GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH Team familie- en jeugdrecht Uitspraak: 26 juni 2025 Zaaknummers: 200.353.067/01 (ondertoezichtstelling) 200.351.115/01 (omgang) Zaaknummer eerste aanleg: C/02/432431 / JE RK 25-362 (ondertoezichtstelling) C/02/426480 / JE RK 24-1647 (omgang) in de zaak met zaaknummer 200.351.115/01 (omgang) in hoger beroep van: [de vader] , wonende te [woonplaats] , verzoeker in hoger beroep, hierna te noemen: de vader, advocaat: mr. R.M.A. Arnoldus, tegen Stichting Jeugdbescherming Brabant, gevestigd te [vestigingsplaats] , verweerster in hoger beroep, hierna te noemen: de GI (gecertificeerde instelling). Als belanghebbende merkt het hof aan: [de moeder] , wonende te [woonplaats] , hierna te noemen: de moeder, advocaat: mr. J.C. Hissink, in de zaak met zaaknummer 200.353.067/01 (ondertoezichtstelling) in hoger beroep van: Stichting Jeugdbescherming Brabant, gevestigd te [vestigingsplaats] , verzoekster in hoger beroep, hierna te noemen: de GI (gecertificeerde instelling). Als belanghebbenden merkt het hof aan: [de moeder] , wonende te [woonplaats] , hierna te noemen: de moeder, advocaat: mr. J.C. Hissink, [de vader] , wonende te [woonplaats] , hierna te noemen: de vader, advocaat: mr. R.M.A. Arnoldus. in beide zaaknummers: Deze zaken gaan over: [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2016 te [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] . In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend: de Raad voor de Kinderbescherming, hierna te noemen: de raad. 1Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het verloop van de gedingen in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 24 november 2024 (omgang) en 28 maart 2025 (ondertoezichtstelling), uitgesproken onder voormelde zaaknummers. 2Het geding in hoger beroep in de zaak met zaaknummer 200.351.115/01 (omgang): 2.
- Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking van 24 november 2024 is op verzoek van de GI de omgangsregeling gewijzigd en bepaald dat de vader en [minderjarige] omgang hebben met elkaar eens in de twee weken op zondag van 10.00 uur tot 17.00 uur, binnen een straal van 20 km van [woonplaats moeder] (uitzondering in overleg), waarbij de moeder [minderjarige] naar de locatie van de omgang brengt en de vader [minderjarige] terug naar de moeder brengt. 2.
- De vader kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 12 februari 2024, heeft de vader verzocht voormelde beschikking te vernietigen en het verzoek van de GI af te wijzen althans een beslissing te nemen als het hof in het belang van [minderjarige] wenselijk acht. 2.
- Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 24 maart 2025, heeft de GI verzocht het hoger beroep van de vader af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen. 2.
- Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 18 maart 2025, heeft de moeder verzocht de vader in zijn hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, althans dat af te wijzen als ongegrond en de bestreden beschikking zo nodig onder aanvulling van en/of verbetering van gronden te bekrachtigen. 2.
- Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van het V6-formulier met bijlage van 1 juni 2025, ingekomen op 2 juni
- in de zaak met zaaknummer 200.353.067/01 (ondertoezichtstelling): 2.
- Bij de bestreden beschikking van 28 maart 2025 heeft de kinderrechter op verzoek van de moeder, uitvoerbaar bij voorraad, de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 8 maart 2025 verlengd tot 8 september
- De behandeling van het resterende verzoek van de moeder is aangehouden. 2.
- De GI kan zich met deze beslissing niet verenigen en is hiervan in hoger beroep gekomen. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 28 maart 2025, heeft de GI verzocht, naar het hof begrijpt, de bestreden beschikking te vernietigen en alsnog de ondertoezichtstelling op te heffen. 2.
- Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 2 mei 2025, heeft de moeder verzocht de GI in haar hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, althans dat af te wijzen als ongegrond en de bestreden beschikking zo nodig onder aanvulling van en/of verbetering van gronden te bekrachtigen. 2.
- Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie 8 mei 2025, heeft de vader verzocht de bestreden beschikking te bekrachtigen en het verzoek van de GI af te wijzen als althans de GI in haar verzoek niet-ontvankelijk te verklaren. 2.
- Het hof heeft voorts kennisgenomen van de tijdens de mondelinge behandeling overgelegde spreekaantekeningen namens de GI. in beide zaaknummers: 2.
- Tijdens de mondelinge behandeling zijn de zaken gelijktijdig, maar niet gevoegd, behandeld. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 11 juni
- Bij die gelegenheid zijn gehoord: de vader, bijgestaan door mr. Arnoldus; de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI 1] en [vertegenwoordiger van de GI 2] ; de moeder, bijgestaan door mr. Hissink; de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] . 3De feiten in beide zaaknummers: 3.
- De moeder en de vader hebben een relatie gehad. Uit deze relatie is [minderjarige] geboren. De vader heeft [minderjarige] erkend. De moeder is van rechtswege belast met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] . 3.
- [minderjarige] woont bij de moeder. 3.
- Bij beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 30 juli 2020 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI. Deze maatregel is daarna steeds verlengd tot 30 april
- 3.
- Bij beschikking van de rechtbank van 13 juni 2023 is onder meer bepaald dat [minderjarige] en de vader gerechtigd zijn tot omgang met elkaar: gedurende de eerste maand: éénmaal per veertien dagen op een zaterdag of zondag, gedurende vier uur onbegeleide omgang, in te vullen in de omgeving van de woonplaats van de moeder; vervolgens gedurende vier maanden: éénmaal in de maand een zondag, waarbij [minderjarige] om 11:00 uur bij de vader is en om 19:00 uur weer terug is bij de moeder. De moeder brengt in de ochtend [minderjarige] naar de vader en de vader brengt [minderjarige] aan het einde van de regeling terug naar de moeder; daarna: tweemaal in de maand een zondag, waarbij [minderjarige] om 11:00 uur bij de vader is en om 19:00 uur weer terug is bij de moeder. De moeder brengt in de ochtend [minderjarige] naar de vader en de vader brengt [minderjarige] aan het eind van de regeling terug naar de moeder. 3.
- Bij beschikking van de rechtbank van 8 september 2023 is [minderjarige] opnieuw onder toezicht gesteld van de GI. Deze maatregel is vervolgens verlengd tot 8 maart
- 4De beoordeling in de zaak met zaaknummer 200.351.115/01 (omgang): 4.
- De vader voert – samengevat – het volgende aan. Ten onrechte heeft de rechtbank de omgangsbeschikking uit 2023 gewijzigd. De vader heeft in mei 2017 een verzoek gedaan tot de vaststelling van een zorg- of contactregeling. Na vijf mondelinge behandelingen is in juni 2023 een omgangsregeling vastgesteld. Volgens die regeling moet de moeder [minderjarige] in de ochtend naar [woonplaats vader] brengen en brengt de vader hem einde dag naar de moeder in [woonplaats moeder] . In maart en april 2024 heeft er acht weken geen omgang plaatsgevonden omdat de moeder [minderjarige] niet wilde brengen. De vader heeft toen voorgesteld om [minderjarige] eens in de veertien dagen op vrijdag op te halen en op zondag terug te brengen, maar de moeder ging niet akkoord. Ook tijdens de zomervakantie 2024 heeft er geen omgang plaatsgevonden en sinds september 2024 vindt er helemaal geen omgang meer plaats. De moeder moet haar verantwoordelijkheid nemen. Het feit dat zij de omgang niet nakomt is geen reden om de omgang te wijzigen. De omgang bij de vader thuis verliep goed. De omgang zal nu ‘op straat’ moeten plaatsvinden, de vader heeft geen onderkomen in [woonplaats moeder] . De vader is bovendien hartpatiënt en is fysiek niet in staat om op één dag van [woonplaats vader] naar [woonplaats moeder] heen en weer te reizen. 4.
