GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team belastingrecht Meervoudige Belastingkamer Nummer: 23/873 Uitspraak op het hoger beroep van [belanghebbende] , wonend in [woonplaats] (België), hierna: belanghebbende, tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 16 maart 2023, nummer BRE 21/5492, in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst, hierna: de inspecteur. 1Ontstaan en loop van het geding 1.1. De inspecteur heeft een navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) 2015 opgelegd. Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht. 1.2. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard. 1.3. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. 1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 1.5. De zitting heeft plaatsgevonden op 15 mei 2025 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [gemachtigde] , als gemachtigde van belanghebbende, en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] . 1.6. Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten. 2Feiten 2.1. Belanghebbende woont in 2015 in Nederland. 2.2. Belanghebbende is in 2015 in loondienst werkzaam als bemanningslid op zeeschepen van de [bedrijf 1] . Vanaf 13 juli 2015 heeft hij als “3rd officer” werkzaamheden verricht aan boord van het in aanbouw zijnde schip [naam schip 1] in [land 1] . Op het loon dat belanghebbende heeft ontvangen van zijn werkgever [bedrijf 2] B.V. zijn over het volledige jaar 2015 premies volksverzekeringen (hierna: PVV) ingehouden. 2.3. Belanghebbende heeft op 25 juli 2016 aangifte IB/PVV 2015 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 34.179 en tevens aangegeven dat hij premieplichtig is voor de volksverzekeringen voor de periode 1 januari tot en met 12 juli 2015. 2.4. Met dagtekening 23 september 2016 is een voorlopige aanslag IB/PVV 2015 opgelegd, overeenkomstig de ingediende aangifte. 2.5. De inspecteur heeft op 13 maart 2017 telefonisch informatie opgevraagd bij belanghebbende in het kader van de beoordeling van zijn aangifte IB/PVV 2015. Belanghebbende heeft dezelfde dag stukken, zijnde het monsterboekje met een nadere toelichting, verstrekt aan de inspecteur. 2.6. De inspecteur heeft belanghebbende bij brief van 16 maart 2017 het volgende bericht: “Bij het vaststellen van de definitieve aanslag inkomstenbelasting-premie volksverzekeringen-inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet 2015 van de heer [belanghebbende] , (…), is een fout opgetreden waardoor de aanslag tot een verkeerd bedrag is vastgesteld. De verzending van de aanslag is niet meer tegen te houden. Ik bericht u hiermee echter dat u aan de aanslag geen rechten kunt ontlenen en dat de aangifte 2015 nog nader moet worden bekeken. Dit betekent dat er een navorderingaanslag kan worden opgelegd zonder boete.” 2.7. De aanslag IB/PVV 2015 is met dagtekening 31 maart 2017 vastgesteld overeenkomstig de ingediende aangifte. De verschuldigde IB/PVV bedraagt na aftrek van de heffingskortingen € 5.410. 2.8. De navorderingsaanslag IB/PVV 2015 is met dagtekening 30 mei 2017 vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 34.179 en een premie-inkomen van € 33.589, uitgaande van premieplicht voor het gehele jaar. De verschuldigde IB/PVV bedraagt na aftrek van de heffingskortingen € 9.173. Tevens is bij beschikking € 150 belastingrente in rekening gebracht. 2.9. De inspecteur heeft de Sociale Verzekeringsbank (SVB) gevraagd zich uit te laten over de verzekeringspositie van een zeevarende, niet zijnde belanghebbende, die net als belanghebbende in dienstbetrekking is bij [bedrijf 2] B.V. en werkzaamheden heeft verricht op de scheepswerf in [land 1] . De SVB heeft bij brief van 5 oktober 2017 als volgt geantwoord: “De werkgever heeft verklaard dat de werkzaamheden op de scheepswerf in [land 1] behoren tot de werkzaamheden die betrokkene als zeevarende normaliter ook uitvoert. Als inhoudingsplichtige heeft de werkgever alle sociale verzekeringspremies op het loon van betrokkene ingehouden. De werkgever heeft echter nagelaten voor de betreffende periode een verklaring bij de Sociale Verzekeringsbank aan te vragen. Na de werkzaamheden op de scheepswerf is betrokkene op de [naam schip 2] , die vanaf 31 maart 2016 onder de Nederlandse vlag vaart, als zeevarende tewerkgesteld. Conclusie: Betrokkene heeft niet op het grondgebied van een andere lidstaat gewerkt. De aldaar uitgevoerde werkzaamheden behoren tot de werkzaamheden die betrokkene als zeevarende normaliter ook uitvoert. Verplichte sociale premies werden ingehouden. Gezien deze feiten is op de in loondienst werkende zeevarende de Nederlandse sociale verzekeringswetgeving onder [nummer 1] Art. 11.4 van toepassing, ondanks het gegeven dat de [naam schip 2] ten tijde van de werkzaamheden niet heeft gevaren. Ook zou de beschouwing, dat de werkzaamheden in het vlagland zijn uitgevoerd, de juiste kunnen zijn, zodat de detacheringsbepaling onder [nummer 2] Art. 12.1 ook toegepast zou kunnen worden.” 3Geschil en conclusies van partijen 3.1. