GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team familie- en jeugdrecht Uitspraak: 12 juni 2025 Zaaknummer: 200.349.342/01 Zaaknummer eerste aanleg: 11310809 OV VERZ 24-5675 in de zaak in hoger beroep van: [verzoeker] , wonende te [woonplaats] , verzoeker in hoger beroep, hierna te noemen: [verzoeker] , advocaat: mr. N.P. Scholte, Het hof merkt als belanghebbenden aan: [de bewindvoerder / de mentor] , vennoot van [onderneming] ( [onderneming] ), gevestigd te [vestigingsplaats] , hierna te noemen: de bewindvoerder tevens mentor, advocaat: mr. G. Konus. [zus] , wonende te [woonplaats] . [broer 1] , wonende te [woonplaats] . [broer 2] , wonende te [woonplaats] . [broer 3] , wonende te [woonplaats] . 1Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Tilburg, van 27 september 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. 2Het geding in hoger beroep 2.1. Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 23 december 2024, heeft [verzoeker] verzocht voormelde beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende: primair het verzoek om het bewind op te heffen alsnog toe te wijzen en de huidige mentor te ontslaan met benoeming van een opvolgend mentor; subsidiair indien het bewind niet wordt opgeheven, de huidige bewindvoerder en mentor te ontslaan met benoeming van een opvolgend bewindvoerder en mentor. 2.2. Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 6 maart 2025, heeft de bewindvoerder verzocht [verzoeker] niet-ontvankelijk te verklaren in zijn hoger beroep, dan wel het hoger beroep ongegrond en niet bewezen te verklaren nu alle grieven falen, met bekrachtiging van de bestreden beschikking en verder [verzoeker] te veroordelen in de proceskosten gevallen aan de zijde van de bewindvoerder in hoger beroep. 2.3. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 8 mei 2025. Bij die gelegenheid zijn gehoord: [verzoeker] , bijgestaan door mr. Scholte; de bewindvoerder tevens mentor, bijgestaan door mr. Konus. 2.3.1. De overige belanghebbenden (zus en broers van [verzoeker] ) zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet naar de mondelinge behandeling gekomen. 2.4. Het hof heeft verder kennisgenomen van de inhoud van: de brief van mr. Scholte van 20 januari 2025 met (de extra exemplaren van) het beroepschrift met bijlagen; het V6-formulier van mr. Scholte van 28 januari 2025 met productie 4 en 5; het V6-formulier van mr. Scholte van 11 april 2025 met productie 6. 2.5. Het beroepschrift (zonder producties) is ingekomen op 23 december 2024. De producties 1 tot en met 3 zijn toen wel aangekondigd, maar nog niet overgelegd. De ontvangst van het beroepschrift is door het hof bevestigd aan partijen. Omdat er nog stukken ontbraken, is aan [verzoeker] de gelegenheid geboden om tot en met 16 januari 2025 de ontbrekende stukken in te dienen. Ook zijn er extra exemplaren van het beroepschrift verzocht. Er is nadien uitstel gevraagd en verleend tot 30 januari 2025. Op 20 januari 2025 is vervolgens het beroepschrift met bijlagen overgelegd (en extra exemplaren). Het is hetzelfde beroepschrift (qua inhoud), alleen is een productieoverzicht toegevoegd bij nummer 3. 3De beoordeling De feiten 3.1. Bij beschikking van 16 mei 2014 heeft de kantonrechter over de goederen die [verzoeker] als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren vanwege zijn lichamelijke of geestelijke toestand een bewind ingesteld, met benoeming van [voormalige bewindvoerder en mentor 1] te [vestigingsplaats] (hierna: [voormalige bewindvoerder en mentor 1] ) als bewindvoerder. Er is eveneens ten behoeve van [verzoeker] een mentorschap ingesteld, met benoeming van [voormalige bewindvoerder en mentor 1] als mentor. 3.2. Bij beschikking van 24 september 2020 heeft de kantonrechter met ingang van 1 oktober 2020 [voormalige bewindvoerder en mentor 1] ontslagen als bewindvoerder en mentor, onder gelijktijdige benoeming van [voormalige bewindvoerder en mentor 2] h.o.d.n. [v.o.f.] v.o.f. te [vestigingsplaats] (hierna: [v.o.f.] ) tot bewindvoerder en mentor. 3.3. Bij beschikking van 7 maart 2024 heeft de kantonrechter met ingang van 1 april 2024 [v.o.f.] ontslagen als bewindvoerder en mentor, onder gelijktijdige benoeming van de huidige bewindvoerder en mentor. 3.4. Bij de bestreden beschikking heeft de kantonrechter de klachten van [verzoeker] over het gevoerde bewind en zijn bewindvoerder ongegrond verklaard en het verzoek tot opheffing van het bewind afgewezen. 3.5. [verzoeker] kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen. De standpunten 3.6. [verzoeker] voert in het beroepschrift en aangevuld tijdens de mondelinge behandeling – samengevat – het volgende aan. De kantonrechter oordeelt ten onrechte dat er in het dossier geen aanwijzingen zijn dat door de (voormalige) bewindvoerder(
