← Nederland

ECLI:NL:GHSHE:2025:1757

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team Handelsrecht zaaknummer 200.336.564/01 arrest van 24 juni 2025 in de zaak van 1 [appellant sub 1] ,

  1. [appellante sub 2] , beiden wonende te [woonplaats] , appellanten, hierna tezamen aan te duiden als [appellanten] en afzonderlijk als [appellant sub 1] en [appellante sub 2] , advocaat: mr. F.W. Linders te Eindhoven, tegen 1 [geïntimeerde sub 1] ,
  2. [geïntimeerde sub 2] ,
  3. [geïntimeerde sub 3] , allen wonende te [woonplaats] , geïntimeerden, hierna tezamen aan te duiden als [geïntimeerden] en afzonderlijk als [geïntimeerde sub 1] , [geïntimeerde sub 2] en [geïntimeerde sub 3] , advocaat: mr. R. Teerink te Tilburg, op het bij exploot van dagvaarding van 14 december 2023 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 20 september 2023, door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, op grond van artikel 29a lid 1 Rv mondeling gewezen tussen [appellanten] als eisers en [geïntimeerden] als gedaagden. 1Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/02/405752 / HA ZA 23-50) Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis en naar het daaraan voorafgaande tussenvonnis van 26 april
  4. 2Het geding in hoger beroep Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit: de dagvaarding in hoger beroep; het exploot van anticipatie van 19 december 2023; de memorie van grieven met producties 25 tot en met 28; de memorie van antwoord met producties 5; de akte van [appellanten] ; de antwoordakte van [geïntimeerden] Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg. 3De beoordeling De vaststaande feiten en de kern van het geschil 3.1.
  5. Het gaat in deze zaak naar de kern genomen om een tussen partijen gesloten koopovereenkomst met betrekking tot een agrarisch bedrijf, ten aanzien waarvan [geïntimeerden] als kopers een beroep hebben gedaan op het overeengekomen financieringsvoorbehoud waardoor de koopovereenkomst niet is afgewikkeld. Partijen verschillen van mening over – kort gezegd – de vraag of [geïntimeerden] in verband hiermee nog enig bedrag aan [appellanten] verschuldigd zijn. 3.1.
  6. In dit hoger beroep kan op hoofdlijnen worden uitgegaan van de volgende feiten. a. [appellanten] exploiteren een agrarisch bedrijf te [plaats A] , gemeente [A] . b. Bij koopovereenkomst van 6 april 2022 hebben [appellanten] het perceel grond met woning, bedrijfsgebouwen, glasopstanden, tunnels, foliekas, stellingen, containervelden en verdere aanhorigheden, gelegen aan [adres A] , met alle daartoe behorende bestanddelen en met inbegrip van de zaken zoals omschreven in de bij de koopovereenkomst behorende lijst, verkocht aan [geïntimeerden] voor een koopsom van € 2.429.500,--. c. De koopovereenkomst is tot stand gekomen door bemiddeling van de door [appellanten] ingeschakelde verkoopmakelaar [persoon A] (hierna: [persoon A] ). d. In artikel 4.1 van de koopovereenkomst staat onder meer dat de akte van levering gepasseerd zal worden op 15 juni 2022, of zoveel eerder of later als partijen tezamen nader overeenkomen. e. In artikel 19 van de koopovereenkomst staat een financieringsvoorbehoud met de volgende tekst: “19.1 Deze koopovereenkomst kan door koper worden ontbonden indien uiterlijk: a. op 31 mei 2022 koper voor de financiering van de onroerende zaak geen bindend aanbod tot een hypothecaire geldlening van een erkende geldverstrekkende bankinstelling heeft verkregen. Onder bankinstelling wordt in dit artikel begrepen een bank of verzekeraar in de zin van artikel 1:1 Wet op het financieel toezicht; (…) 19.3 Partijen verplichten zich over en weer al het redelijk mogelijke te doen teneinde de hierboven bedoelde financiering en/of Nationale Hypotheek Garantie en/of toezegging(en) en/of andere zaken te verkrijgen. De partij die de ontbinding inroept, dient er zorg voor te dragen dat de mededeling dat de ontbinding wordt ingeroepen, uiterlijk op de 1e werkdag na de datum waarvan in de betreffende ontbindende voorwaarde sprake is door de wederpartij of diens makelaar is ontvangen. Deze mededeling dient schriftelijk en goed gedocumenteerd via de gangbare communicatiemiddelen te geschieden. Indien koper de ontbinding wenst in te roepen als gevolg van het (tijdig) ontbreken van een financiering als bedoeld in artikel 15.1 onder sub a. (hof: bedoeld is kennelijk artikel 19.1 onder sub a.) wordt, tenzij partijen anders overeenkomen, onder ‘goed gedocumenteerd’ verstaan dat één afwijzing van een erkende geldverstrekkende bankinstelling aan verkoper of diens makelaar dient te worden overgelegd.” - f. Bij brief van 31 mei 2022 heeft de Rabobank aan [geïntimeerden] onder meer het volgende meegedeeld: “Jullie hebben de Rabobank verzocht een financieringsaanbieding te doen van de aankoop van de locatie aan [adres A] . Op dit moment zijn we nog bezig met de beoordeling en verdere uitwerking van jullie aanvraag. Wij kunnen nu dus geen uitsluitsel geven over de uitkomst van deze beoordeling. In verband met de ontbindende voorwaarde voor financiering in de verkoopovereenkomst welke op 31 mei 2022 verloopt meld ik jullie voor de volledigheid het volgende. Op basis van de nu ons beschikbare informatie en aanwezige gegevens kunnen we jullie op dit moment geen aanbieding doen voor financieren. Ons onderzoek en beoordeling loopt nog wel door en hopelijk kunnen we hier op korte termijn wel een uitspraak over doen. Wij hebben hier echter nog wel een aantal weken voor nodig waarbij ik nu geen exacte eindtijd kan geven. Wij zijn daarin onder andere afhankelijk van andere partijen.” - g. Op 1 juni 2022 hebben partijen om 07:30 uur overleg gehad over de omstandigheid dat [geïntimeerden] nog geen financiering voor de aankoop hadden verkregen. Op die dag hebben zij vervolgens een aanvullende overeenkomst gesloten. In die aanvullende overeenkomst, die is opgesteld is door [persoon A] , staat onder meer het volgende. “ In aanmerking nemende dat: Partijen met elkaar een koopovereenkomst hebben gesloten (…) (…) In artikel 19 van de op schrift gestelde koopovereenkomst is bepaald dat koper een financieringsvoorbehoud heeft bedongen. Hierin is bepaald dat koper de mogelijkheid heeft om de koopovereenkomst te ontbinden indien koper niet uiterlijk 31 mei 2022 voor de financiering van de onroerende zaak geen bindend aanbod tot een hypothecaire geldlening van een erkende geldverstrekkende bankinstelling heeft verkregen. Gebleken is dat koper op bovengenoemde datum (nog) geen aanbod heeft mogen ontvangen. Op grond daarvan beide partijen met elkaar in overleg zijn getreden over het verlengen van de datum van het financieringsvoorbehoud (artikel 19), en de hiermee verbonden datum van eigendomsoverdracht (artikel 4). (…) Partijen hier overeenstemming over hebben bereikt. (…) Partijen verklaren het volgende te zijn overeengekomen: Dat in afwijking van hetgeen is verwoord in artikel 4.1 van de op schrift gestelde koopovereenkomst, dit omtrent de datum van eigendomsoverdracht, partijen zijn overeengekomen dat deze datum wordt gewijzigd naar uiterlijk 4 juli 2022, of zoveel eerder als partijen tezamen nader overeenkomen. Dat in afwijking van hetgeen is verwoord in artikel 19.1 van de op schrift gestelde koopovereenkomst, dit omtrent de datum van het financieringsvoorbehoud (ontbindende voorwaarde), partijen zijn overeengekomen dat deze datum wordt gewijzigd naar 30 juni
  7. (…) Als aanvulling op artikel 33.2 zijn partijen met betrekking tot de zomerteelt in tuinbouwkas 1 en 2 het volgende overeengekomen. Koper zal voor eigen rekening en risico al vóór de eigendomsoverdracht, te weten in week 23, starten met het opzetten van de zomerteelt in tuinbouwkas 1 en
  8. Koper zal de kosten voor de potgrond en de benodigde arbeid voor eigen rekening nemen. Het plantmateriaal zal door verkoper geleverd worden (. . .) Indien gebruik gemaakt wordt van geleverde arbeid door verkoper zelf, derhalve niet door zijn medewerkers, is een bedrag overeengekomen van €. 25,00/uur. Voor geleverde arbeid door medewerkers van verkoper worden de daadwerkelijke arbeidskosten gerekend. Indien koper uiteindelijk toch de ontbinding inroept van de onderhavige koopovereenkomst, dan komt de opbrengst op de opgezette zomerteelt in tuinbouwkas 1 én 2 geheel toe aan verkoper, zonder dat koper recht heeft op een vergoeding op de reeds gemaakte kosten. De reeds gemaakte kosten komen derhalve geheel voor rekening van koper.” h. Op 17 juni 2022 hebben [geïntimeerden] aan [appellanten] meegedeeld dat de Rabobank hen had gebeld met de mededeling dat het VVK voor een bedrag van € 1.250.000,-- was verkregen. Dit betreft een zogeheten Vermogens Versterkend Krediet; een binnen de agrarische sector opgezette lening met een borgstelling vanuit de overheid. i. Via een WhatsAppbericht van 28 juni 2022 heeft [geïntimeerde sub 3] aan [appellanten] onder meer het volgende meegedeeld: “Hoi [persoon A] , nog geen groen licht vanuit de bank op dit moment. [persoon B] wel gesproken want hij had nog een vraag. 30 juni is nog wel haalbaar wat hem betreft, alleen 4 juli notaris is te snel erna. Wij denken dat dit geen probleem is, wanneer we groen licht hebben moeten we aan tafel en gaan we het “praktisch” al overnemen wat ons betreft.” - j. Bij brief van 29 juni 2022 heeft Rabobank aan [geïntimeerden] onder meer het volgende meegedeeld: Jullie hebben de Rabobank verzocht een financieringsaanbieding te doen voor de aankoop van de locatie aan [adres A] . Helaas moeten wij mededelen dat Rabobank jullie geen aanbieding kan doen voor de financiering welke in het ondernemingsplan aan ons ter beoordeling is voorgelegd. We hebben intern een afwijzing voor dit plan ontvangen en we hebben, zonder volledig te willen zijn, de volgende argumenten doorgekregen. * De voorgestelde lastenverzwaring die volgen op het ingediende plan zijn o.i. te zwaar; het geheel wordt nagenoeg 100% bancair gefinancierd met een forse aflosdruk (ook VVK moet geheel worden afgelost) en actuele hoge rentelasten. * Er is te weinig buffer om mogelijk tegenvallers op te vangen. De eigen inbreng is gering waardoor 100% bancaire financiering noodzakelijk is. * Het is positief dat er de afgelopen jaren in de maatschap fors is geïnvesteerd om van de vollegrondsteelt af te stappen. Kijkend naar de leeftijd van de opstanden ligt het desalniettemin in de lijn der verwachting dat er blijvend geïnvesteerd zal moeten worden in bedrijfskapitaal. Dit geldt voor zowel de maatschap als de EZ. Als we mede in dit licht kijken naar de zwaarte van de financiering, met 18,5 jaar lang gestructureerd, zal dit de marge blijven drukken. * Alles overwegende zien we dat deze jonge ondernemer potentie heeft maar vinden wij huidige uitbreiding op basis van te weinig eigen inbreng, de financials, het beperkte track record op de nieuwe locatie en de onzekerheid in de markt niet verantwoord.” k. [geïntimeerden] hebben de koopovereenkomst vervolgens op 29 juni 2022 met een beroep op het financieringsvoorbehoud ontbonden. l. Bij brief van 30 juni 2022 hebben [appellanten] aan [geïntimeerden] onder meer het volgende meegedeeld: Op 6 april 2022 hebt u de koopovereenkomst met betrekking tot overname van ons bedrijf gelegen aan [adres A] ondertekend. In deze koopovereenkomst zijn er derhalve afspraken gemaakt over het over te nemen plantmateriaal en over de overname van de exploitatie van de diverse aanwezige teelten per 15 juni
