan. De vader heeft [minderjarige] daar een aantal keer kort onder begeleiding gezien. 3.
  22. Bij vonnis van 6 november 2023 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Oost-Brabant (zaaknummer C/01/397797 / KG ZA 23-520), uitvoerbaar bij voorraad: de moeder verboden om zonder toestemming van de vader met [minderjarige] te verhuizen naar een adres buiten [plaats] ; de moeder veroordeeld om uiterlijk op 20 november 2023 met [minderjarige] terug te keren naar het adres [adres] te [plaats] ; de moeder veroordeeld om aan de vader een dwangsom te betalen van € 1.000,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat de moeder niet aan de in randnummer 1 en/of 2 uitgesproken hoofdvordering voldoet; bepaald dat, wanneer moeder niet uiterlijk op 20 november 2023 is teruggekeerd naar [plaats] , [minderjarige] aan vader wordt toevertrouwd totdat in de bodemprocedure een beslissing is genomen; het meer of anders verzochte, waaronder de vordering van de vader om tenuitvoerlegging van het vonnis met de sterke arm, afgewezen. 3.
  23. Bij de bestreden beschikking van 15 januari 2024 heeft de rechtbank Oost-Brabant in de zaken met nummers C/01/394272 / FA RK 23-2586 en C/01/394273 /FA RK 23-2587 – kort en zakelijk weergegeven: de vorderingen in de voorlopige voorzieningenprocedure afgewezen; in de bodemzaak: o bepaald dat het gezag over [minderjarige] voortaan aan de vader en de moeder gezamenlijk toekomt; o het hoofdverblijf van [minderjarige] bij de vader bepaald; o de beslissingen tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard; o de overige verzoeken van de vader in de bodemprocedure, waaronder het verzoek dat de vader gerechtigd is met behulp van de sterke arm ervoor te zorgen dat [minderjarige] bij hem zal wonen, het aan de moeder op te leggen verhuisverbod en het bevel terug verhuizing, afgewezen wegens gebrek aan belang, nu de vader op basis van deze beschikking mogelijkheden heeft om [minderjarige] naar huis te laten terugkeren. 3.
  24. Het hof heeft bij beschikking van 10 september 2024 het tussen partijen door de voorzieningenrechter van de rechtbank Oost-Brabant gewezen vonnis van 6 november 2023 (zaaknummer C/01/397797 / KG ZA 23-520) vernietigd, doch uitsluitend voor zover het de periode vanaf 15 januari 2024 betreft en in zoverre opnieuw rechtdoende, de vorderingen van de vader met betrekking tot het verhuisverbod en het bevel tot terug verhuizing op straffe van verbeurte van dwangsommen, over de periode vanaf 15 januari 2024 alsnog afgewezen. Het hof heeft het bestreden vonnis voor het overige bekrachtigd en het meer of ander gevorderde afgewezen. 3.
  25. Bij beschikking van 22 februari 2024 heeft de Arrondissementsrechtbank in [plaats] , Polen, beslist dat de uitvoering van de beschikking van 15 januari 2024 van de rechtbank Oost-Brabant, geschorst in afwachting van de definitieve afronding van deze procedure. 3.
  26. Partijen kunnen zich met de beslissing van 15 januari 2024 van de rechtbank Oost-Brabant niet verenigen en zij zijn hiervan in hoger beroep gekomen. De standpunten 3.