- s)verwijtbaar is gehandeld. Door de invoering van het bewind zijn de financiële problemen juist toegenomen. De bewindvoerder heeft ondanks de bezwaren van [verzoeker] zijn vier garageboxen door een commercieel bedrijf laten ontruimen. In plaats van dat er spullen zijn verkocht, heeft de ontruiming [verzoeker] € 14.400,- gekost. De bewindvoerder heeft hiermee niet in het belang van [verzoeker] gehandeld. De garageboxen bevatten voor [verzoeker] waardevolle spullen. [verzoeker] acht zich in staat om zelfstandig zijn financiële belangen te behartigen. Hij kan hierin ook groeien en leren, want in het verleden heeft hij zijn diploma’s voor aannemer gehaald. Er is - met name door de ontruiming van de garageboxen - sprake van een verstoorde verstandverhouding tussen [verzoeker] en de bewindvoerder. Er wordt niet goed samengewerkt en er is een gebrek aan vertrouwen. Omdat de bewindvoerder tevens de mentor is van [verzoeker] , is er verzocht om een andere mentor te benoemen. 3.7. De bewindvoerder tevens mentor voert in het verweerschrift en aangevuld tijdens de mondelinge behandeling – samengevat – het volgende aan. De stukken die [verzoeker] indient hebben betrekking op klachten over de voormalig bewindvoerder(s). Het gaat om zaken en situaties die tien jaar zijn geleden en waar de huidige bewindvoerder niet bij betrokken was. Er zijn geen aanwijzingen dat de huidige bewindvoerder verwijtbaar heeft gehandeld. De bewindvoerder wist dat [verzoeker] het niet eens was met de ontruiming van de garageboxen, maar er zijn geen andere klachten over de onderlinge samenwerking vanuit [verzoeker] bij de bewindvoerder bekend. De ontruiming van de garageboxen is destijds door (
- de)eerdere bewindvoerder(
- s)opgestart. De bewindvoerder heeft de kantonrechter verzocht om toestemming voor het ontruimen van de vier garageboxen die [verzoeker] in huur had. Het budget om de huur te voldoen was ontoereikend. [verzoeker] is gediagnosticeerd met een verzamelstoornis en schizo typische persoonlijkheidsstoornissen. [verzoeker] woont in een GGZ-instelling en zijn kamer moest vorig jaar vanwege alle spullen opnieuw ontruimd worden. De bewindvoerder heeft in het geval van de garageboxen samengewerkt met de GGZ, het proces zorgvuldig opgepakt en volledig in het belang van [verzoeker] gehandeld. Het bleek niet mogelijk om de garageboxen kosteloos te ontruimen en eventuele verkoop van goederen zou niets opleveren. De kosten van de ontruiming zijn betaald uit het vermogen van [verzoeker] . Net als de betrokken hulpverlening, is de bewindvoerder van mening dat [verzoeker] niet in staat is om zijn belangen van vermogensrechtelijke aard behoorlijk waar te nemen. [verzoeker] heeft geen ziekte-inzicht en de huidige procedure veroorzaakt veel onnodige onrust bij hem. Er is geen sprake van een verstoorde verhouding tussen de bewindvoerder tevens mentor en [verzoeker] . Er heeft twee weken geleden een constructief gesprek plaatsgevonden met [verzoeker] . De ontruiming van de garageboxen en zijn kamer liggen logischerwijs erg gevoelig, maar tussen [verzoeker] en de bewindvoerder verloopt het verder prima. Onder begeleiding van de bewindvoerder leert [verzoeker] omgaan met een eigen pinpas, die hij voorheen nooit heeft gehad. [verzoeker] heeft geen computer maar er wordt nagedacht over mogelijkheden om de door hem verzamelde informatie digitaal op te slaan. Het wettelijk kader 3.8. Ingevolge artikel 1:449 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kantonrechter het bewind opheffen, indien de noodzaak daartoe niet meer bestaat of voortzetting van het bewind niet zinvol is gebleken, zulks op verzoek van de bewindvoerder of degene die gerechtigd is het bewind te verzoeken als bedoeld in artikel 1:432 BW, alsmede ambtshalve. 