← Nederland

ECLI:NL:GHSHE:2025:1738

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team familie- en jeugdrecht Uitspraak: 19 juni 2025 Zaaknummer: 200.350.427/01 Zaaknummer eerste aanleg: C/03/328171/ FA RK 24-835 in de zaak in hoger beroep van: [de man] , wonende te [woonplaats] , verzoeker in hoger beroep, hierna te noemen: de man, advocaat: mr. P.A. van Enckevort, tegen [de vrouw] , zonder bekende woon en/of verblijfplaats binnen en buiten Nederland, verweerster in hoger beroep, hierna te noemen: de vrouw, zonder advocaat. In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend: de Raad voor de Kinderbescherming, regio Limburg, locatie [locatie] , hierna te noemen: de raad. De zaak in het kort In deze zaak ligt de vraag voor of een in het buitenland gesloten huwelijk met een minderjarige naar buitenlands recht rechtsgeldig is en, zo ja, of dit huwelijk in Nederland kan worden erkend. 1Het geding in eerste aanleg 1.1. De man heeft bij verzoekschrift van 29 februari 2024 (ingekomen op 1 maart 2024) de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond verzocht om tussen partijen de echtscheiding uit te spreken, te bepalen dat de kinderen van partijen na echtscheiding hun gewone verblijfplaats bij hem zullen hebben en dat de man huurder zal zijn van de woonruimte staande en gelegen te [woonplaats] aan [adres] . 1.2. Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking van 23 oktober 2024, heeft de rechtbank de man niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoeken. 2Het geding in hoger beroep 2.1. Bij beroepschrift met producties A tot en met E , ingekomen ter griffie op 21 januari 2025, heeft de man verzocht om de voormelde beschikking te vernietigen en alsnog de echtscheiding tussen partijen uit te spreken, te bepalen dat de kinderen hun hoofdverblijf bij hem zullen hebben en dat de man huurder zal zijn van de woning aan [adres] te [woonplaats] . 2.2. Er is geen verweerschrift van de zijde van de vrouw ingekomen ter griffie. 2.3. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 15 april 2025. Bij die gelegenheid zijn gehoord: de man, bijgestaan door mr. Van Enckevort en de tolk E.J. Nyembo Katumbwe (tolknr. 3723); de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] . 2.4.1. De vrouw is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter mondelinge behandeling verschenen. 2.4.2. Het hof heeft de twee oudste kinderen van partijen in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken. Zij hebben hiervan geen gebruik gemaakt. 2.5. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van: het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 21 augustus 2024; het V6-formulier van 15 april 2025 van de advocaat van de man, met bijlage (brief van de gemeente [gemeente 1] van 17 februari 2025); het na de mondelinge behandeling (op verzoek van het hof) overgelegde V6-formulier van 29 april 2025 van de advocaat van de man met bijlagen (verklaringen onder ede van de man en de vrouw). 3De feiten 3.1. Partijen zijn op 2 februari 2000 in [plaats] (Democratische Republiek Congo) gehuwd. 3.2. De man heeft de Nederlandse nationaliteit. De vrouw is burger van de Democratische Republiek Congo (DRC). 3.3. Partijen zijn de ouders van: - [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2012 in [geboorteplaats] ; - [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2014 in [geboorteplaats] ; - [minderjarige 3] . geboren op [geboortedatum] 2021 in [geboorteplaats] ; en [minderjarige 4] , geboren op [geboortedatum] 2022 in [geboorteplaats] . Hierna gezamenlijk te noemen: de kinderen. 3.4. De kinderen wonen bij de man. 3.5. De vrouw is op 6 april 2024 definitief teruggekeerd naar Afrika. Het is onbekend waar zij thans verblijft. 4De beoordeling Het verzoek met betrekking tot de echtscheiding Rechtsmacht en toepasselijk recht 4.1. Omdat ten tijde van het inleidend verzoek de gewone verblijfplaats van beide echtgenoten zich in Nederland bevond, komt de Nederlandse rechter met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding op grond van artikel 3 aanhef, sub a onder (