  27. De moeder voert in principaal hoger beroep, samengevat, het volgende aan. De moeder dient met het eenhoofdig gezag belast te blijven. Zij heeft altijd de verzorging en opvoeding van [minderjarige] op zich genomen. De vader heeft zich daar nooit mee bemoeid. De moeder heeft altijd alle beslissingen genomen over [minderjarige] en zij doet dat nog steeds. De vader is verslaafd aan drank, drugs en gokken. Hij heeft het de moeder vaak moeilijk gemaakt, toen zij medische hulp nodig had. Zij verwacht dat de vader problemen gaat veroorzaken als zij zijn toestemming nodig heeft voor zaken die [minderjarige] aangaan. Uit de uitspraak van de Hoge Raad van 18 maart 2015 valt af te leiden dat er, indien een ouder om welke reden dan ook zijn of haar verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van het kind niet neemt, geen plaats voor gezag. De moeder stelt dat daarvan sprake is. Ten onrechte is het hoofdverblijf van [minderjarige] bij de vader bepaald. De moeder had geen andere keuze dan [minderjarige] mee te nemen naar Polen voor de periode dat zij medische behandelingen nodig had in Polen. In Polen kon de moeder door de kortere wachtlijsten eerder behandeld worden. De moeder verwijst naar de medische verklaring van 21 maart
  28. De moeder heeft talrijke gezondheidsproblemen waarvoor een consistente behandeling door verschillende specialisten nodig is. De moeder zit ook een diagnostisch proces dat vele doktersbezoeken vereist. De moeder is thans in afwachting van histopathologische resultaten. In verband met de medische behandelingen kon en kan zij op dit moment niet terugkeren naar Nederland. Het is dus geen onwil bij de moeder, maar onmacht. Het was geen optie om [minderjarige] bij de vader achter te laten, aangezien [minderjarige] altijd bij de moeder heeft gewoond, de vader geen rol in het leven van [minderjarige] vervulde en gezien de problematiek van de vader. Door de hoofdverblijfplaats bij de vader te bepalen wordt [minderjarige] uit zijn vertrouwde situatie gehaald. De vader heeft daarnaast toegegeven dat hij de zorg voor [minderjarige] niet kan dragen. Hij wenst enkel omgang met [minderjarige] . De moeder kon gezien het voorgaande geen uitvoering geven aan het vonnis van 6 november 2023 waarbij [minderjarige] voorlopig aan de vader is toevertrouwd. De moeder betwist tot slot dat zij in strijd met de belangen van [minderjarige] heeft gehandeld door met hem naar Polen te vertrekken. De vader wist dat de moeder medische problemen had. Eerder heeft de vader het de moeder niet toegestaan om in Duitsland een arts te bezoeken. Daarom heeft de moeder de vader niet bij haar voorgenomen reis naar Polen betrokken. [minderjarige] was nog geen twee jaar oud toen hij vertrok, dus zal hij nog geen echte herinneringen hebben aan waar hij verblijft. [minderjarige] kan, ondanks de afstand, gewoon een gehechtheidsrelatie met de vader opbouwen. De minimale omgang die er was heeft de moeder op afstand kunnen voortzetten, namelijk via videobellen driemaal per week. De vader heeft [minderjarige] ook in Polen bezocht. De afstand is niet onoverbrugbaar. De moeder heeft het contact tussen de vader en [minderjarige] altijd gestimuleerd, mits dit op een veilige wijze kon plaatsvinden. De moeder stond dat altijd toe ondanks de problematiek die speelde en de ingezette hulpverlening. De twijfels van de rechtbank over of de moeder nog naar Nederland terugkeert, zijn onterecht. 3.
  29. De vader voert in principaal hoger beroep, samengevat, het volgende aan. Er is geen enkele reden om van het wettelijke uitgangspunt van gezamenlijk gezag af te wijken. De vader heeft zijn verantwoordelijkheid altijd genomen. Er was altijd een goed contact tussen de vader en [minderjarige] . De moeder heeft echter, om oneigenlijke redenen, het contact tussen de vader en [minderjarige] slechts summier en alleen onder begeleiding toegestaan. De vader betwist dat hij kampt met verslavingsproblematiek. Bij de rechtszaak in Polen is een uitgebreid onderzoek geweest waaruit is gebleken dat de vader prima in staat is om voor [minderjarige] te zorgen. Door het vertrek naar Polen heeft [minderjarige] nog maar amper contact met de vader. Doordat [minderjarige] geen Nederlands spreekt en de vader alleen zeer beperkt videocontact mag hebben met [minderjarige] , zijn zij niet in staat om