- De GI voert – samengevat – het volgende aan. De GI heeft een wijziging van de omgang verzocht in het belang van [minderjarige] . [minderjarige] had last van de grote reisafstand, de spanning en de overbelasting vanuit de vader. [minderjarige] had bij zijn speltherapeut aangegeven druk te ervaren om bij de vader te blijven slapen omdat de vader deze vraag vaak aan hem stelt. De GI had bovendien geluidsopnamen ontvangen waarin te horen was dat [minderjarige] wordt belast met volwassenzaken. Wat betreft de reisafstand merkt de GI op dat de vader [minderjarige] al lange tijd terug naar de moeder bracht, waarbij hij dezelfde reis moest afleggen. Het is aan de vader om met zijn arts te overleggen wat wel mogelijk is. De klempositie van [minderjarige] ziet op het belaste contact met de vader waar eerder sprake van was. Dit wordt niet enkel door de vader gecreëerd, maar feit is wel dat [minderjarige] last heeft van spanningen voor de omgang. Dit uit zich in fysieke klachten. [minderjarige] laat boos gedrag zien omdat hij de vader niet ziet, hij begrijpt niet waarom. [minderjarige] geeft aan dat hij niet wil videobellen met de vader. De speltherapeut zou de videobelmomenten kunnen begeleiden. 4.
- De moeder voert – samengevat – het volgende aan. De moeder is de omgang altijd nagekomen maar was vanwege operaties gedurende enkele periodes niet in staat om [minderjarige] naar de vader te brengen. De moeder had alternatieven geboden maar de vader heeft die naast zich neergelegd. De wijze waarop de omgang door de vader werd ingevuld was belastend voor [minderjarige] , zoals aangegeven door de speltherapeut, de GI en school. De door de GI verzochte regeling zou dat verminderen. Doordat de vader nog steeds streeft naar een regeling met een overnachting geeft hij geen blijk te beseffen dat hij [minderjarige] (heeft) belast. Er kan geen sprake zijn van een overnachting van [minderjarige] bij de vader zolang de huidige omgangsregeling niet eerst structureel nageleefd wordt. Door zijn stelling dat de omgang goed verliep, negeert de vader de signalen van [minderjarige] die zijn bevestigd door de speltherapeut. De moeder ontkent dat de vader vanwege zijn gezondheid niet naar [woonplaats moeder] kan rijden. in de zaak met zaaknummer 200.353.067/01 (ondertoezichtstelling): 4.
- De GI voert – samengevat – het volgende aan. Ten onrechte heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd. De doelen in de bestreden beschikking zijn te mager voor een gedwongen kinderbeschermingsmaatregel. De ondertoezichtstelling is bovendien onuitvoerbaar geworden, draagt momenteel bij aan het klemzetten van [minderjarige] en schaadt zijn ontwikkeling meer dan dat het deze beschermt. De GI heeft de afgelopen jaren het maximaal haalbare in de oudercommunicatie behaald. Ondanks ingezette hulpverlening, zoals [instantie] , binnen de bijna vijf jaar ondertoezichtstelling en daarvoor in het vrijwillige kader, is gebleken dat het onmogelijk is om de moeder en de vader tot elkaar te laten komen in de communicatie. Voor het monitoren van videobelmomenten is een gedwongen kader te zwaar. Er moet kritisch gekeken worden of overheidsbemoeienis in een gezin nodig is en of de inmenging in het gezin langer duurt dan noodzakelijk. De GI heeft geluisterd naar de wensen van [minderjarige] en hiernaar gehandeld door een verzoek te doen bij de rechtbank betreffende de omgang. Het is echter aan de ouders om de beschikking na te komen. Het is onbegrijpelijk dat de vader [minderjarige] al maanden niet heeft bezocht. De ouders hebben de mogelijkheid om juridische stappen te zetten als zij het niet eens zijn met de beschikking, maar er is sprake van een eindeloze strijd tussen de ouders over de omgang. De huidige beschikking is naar de visie van de GI in het belang van [minderjarige] . Er zal een eerste videobelmoment plaatsvinden op 13 juni
- De gezinssituatie is voldoende veilig. Indien de ouders ondersteuning nodig hebben kunnen zij in het vrijwillige kader terecht waarbij de GI zorgt voor een overdracht. De speltherapeut is verbonden aan school en vraag regelmatig hoe het met [minderjarige] gaat, hij heeft het idee dat het goed gaat. Indien de moeder opnieuw zorgen krijgt kan zij contact opnemen met de speltherapeut. De GI kan geen hulpverlening voor de vader en [minderjarige] inzetten omdat de vader in een andere regio woont en geen gezag heeft. De vader dient zelf naar de gemeente te gaan voor hulpverlening. Indien het hof tot instandhouding van de ondertoezichtstelling besluit wil de GI hiervoor niet langer verantwoordelijk zijn en zal zij in dat geval een verzoek tot vervanging GI bij de rechtbank doen. 4.