  9. Op 1 juni 2022 is er een aanvullende overeenkomst ondertekend waarin het financieringsvoorbehoud werd verlengd naar 30 juni 2022 en de geplande eigendomsoverdracht naar 4 juli
  10. Doordat de geplande eigendomsoverdracht in deze aanvullende overeenkomst werd gewijzigd, zijn er aanvullende afspraken gemaakt met betrekking tot de over te nemen teelten en het over te nemen plantmateriaal. Tevens heeft u er op dat moment voor gekozen om voor eigen rekening en risico te starten met de teelt in kas 1 en kas
  11. Op 29 juni 2022 heeft u de koopovereenkomst ontbonden. In de aanvullende overeenkomst is overeengekomen dat bij ontbinding van de onderhavige koopovereenkomst de reeds gemaakte kosten voor rekening van koper komen. Op grond van bovenstaande ontvangt u hierbij de facturen voor de gemaakte kosten met betrekking tot de zomerteelt in kas 1 en kas
  12. Bij de brief waren twee facturen gevoegd die tezamen € 103,441,40 belopen. - m. Bij e-mail van 4 juli 2022 hebben [appellanten] aan [geïntimeerden] onder meer het volgende meegedeeld: “Omdat jullie ontbinden op het laatste moment, moeten we nu snel handelen: wij willen jullie een kans geven om deze teelt af te werken om zo kosten te beperken en de opbrengsten bij jullie te laten. Zo beperk je de schade zoveel mogelijk. Jullie weten hoe de teelt ervoor staat en dat je nu snel moet voortzetten om het tot een succes te maken. Je geeft in jouw mail niet aan wat je ermee wil. Voor morgen 12.00 uur moeten wij een antwoord hebben of jullie gebruik maken van ons aanbod om de teelten zelf af te werken. We moeten anders de teelt overnemen, dat zullen jullie wel begrijpen nemen wij aan.” n. Als bijlage bij een brief van 8 juli 2022 hebben [appellanten] aan [geïntimeerden] een aangepaste factuur (nummer 2022-01) gezonden ten bedrage van € 48.127,
  13. Ten aanzien van een deel van de gefactureerde zaken is op deze factuur een onjuist btw-tarief gehanteerd. o. [appellanten] hebben [geïntimeerden] een aangepaste factuur 2022-01 doen toekomen met daarop de juiste btw-tarieven. Deze factuur beloopt € 49.135,
  14. Deze factuur bevat de volgende specificatie: “Zomerteelt Kas 1 5200 m2 Kas 2 3200 m2 ---------------------------------- Totaal 8400 m2 • 80.000 planten a € 0.42 = € 33.600,- • Meststoffen/Water/Stroom a € 1,- m2 = € 8.400,- • Gebruik Trayvuller 4 dagen a € 110,-per dag = € 440,- • Gebruik bunker 4 dagen a € 100,- = € 400,- • Gebruik Shovel 5 dagen a € 110,- = € 550,- • Gebruik Heftruck 5 dagen a €110,- = € 550,- -------------------------------------------------------------------------------------------------- Totaal € 43.940,- BTW laag 9% van 33.600 = € 3.024,- BTW hoog 21% van 10.340 = € 2.171,40 Totaal factuur = € 49.135,40” p. [geïntimeerden] hebben deze factuur niet voldaan. q. Partijen en hun advocaten hebben gecorrespondeerd over de vraag of [geïntimeerden] nog enig bedrag aan [appellanten] verschuldigd zijn, maar daarover geen overeenstemming bereikt. Het geding bij de rechtbank 3.2.
  15. In het geding bij de rechtbank vorderden [appellanten] , na hun eis te hebben vermeerderd en gewijzigd, hoofdelijke veroordeling van [geïntimeerden] tot betaling van: A. € 242.950,-- vermeerderd met de wettelijke rente althans de wettelijke handelsrente over dit bedrag vanaf 9 juni 2022; B. € 49.135,40 vermeerderd met de wettelijke handelsrente althans de wettelijke rente hierover vanaf 15 oktober 2022; C. € 74.940,-- vermeerderd met de wettelijke handelsrente althans de wettelijke rente hierover “vanaf 1 juli 2022 respectievelijk 15 oktober 2022”; D. € 3.235,-- aan buitengerechtelijke incassokosten, vermeerderd met de wettelijke handelsrente althans de wettelijke rente hierover vanaf de dag van de inleidende dagvaarding; E. de proceskosten en de kosten van het leggen van de beslagen ad € 1.351,87, vermeerderd met de wettelijke handelsrente althans de wettelijke rente hierover vanaf de dag van de inleidende dagvaarding. 3.2.
  16. Aan de zojuist onder A, B en C genoemd vorderingen hebben [appellanten] , kort samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. Aan vordering A: [appellanten] hebben de aanvullende overeenkomst van 1 juni 2022 in het geding bij de rechtbank bij hun akte van 29 maart 2023 rechtsgeldig vernietigd wegens dwaling. Daardoor is de koopovereenkomst van 6 april 2022 onverkort van kracht gebleven. [geïntimeerden] hebben geen geldig beroep gedaan op het financieringsvoorbehoud en zijn ten onrechte de koopovereenkomst niet nagekomen. Daarom hebben zij de contractuele boete van 10% van de koopsom, genoemd in artikel 11.2 van de koopovereenkomst, verbeurd. Aan vordering B: Op grond van de aanvullende overeenkomst van 1 juni 2022, waarvan de gevolgen ten aanzien van de teeltafspraken ondanks de vernietiging in stand moeten blijven, moeten [geïntimeerden] aan [appellanten] alle kosten voor de zomerteelt van de aardbeien vergoeden. Die kosten bedragen € 49.135,40, zoals gespecificeerd in de gecorrigeerde factuur 2022-
  17. Aan vordering C: [geïntimeerden] hebben onrechtmatig gehandeld jegens [appellanten] door met hen de aanvullende overeenkomst van 1 juni 2022 te sluiten. [appellanten] hebben daardoor vanaf dat moment de exploitatie van de onderneming op de beoogde overdracht aan [geïntimeerden] afgestemd, en daardoor een schade geleden van € 74.940,--, zoals gespecificeerd in de door [appellanten] overgelegde productie
  18. Dit is geen schade als gevolg van het niet-nakomen van de koopovereenkomst van 6 april 2022, en kan daarom ondanks het bepaalde in artikel 11.2 van de koopovereenkomst naast de contractuele boete van [geïntimeerden] worden gevorderd. 3.2.