samen een band en een gehechtheidsrelatie op te bouwen. Gelet op de jonge leeftijd van [minderjarige] is een frequent fysiek contact onontbeerlijk, waarbij de vader met [minderjarige] kan spelen, hij hem kan vasthouden en hem kan knuffelen. De vader wil dat de moeder met [minderjarige] terugkeert naar Nederland en dat er een goede zorgverdeling tot stand komt. Nu de moeder dat weigert kan aan deze wens geen uitvoering worden gegeven. Nu de moeder bovendien allerlei onjuistheden over de vader vertelt, is het in belang van [minderjarige] dat hij zijn hoofdverblijf bij de vader heeft. De vader ziet ook niet in waarom [minderjarige] niet, als de situatie toch tijdelijk is, zoals de moeder stelt, bij hem kan verblijven. De vader zal het contact met de moeder altijd bevorderen. De moeder heeft op geen enkele manier inzichtelijk kunnen maken wat haar medische klachten precies inhouden, welke diagnoses er zijn gesteld, welke concrete behandelingen zij zou moeten ondergaan, en waarom zij die in Nederland niet zou kunnen ondergaan. De verklaringen van artsen die zij overlegt zeggen daar niets over. De vader betwijfelt overigens ook of dit verklaringen zijn van ter zake deskundige artsen. De vader denkt net als de rechtbank dat de moeder niet de intentie heeft om terug te keren naar Nederland, nu de moeder sinds haar vertrek in september 2023 niet één keer is teruggekeerd, zij [minderjarige] als geëmigreerd heeft opgegeven bij de gemeente [gemeente] en zichzelf heeft uitgeschreven van haar adres in [plaats] én gezien het feit dat haar huurwoning in [plaats] ontruimd is. De vader is nimmer geïnformeerd over haar geplande vertrek naar Polen. Hij heeft het allemaal achteraf vernomen. De moeder heeft in strijd gehandeld met de belangen van [minderjarige] door onaangekondigd met hem te vertrekken naar Polen. 3.
  30. In incidenteel appel voert de vader –samengevat – het volgende aan. Er hebben zich sinds de procedure in eerste aanleg diverse relevante ontwikkelingen voorgedaan. De moeder heeft zich, zoals gezegd, laten uitschrijven bij de gemeente [gemeente] en haar huurwoning opgezegd. Daarnaast heeft zij een procedure aanhangig gemaakt bij de rechter in Polen teneinde de werking van de bestreden beschikking ongedaan te maken. In het verzoekschrift in die procedure uit zij bizarre beschuldigingen aan het adres van de vader, die kant noch wal raken. De vader meent dat deze ontwikkelingen zodanig ernstig zijn dat het in het belang van [minderjarige] noodzakelijk is dat hij wordt belast met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] . De moeder doet er immers werkelijk alles aan om de vader uit het leven van [minderjarige] te bannen en daarbij schuwt zij geen enkel middel, waarbij zij niet inziet dat zij daarmee de belangen van [minderjarige] ernstig schaadt. Hierdoor is sprake van het klem- en verloren criterium. Verder is het gezien de procedure in Polen in het belang van [minderjarige] dat zijn vader in een juridisch zo sterk mogelijke positie komt te staan: als de vader is belast met het eenhoofdig gezag, is daarmee gegeven dat [minderjarige] ook bij zijn vader woont en hoeft er geen debat meer plaats te vinden over bij welke ouder hij het beste zijn hoofdverblijf kan hebben. 3.
  31. In incidenteel hoger beroep voert de moeder – samengevat – het volgende aan. In zijn verweer in principaal hoger beroep stelde de vader nog dat gezamenlijk gezag het uitgangspunt is in de wet en jurisprudentie en dat er geen enkele reden was om daarvan af te wijken. Er is ook geen sprake van een klem- of verloren situatie. De moeder stelt dat zij de vader wel degelijk betrekt bij de opvoeding van [minderjarige] , maar dat de vader het regelmatig laat afweten. [minderjarige] is veilig bij de moeder, hij gaat naar de crèche en ontwikkelt zich goed. De stelling van de vader dat de moeder onwaarheden zou rond spreiden over het gedrag van de vader is eveneens onvoldoende om tot toekenning van het eenhoofdig gezag aan de vader toe te komen. Ten eerste is niet vast komen te staan dat hetgeen de moeder heeft gesteld in de procedure in zowel Nederland als Polen over onder meer de verslaving en het handelen van de vader niet juist is. Daar verschillen partijen van mening over. Bovendien is het doen van uitlatingen niet een grond voor toekenning van het eenhoofdig gezag. 3.