- De moeder voert – samengevat – het volgende aan. Het is onjuist dat met de beschikking van 20 november 2024 de ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] is weggenomen en er daardoor geen grond bestaat voor (verlenging van) de ondertoezichtstelling. Ook is het onjuist dat de ondertoezichtstelling onwerkbaar is geworden. Er is nog steeds sprake van een ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] . Hulpverlening in het vrijwillige kader is niet haalbaar. De omgangsregeling wordt sinds september 2024 niet nagekomen. Indien de omgangsbeschikking wordt vernietigd en de oude regeling herleeft zou de druk bij [minderjarige] weer enorm toenemen en dat zou de noodzaak van betrokkenheid van de GI alleen maar vergroten. Ook als de omgangsbeschikking in stand blijft zal de betrokkenheid van de GI voor het organiseren van het contactherstel tussen de vader en [minderjarige] noodzakelijk zijn en blijven. De speltherapeut heeft aangegeven dat niet te kunnen faciliteren. Overigens gaat het niet alleen om het monitoren van een dergelijk contact maar ook om het begeleiden van [minderjarige] daarbij en vooral ook daarna, maar ook om de begeleiding van de vader, om te voorkomen dat hij ongeoorloofde druk op [minderjarige] uitoefent en hem opnieuw belast met volwassenzaken. De effecten van de contacten op [minderjarige] moeten in kaart gebracht worden. 4.
- De vader voert – samengevat – het volgende aan. De vader kan zich niet verenigen met het door de GI verzochte. [minderjarige] is een kwetsbare jongen die nog steeds in zijn ontwikkeling wordt bedreigd, niet alleen omdat er op dit moment geen omgang plaatsvindt, maar ook omdat hulpverlening in het vrijwillige kader niet haalbaar is. Het risico bestaat dat [minderjarige] verder verwijderd zal raken van de vader, terwijl de omgang bij de vader juist goed verliep. De vader heeft het recht op omgang met [minderjarige] en [minderjarige] heeft recht op omgang met de vader. De ondertoezichtstelling beëindigen zou betekenen dat de vader geen deel uit kan blijven maken van de opvoeding en ontwikkeling van [minderjarige] . De positie waarin [minderjarige] zich nu bevindt is niet door de vader alleen gecreëerd. In dit alles is nog een grote rol voor de GI weggelegd. in beide zaaknummers: 4.
