← Nederland

ECLI:NL:GHSHE:2025:1667

GERECHTSHOF ’S-HERTOGENBOSCH Team familie- en jeugdrecht zaaknummer : 200.347.270/01 zaaknummer rechtbank : C/01/403332 / FA RK 24-1414 beschikking van de meervoudige kamer van 12 juni 2025 inzake [B.V. 1] B.V. gevestigd en kantoorhoudende te [vestigings- en kantoorplaats] , verzoeker in hoger beroep, hierna te noemen: de bewindvoerder, in zijn hoedanigheid als bewindvoerder over de goederen die (zullen) toebehoren aan: [de man] , wonende te [woonplaats] , hierna te noemen: de man, advocaat: mr. M. Koppelmans-de Goeij, tegen [de vrouw] , wonende te [woonplaats] , verweerster in hoger beroep, hierna te noemen: de vrouw, advocaat: voorheen mr. A. Elias thans zonder advocaat. 1Het verloop van het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 13 augustus 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. 2Het geding in hoger beroep 2.

  1. De bewindvoerder is op 22 oktober 2024 in hoger beroep gekomen van voornoemde beschikking. 2.1.
  2. Bij dat beroepschrift heeft de bewindvoerder tevens verzocht om de werking van de bestreden beschikking te schorsen totdat in de hoofdzaak is beslist. Dit verzoek is bij het hof geregistreerd onder zaaknummer 200.347.270/
  3. Bij beschikking van dit hof van 9 januari 2025 is op dat verzoek beslist (zie 3.7.) 2.
  4. De vrouw heeft geen verweerschrift ingediend. 2.
  5. Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen: - het V6-formulier d.d. 9 december 2024, met bijlagen, van de zijde van de bewindvoerder; - het V6-formulier d.d. 7 januari 2025, met bijlage, van de zijde van de bewindvoerder;- het e-mailbericht d.d. 17 april 2025, van de zijde van de bewindvoerder; - het V6-formulier d.d. 29 april 2025, met bijlage, van de zijde van de bewindvoerder. 2.
  6. De mondelinge behandeling heeft op 1 mei 2025 plaatsgevonden. Verschenen zijn de advocaat van de bewindvoerder en de vrouw. 2.4.
  7. De man is, met bericht van afmelding, niet op de mondelinge behandeling verschenen. 2.4.
  8. De bewindvoerder is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet op de mondelinge behandeling verschenen. 3De feiten 3.
  9. Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast. 3.
  10. De man en de vrouw hebben tot april 2022 een affectieve relatie met elkaar gehad. Tijdens deze relatie is geboren: - [minderjarige] , op [geboortedatum] 2021 te [geboorteplaats] . 3.
  11. De man heeft [minderjarige] erkend. De man en de vrouw oefenen samen het gezag uit over [minderjarige] . 3.
  12. Bij beschikking van 1 maart 2024 heeft de kantonrechter voor de duur van vijf jaar een bewind ingesteld over alle goederen die (zullen) toebehoren aan de man vanwege verkwisting of het hebben van problematische schulden, aldus tot 1 maart 2029, met benoeming van [voormalige bewindvoerder] , h.o.d.n. [naam] gevestigd te [vestigingsplaats] als bewindvoerder. 3.
  13. Bij de bestreden beschikking is, voor zover thans van belang, de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] (hierna ook: kinderalimentatie) met ingang van 1 april 2024 bepaald op € 400,-. 3.
  14. Bij beschikking van 17 december 2024 heeft de kantonrechter [voormalige bewindvoerder] h.o.d.n. [naam] gevestigd te [vestigingsplaats] met ingang van 1 januari 2025 ontslagen als bewindvoerder en met ingang van die datum [B.V. 1] B.V. gevestigd te [vestigings- en kantoorplaats] benoemd tot bewindvoerder. 3.
  15. Bij beslissing van dit hof van 9 januari 2025 in zaaknummer 200.347.270/02 is de werking van de bestreden beschikking geschorst ten aanzien van de daarin aan de man opgelegde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] . 4De omvang van het geschil De bewindvoerder verzoekt de bestreden beschikking (zie 3.5), voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te vernietigen voor zover het de kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige] betreft en daarbij alsnog het verzoekschrift van de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren dan wel af te wijzen, althans een zodanig bedrag met een zodanige ingangsdatum te bepalen die het hof juist acht. 5De motivering van de beslissing Herstelfunctie hoger beroep 5.
  16. De bewindvoerder is in de procedure in eerste aanleg niet verschenen, als gevolg waarvan de rechtbank het verzoek van de vrouw zonder inhoudelijke beoordeling heeft toegewezen. Gelet op de herstelfunctie van het hoger beroep zal het hof, nu de bewindvoerder in hoger beroep is gekomen, de voorliggende verzoeken (alsnog) inhoudelijk beoordelen. Ingangsdatum kinderalimentatie 5.
  17. De ingangsdatum die de rechtbank heeft vastgesteld, zijnde 1 april 2024, is in hoger beroep in geschil. 5.
  18. Gebleken is dat de bewindvoerder ten onrechte niet in de procedure bij de rechtbank is betrokken. Op 23 augustus 2024 - aldus na de bestreden beschikking - heeft de advocaat van de bewindvoerder zich gesteld voor de bewindvoerder. Gegeven deze gang van zaken acht het hof het redelijk om uit te gaan van een ingangsdatum van 1 september 2024, nu de bewindvoerder vanaf dat moment in ieder geval rekening kon houden met een bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] . Behoefte [minderjarige] 5.
