← Nederland

ECLI:NL:GHSHE:2025:1664

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team familie- en jeugdrecht Uitspraak: 12 juni 2025 Zaaknummer: 200.350.297/01 Zaaknummer eerste aanleg: 11205422 OV VERZ 24-3200 in de zaak in hoger beroep van: [betrokkene] , wonende te [woonplaats] , verzoekster in hoger beroep, hierna te noemen: [betrokkene] , advocaat: mr. G. Konus. Als belanghebbenden zijn aangemerkt: - [B.V.] B.V. gevestigd te [vestigingsplaats] , huidige mentor van [betrokkene] , hierna te noemen: [huidige mentor]. - [de kleinzoon] , wonende te [woonplaats] , hierna te noemen: [de kleinzoon] / de kleinzoon, - [de dochter] , wonende te [woonplaats] , hierna te noemen: [de dochter] / de dochter. In het kort [betrokkene] verzoekt dat (in plaats van [huidige mentor] ) haar dochter [de dochter] tot haar mentor wordt benoemd. 1Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (Breda) van 15 november 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. 2Het geding in hoger beroep 2.

  1. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 13 januari 2025, heeft [betrokkene] verzocht voormelde beschikking te vernietigen in die zin dat [de dochter] tot haar mentor wordt benoemd, althans dat het hof een beslissing neemt die het hof juist acht. 2.
  2. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 27 mei
  3. Bij die gelegenheid zijn gehoord: [betrokkene] , bijgestaan door haar advocaat; [huidige mentor] , vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger] ; [de dochter] . [de kleinzoon] is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen op de mondelinge behandeling. 2.3.
  4. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van: de zittingsaantekeningen van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 11 oktober 2024; het V-formulier met bijlagen van de advocaat van [betrokkene] van 13 februari 2025; de brief van [huidige mentor] van 17 februari
  5. 2.3.
  6. Op verzoek van het hof is na de mondelinge behandeling nog ingekomen: - de brief van 3 juni 2025 van [huidige mentor] B.V. waaruit blijkt dat mevrouw [vertegenwoordiger] op de mondelinge behandeling bij het hof de B.V. mag vertegenwoordigen. 3De beoordeling 3.
  7. [betrokkene] is geboren op [geboortedatum] 1941 te [geboorteplaats] . Zij woont sinds april 2024 in een aanleunwoning in [woonplaats] . 3.
  8. Bij beschikking van 4 juni 2024 heeft de kantonrechter op verzoek van [de kleinzoon] ten behoeve van [betrokkene] een mentorschap en een bewind ingesteld, waarbij [de kleinzoon] tot haar mentor is benoemd en [bewindvoerder] tot haar bewindvoerder. Bij de rechtbank 3.
  9. Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank het verzoek van [betrokkene] tot wijziging van haar mentor – [de dochter] in plaats van [de kleinzoon] – afgewezen en vervolgens (ambtshalve) met ingang van 16 november 2024 [de kleinzoon] ontslagen als mentor en met ingang van deze datum [huidige mentor] tot mentor van [betrokkene] benoemd. Bij het hof 3.