  32. De raad heeft tijdens de mondelinge behandeling, samengevat, het volgende geadviseerd. De ouders zijn uit elkaar gegaan toen [minderjarige] vijf maanden oud was. Toen had direct onderzocht moeten worden hoe het contact met beide ouders bevorderd kon blijven. Na haar vertrek heeft de moeder niet of nauwelijks moeite gedaan om het contact in stand te laten. De moeder had bijvoorbeeld ook wel eens naar Nederland kunnen komen en zij had [minderjarige] een paar woordjes Nederlands kunnen leren. De moeder zegt dat niet te doen omdat [minderjarige] dat niet wil, maar dat is moeilijk voor te stellen. Kort na het vertrek van de moeder heeft de rechtbank al bepaald dat de moeder moet terugkeren met [minderjarige] . De moeder heeft daar geen gehoor aan gegeven. Daarna zijn er nog twee beslissingen gegeven waarin is bepaald dat zij moet terugkeren. Door de handelwijze van de moeder heeft [minderjarige] al een groot deel van zijn leven geen contact met de vader. Hoe langer dit duurt, des te lastiger het voor de vader en [minderjarige] wordt om een gehechtheidrelatie op te bouwen. Op de vraag hoe de overdracht zou moeten plaatsvinden geeft de raad aan dat het geruststellend is dat de vader inziet dat [minderjarige] altijd alleen maar de moeder heeft gehad. De raad doet een beroep op de ouders om hun onenigheid opzij te zetten en zelf na te denken over hoe de overdracht zorgvuldig kan plaatsvinden. Duidelijk is dat [minderjarige] aan de vader moet worden overgedragen. Dat betekent niet dat het contact met de moeder moet worden verbroken. Gezien zijn leeftijd van [minderjarige] kun je hem nog niet veel uitleggen. Daarbij is het contact tussen de ouders dramatisch verlopen. De ouders dienen daarom te worden ondersteund. Het zou goed zijn als partijen tijdens de mondelinge behandeling afspraken kunnen maken over de te betrekken hulpverlening, bijvoorbeeld in de vorm van een verwijzing naar het UHA. De raad kan verwijzen naar hulpverlening in Nederland, niet in Polen. Ook als de moeder terugkeert naar Nederland, wat nog altijd het beste zou zijn, adviseert de raad het hoofdverblijf van [minderjarige] bij de vader te bepalen. De moeder heeft laten zien dat zij de belangen van [minderjarige] verwaarloost. Als de moeder niet terugkeert moet nagedacht worden over hoe de overdracht in Polen kan plaatsvinden. Het beste zou zijn als [minderjarige] eerst een periode meer tijd met de vader doorbrengt. Dan kunnen zij elkaar beter leren kennen en kan de vader in zijn rol ingroeien. Voor een goede hechting is het belangrijk dat de vader zorgtaken op zich kan nemen. Als de moeder dat altijd heeft gedaan, moet dat bij de vader goed begeleid worden. Ook omdat er al veel tijd is verstreken waarin de vader die kans niet heeft gehad. Wie van de ouders met het gezag belast wordt, is bezien vanuit het belang van [minderjarige] , het minst belangrijk. Het grootste probleem van [minderjarige] is dat hij nauwelijks contact heeft met zijn vader. De overwegingen van het hof 3.
  33. Het hof oordeelt als volgt. Rechtsmacht en toepasselijk recht 3.
  34. Op grond van artikel 7 lid 1 van Verordening (EU) 2019/1111 van 25 juni 2019 (hierna: Brussel II-ter) zijn in zaken van ouderlijke verantwoordelijkheid, derhalve zaken over het gezag en het hoofdverblijf van minderjarigen, bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waar het kind zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig is gemaakt. In dezen is de Nederlandse rechter bevoegd. 3.
  35. Geen grieven zijn gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat Nederlands recht van toepassing is. Ook het hof zal daarom uitgaan van toepasselijkheid van Nederlands recht (vgl. HR 10 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:200). Gezag 3.
  36. Ingevolge artikel 1:253c lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de tot het gezag bevoegde ouder van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder uit wie het kind is geboren heeft uitgeoefend, de rechter verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag over het kind te belasten dan wel hem alleen met het gezag over het kind te belasten. 3.