  1. i)van Verordening (EU) 2019/1111 van 25 juni 2019 (hierna: Brussel II-ter) rechtsmacht toe. 4.2. Op het echtscheidingsverzoek van de man is op grond artikel 10:56 van het Burgerlijk Wetboek (BW) het Nederlands recht van toepassing. 4.3. In hoger beroep ligt voor of er sprake is van een (rechtsgeldig) huwelijk en, zo ja, of dit huwelijk in Nederland kan worden erkend. Standpunten partijen 4.4. De grief van de man richt zich tegen rov. 2.3.12 van de bestreden beschikking. Daarin overwoog de rechtbank: “De rechtbank is van oordeel dat door de (het hof leest: man) overgelegde stukken en de verklaring van de man tijdens de mondelinge behandeling niet is komen vast te staan dat het huwelijk rechtsgeldig is of nadien rechtsgeldig is geworden. De reden hiervoor is het ontbreken van een (afschrift van
  2. de)originele huwelijksakte en het feit dat de vrouw ten tijde van het sluiten van het huwelijk minderjarig was.” In zijn toelichting voert de man - samengevat - het volgende aan. De rechtbank heeft ten onrechte getoetst aan artikel 815 lid 5 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) in plaats van artikel 815 lid 6 Rv dat luidt; “indien het ouderschapsplan, bedoeld in het tweede lid, of stukken, bedoeld in het vijfde lid, onderdelen a tot en met c, redelijkerwijs niet kunnen worden overgelegd, kan worden volstaan met de overlegging van andere stukken of kan op de andere wijze daarin worden voorzien, een en ander ter beoordeling van de rechter”. De man kon geen (afschrift van
  3. de)originele huwelijksakte overleggen. Wel heeft hij een document overgelegd waaruit volgt dat partijen volgens het gewoonterecht en in overeenstemming met de door beide families ondertekende overeenkomst zijn getrouwd op 2 februari 2000 te [plaats] (DRC). Daarbij komt dat de man voorheen een asielvergunning voor onbepaalde tijd had en daarmee een erkend vluchteling was. Van een vluchteling kan niet worden verwacht dat hij contact opneemt met de autoriteiten van het land van herkomst om documenten aan te vragen. De man benadrukt verder dat de rechtbank op grond van artikel 10:31 en 10:32 van het Burgerlijk Wetboek (BW) de rechtsgeldigheid van het in de DRC gesloten huwelijk van partijen had moeten toetsen. Feitelijk heeft deze toetsing reeds plaatsgevonden bij het opmaken van de verklaring onder ede in de gemeente [gemeente 2] . Partijen hebben destijds een verklaring onder ede afgelegd, als gevolg waarvan zij als gehuwd staan geregistreerd. De verklaring onder ede heeft authentieke bewijskracht; een originele huwelijksakte is dan niet vereist. Op grond van Bijlage 1 Algemene en authentieke gegevens van het Besluit BRP (Basisregistratie Personen) heeft de aanduiding huwelijk in de BRP namelijk authentieke waarde. Daar komt nog bij dat de kinderen van partijen allen zijn geboren ná het huwelijk van partijen; één van de kinderen is zelfs in Nederland geboren. Wanneer er sprake is van een niet voor erkenning vatbaar huwelijk dat door echtscheiding dus niet kan worden ontbonden, betekent dit dat partijen geregistreerd blijven als zijnde gehuwd. Een wijziging van de BRP is onmogelijk gelet op de verstrekkende gevolgen die dit meebrengt in het kader van de afstamming. De man zou dan ook geen gezag meer hebben over de kinderen. Daar komt bij dat een aantal kinderen samen met de man is genaturaliseerd en de Nederlandse nationaliteit hebben verkregen. Deze kinderen zouden vervolgens dan ook hun Nederlandse nationaliteit verliezen. Dit is onwenselijk. 4.5. De vrouw heeft geen verweer gevoerd. Motivering van de beslissing 4.6. Het hof overweegt het volgende. Ontvankelijkheid 4.7. Door de man is geen afschrift of uittreksel van de huwelijksakte overgelegd zoals artikel 815 lid 5 onder a Rv voorschrijft. Op grond van artikel 815 lid 6 Rv kan, indien een huwelijksakte redelijkerwijs niet kan worden overgelegd, worden volstaan met overlegging van andere bewijsstukken of kan op andere wijze daarin worden voorzien, een en ander ter beoordeling van de rechter. 