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen: Is sprake van een kenbare fout die navordering rechtvaardigt? Is belanghebbende het gehele jaar 2015 in Nederland premieplichtig voor de volksverzekeringen? 3.2. Niet in geschil is dat belanghebbende in Nederland premieplichtig is voor de volksverzekeringen in de periode van 1 januari 2015 tot en met 12 juli 2015. 3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de navorderingsaanslag. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank. 4Gronden Ten aanzien van het geschil 4.0. Het hof beantwoordt vanwege doelmatigheidsredenen eerst vraag b. Vraag b: premieplicht 4.1. Belanghebbende woont in 2015 in Nederland (zie 2.1) en is daarom ingezetene in Nederland. Uit dien hoofde is hij naar nationaal recht verzekerd voor de AOW, de Anw en de Wlz. De verzekerde is premieplichtig voor de volksverzekeringen. Derhalve is belanghebbende naar nationaal recht premieplichtig voor de volksverzekeringen. 4.2. Partijen verschillen van mening over de vraag of ingevolge de Verordening (EG) 883/2004 (hierna: de Verordening) op belanghebbende de Nederlandse sociale zekerheidswetgeving van toepassing is en op wie de bewijslast ter zake rust. 4.3. Voor wat betreft de verdeling van de bewijslast rust als uitgangspunt op de inspecteur de bewijslast voor de juistheid van de navorderingsaanslag. Derhalve moet de inspecteur in eerste instantie aannemelijk maken dat de Nederlandse sociale zekerheidswetgeving het gehele jaar 2015 op belanghebbende van toepassing is. Onder omstandigheden kan de bewijslast verschuiven naar belanghebbende. Zo kan een redelijke verdeling van de bewijslast met zich brengen dat op belanghebbende, als de meest gerede partij daartoe, de last rust aannemelijk te maken dat de navorderingsaanslag ten onrechte of tot een te hoog bedrag is vastgesteld. 4.4. Primair stelt de inspecteur dat ook na 12 juli 2015 de Nederlandse sociale zekerheidswetgeving op belanghebbende van toepassing is, en wel op grond van artikel 11, lid 4, Verordening. 4.5. In artikel 11, lid 4, Verordening is het volgende bepaald: “4. Voor de toepassing van deze titel worden al dan niet in loondienst verrichte werkzaamheden die normaliter plaatsvinden aan boord van een zeeschip dat onder de vlag van een lidstaat vaart, beschouwd als werkzaamheden die worden verricht in die lidstaat. Niettemin geldt voor degene die werkzaamheden in loondienst verricht aan boord van een zeeschip dat onder de vlag van een lidstaat vaart en voor die werkzaamheden wordt betaald door een onderneming of een persoon die zijn zetel of domicilie in een andere lidstaat heeft, de wetgeving van laatstgenoemde lidstaat, indien hij zijn woonplaats in die lidstaat heeft. De onderneming of de persoon die het loon betaalt, wordt voor de toepassing van genoemde wetgeving als werk gever aangemerkt.”. 4.6. Relevant is onder welke vlag [naam schip 1] in 2015 heeft gevaren. De inspecteur stelt, onder verwijzing naar de brief van de SVB (zie 2.9) dat het schip altijd onder de Nederlandse vlag heeft gevaren. Belanghebbende betwist dat het schip al in 2015 de Nederlandse vlag had. Volgens hem voer de [naam schip 1] tot 31 maart 2016 onder de vlag van de [land 2] en vaart de [naam schip 1] pas vanaf die datum onder de Nederlandse vlag. Belanghebbende stelt dat in de brief van de SVB een fout moet zijn geslopen en dat in het in 2.9 vermelde citaat voor [naam schip 2] ” moet worden gelezen “ [naam schip 1] ”, omdat op 31 maart 2016 nog niet was begonnen met de bouw van de [naam schip 2] . 4.7. Niet is komen vast te staan of de [naam schip 1] in 2015 de Nederlandse vlag dan wel de vlag van de [land 2] had. Derhalve is niet komen vast te staan of op grond van artikel 11, lid 4, Verordening de Nederlandse sociale zekerheidswetgeving op belanghebbende van toepassing is. Gelet op het debat tussen partijen (zie 4.6), zou in het onderhavige geval op basis van artikel 11, lid 4, Verordening uitsluitend - indien is voldaan aan de voorwaarden - de Nederlandse sociale zekerheidswetgeving van toepassing kunnen zijn en dus niet de sociale zekerheidswetgeving van een andere lidstaat. 4.8. Derhalve beoordeelt het hof het subsidiaire standpunt van de inspecteur. Subsidiair stelt de inspecteur dat op grond van artikel 12 Verordening sprake is van een tijdelijke detachering en dat op belanghebbende daarom de Nederlandse sociale zekerheidswetgeving van toepassing is. 4.9. In artikel 12, lid 1, Verordening is het volgende bepaald: “Degene die werkzaamheden in loondienst verricht in een lidstaat voor rekening van een werkgever die daar zijn werkzaamheden normaliter verricht, en die door deze werkgever wordt gedetacheerd om voor zijn rekening werkzaamheden in een andere lidstaat te verrichten, blijft onderworpen aan de wetgeving van de eerstbedoelde lidstaat, mits de te verwachten duur van die werkzaamheden niet meer dan vierentwintig maanden bedraagt en de betrokkene niet wordt uitgezonden om een ander te vervangen.”. 4.10. De inspecteur stelt (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.