  37. Indien de andere ouder niet met het verzoek om de ouders met het gezamenlijk gezag te belasten instemt, wordt het verzoek ingevolge artikel 1:253c lid 2 BW slechts afgewezen indien:a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, ofb. afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is. 3.
  38. Het verzoek om de ouder alleen met het gezag te belasten wordt ingevolge artikel 1:253c lid 3 BW slechts ingewilligd, indien de rechter dit in het belang van het kind wenselijk oordeelt. 3.
  39. Het hof verwijst naar de uitspraak van de Hoge Raad van 27 maart 2020 (ECI:NL:HR:2020:533), waarin is overwogen dat de rechter bij toepassing van artikel 1:253c, tweede lid, BW, óók indien is voldaan aan het ‘klemcriterium’, ruimte heeft om gezamenlijk gezag toe te kennen. Die uitleg strookt volgens de Hoge Raad met het uitgangspunt dat bij een dergelijke beslissing zoveel mogelijk recht moet worden gedaan aan het belang van het kind. 3.
  40. Op dit moment is er geen zicht op [minderjarige] en kan dus ook niet worden vastgesteld of hij feitelijk klem of verloren is geraakt of dreigt te raken tussen zijn ouders nu zijn ouders als gevolg van de beslissing van de rechtbank met het gezamenlijk gezag belast zijn. Op basis van de informatie die er wel is, is het hof van oordeel dat de toekenning van gezamenlijk gezag het belang van [minderjarige] het minst zal schaden. 3.
  41. Indien de moeder weer het eenhoofdig gezag krijgt wordt ieder (onbelast) contact met de vader onmogelijk gemaakt. Dat is zeer schadelijk voor de sociaal-emotionele en identiteitsontwikkeling van [minderjarige] . De moeder laat de vader niet toe om voldoende betrokken te zijn bij het leven van [minderjarige] . De videobelcontacten zijn naar het oordeel van het hof volstrekt onvoldoende om een gehechtheidsrelatie op te bouwen; daarvoor is, zeker gezien de jonge leeftijd van [minderjarige] , veelvuldig fysiek contact nodig. Dat de vader ongeschikt is om een vaderrol te vervullen in het leven van [minderjarige] en zorgtaken op zich te nemen, heeft de moeder geenszins aannemelijk gemaakt. Haar beschuldigen aan het adres van de vader zijn ongefundeerd. 3.
  42. Het hof gaat voorbij aan de argumenten die de moeder aanvoert om haar vertrek met [minderjarige] te rechtvaardigen. Los van het feit dat de moeder haar stellingen niet met verifieerbare stukken heeft onderbouwd, is het hof van oordeel dat de noodzaak van de moeder om in het buitenland een medische behandeling te ondergaan, niet aan het contact tussen de vader en [minderjarige] in de weg had hoeven te staan. De moeder kon of wilde tijdens de mondelinge behandeling van het hof niet bevestigen dat zij voornemens is op enig moment naar Nederland terug te keren. Daarmee nam zij een ander standpunt in ten opzichte van haar eerder ingenomen standpunt dat zij enkel ten behoeve van de medische behandelingen tijdelijk in Polen verblijft. De moeder heeft geenszins laten zien dat zij zich bewust is van de impact van haar beslissing om met [minderjarige] te vertrekken op de mogelijkheden van de vader om een rol van betekenis te hebben in het leven van [minderjarige] . Het hof heeft dan ook niet het vertrouwen dat de moeder aan de uit het ouderlijk gezag voortvloeiende wettelijke verplichting (art.1:247 lid 3 BW) om de ontwikkeling van de banden van [minderjarige] met de vader te bevorderen, zal voldoen. Gelet op het voorgaande is het noodzakelijk dat de vader mede het gezag krijgt om het recht op family life tussen hem en [minderjarige] toch te kunnen verwezenlijken. 3.
  43. Het hof acht het niet in het belang van [minderjarige] om de vader alleen met het gezag te belasten. In dat kader overweegt het hof dat [minderjarige] vanaf zijn geboorte bijna uitsluitend door de moeder is verzorgd en opgevoed. Het hof is van oordeel dat aan de belangrijke positie van de moeder in het leven van [minderjarige] te veel afbreuk zou worden gedaan als de vader op dit moment met het eenhoofdig gezag zou worden belast. Bovendien dient het gezamenlijk gezag eerst een kans te krijgen. Daarom zal het hof het verzoek van de man om eenhoofdig gezag afwijzen. De stelling van de vader dat hij, wanneer hij met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] wordt belast, een sterkere positie heeft in de Poolse procedures, wat daar ook van zij, doet aan het voorgaande niet af. 3.