4.8. De man heeft verklaard dat er sprake was van een traditioneel huwelijk. Hij beroept zich erop dat dat partijen volgens het gewoonterecht en in overeenstemming met de door beide families ondertekende overeenkomst zijn gehuwd. De man heeft een beëdigde vertaling van een getuigschrift van het huwelijk overgelegd, opgemaakt en afgegeven door Vluchtelingennederzetting [Vluchtelingennederzetting] in Uganda op 26 oktober 2016. Naar aanleiding van hetgeen besproken is tijdens de mondelinge behandeling van het hof heeft de man (op verzoek van het hof) na de mondelinge behandeling ook de door hem en de vrouw afgelegde verklaringen onder ede overgelegd. De man en de vrouw hebben deze verklaringen afgelegd op 30 mei 2018 bij de gemeente [gemeente 2] op het moment dat zij (vanuit Uganda ) in Nederland aankwamen en hier asiel aanvroegen. Hieruit volgt dat zij onder ede hebben verklaard dat zij met elkaar zijn gehuwd op 2 februari 2000 te [plaats] (DRC). Op basis van deze verklaringen onder ede heeft de gemeente [gemeente 2] het huwelijk opgenomen in de BRP. Het hof acht het bestaan van het huwelijk tussen partijen daarmee genoegzaam aangetoond. Het hof zal de man ontvangen in zijn verzoek tot echtscheiding. Rechtsgeldig huwelijk 4.9. De volgende vraag die voorligt is of het tussen partijen in DRC gesloten huwelijk in Nederland voor erkenning in aanmerking komt. 4.10. Het uitgangspunt is dat een buiten Nederland gesloten huwelijk wordt erkend wanneer het volgens het recht van de staat waar de huwelijksvoltrekking plaatsvond rechtsgeldig is of nadien rechtsgeldig is geworden (artikel 10:31 eerste lid BW). Huwelijk in DRC 4.11. De regels omtrent de sluiting van een huwelijk in DRC zijn neergelegd in het derde boek van de Code de la Famille van 1987 (hierna: CdlF). Deze wet gold ten tijde van het aangaan van het huwelijk van partijen in 2000. 4.12. Volgens artikel 368 lid 1 CdlF kan het huwelijk worden gesloten in de vorm die door de gewoonte is voorgeschreven. In een dergelijk geval registreert de ambtenaar van de burgerlijke stand het huwelijk en geeft hij een certificaat daarvan af. Het huwelijk kan ook worden voltrokken door de ambtenaar van de burgerlijke stand in de vorm die in de wet is voorgeschreven (lid 3). Uit artikel 352 CdlF volgt dat de man niet mag trouwen voordat hij de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt, een vrouw niet mag trouwen voordat zij de leeftijd van 15 jaar heeft bereikt. Een minderjarige mag niet huwen zonder toestemming van zijn ouders indien hij de voor de huwelijk vereiste leeftijd nog niet heeft bereikt (artikel 357 CdlF). 4.13. Het hof leidt uit de verklaring van de man, zoals afgelegd tijdens de mondelinge behandeling bij de rechtbank (opgenomen in het proces-verbaal) en desgevraagd door hem bevestigd op de mondelinge behandeling bij het hof, af dat er is voldaan aan de eisen van artikel 368 lid 1 CdlF en dat het huwelijk op een traditionele manier is voltrokken. Zoals de man in eerste aanleg heeft verklaard: “De families van zowel de man als de vrouw zijn bijeengekomen en het huwelijk is naar Congolese gebruiken voltrokken. Partijen konden in verband met de oorlog niet naar een instantie of een gemeente. De bruidsschat die we hebben afgesproken was in vee en geiten en die zijn daadwerkelijk gegeven. Dat diende als bevestiging van het huwelijk, dat is gebruikelijk en dit is ook werkelijk zo gedaan. Zo ontstaat het huwelijk volgens Congolese traditie.” Het hof begrijpt uit het algemeen ambtsbericht Democratische Republiek Congo (december 2010) dat verreweg de meeste huwelijken, zeker op het platteland, worden voltrokken volgens het traditionele recht en niet worden geregistreerd. Verder is duidelijk dat de man ten tijde van het huwelijk ouder was dan 18 jaar (artikel 352 CdlF). Hoewel de vrouw op dat moment weliswaar nog geen 15 jaar oud was, leidt het hof uit de verklaring van de man (dat de familie van de vrouw aanwezig was ten tijde van de ceremonie en beide families de overeenkomst ter gelegenheid van het huwelijk hebben getekend) af dat de familie van de vrouw aan haar toestemming heeft gegeven voor het huwelijk dat zij