← Nederland

ECLI:NL:GHSHE:2025:1788

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH Team familie- en jeugdrecht Uitspraak : 26 juni 2025 Zaaknummer : 200.353.503/01 Zaaknummer 1e aanleg : C/01/410961 / JE RK 24-1746 in de zaak in hoger beroep van: [de moeder] , wonende in [woonplaats] , verzoekster in hoger beroep, hierna te noemen: de moeder, advocaat: mr. N. Schiettekatte, tegen de Raad voor de Kinderbescherming, regio Oost-Brabant, locatie [locatie] , verweerder in hoger beroep, hierna te noemen: de raad. Deze zaak gaat over: - [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2016 in [geboorteplaats] ; - [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2018 in [geboorteplaats] ; - [minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum] 2021 in [geboorteplaats] , hierna ook te noemen de kinderen. Als belanghebbenden worden aangemerkt: [de vader] , wonende in [woonplaats] , hierna te noemen: de vader; William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, gevestigd in [vestigingsplaats] , hierna te noemen: de Gecertificeerde Instelling (de GI). In het kort: deze zaak gaat over de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] . 1Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant, van 27 januari 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

  1. Het geding in hoger beroep 2.
  2. Bij beroepschrift van 8 april 2025, met producties, ingekomen bij het hof op diezelfde datum, heeft de moeder verzocht de bestreden beschikking te vernietigen en alsnog als navolgt te beschikken: Primair: I. De bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende, het verzoek van de raad af te wijzen. Subsidiair: II. De bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende, het verzoek van de raad voor een kortere duur toe te wijzen. 2.
  3. De raad heeft op 23 mei 2025 een verweerschrift ingediend en het hof verzocht de verzoeken van de moeder af te wijzen als zijnde ongegrond en onbewezen en de bestreden beschikking te bekrachtigen. 2.
  4. Het hof heeft verder kennis genomen van: - het V8-formulier van 18 april 2025 van de advocaat van de moeder, ingekomen op diezelfde datum; - het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg, ingekomen op 22 april
  5. 2.
  6. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 4 juni
  7. Bij die gelegenheid zijn gehoord: - de moeder, bijgestaan door haar advocaat; - de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] ; - de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] . 2.4.
  8. De vader is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet tijdens de mondelinge behandeling bij het hof verschenen. 2.4.
  9. De GI heeft tijdens de mondelinge behandeling een brief van de vader overgelegd. 3De beoordeling 3.
  10. Uit het inmiddels door echtscheiding ontbonden huwelijk van de moeder en de vader zijn genoemde kinderen – [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , en [minderjarige 3] – geboren. 3.
  11. De moeder en de kinderen hebben de Nederlandse nationaliteit. De vader heeft de Belgische nationaliteit. 3.
  12. De ouders oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag uit over de kinderen. 3.
  13. De kinderen wonen bij de moeder. 3.
  14. Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank de kinderen onder toezicht gesteld van de GI over de periode 27 januari 2025 tot 27 januari
  15. 3.
  16. De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen. 3.6.
  17. De moeder voert, samengevat, het volgende aan. Er is geen sprake van een ernstige ontwikkelingsbedreiging van de kinderen. De genoemde zorgen zijn volgens de moeder onvoldoende concreet gemaakt en worden door de moeder betwist. Het gaat goed met de kinderen. De school en de peuterspeelzaal hebben geen zorgen. De GI heeft de moeder bovendien een brief gestuurd waarin de GI bevestigt dat de moeder heel goed voor de kinderen zorgt, dat de kinderen zich goed ontwikkelen en dat de zorgen niet groot zijn. De moeder had wel graag gezien dat de kinderen een fijn en structureel contact met de vader zouden hebben. De moeder heeft al geruime tijd geen contact met de vader en heeft pas daags voor de mondelinge behandeling begrepen dat de vader in België woont. Voor het vormgeven van het contact is de medewerking van de vader nodig. De moeder is bereid mee te werken aan hulpverlening in het vrijwillig kader. 3.