  19. [geïntimeerden] hebben gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen. 3.2.
  20. In het tussenvonnis van 26 april 2023 heeft de rechtbank een mondelinge behandeling na antwoord bevolen. 3.2.
  21. Die mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 20 september
  22. Bij gelegenheid van die mondelinge behandeling heeft de rechtbank op grond van artikel 29 lid 1 Rv een mondeling eindvonnis gewezen. Bij dat mondeling eindvonnis heeft de rechtbank de vorderingen van [appellanten] afgewezen en [appellanten] in de proceskosten veroordeeld, vermeerderd met wettelijke rente. De rechtbank heeft daartoe, samengevat, het volgende overwogen Een beroep op de in artikel 19.1 van de koopovereenkomst neergelegde ontbindende voorwaarde is mogelijk indien de koper een mededeling van een financier heeft ontvangen dat hij geen bindende aanbod doet op de uiterste datum waarop een beroep op het voorbehoud mogelijk is, zijnde in dit geval 31 mei
  23. Gelet op de brief van die datum van de Rabobank konden [geïntimeerden] de koopovereenkomst ontbinden. Daarom gaat het beroep op dwaling ten aanzien van de aanvullende overeenkomst niet op. [appellanten] hebben dus ten onrechte een beroep gedaan op vernietiging van de aanvullende overeenkomst, en daarom hebben zij evenzeer ten onrechte een beroep gedaan op ontbinding van de koopovereenkomst. De vorderingen ter zake contractuele boete (hof: vordering A) en ter zake schadevergoeding (hof: vordering C) moeten daarom worden afgewezen (blz. 2 en 3 van het proces-verbaal inhoudende het mondeling vonnis). De bepaling in de aanvullende overeenkomst over de zomerteelt van aardbeien moet aldus worden uitgelegd dat, indien [geïntimeerden] een beroep doen op het financieringsvoorbehoud, [geïntimeerden] alleen de reeds door henzelf gemaakte kosten voor de potgrond en de benodigde arbeid voor eigen rekening zullen nemen. De kosten die vermeld zijn op de factuur van € 49.135,40 zijn niet verschuldigd door [geïntimeerden] , zodat ook deze vordering (hof: vordering B) moet worden afgewezen. Het geding in hoger beroep 3.3.
  24. [appellanten] hebben acht grieven aangevoerd tegen het beroepen vonnis. Op basis van die grieven hebben zij geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot het alsnog toewijzen van hun vorderingen, met veroordeling van [geïntimeerden] in de proceskosten van beide instanties. 3.3.
  25. [geïntimeerden] hebben de grieven bestreden en geconcludeerd tot bekrachtiging van het beroepen vonnis, met veroordeling van [appellanten] in de proceskosten van het hoger beroep, vermeerderd met wettelijke rente. Over de grieven 2, 3 en 4: hebben [geïntimeerden] op 1 juni 2022 aan [appellanten] meegedeeld dat zij over een afwijzing van de financier beschikten en is de op die datum gesloten aanvullende overeenkomst daarom vernietigbaar wegens dwaling? 3.4.
  26. Het hof zal eerst de grieven 2, 3 en 4 gezamenlijk behandelen. Door middel van die grieven betogen [appellanten] , samengevat, het volgende. [geïntimeerden] hebben op 1 juni 2022 aan [appellanten] meegedeeld dat zij beschikten over een schriftelijke afwijzing van de financieringsaanvraag door de bank, en dat zij daarom een beroep konden doen op het in de koopovereenkomst opgenomen financieringsvoorbehoud. Die mededeling was onjuist, want de brief van 31 mei 2022 van de Rabobank aan [geïntimeerden] is geen afwijzing, terwijl uit artikel 19.3 van de koopovereenkomst wel volgt dat er, om een beroep op het financieringsvoorbehoud te kunnen doen, een afwijzing moet zijn van een erkende geldverstrekkende instelling. Doordat [geïntimeerden] aldus onjuiste informatie aan [appellanten] hebben verstrekt, hebben [appellanten] gedwaald bij het aangaan van de aanvullende overeenkomst. Zij zouden die aanvullende overeenkomst niet hebben gesloten als zij hadden geweten dat [geïntimeerden] niet beschikten over een afwijzing van hun financieringsaanvraag. 3.4.
  27. [geïntimeerden] hebben in de memorie van antwoord gemotiveerd verweer gevoerd tegen de grieven 2, 3 en 4 en tegen het daaraan door [appellanten] ten grondslag gelegde betoog. 3.4.
  28. Naar het oordeel van het hof kunnen de grieven om meerdere redenen geen doel treffen. De eerste reden is dat [appellanten] onvoldoende hebben onderbouwd dat zij door toedoen van [geïntimeerden] een onjuist beeld hadden van de houding die de bank ten aanzien van de financiering had ingenomen. Wat [geïntimeerden] daarover hebben meegedeeld is immers door (de voor [appellanten] optredende verkoopmakelaar) [persoon A] neergelegd in de considerans van de aanvullende overeenkomst. Die considerans luidt, voor zover hier van belang, als volgt: “ In aanmerking nemende dat: (…) In artikel 19 van de op schrift gestelde koopovereenkomst is bepaald dat koper een financieringsvoorbehoud heeft bedongen. Hierin is bepaald dat koper de mogelijkheid heeft om de koopovereenkomst te ontbinden indien koper niet uiterlijk 31 mei 2022 voor de financiering van de onroerende zaak geen bindend aanbod tot een hypothecaire geldlening van een erkende geldverstrekkende bankinstelling heeft verkregen. Gebleken is dat koper op bovengenoemde datum (nog) geen aanbod heeft mogen ontvangen. Op grond daarvan beide partijen met elkaar in overleg zijn getreden over het verlengen van de datum van het financieringsvoorbehoud (artikel 19), en de hiermee verbonden datum van eigendomsoverdracht (artikel 4). (…) Partijen hier overeenstemming over hebben bereikt.” Hierin staat dus niet dat [geïntimeerden] een afwijzing van de bank hebben ontvangen, maar slechts dat [geïntimeerden] nog geen bindend aanbod tot een hypothecaire geldlening van een erkende geldverstrekkende bankinstelling hebben ontvangen. Die mededeling van [geïntimeerden] was juist, en in overeenstemming met de inhoud van de brief van de Rabobank van 31 mei
  29. Voor zover [geïntimeerden] in het mondeling overleg van de ochtend van 1 juni 2022 al een keer de term “afwijzing” hebben laten vallen, laat dat onverlet dat de weergave van de situatie in de considerans van de overeenkomst geheel juist was, en dat [appellanten] die considerans hebben kunnen lezen alvorens de overeenkomst te ondertekenen. Waar [persoon A] de juiste betekenis van de mededelingen van [geïntimeerden] heeft kunnen onderkennen en die vervolgens in de considerans van de overeenkomst heeft neergelegd, moeten [appellanten] zelf ook die juiste betekenis hebben kunnen begrijpen. Reeds om deze reden moet het beroep van [appellanten] op dwaling worden verworpen, althans moet een eventuele dwaling aan hun zijde op grond van artikel 6:228 lid 2 BW voor hun eigen rekening blijven. 3.4.