hierdoor gerechtigd was om te trouwen (artikel 357 CdlF). Het hof is daarom van oordeel dat er sprake was van een rechtsgeldig tot stand gekomen huwelijk. Erkenning huwelijk 4.14. Vervolgens dient het hof te beoordelen of het huwelijk in Nederland kan worden erkend. Op grond van artikel 10:32 onder c BW wordt, ongeacht artikel 10:31 BW, aan een buiten Nederland gesloten huwelijk erkenning onthouden, indien deze erkenning kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde en in ieder geval indien één der echtgenoten op het tijdstip van het huwelijk niet de leeftijd van achttien jaar had bereikt, tenzij de echtgenoten op het moment dat de erkenning van het huwelijk gevraagd wordt beiden de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt. 4.15. Op het moment van de huwelijkssluiting op 2 februari 2000 had de man, geboren op [geboortedatum] 1972, de leeftijd van achttien jaar bereikt, maar de vrouw, geboren op [geboortedatum] 1985, - zoals hiervoor reeds overwogen - nog niet. De omstandigheid dat de vrouw nog geen achttien jaar oud was ten tijde van het huwelijk staat naar het oordeel van het hof evenwel niet aan erkenning van dat huwelijk in de weg. Immers, op het moment dat de vrouw ten overstaan van de ambtenaar van de Burgerlijke Stand op 30 mei 2018 onder ede onder meer heeft verklaard dat zij gehuwd is en zij de gegevens over haar huwelijk verstrekte ten behoeve van de registratie in de Basisregistratie Personen, was zij ouder dan achttien jaar. Het hof is van oordeel dat de vrouw met de door haar afgelegde verklaring erkenning van het huwelijk beoogde. Dat de vrouw hier niet expliciet om heeft gevraagd maakt dit niet anders. Een verzoek daartoe behoeft immers niet formeel in een afzonderlijke procedure bij de rechter of de ambtenaar van de Burgerlijke Stand te worden ingeroepen. De vrouw is (hoewel behoorlijk daartoe opgeroepen) zowel in eerste aanleg als in hoger beroep niet verschenen, ook is er door haar geen verweer gevoerd. Het hof begrijpt dat de vrouw medio april 2024 is teruggekeerd naar Afrika en dat er vanaf medio januari 2025 geen contact meer met haar kan worden gelegd. Het hof leidt, bij gebrek aan verdere gegevens, af uit het feit dat de vrouw na haar komst in Nederland met de man en haar twee oudste kinderen in Nederland is blijven wonen en er daarna nog twee kinderen zijn geboren uit het huwelijk, zij het huwelijk gestand wilde doen. Naar het oordeel van het hof is er daarom geen sprake van strijd met de openbare orde en wordt het huwelijk dat in Nederland erkend. 4.16. Nu er sprake is van een rechtsgeldig huwelijk dat in Nederland wordt erkend en de man onbetwist heeft gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht, zal het verzoek van de man tot echtscheiding worden toegewezen. Het verzoek met betrekking tot het hoofdverblijf Rechtsmacht en toepasselijk recht 4.17. Het hof zal de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter beoordelen op grond van artikel 7 lid 1 van Brussel II-ter. Op grond van de hoofdregel van artikel 7 Brussel II-ter zijn in zaken van ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waar het kind zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig is gemaakt. Omdat de gewone verblijfplaats van de minderjarigen in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd. Het hof past het Nederlands recht toe op onderhavig verzoek gelet op artikel 15 van het Verdrag inzake de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning, de tenuitvoerlegging en de samenwerking op het gebied van ouderlijke verantwoordelijkheden en maatregelen ter bescherming van kinderen (Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996). 4.18. Ingevolge artikel 1:253a lid 1 BW kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag aan de rechter worden voorgelegd. Daartoe behoort ook, gelet op artikel 1:253a lid 2, aanhef en sub b BW, het geschil bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft. De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt. 4.19. De man verzoekt te bepalen dat de kinderen hun hoofdverblijfplaats bij hem zullen hebben. 