  18. De raad voert, samengevat, het volgende aan. Er is sprake van een ernstige ontwikkelingsbedreiging van de kinderen. Volgens de raad moet er zicht komen op de opvoedsituatie bij de moeder thuis en of de moeder voldoende sensitief kan aansluiten bij de kinderen. De moeder heeft tot op heden echter niet mee willen werken aan het observatietraject en de moeder staat niet open voor een gesprek over alternatieven voor dat traject. Daar komt bij dat de kinderen al lange tijd geen contact hebben met de vader. Het is van belang dat de GI kan onderzoeken welke mogelijkheden er zijn voor een vorm van contact tussen de vader en de kinderen. Volgens de raad is het vrijwillig kader niet toereikend, omdat tijdens het vorige raadsonderzoek reeds hulpverlening is geadviseerd aan de ouders maar daar geen gehoor aan is gegeven. 3.
  19. De GI voert, samengevat, het volgende aan. Er is geen sprake van een ernstige ontwikkelingsbedreiging van de kinderen. Hoewel er weinig feitelijke zorgen zijn, is het wel de vraag in hoeverre de moeder sensitief reageert op de kinderen. Het observatietraject dat nodig is om hier verder zicht op te krijgen is nog niet van de grond gekomen. De moeder is de afgelopen periode voor de GI minder goed bereikbaar geweest. Daar komt bij dat de GI pas recent contact heeft gekregen met de vader. De GI wil onderzoeken welke mogelijkheden er zijn voor contact tussen de kinderen en de vader. De GI ziet weinig mogelijkheden in het vrijwillig kader. 3.
  20. De vader heeft in de door de GI aan het hof overgelegde brief aangegeven akkoord te gaan met het onderzoek dat is verricht en merkt daarbij op dat bepaalde punten niet volledig waar zijn. 3.
  21. Het hof overweegt het volgende. 3.10.
  22. Gelet op het internationale karakter van deze zaak stelt het hof ambtshalve vast dat de Nederlandse rechter bevoegd is om kennis te nemen van deze zaak op grond van artikel 7 Brussel II ter-Verordening, omdat de kinderen ten tijde van het indienen van het verzoek hun gewone verblijfplaats in Nederland hadden. Daarnaast is het Nederlands recht van toepassing op grond van artikel 15 lid 1 Haags Kinderbeschermingsverdrag
  23. 3.10.
  24. Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en: a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en; b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen. 3.10.
  25. Aan het hof ligt de vraag voor of de kinderen onder toezicht dienen te worden gesteld van de GI voor de duur van een jaar. Het hof is van oordeel dat voldaan is aan voornoemde wettelijke vereisten en zal dat hieronder toelichten. 3.10.
  26. De ontwikkeling van de kinderen wordt ernstig bedreigd, omdat er al geruime tijd zorgen zijn over de afwezigheid van het contact tussen de kinderen en de vader en de opvoedsituatie van de kinderen bij de moeder. Uit de stukken is gebleken dat de raad in april 2023 onderzoek heeft gedaan naar de kinderen vanwege de zorgen die er toen al waren. De raad achtte een ondertoezichtstelling op dat moment niet nodig en heeft de ouders geadviseerd om professionele jeugdhulpverlening in te zetten om hen te begeleiden in het toewerken naar een zorgregeling tussen de vader en de kinderen en het verbeteren van de oudercommunicatie. Gebleken is echter dat hier door de ouders geen opvolging aan is gegeven en het laatste contact tussen de vader en de kinderen in december 2023 heeft plaatsgevonden. In de door de vader in maart 2024 bij de rechtbank gestarte procedure over de zorgregeling heeft de rechtbank de raad verzocht een onderzoek in te stellen en advies uit te brengen over de zorgregeling. De raad heeft dit onderzoek ambtshalve uitgebreid naar een beschermingsonderzoek, waarna de rechtbank - conform het advies van de raad – de kinderen onder toezicht heeft gesteld. Het hof heeft, met de raad, zorgen over de (langdurige) afwezigheid van het contact tussen de vader en de kinderen en de impact die dit op de ontwikkeling van de kinderen heeft. De GI heeft sinds de start van de ondertoezichtstelling meerdere pogingen ondernomen om met de vader in contact te komen, die inmiddels naar België is verhuisd. Medio juni 2025 staat een eerste afspraak tussen de vader en de GI ingepland, nadat een eerdere afspraak door de vader is afgezegd. De moeder geeft aan achter een contactregeling tussen de vader en de kinderen te staan maar dat zij voor de invulling daarvan afhankelijk is van de medewerking van de vader. Het is juist om die reden dat het hof een rol voor de GI weggelegd ziet om te onderzoeken of en zo ja, er mogelijkheden zijn voor het herstel van een bestendige vorm van contact tussen de vader en de kinderen, het begeleiden van de kinderen in dit proces en tevens te onderzoeken wat er voor nodig is om toe te werken naar een vorm van oudercommunicatie. Het hof heeft in dit verband bij de beoordeling betrokken dat de ouders reeds twee keer een BOR-maatregel in het vrijwillig kader hebben gevolgd, maar dat dit niet heeft geleid tot verbetering van de situatie. 3.10.