  30. Daar komt bij dat de mededeling die de Rabobank in haar brief van 31 mei 2022 had gedaan, in zekere zin ook een afwijzing inhield, namelijk een afwijzing van het verzoek om uiterlijk op 31 mei 2022 een bindend aanbod tot het verstrekken van een hypothecaire geldlening te doen. Voor zover [geïntimeerden] in het mondeling overleg van de vroege ochtend van 1 juni 2022 al hebben gezegd dat zij een afwijzing hadden, moet de term “afwijzing” kennelijk worden begrepen als een weigering van de bank om al op 31 mei 2022 een bindend aanbod voor een hypothecaire geldlening te doen. Dat dit zo moet worden opgevat en ook daadwerkelijk zo is opgevat, blijkt ook uit de wijze waarop [persoon A] het vervolgens in de considerans van de aanvullende overeenkomst heeft verwoord. Dit heeft daarom ook aan [appellanten] redelijkerwijs duidelijk moeten zijn. Die bewoordingen sluiten ook aan op de inhoud van de brief van de bank van 31 mei
  31. In punt 63 van de memorie van grieven duiden [appellanten] die brief overigens zelf ook aan als een “afwijzing”. 3.4.
  32. Om bovenstaande redenen kan in het midden blijven of [geïntimeerden] tijdens het overleg van de ochtend van 1 juni 2022 de term “afwijzing” in de mond hebben genomen. Ook als zij dat gedaan hebben, moet het beroep van [appellanten] op dwaling – zoals in de toelichting op de grieven 2 tot en met 4 verwoord – om bovenstaande redenen worden verworpen. Het hof acht dus geen redenen aanwezig om hierover bewijslevering te laten plaatsvinden. 3.4.
  33. Op het voorgaande stuiten de grieven 2, 3 en 4 af. Het hof verwerpt daarom het beroep van [appellanten] op vernietiging van de aanvullende overeenkomst wegens dwaling, voor zover onderbouwd in de toelichting op de grieven 2, 3 en
  34. Over grief 5: hebben [geïntimeerden] zich onvoldoende ingespannen om de financiering te verkrijgen? 3.5.
  35. Door middel van grief 5 betogen [appellanten] dat [geïntimeerden] op grond van artikel 19.3 van de koopovereenkomst al het redelijk mogelijke hadden moeten doen om de voor de aankoop benodigde financiering te verkrijgen, en dat zij niet aan die verplichting hebben voldaan. [appellanten] wijzen daartoe op de brief van de Rabobank van 31 mei
  36. Volgens [appellanten] blijkt uit die brief dat [geïntimeerden] op 31 mei 2022 nog lang niet alle voor Rabobank vereiste informatie hadden verstrekt, en is dat aan [geïntimeerden] te verwijten omdat de koopovereenkomst al op 6 april 2022 was gesloten en de gesprekken over de koop al vanaf februari 2022 liepen. [appellanten] concluderen dat [geïntimeerden] ten onrechte een beroep op het financieringsvoorbehoud hebben gedaan en daarom ten onrechte hebben nagelaten om de koopovereenkomst na te komen. 3.5.
  37. [geïntimeerden] hebben deze grief gemotiveerd bestreden. 3.5.
  38. Het hof overweegt over de grief het volgende. [geïntimeerden] hebben een e-mail van 1 mei 2024 van [persoon B] , Accountmanager Food & Agri bij Rabobank (hierna [persoon B] ), overgelegd. Die e-mail is een reactie op een e-mail van 4 april 2024, met verbeterd emailadres op 18 april 2024 verzonden aan [persoon B] . Uit de e-mail van 1 mei 2024 blijkt dat [persoon B] zijn antwoorden op de hem via de e-mail van 4 april 2024 gestelde vragen in rood bij de betreffende vragen heeft getypt. Uit de door [persoon B] gegeven antwoorden blijkt dat de Rabobank de aanvraag voor de financiering op 11 april 2022 heeft ontvangen nadat in februari 2022 al de eerste contacten met de Rabobank waren gelegd. [appellanten] hebben dit niet betwist, terwijl zij in hun akte nog wel op de e-mail van [persoon B] zijn ingegaan. Dat de financieringsaanvraag op (maandag) 11 april 2022 is ingediend acht het hof voldoende voortvarend, gelet op het feit dat de koopovereenkomst op (woensdag) 6 april 2022 is gesloten en tussen beide data ook nog een weekend valt. 3.5.
  39. Uit de door [persoon B] gegeven antwoorden blijkt verder onder meer dat de Rabobank op 12 mei 2022 een gesprek heeft gevoerd bij de familie [B] (hof: [geïntimeerden] ) aan tafel waar het plan inhoudelijk is besproken en waar de Rabobank nog aanvullende vragen heeft gesteld. Volgens [persoon B] waren [geïntimeerden] altijd snel en tijdig met het aanleveren van aanvullende gegevens. Het hof ziet in zoverre onvoldoende aanleiding om [geïntimeerden] een gebrek aan voortvarendheid te verwijten. De door [persoon B] gegeven antwoorden geven daarvoor geen aanleiding, en de brieven van de Rabobank van 31 mei 2022 en 29 juni 2022 ook niet. Uit de brief van 31 mei 2022 blijkt slechts dat de Rabobank op dat moment nog bezig was met de beoordeling van de aanvraag en dat de Rabobank daarvoor nog een aantal weken nodig had, en daarbij onder andere afhankelijk was van andere partijen. Dit komt het hof niet ongebruikelijk voor bij een complexe en omvangrijke financieringsaanvraag zoals de onderhavige. In de brief van 29 juni 2022 heeft de Rabobank vervolgens gemotiveerd uiteengezet waarom zij uiteindelijk heeft besloten de gevraagde financiering niet te verstrekken. De afwijzing is in de brief tamelijk gedetailleerd gemotiveerd en uit die motivering blijkt niet dat [geïntimeerden] zich onvoldoende hebben ingespannen om de financiering te verkrijgen. Het hof concludeert daarom dat [appellanten] hun stelling dat [geïntimeerden] zich onvoldoende hebben ingespannen om de financiering te verkrijgen, in het licht van de bovenstaande informatie van de Rabobank onvoldoende feitelijk hebben onderbouwd. Het hof acht daarom geen aanleiding aanwezig om hierover nog bewijslevering te laten plaatsvinden. Aanvraag Vermogens Versterkend Krediet (VVK) 3.6.