3.9. Ingevolge artikel 1:448 lid 1 aanhef en sub e en lid 2 BW (bewind) in samenhang met artikel 1:461 lid 1 aanhef en sub e en lid 2 BW (mentorschap) kan de bewindvoerder/mentor door de kantonrechter ontslag worden verleend, hetzij op eigen verzoek, hetzij wegens gewichtige redenen of omdat hij niet meer voldoet aan de eisen om bewindvoerder/mentor te kunnen worden, zulks op verzoek van de medebewindvoerder/medementor of degene die gerechtigd is onderbewindstelling/mentorschap te verzoeken, dan wel ambtshalve. De overwegingen van het hof 3.10. Het hof is evenals de rechtbank van oordeel dat [verzoeker] niet in staat is zijn belangen van vermogensrechtelijke aard behoorlijk waar te nemen en dat voortzetting van het bewind nog steeds zinvol is. [verzoeker] is gediagnosticeerd met onder meer een verzamelstoornis en maakt mede daardoor keuzes waarvan hij de financiële consequenties niet kan overzien. De huur van een viertal garageboxen is daar een voorbeeld van. [verzoeker] heeft geen ziekte-inzicht en is daardoor kwetsbaar. Het hof is van oordeel dat [verzoeker] nog immer bescherming behoeft op het vermogensrechtelijke vlak. Daarnaast heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat hij in staat is zelfstandig zijn (financiële) belangen te behartigen. Hij was tot voor kort onbekend met het gebruik van een pinpas en beschikt niet over een eigen computer om digitaal (financiële) zaken te regelen. 3.11. Naar het oordeel van het hof zijn er geen gewichtige redenen om de bewindvoerder tevens mentor ontslag te verlenen. In de door [verzoeker] gestelde omstandigheden ziet het hof geen aanleiding om aan te nemen dat de bewindvoerder en mentor haar werk niet goed doet. [verzoeker] heeft door de ontruiming van de garageboxen spullen verloren die voor hem (emotionele) waarde hebben. Het is begrijpelijk dat dit een gevoelige kwestie is voor [verzoeker] , evenals de ontruiming van zijn kamer door de instelling waar hij woont, maar het betekent niet dat de bewindvoerder haar taken niet naar behoren vervult. De bewindvoerder heeft toestemming van de kantonrechter verkregen voor het ontruimen van de garageboxen en het opzeggen van de huur. Het hof is verder niet gebleken dat er sprake is van een verstoorde verstandhouding tussen de bewindvoerder tevens mentor en [verzoeker] . De bewindvoerder tevens mentor heeft onlangs met [verzoeker] om de tafel gezeten, in het bijzijn van zijn begeleider, en een constructief gesprek gevoerd. Het contact is volgens de bewindvoerder prima. De bewindvoerder tevens mentor richt zich op de toekomst door [verzoeker] te laten wennen aan het gebruik van een pinpas en na te denken over digitale mogelijkheden. Dit alles is door [verzoeker] niet weersproken. Het hof ziet, alles overziende, dan ook geen reden voor een wijziging van de bewindvoerder tevens mentor zoals [verzoeker] voorstaat. De slotsom 3.12. Op grond van het voorgaande zal het hof de beschikking waarvan beroep bekrachtigen. Proceskosten 3.13. Het hof oordeelt over het verzoek van de bewindvoerder tevens mentor om [verzoeker] in de proceskosten te veroordelen, dat het in het algemeen gebruikelijk is om in een zaak als de onderhavige – gelet op de aard van de procedure – de proceskosten te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. Anders dan de bewindvoerder tevens mentor aanvoert, is het niet zo dat door [verzoeker] de procedure nodeloos is ingesteld. Het hof zal dan ook het verzoek van de bewindvoerder tevens mentor om [verzoeker] in de proceskosten te veroordelen afwijzen en de proceskosten tussen partijen compenseren. 4De beslissing Het hof: bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Tilburg, van 27 september 2024; compenseert de proceskosten in hoger beroep, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt; wijst af het meer of anders verzochte. Deze beschikking is gegeven door mrs. G.M. Goes, E.P. de Beij en E.M.D.M. van der Linden en is in het openbaar uitgesproken op 12 juni 2025 in tegenwoordigheid van de griffier.