  27. Voorts zijn er zorgen over de opvoedvaardigheden van de moeder en de vraag in hoeverre de moeder kan aansluiten bij de behoeften van de kinderen. Exemplarisch is in dit verband het door de GI tijdens de mondelinge behandeling bij het hof benoemde voorval op 21 mei 2025, waarbij de moeder recent [minderjarige 2] en [minderjarige 3] (van zes jaar en vier jaar) voor ongeveer een half uur alleen en huilend in de tuin heeft gelaten om [minderjarige 1] van zwemles te kunnen halen. De moeder heeft deze situatie erkend, maar lijkt de risico’s hiervan niet in te zien. Deze opstelling van de moeder die, naast het onvoldoende aansluiten op wat de kinderen nodig hebben, ook niet getuigt van voldoende zelf reflecterend vermogen, baart het hof zorgen. Het hof is daarom van oordeel dat zicht moet komen op de opvoedvaardigheden van de moeder. Het observatietraject dat de GI op wil starten kan meer zicht geven op die vaardigheden van de moeder waarna daar, indien nodig, vervolgens verdere hulpverlening voor kan worden ingezet. Gebleken is echter dat dit traject niet van de grond is gekomen, omdat de moeder hier tot op heden geen medewerking aan heeft verleend. 3.10.
  28. In onderlinge samenhang bezien vormen voornoemde zorgen tezamen een ernstige ontwikkelingsbedreiging van de kinderen. Deze zorgen kunnen in het vrijwillig kader niet worden weggenomen. De benodigde hulpverlening in het vrijwillig kader (BOR) heeft in het verleden niet tot verbetering geleid, de door de raad in 2023 geadviseerde hulpverlening is door de ouders niet opgevolgd en ook tijdens de ondertoezichtstelling heeft de moeder niet meegewerkt aan het opstarten van het voornoemde observatietraject. Dit betekent dat de regie van de GI en dus een verplicht kader nodig is. Nu er sinds de bestreden beschikking inmiddels vijf maanden verstreken zijn, er nog geen hulpverlening is opgestart en het eerste contact tussen de GI en de vader nog moet plaatsvinden ziet het hof ook geen aanleiding om de duur van de ondertoezichtstelling te verkorten, zoals door de moeder is verzocht. Het beroep van de moeder op de door haar genoemde artikelen uit het EVRM en IVRK en de door haar genoemde jurisprudentie maken dit niet anders, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen. De ondertoezichtstelling is noodzakelijk in het belang van de kinderen. Het EVRM en IVRK verzetten zich onder de gegeven omstandigheden niet tegen een dergelijke maatregel. Dit alles betekent dat de ondertoezichtstelling voor de duur van een jaar in stand dient te blijven en derhalve loopt over de periode van 27 januari 2025 tot 27 januari
  29. 3.10.
  30. Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking dient te worden bekrachtigd en de verzoeken van de moeder in hoger beroep dienen te worden afgewezen. 4De beslissing Het hof: bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 27 januari 2025; verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht ter attentie van het centraal gezagsregister; wijst af het meer of anders verzochte. Deze beschikking is gegeven door mrs. E.J.M. van Engelen, E.M.D.M. van der Linden en E.F.M. van Swaaij en is op 26 juni 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.