  40. [appellanten] hebben in het inleidende deel van hun memorie van grieven, meer in het bijzonder bij de randnummers 32 tot en met 34, nog gesteld, samengevat: dat [geïntimeerden] op 1 juni 2022 hebben meegedeeld dat zij alsnog gebruik zouden gaan maken van een VVK (hof: een binnen de agrarische sector opgezette lening met een borgstelling vanuit de overheid); dat [geïntimeerden] op 17 juli 2022 hebben meegedeeld dat de Rabobank hen heeft meegedeeld dat de VVK was toegekend; dat uit de brief van 29 juni 2022 waarbij de Rabobank de financieringsaanvraag heeft afgewezen, blijkt dat er nooit een VVK is aangevraagd; dat [geïntimeerden] dus in juni 2022 ten onrechte aan [appellanten] hebben meegedeeld dat een VVK was aangevraagd. 3.6.
  41. [geïntimeerden] hebben in de memorie van antwoord, punt 32, naar de kern genomen gesteld dat wel een VVK was aangevraagd en dat dit VVK ook was verkregen, maar dat dit onverlet liet dat de financieringsaanvraag bij de Rabobank nog steeds liep. Dit sluit ook aan bij de mededeling dat het VVK voor een bedrag van € 1.250.000,-- was verleend terwijl de te financieren koopsom € 2.429.500,-- bedroeg, en de hiervoor in rov. 3.5.3 al genoemde e-mail van [persoon B] van de Rabobank, waarin onder meer is uiteengezet: dat het VVK is aangevraagd op naam van [XX] Aarbeien; dat het indienen van deze aanvraag een van de oplossingen was voor de aanvullende vragen van de bank; dat de inpassing van het VVK één van de opties was om het eigen vermogen te verhogen; dat de Rabobank via haar speciaal daarvoor in het leven geroepen afdeling, de toets op inpasbaarheid van het VVK heeft gedaan; dat de aanvraag voor het VVK door de Rabobank pas in gang is gezet nadat bleek dat toepasbaarheid mogelijk was. 3.6.
  42. [appellanten] hebben hierna in hun akte hun eerdere standpunt dat in deze kwestie nooit een VVK is aangevraagd (en dat [geïntimeerden] dus ten onrechte hebben meegedeeld dat een VVK was aangevraagd), laten varen. In de akte stellen zij echter dat uit de e-mail van [persoon B] van de Rabobank blijkt dat het VVK is aangevraagd op naam van de maatschap (hof: bedoeld is kennelijk vof) [XX] Aardbeien en niet op naam van de door geïntimeerden gezamenlijk geëxploiteerde maatschap [YY] . Volgens [appellanten] zouden zij, als zij dit zouden hebben geweten, nooit de afspraak over de zomerteelt hebben gesloten. 3.6.
  43. Ook dit betoog, dat kennelijk dient als onderbouwing van het beroep van [appellanten] op dwaling, kan [appellanten] niet baten. Uit de verklaring van [persoon B] van de Rabobank blijkt immers dat: het steeds de insteek van het accountteam was om de financiering te gaan verstrekken; het bereiken van dit doel niet makkelijk was; op de te bewandelen weg een aantal rode stoplichten stonden die de betrokkenen gedurende het traject allemaal op groen hebben gekregen; het indienen van de VVK-aanvraag een van de oplossingen was voor de aanvullende vragen van de bank, en dat de inpassing van het VVK één van de opties was om het eigen vermogen te verhogen; de afdeling credit uiteindelijk toch heeft besloten de financieringsaanvraag af te wijzen. Uit deze verklaring blijkt dat [geïntimeerden] de stappen om de financiering te verkrijgen steeds in samenspraak met het accountteam van de Rabobank hebben gezet, en dat daarbij de bedoeling was om de financieringsaanvraag ingewilligd te krijgen. Tegen deze achtergrond hebben [appellanten] onvoldoende onderbouwd dat aan [geïntimeerden] enig verwijt te maken valt van de tijdens het traject in samenspraak met de Rabobank gemaakte keuzes. [geïntimeerden] mochten afgaan op de adviezen die de Rabobank hen in dat traject heeft gegeven. Tegen deze achtergrond kan naar het oordeel van het hof ook niet worden geoordeeld dat [geïntimeerden] onjuiste informatie aan [appellanten] hebben verstrekt. In de brief van de Rabobank van 29 juni 2022 is als reden voor de afwijzing van de financieringsaanvraag ook helemaal niet genoemd dat de aanvraag VVK was gedaan en ingewilligd op naam van [XX] Aardbeien en niet op naam van de maatschap van geïntimeerden. 3.6.
  44. Ook op dit onderdeel ziet het hof geen aanleiding om nog bewijslevering te laten plaatsvinden. [appellanten] hebben hun verwijten aan [geïntimeerden] onvoldoende concreet onderbouwd. Over grief 6: Vordering B: Uitleg afspraken over zomerteelt in de aanvullende overeenkomst 3.7.
  45. De rechtbank heeft vordering B afgewezen en daartoe overwogen dat de bepaling die in de aanvullende overeenkomst over de zomerteelt van aardbeien gaat, aldus moet worden uitgelegd dat, indien [geïntimeerden] een beroep doen op het financieringsvoorbehoud, [geïntimeerden] alleen de reeds zelf gemaakte kosten voor de potgrond en de benodigde arbeid voor eigen rekening zullen nemen, zodat de kosten die vermeld zijn op de factuur van € 49.135,40 niet voor rekening van [geïntimeerden] komen. 3.7.