  10. ’ [betrokkene] kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen. In haar hoger beroepschrift en aangevuld op de mondelinge behandeling voert ze – samengevat – het volgende aan. [de dochter] regelt al enige tijd ten behoeve van [betrokkene] de zorg met zorgverleners en behandelaars en zij maakt afspraken met zorgverleners, waarbij ze [betrokkene] ondersteunt bij gesprekken. [de dochter] is bekend met de medische situatie van [betrokkene] en ze kan ingrijpen wanneer [betrokkene] niet de zorg krijgt die ze zou moeten krijgen of als er zich wijzigingen voordoen in de medische situatie. [de dochter] werkt zelf in de zorg en beschikt over medische kennis, waardoor [betrokkene] vertrouwen heeft in de beslissingen die ze neemt ten behoeve van haar. [de dochter] zorgt daarnaast voor de dagelijkse boodschappen van [betrokkene] , ze kookt voor haar en is veelvuldig op bezoek. De relatie tussen [betrokkene] en [de dochter] is goed. [de dochter] is in staat om beslissingen goed af te stemmen op de behoeften en voorkeuren van [betrokkene] . De werkzaamheden van [de dochter] op de zorginstelling waar [betrokkene] woont zijn per 1 januari 2025 beëindigd, waardoor er geen sprake meer kan zijn van eventuele belangenverstrengeling en/of ongemakkelijke situaties voor collega’s van [de dochter] . Uit de bestreden beschikking blijkt dat de bewindvoerder zonder enige motivering, uitleg of voorbeelden, heeft gesteld dat [de dochter] veel invloed op [betrokkene] heeft en dat er sprake zou zijn van disharmonie en wantrouwen binnen de familie. In het verleden was dat inderdaad zo, maar dit werd vooral veroorzaakt door de inmiddels overleden zoon van [betrokkene] / broer van [de dochter] . Deze familiaire problemen bestonden al en hebben niets te maken met het mentorschap. De rechtbank volgt naar haar mening (deels) de stellingen van bewindvoerder, zonder [betrokkene] of overige belanghebbenden hierover te hebben gehoord. Dit vormt een schending van het recht op hoor- en wederhoor conform artikel 19 Rv. De huidige mentor is niet betrokken en niet actief. [betrokkene] wil niet met haar samenwerken en voelt zich niet prettig bij deze mentor. [betrokkene] belt altijd [de dochter] als er iets is, als ze bijvoorbeeld naar de huisarts moet en regelt alles via haar. 3.
  11. [de dochter] heeft op mondelinge behandeling verklaard dat zij vanwege gezondheidsredenen (reuma) is gestopt met uitvoerende werkzaamheden in de zorg. Ze werkt nu in [plaats] bij “ [bedrijf 1] ” als zorgplanner voor [bedrijf 2] , waardoor ze niet meer in hetzelfde gebouw werkt als waar haar moeder woont. [de dochter] kan samenwerken met [bedrijf 2] als het om de zorg voor haar moeder gaat en ze voelt zich ook vrij genoeg om tegen [bedrijf 2] in te gaan als de zorg voor haar moeder dat zou vereisen. [betrokkene] wil graag met [de dochter] overleggen welke zorg nodig is, zeker als de gezondheidssituatie van [betrokkene] in de toekomst zal verslechteren. Afstemmen en samenwerken met [bedrijf 2] is nu lastig voor [de dochter] , omdat [de dochter] geen inzage heeft in het dossier van haar moeder. [de dochter] moet nu alles via een omweg regelen als er actie moet worden ondernomen. Ze was (ten onrechte) niet opgeroepen door de rechtbank en liep constant achter de feiten aan. [de dochter] weet het beste wat haar moeder wel en niet wil en haar moeder wil niet samenwerken met iemand die ze niet goed kent. 3.
  12. Mevrouw [vertegenwoordiger] heeft namens [huidige mentor] op de mondelinge behandeling verklaard dat ze heeft geprobeerd om in beeld te brengen welke zorg er voor [betrokkene] nodig is, maar dat het helaas niet is gelukt om met [betrokkene] samen te werken. Wel heeft mevrouw [vertegenwoordiger] in [betrokkene] een lieve en leuke vrouw leren kennen met wie ze goede gesprekken heeft kunnen voeren. Mevrouw [vertegenwoordiger] ziet dat [de dochter] goed voor haar moeder zorgt, dat er altijd eten in de koelkast staat en dat ze erg betrokken is. Het hof overweegt als volgt. 3.7.
  13. Ingevolge artikel 1:452 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) benoemt de rechter bij het uitspreken van het mentorschap of zo spoedig mogelijk daarna een mentor. Hij vergewist zich van de bereidheid en vormt zich een oordeel omtrent de geschiktheid van de te benoemen persoon. Volgens lid 3 van dit artikel volgt de rechter bij de benoeming van de mentor de uitdrukkelijke voorkeur van de betrokkene, tenzij gegronde redenen zich tegen zodanige benoeming verzetten. 3.7.