- De raad adviseert – samengevat – het volgende. De ouders wonen ver uit elkaar. Een lange reisafstand is vaak lastig voor kinderen. Het zou fijn zijn als er op een goede manier kan worden toegewerkt naar een omgangsregeling waarbij [minderjarige] bij de vader overnacht. Dan zou hij bijvoorbeeld in een vakantie een langere periode bij de vader kunnen verblijven zodat er minder vaak op en neer gereden hoeft te worden. Wat betreft de ondertoezichtstelling is het lastig dat de GI niet langer gemotiveerd is. De zorgen van moeder moeten worden onderzocht. Daarbij is het mogelijk dat [minderjarige] verschillende signalen afgeeft naar beide ouders. Wellicht is bijvoorbeeld de begeleiding van de gecertificeerde instelling Leger des Heils Jeugdbescherming en Jeugdreclassering passender omdat die landelijk te werk gaat en dus ook bij de vader hulpverlening kan inzetten. Ook is misschien buiten regionale-hulpverlening mogelijk om bijvoorbeeld opvoedondersteuning bij de vader in te zetten. 4.
- Het hof overweegt als volgt. Omgang 4.8.
- Op grond van artikel 1:265g lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter voor de duur van de ondertoezichtstelling op verzoek van de GI een regeling inzake de uitoefening van het recht op omgang vaststellen of wijzigen, voor zover dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk is. 4.8.
- Gebleken is dat beide ouders willen dat er omgang plaatsvindt tussen [minderjarige] en de vader. Ook [minderjarige] wil contact met de vader. Toch is er sinds september 2024, ruim negen maanden, geen enkele vorm van contact tussen hen geweest anders dan enkele kaartjes die de vader heeft gestuurd. Vast staat dus dat er contactherstel moet plaatsvinden. De vader wenst toe te werken naar een omgangsregeling met een overnachting. De moeder heeft bezwaren en zorgen geuit over de omgangsregeling en ziet hiertoe geen mogelijkheden. Gelet op het feit dat er inmiddels al lange tijd geen contact is geweest, alsmede gelet op de verzoeken in hoger beroep, is een weekendregeling op dit moment niet aan de orde. Het is echter niet in geschil dat [minderjarige] zijn vader wil zien en hier ook recht op heeft. Beide ouders dienen hiervoor hun verantwoordelijkheid te nemen en zo te handelen dat een omgangsregeling wordt nageleefd. Als stip op de horizon kan gelden dat er wordt toegewerkt naar een omgangsregeling met overnachting, indien het belang van [minderjarige] dit toelaat, omdat dit zowel de ouders als [minderjarige] rust kan bieden in verband met de grote reisafstand. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep is besproken dat hiervoor in ieder geval nodig is dat de vader hulpverlening krijgt waarvoor hij zich dient aan te melden bij de gemeente. Hierbij zal een hulpvraag zijn om hem handvatten te geven om een onbelast contact met zijn zoon vorm te geven, waarbij hij [minderjarige] niet belast met volwassenproblematiek en negatieve uitlatingen en houdingen over de moeder, zodat er in de toekomst ruimte is voor een uitbreiding van de omgangsregeling met mogelijk een overnachting. Het hof acht het in het belang van [minderjarige] noodzakelijk dat de vader deze hulpverlening verkrijgt. Hierdoor kan ook het vertrouwen van partijen in elkaar als ouders van [minderjarige] weer groeien. De vader heeft ter mondelinge behandeling toegezegd dat hij bereid is deze hulpverlening te vragen. Het hof verwacht dan ook van de vader dat hij zich onverwijld aanmeldt bij zijn gemeente. 4.8.
- Tijdens de mondelinge behandeling heeft het hof uitvoerig met partijen gesproken over een voor [minderjarige] en de ouders op dit moment haalbare omgangsregeling tussen [minderjarige] en de vader. De ouders en de GI hebben overeenstemming bereikt en met elkaar afgesproken dat [minderjarige] en de vader vanaf 28 juni 2025 omgang met elkaar hebben een keer per twee weken op (in beginsel) zaterdag van 10.00 uur tot 16.00 uur. Hierbij wordt [minderjarige] de ene keer door de vader thuis om 10.00 uur opgehaald en thuis teruggebracht om 16.00 uur. De andere keer brengt de moeder [minderjarige] om 10.00 uur bij de vader, en haalt zij [minderjarige] om 16.00 uur op. Wanneer de vader of de moeder op vakantie is vervallen de omgangsmomenten en deze worden hervat zodra de ouder terug van vakantie is. 4.8.