  46. Grief 6 is tegen dat oordeel gericht. In de toelichting op grief 6 betogen [appellanten] dat de rechtbank daarmee “de hiervoor genoemde omstandigheden” miskent. Welke omstandigheden dat zijn, hebben [appellanten] in de toelichting op de grief niet nader toegelicht. Het hof veronderstelt dat [appellanten] doelen op de omstandigheden die zij hebben aangevoerd in de punten 13 tot en met 21 van de memorie van grieven, die overigens vrijwel gelijkluidend zijn aan de punten 13 tot en met 21 van de inleidende dagvaarding. Het hof merkt op dat mogelijk nog relevantie zou kunnen toekomen aan hetgeen in punt 29 van de inleidende dagvaarding is aangevoerd. Die tekst hebben [appellanten] echter in de memorie van grieven niet herhaald, en zij hebben in de memorie van grieven ook niet op voldoende duidelijk wijze verwezen naar die tekst. Die tekst kan daarom niet worden beschouwd al onderbouwing voor grief
  47. 3.7.
  48. Wat hier verder van zij, het hof is van oordeel dat grief 6 moet worden verworpen. Het hof is namelijk van oordeel dat de door [geïntimeerden] bepleite en door de kantonrechter gevolgde uitleg van de afspraken over de zomerteelt juist moeten worden geacht. Dat volgt zowel uit de bewoordingen van de aanvullende overeenkomst als uit de overige feiten en omstandigheden. Uit de bewoordingen van de aanvullende overeenkomst volgt onder meer dat: [geïntimeerden] al vóór de beoogde eigendomsoverdracht voor eigen rekening en risico zouden starten met het opzetten van de zomerteelt in de tuinbouwkassen 1 en 2; [geïntimeerden] de kosten voor de potgrond en de benodigde arbeid voor eigen rekening zouden nemen; indien [geïntimeerden] uiteindelijk toch de ontbinding zouden inroepen van de koopovereenkomst, de opbrengst op de opgezette zomerteelt in tuinbouwkas 1 én 2 geheel zou toekomen aan [appellanten] , zonder dat [geïntimeerden] recht zouden hebben op vergoeding van de reeds gemaakte kosten. Deze bewoordingen wijzen er slechts op dat [geïntimeerden] – indien zij een beroep zouden doen op het financieringsvoorbehoud – geen recht zouden hebben op een vergoeding van de kosten die zij zelf hebben gemaakt ten behoeve van de dan aan [appellanten] toekomende zomerteelt. Dat [geïntimeerden] daarnaast nog een bedrag aan [appellanten] zouden moeten voldoen voor kosten die door [appellanten] zijn gemaakt of voor door [appellanten] ter beschikking gestelde zaken, valt in de tekst van de overeenkomst niet te lezen. 3.7.
  49. De daarop volgende zin “De reeds gemaakte kosten komen derhalve geheel voor rekening van koper” brengt het hof niet tot een ander oordeel. Uit het woord “derhalve” blijkt dat deze zin niet meer is dan een verduidelijking van de voorafgaande zin. Met de reeds gemaakte kosten worden dus volgens de tekst van de aanvullende overeenkomst uitsluitend bedoeld de door [geïntimeerden] zelf reeds gemaakte kosten. Die kosten krijgen [geïntimeerden] niet vergoed, hoewel de opbrengst van de zomerteelt dan geheel toekomt aan [appellanten] 3.7.
  50. Een andere uitleg van de gemaakte afspraken komt ook gelet op de overige feiten en omstandigheden bovendien niet logisch voor. Indien [geïntimeerden] een beroep zouden doen op het financieringsvoorbehoud en dus geen aanspraak meer zouden hebben op de opbrengst van de door hen gestarte zomerteelt, zouden zij het nadelige gevolg hebben dat zij de door hen gemaakte kosten voor het opzetten van de zomerteelt niet vergoed krijgen. Voor een nadere sanctie, in die zin dat zij ook nog een vergoeding aan [appellanten] moeten betalen, lijkt geen logische grond aanwezig (en zo’n grond is ook niet voldoende concreet door [appellanten] gesteld), mede gelet op het feit dat [appellanten] volgens de aanvullende overeenkomst dan al de opbrengt van die zomerteelt zouden mogen behouden. 3.7.
  51. [geïntimeerden] waren bij deze stand van zaken ook niet gehouden om de zomerteelt, ondanks het feit dat de bank hun financieringsaanvraag op 29 juni 2022 had afgewezen, af te maken. Het lag op de weg van [appellanten] om dat te doen. Dat zij dat hebben ingezien, blijkt ook uit hun e-mail van 4 juli 2022, waarin zij onder meer hebben geschreven: “We moeten anders de teelt overnemen, dat zullen jullie wel begrijpen nemen wij aan.” De gevolgen van het (door [appellanten] gestelde) feit dat [appellanten] ervoor hebben gekozen de teelt niet af te maken, waardoor zij de opbrengst van de zomerteelt hebben moeten missen, moet gelet op de inhoud van de aanvullende overeenkomst voor hun eigen rekening blijven. 3.7.
  52. Het hof ziet geen aanleiding om over deze kwestie nog getuigen te horen. [persoon A] heeft in de schriftelijke verklaring die hij over deze kwestie heeft gegeven, immers expliciet geschreven dat partijen hier niet over gesproken hebben voor of bij het sluiten van de aanvullende overeenkomst (productie 14 bij de inleidende dagvaarding, vierde alinea van punt 5). [geïntimeerden] hebben dat ook gesteld en [appellanten] hebben dat niet betwist. In het licht hiervan is het bewijsaanbod van [appellanten] onvoldoende concreet. De vraag hoe de afspraak over de teelt van de aardbeien in de aanvullende overeenkomst moet worden uitgelegd is uiteindelijk ook geen feitelijke vraag maar een juridische kwestie die zich niet voor bewijslevering leent. 3.7.