  44. Het hof concludeert dat op grond van al hetgeen de ouders hebben aangevoerd niet kan worden vastgesteld dat van het uitgangspunt dat ouders gezamenlijk belast zijn met het gezag over hun kinderen, in het belang van [minderjarige] dient te worden afgeweken. De bestreden beschikking zal daarom ten aanzien van de beslissing over het gezag worden bekrachtigd en hetgeen anders is verzocht ten aanzien van het gezag zal worden afgewezen. Hoofdverblijfplaats 3.
  45. Nu het hof het verzoek van de vader om met het eenhoofdig gezag te worden belast afwijst en de beslissing van de rechtbank in de bestreden beschikking om de ouders met het gezamenlijk gezag te belasten bekrachtigt, komt het hof toe aan een beoordeling van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] . Daarover overweegt het hof als volgt. 3.
  46. Ingevolge artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag aan de rechter worden voorgelegd. Daartoe behoort ook, gelet op artikel 1:253a lid 2, aanhef en sub b BW, het geschil bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft. De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt. 3.
  47. De beslissing van de rechtbank omtrent de hoofdverblijfplaats is met name gebaseerd op de vaststelling dat de moeder in strijd met de belangen van [minderjarige] heeft gehandeld door plotseling en zonder legitieme reden, met [minderjarige] te vertrekken en daarbij de vader geen perspectief heeft geven op een eventuele terugkeer. Het hof vult daarop aan dat in de opvoedsituatie bij de vader geen belemmeringen worden gezien voor de vaststelling van het hoofdverblijf van [minderjarige] bij de vader. De vader heeft een stabiel leven, een vaste baan en een ondersteunend netwerk. Bovendien heeft de moeder tot aan de mondelinge behandeling in hoger beroep steeds gezegd dat haar verblijf in Polen tijdelijk is en dat het de bedoeling is dat zij en [minderjarige] terugkeren naar Nederland. Voor [minderjarige] is daarom van belang dat hij in Nederland naar de opvang of de peuterschool gaat, zodat hij de Nederlandse taal leert en in 2025 goed kan starten op de basisschool. Daarbij heeft de vader uitdrukkelijk en herhaaldelijk verklaard dat hij, als [minderjarige] bij hem woont, het contact tussen hem en de moeder te allen tijde zal ondersteunen. Het hof stelt vast dat de vader beter dan de moeder in staat en bereid is om het contact met de andere ouder te bevorderen. Daarbij weegt het hof mee dat de moeder tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep op vragen van het hof niet kon bevestigen dat zij een contactregeling tussen de vader en [minderjarige] in Polen, waarbij zij [minderjarige] aan de vader overdraagt, zal ondersteunen. Vaststelling van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de vader vergroot gezien het voorgaande zijn mogelijkheden voor een regelmatig en onbelast contact met beide ouders. 3.
  48. Het hof heeft het vertrouwen dat de vader alles in het werk stelt voor een zorgvuldige en geleidelijke opbouw van het contact tussen [minderjarige] en de vader ten behoeve van een zorgvuldige overdracht en dat hij zich daarbij laat ondersteunen door de daartoe aangewezen hulpverlening in Nederland en in Polen. 3.
  49. Op grond van het vorenstaande zal het hof de beschikking waarvan beroep ten aanzien van de beslissing over het hoofdverblijf bekrachtigen. 3.
  50. Al het voorgaande leidt tot de volgende beslissing van het hof. 4De beslissing Het hof: bekrachtigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 15 januari 2024 in de bodemzaak; verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, team familie- en jeugdrecht, ter attentie van het centraal gezagsregister; wijst af het meer of anders verzochte. Deze beschikking is gegeven door mrs. E.M.C. Dumoulin, J.C.E. Ackermans-Wijn en A.J.F. Manders en is op 23 januari 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.