  19. De rechtbank heeft de behoefte van [minderjarige] niet vastgesteld noch heeft de vrouw in haar verzoekschrift zoals ingediend bij de rechtbank een berekening van de behoefte van [minderjarige] gemaakt c.q. een berekening van deze behoefte kunnen maken. Het hof zal in hoger beroep aldus alsnog de behoefte van [minderjarige] vaststellen. De bewindvoerder heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep verzocht de behoefte van [minderjarige] te bepalen op € 515,- per maand in
  20. De vrouw heeft dit verzoek van de bewindvoerder niet weersproken zodat het hof de behoefte van [minderjarige] conform het verzoek van de bewindvoerder zal bepalen op € 515,- (in 2022). Draagkracht van de man 5.
  21. De draagkracht van de man in hoger beroep is in geschil. 5.
  22. Gelet op de verschillende wijzigingen die zich aan de zijde van de man hebben voorgedaan, zal het hof de draagkracht van de man vaststellen in de navolgende periodes: van 1 september 2024 tot 21 maart 2025; van 21 maart 2025 tot heden. De periode van 1 september 2024 tot 21 maart 2025 5.
  23. Gebleken is dat de man in deze periode afhankelijk is geweest van een uitkering op grond van de Participatiewet. Daarnaast staat de man sinds 1 maart 2024 onder bewind in verband met het hebben van problematische schulden. Er is sprake van een schuldenlast van € 26.570,-. De man ontving in deze periode € 70,- leefgeld per week. In die periode kon er vanwege het geringe inkomen van de man nog niet worden afgelost op de schuldenlast. De man is gezien zijn afhankelijkheid van een Participatiewet uitkering en grote schuldenlast over deze periode niet in staat om een bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van [minderjarige] te voldoen omdat de draagkracht hiertoe ontbreekt. De periode van 21 maart 2025 tot heden 5.7.
  24. Met ingang van 21 maart 2025 is de man in dienst is getreden bij [B.V. 2] B.V. als vrachtwagenchauffeur regionaal. De man werkt op basis van een tijdelijk contract voor de duur van zeven maanden en op basis van een 0 uren-contract tegen een uurloon van € 17,99 bruto. 5.7.
  25. De bewindvoerder voert – samengevat – het volgende aan. De man heeft pas sinds een paar weken een baan. Ondanks dat de man inmiddels zijn proeftijd heeft doorlopen is zijn huidige financiële situatie nog te pril om daar een bijdrage voor [minderjarige] op te baseren. Daar komt bij dat de schuldenlast van de man nog onverminderd groot is. Pas sinds de man een inkomen uit arbeid heeft kan gestart worden met het aflossen van de schulden. Het leefgeld van de man is onlangs verhoogd naar € 90,- per week, maar dat is onvoldoende om daaruit een bijdrage te leveren voor [minderjarige] . In het geval het hof desondanks van oordeel is dat de man een financiële bijdrage dient te leveren voor [minderjarige] , dient in de berekening van zijn draagkracht rekening te worden gehouden met de aflossing van schulden ter hoogte van € 145,- per maand. 5.7.
  26. Het hof overweegt als volgt. Hoewel de man sinds kort een inkomen uit arbeid heeft, dient dit inkomen te worden aangewend om de schuldenlast van de man af te lossen. De man ontvangt € 90,- leefgeld per week en dit leefgeld is ontoereikend om een bijdrage voor de verzorging en opvoeding voor [minderjarige] te kunnen voldoen. Gelet hierop heeft de man op dit moment geen draagkracht om bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] . 5.
  27. Het oordeel van het hof over de draagkracht van de man laat onverlet dat de man en de vrouw na afloop van het bewind c.q. aflossing van de schuldenlast, (opnieuw) met elkaar in overleg dienen te treden over de bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] . 5.
  28. Het hof zal de bestreden beschikking vernietigen en het inleidend verzoek van de vrouw tot het vaststellen van kinderalimentatie alsnog afwijzen 5.
  29. In het geval zou blijken dat de man al dan niet krachtens verhaal enig bedrag aan kinderalimentatie heeft betaald, is de vrouw niet gehouden dit bedrag aan de man terug te betalen, aangezien dat bedrag geacht mag worden te zijn verbruikt ten behoeve van [minderjarige] . 6De beslissing Het hof: vernietigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 13 augustus 2024; en opnieuw beschikkende: wijst het inleidend verzoek van de vrouw tot vaststelling van kinderalimentatie alsnog af; bepaalt dat de vrouw de eventueel teveel ontvangen kinderalimentatie niet aan de man hoeft terug te betalen; verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad; wijst af het meer of anders verzochte. Deze beschikking is gegeven door mrs. E.J.M. van Engelen, A.M. Bossink en A.C. van den Boogaard, bijgestaan door mr. T. Kuijs als griffier, en is op 12 juni 2025 uitgesproken in het openbaar door mr. E.M.D.M. van der Linden in tegenwoordigheid van de griffier.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.