4.20. Van de kant van de vrouw is er geen verweer ingekomen. 4.21. Vaststaat dat de vrouw het gezin heeft verlaten en de man feitelijk alleen de dagelijkse zorg voor de kinderen voor zijn rekening neemt. Er zijn geen zorgen (meer) over de kinderen en de ondertoezichtstelling (die eerder was ingesteld) is niet verlengd. Met de raad ziet het hof geen andere mogelijkheid dan het hoofdverblijf van de kinderen bij de man te bepalen; de vrouw is immers niet beschikbaar. Het verzoek met betrekking tot het huurrecht van de woning aan [adres] te [woonplaats] 4.22. Omdat de echtelijke woning in Nederland is gelegen, komt de Nederlandse rechter ingevolge artikel 4 lid 3 aanhef en onder a Rv rechtsmacht toe met betrekking tot het verzoek tot toekenning van het huurrecht van de echtelijke woning aan de man. 4.23. De man verzoekt het hof dat hij tot huurder van de woning aan [adres] te [woonplaats] wordt benoemd. Hij woont hier samen met de kinderen en hij wil graag als huurder worden aangemerkt. Dit voor het geval de vrouw alsnog terugkeert naar Nederland. 4.24. Van de kant van de vrouw is er geen verweer ingekomen. 4.25. Het hof stelt voorop dat op grond van artikel 827 lid 1 sub f Rv in samenhang met artikel 7:266 lid 5 BW de rechter in geval van echtscheiding op verzoek van een echtgenoot kan bepalen wie van de echtgenoten huurder van de woonruimte zal zijn. De beantwoording van de vraag aan wie van partijen het huurrecht van de voormalige echtelijke woning dient te worden toegekend, vindt plaats aan de hand van een afweging van de belangen van zowel de vrouw als de man bij toekenning van dit huurrecht. Bij die belangenafweging moet de rechter volgens vaste rechtspraak alle omstandigheden betrekken die in dit verband door partijen zijn aangevoerd. De rechter bepaalt tevens de dag van ingang van de huur met deze echtgenoot of partner. Op dezelfde dag eindigt de huur met de andere echtgenoot of partner. Omdat de man samen met de kinderen in de woning aan [adres] te [woonplaats] woont, de volledige zorg draagt voor de kinderen van partijen en het met name ook in hun belang is dat deze situatie kan voortduren, is het hof van oordeel het belang van de man bij verkrijging van het huurrecht van de voormalige echtelijke woning zwaarder weegt dan het belang van de vrouw. Het hof zal daarom bepalen dat de man vanaf de datum van deze beschikking huurder zal zijn van de woning aan [adres] te [woonplaats] ( [postcode] ) op welke datum de huur met de vrouw eindigt. 4.26. Op grond van het vorenstaande zal het hof de beschikking waarvan beroep vernietigen en de verzoeken van de man alsnog toewijzen. 5De beslissing Het hof: vernietigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 23 oktober 2024; en in zoverre opnieuw rechtdoende: spreekt de echtscheiding uit tussen partijen op 2 februari 2000 gehuwd te [plaats] , Democratische Republiek Congo; bepaalt de hoofdverblijfplaats van: - [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2012 in [geboorteplaats] ; - [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2014 in [geboorteplaats] ; - [minderjarige 3] . geboren op [geboortedatum] 2021 in [geboorteplaats] ; - [minderjarige 4] , geboren op [geboortedatum] 2022 in [geboorteplaats] ; bij de man; bepaalt dat de man met ingang van de datum van deze beschikking huurder zal zijn van de woning aan [adres] te [woonplaats] ( [postcode] ) en dat de huur met de vrouw op dezelfde dag eindigt; verklaart deze beschikking, behalve waar het betreft de echtscheiding, uitvoerbaar bij voorraad; Deze beschikking is gegeven door mrs. A.J.F. Manders, E.M.C. Dumoulin, M.A. Stammes en is in het openbaar uitgesproken op 19 juni 2025 door mr. G.M. Goes in tegenwoordigheid van de griffier. Bergmann/Ferid, Internationales Ehe- und Kindschaftsrecht https://archief28.sitearchief.nl/archives/sitearchief/20180227190900/https://www.rijksoverheid.nl/binaries/rijksoverheid/documenten/ambtsberichten/2010/12/08/democratisch-republiek-congo-2010-12-08/aab-drc-december-2010.pdf

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.