  53. Om bovenstaande redenen verwerpt het hof grief
  54. Over grief 1: onrechtmatige daad? 3.8.
  55. Door middel van grief 1 wijzen [appellanten] er allereerst op dat [geïntimeerden] niet hebben voldaan aan hun verplichting om zich in te spannen om de financiering voor de aankoop te verkrijgen. Het hof constateert dat dit onderdeel van grief 1 geen zelfstandige betekenis heeft naast grief
  56. Omdat het hof grief 5 heeft verworpen, verwerpt het hof ook dit onderdeel van grief
  57. 3.8.
  58. Door middel van grief 1 voeren [appellanten] verder aan dat zij in punt 16 van hun spreekaantekeningen een beroep hebben gedaan op een door [geïntimeerden] gepleegde onrechtmatige daad. Volgens hen heeft de rechtbank daar ten onrechte niet over geoordeeld. Het hof constateert dat [appellanten] in het genoemde punt 16 van hun spreekaantekeningen wel melding hebben gemaakt van een door [geïntimeerden] gepleegde onrechtmatige daad, maar dat zij hun stellingen daarover op die plaats in het geheel niet hebben toegelicht. In zoverre is grief 1 onvoldoende onderbouwd. 3.8.
  59. Het hof begrijpt uit onderdeel 3c van de akte van 20 september 2023 van [appellanten] dat de onrechtmatige daad er volgens [appellanten] uit bestaan heeft dat [geïntimeerden] op 1 juni 2022 de aanvullende overeenkomst met [appellanten] hebben gesloten op basis van onjuiste informatie. Het hof heeft hiervoor bij de behandeling van de grieven 2, 3 en 4 echter al geoordeeld dat niet gebleken is dat de overeenkomst van 1 juni 2022 is gesloten op basis van onjuiste informatie. Het hof verwerpt daarom dit onderdeel van grief
  60. 3.8.
  61. In punt 42 van de inleiding op de grieven hebben [appellanten] nog gesteld dat [geïntimeerden] jegens [appellanten] onrechtmatig hebben gehandeld door (voor zover in het voorgaande niet reeds behandeld en verworpen): de koopovereenkomst van 6 april 2022 te sluiten terwijl zij wisten dat een financiering daarvoor niet haalbaar was; na de ontbinding van de koopovereenkomst te weigeren de schade te beperken. 3.8.
  62. Het hof acht het eerstgenoemde verwijt onvoldoende onderbouwd. Uit de in het voorgaande besproken informatie van de Rabobank blijkt dat [geïntimeerden] gedurende het traject van aanvraag van de financiering de hoop mochten koesteren dat die financiering verleend zou worden. Uit de door [appellanten] aangevoerde feiten en omstandigheden is niet af te leiden dat [geïntimeerden] al ten tijde van het sluiten van de koopovereenkomst van 6 april 2022 wisten dat de (toen nog in te dienen) financieringsaanvraag afgewezen zou worden. Het door [appellanten] gestelde feit dat [geïntimeerden] in 2020 een ander agrarisch bedrijf hebben gekocht en daarvoor toen geen financiering hebben kunnen krijgen, brengt het hof niet tot een ander oordeel, reeds omdat de prijs van dat bedrijf aanzienlijk hoger was dan de tussen [appellanten] en [geïntimeerden] in 2022 overeengekomen koopprijs. 3.8.
  63. Het tweede verwijt moet eveneens worden verworpen. Zoals hiervoor bij de behandeling van grief 6 vastgesteld, lag het niet op de weg van [geïntimeerden] om, nadat de financieringsaanvraag was afgewezen en een geldig beroep was gedaan op de ontbindende voorwaarde, nog schade te beperken. Het lag volgens de aanvullende overeenkomst op de weg van [appellanten] zelf om onder die omstandigheden de opgestarte zomerteelt van de aardbeien af te maken. 3.8.
  64. Voor het overige hebben [appellanten] in hoger beroep niet op voldoende duidelijke wijze, in de vorm van een voldoende kenbare grief, een beroep gedaan op enig onrechtmatig handelen van [geïntimeerden] Over grief 8: gevolgen de stellingen van [appellanten] 3.
  65. Grief 8 heeft, mede gelet op de daarbij gegeven toelichting, geen zelfstandige betekenis naast de grieven 1 tot en met
  66. Omdat het hof de grieven 1 tot en met 6 heeft verworpen, verwerpt het hof ook grief
  67. Over grief 7: de proceskosten van het geding bij de rechtbank 3.
  68. Grief 7 is gericht tegen de veroordeling van [appellanten] in de proceskosten van het geding bij de rechtbank. Deze grief heeft, mede gelet op de daarbij gegeven toelichting, geen zelfstandige betekenis naast de andere grieven. Omdat het hof de andere grieven heeft verworpen, verwerpt het hof ook grief
  69. Conclusie en afwikkeling 3.11.
  70. Omdat het hof alle grieven heeft verworpen, zal het hof het beroepen vonnis bekrachtigen. 3.11.
  71. Het hof zal [appellanten] als de in het ongelijk gestelde partijen hoofdelijk veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep. Het hof zal die kosten aan de zijde van [geïntimeerden] vaststellen op: Kosten anticipatie-exploot € 129,14 Griffierechten € 2.053,-- Salaris advocaat € 6.642,-- (1,5 punten x tarief VI) Nakosten € 178,-- (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) + Totaal € 9.002,14 3.11.
  72. Het hof zal de over de proceskosten gevorderde wettelijke rente toewijzen zoals hierna onder “De uitspraak” te vermelden. 3.11.
  73. Het voorgaande leidt tot de onderstaande uitspraak. 4De uitspraak Het hof: bekrachtigt het door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, onder zaak-/rolnummer C/02/405752 / HA ZA 23-50 tussen partijen op grond van artikel 29a lid 1 Rv mondeling gewezen vonnis van 20 september 2023; veroordeelt [appellanten] hoofdelijk, des dat de een betalend de ander zal zijn bevrijd, in de proceskosten van het hoger beroep ten bedrage van € 9.002,14, te betalen binnen veertien dagen na heden; als [geïntimeerden] niet tijdig aan deze proceskostenveroordeling voldoen en het arrest daarna wordt betekend, dan moeten zij € 92,-- extra betalen vermeerderd met de kosten van betekening; veroordeelt [appellanten] hoofdelijk in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na heden zijn voldaan; wijst het meer of anders gevorderde af. Dit arrest is gewezen door mrs. I.B.N. Keizer, J.B. Smits en C.B.M. Scholten van Aschat en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 24 juni
  74. griffier rolraadsheer

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.