- Het hof begrijpt dat partijen hebben verzocht voornoemde regeling vast te leggen in de beschikking. Omdat het hof de overeengekomen omgangsregeling in het belang van [minderjarige] wenselijk voorkomt, zal het hof de bestreden beschikking van 24 november 2024 vernietigen en de overeengekomen omgangsregeling vastleggen. Ondertoezichtstelling 4.8.
- Op grond van artikel 1:260 BW kan de rechter, mits aan de gronden, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar. 4.8.
- Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW kan de rechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en: de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en; de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen. 4.8.
- Het hof is van oordeel dat er nog steeds reden is voor een ondertoezichtstelling. Het is duidelijk dat het de ouders zelfstandig niet lukt om de omgangsregeling tussen [minderjarige] en de vader van de grond te krijgen. Er is inmiddels negen maanden geen omgang geweest. Ook een eerste videobelmoment had op het moment van de mondelinge behandeling in hoger beroep nog niet plaatsgevonden. De maatregel van ondertoezichtstelling is nog noodzakelijk nu de conflicten en problemen rondom het op gang brengen en houden van de omgangsregeling zodanig belastend zijn voor [minderjarige] dat dit een ernstige bedreiging oplevert voor zijn geestelijke ontwikkeling. Tot nu toe hebben andere middelen ter afwending van deze bedreiging gefaald. Het hof onderschrijft niet de stelling van de GI dat het hoogst haalbare binnen de ondertoezichtstelling is bereikt; op de mondelinge behandeling is gebleken dat de ouders tot afspraken te bewegen zijn, waardoor er na negen maanden weer omgang zal zijn tussen [minderjarige] en zijn vader. Het is bovendien belangrijk dat de GI nu het contactherstel gaat plaatsvinden, zicht houdt op de vader en op de start en vorderingen van het hulpverleningstraject van de vader, alsmede dat er gemonitord wordt hoe het met [minderjarige] gaat en of de omgangsregeling in het belang van [minderjarige] wordt uitgevoerd en nageleefd. Anders dan de GI is het hof van oordeel dat de ondertoezichtstelling in ieder geval voorlopig nog noodzakelijk is ter bescherming van het belang van [minderjarige] . Al het overige dat door de GI is aangevoerd kan niet leiden tot een ander oordeel. 4.8.
- Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking van 28 maart 2025 dient te worden bekrachtigd. 5De beslissing Het hof: in de zaak met zaaknummer 200.351.115/01 (omgang): vernietigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 24 november 2024; en opnieuw rechtdoende; wijzigt de omgangsregeling zoals vastgesteld bij beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 13 juni 2023 en stelt vast dat [minderjarige] en de vader vanaf 28 juni 2025 omgang met elkaar hebben een keer per twee weken op (in beginsel) zaterdag van 10.00 uur tot 16.00 uur. Hierbij wordt [minderjarige] de ene keer door de vader thuis om 10.00 uur opgehaald en thuis teruggebracht om 16.00 uur. De andere keer brengt de moeder [minderjarige] om 10.00 uur bij de vader, en haalt zij [minderjarige] om 16.00 uur bij de vader op. Wanneer de vader of de moeder op vakantie is vervallen de omgangsmomenten en deze worden hervat zodra de ouder terug van vakantie is; verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad; wijst af het meer of anders verzochte. in de zaak met zaaknummer 200.353.067/01 (ondertoezichtstelling) bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 28 maart 2025, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen; wijst af het meer of anders verzochte. Deze beschikking is gegeven door mrs. E.F.M. van Swaaij, J.C.E. Ackermans-Wijn en E.M.C. Dumoulin en is op 26 juni 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van mr. C.A.M. Smolders, griffier.