  14. Alle betrokkenen zijn het over eens dat [betrokkene] een mentor nodig heeft. Dit hoger beroep gaat alleen over de vraag wie deze taak het beste op zich kan nemen: [huidige mentor] (als professional) of [de dochter] (als familielid). [betrokkene] is er in woord en schrift volstrekt helder in dat het haar uitdrukkelijke voorkeur heeft dat [de dochter] haar mentor wordt. Op grond van de stukken en hetgeen [betrokkene] heeft verklaard op de mondelinge behandeling is het voor het hof voldoende aannemelijk geworden dat [betrokkene] in staat is om haar voorkeur te onderbouwen en toe te lichten, zodat slechts nog de kwestie ter beoordeling voorligt of [de dochter] (die zich bereid heeft verklaard om als opvolgend mentor te worden benoemd) geschikt is om het mentorschap uit te oefenen. Op basis van de wet dient het hof de voorkeur van [betrokkene] in beginsel te volgen, tenzij er gegronde redenen zijn die zich tegen benoeming van [de dochter] verzetten. Die gegronde redenen ziet het hof niet. Het hof acht het voor [betrokkene] van belang dat er een mentor wordt benoemd in wie zij veel vertrouwen heeft en, bij voorkeur, iemand die dicht bij haar staat, zoals ook het uitgangspunt is van de hiervoor genoemde wettelijke bepaling. Uit de stukken, zoals bevestigd op de mondelinge behandeling, is gebleken dat [betrokkene] en [de dochter] een hechte band met elkaar hebben en dat [de dochter] veel voor haar moeder doet en regelt. Waar de rechtbank eerder een belemmering zag in de benoeming van [de dochter] tot mentor vanwege de nauwe werkgerelateerde betrokkenheid van [de dochter] bij de woonvoorziening van [betrokkene] , speelt dat inmiddels geen rol meer, omdat [de dochter] sinds januari 2025 voor [bedrijf 2] in [plaats] werkt. Van andere belemmeringen is het hof niet gebleken. Voor zover [de kleinzoon] bij de rechtbank bezwaar heeft gemaakt tegen de benoeming van [de dochter] gaat het hof hieraan voorbij. [de kleinzoon] heeft dit in hoger beroep niet nader toegelicht, is niet verschenen op de mondelinge behandeling bij het hof en hij heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om een verweerschrift in te dienen. Al met al is niet gebleken dat [de dochter] niet op een goede manier invulling zou kunnen geven aan het mentorschap. Het hof acht haar in staat om het professionele onderscheid aan te kunnen brengen tussen haar rol als mentor en haar rol als dochter. Het hof zal het verzoek van [betrokkene] daarom toewijzen met ingang van twee weken nadat deze beschikking is gegeven, zodat [huidige mentor] voldoende tijd heeft om het dossier zorgvuldig over te dragen aan [de dochter] . 3.7.
  15. Ten behoeve van [huidige mentor] merkt het hof tot slot op dat uit het dossier niet is gebleken dat [huidige mentor] haar werk als mentor niet naar behoren heeft uitgevoerd. Het ontslag van [huidige mentor] dat nu volgt, is louter ingegeven door de in de wet verankerde wettelijke voorkeur van de betrokkene die in dit geval gevolgd dient te worden. Beslist wordt als volgt. 4De beslissing Het hof: vernietigt de bestreden beschikking; verleent met ingang van 26 juni 2025 aan [huidige mentor] B.V. ontslag als mentor van [betrokkene] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1941; bepaalt dat [huidige mentor] B.V. schriftelijk verslag doet van haar werkzaamheden aan de opvolgende mentor en aan de kantonrechter; benoemt met ingang van 26 juni 2025 [de dochter] , wonende te [woonplaats] aan [adres] ( [postcode] ), tot opvolgend mentor van [betrokkene] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1941; bepaalt dat de opvolgend mentor voor haar (aanvangs)werkzaamheden en voor de met het mentorschap gemoeide kosten de in de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren vastgestelde forfaitaire tarieven ten laste van het vermogen van de betrokkene mag brengen. Deze beschikking is gegeven door mrs. E.P. de Beij, A.M. Bossink en M.A. Stammes en is in het openbaar uitgesproken op 12 juni 2025 in tegenwoordigheid van mr. D. van der Horst, griffier.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.