← Nederland

ECLI:NL:GHSHE:2025:1796

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team familie- en jeugdrecht zaaknummer : 200.333.665/01 zaaknummer rechtbank : C/02/396072 / FA RK 22-1393 beschikking van de meervoudige kamer van 26 juni 2025 inzake [de vrouw] , wonende te [woonplaats] , verzoekster in het principaal hoger beroep, verweerster in het incidenteel hoger beroep, hierna te noemen: de vrouw, advocaat mr. C.W.I. van Vlokhoven te Tilburg, tegen [de man] , wonende te [woonplaats] , verweerder in het principaal hoger beroep, verzoeker in het incidenteel hoger beroep, hierna te noemen: de man, advocaat mr. A. Elias te Oisterwijk. 1De zaak in het kort Partijen zijn gehuwd op huwelijkse voorwaarden. Daarin zijn zij een uitsluiting van iedere gemeenschap van goederen overeengekomen en een finaal verrekenbeding (‘alsof-beding’). Tussen partijen is in geschil of: - onverkorte toepassing van dit beding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is; - de rekening-courantschuld van de man aan zijn bv in de verrekening moet worden betrokken of anderszins voor rekening van de vrouw dient te komen. 2Het verloop van het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (Breda) van 21 juli 2023, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. 3Het geding in hoger beroep 3.1. De vrouw is op 18 oktober 2023 in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking. Bij het beroepschrift zijn de producties 1 tot en met 4 overgelegd. 3.2. De man heeft op 18 december 2023 een verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep met producties 1 tot en met 7 ingediend. 3.3. De vrouw heeft op 20 februari 2024 een verweerschrift op het incidenteel hoger beroep met producties 1 tot en met 4 ingediend. 3.4. Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen: - een journaalbericht van de zijde van de man van 23 september 2024; - een journaalbericht van de zijde van de man van 25 oktober 2024 met producties 8 tot en met 11; - een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 30 oktober 2024 met de akte ter vermeerdering/wijziging van eis. 3.5. De mondelinge behandeling heeft op 5 november 2024 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Beide advocaten hebben ter zitting pleitnotities overgelegd. 4De feiten Het hof gaat uit van de volgende feiten. a.

  1. a)Partijen zijn op 20 januari 2006 gehuwd na het maken van huwelijkse voorwaarden (op 12 januari 2006).
  2. b)De huwelijkse voorwaarden houden, voor zover van belang, het volgende in. ‘Uitsluiting Artikel 1 De echtgenoten sluiten elke gemeenschap van goederen uit. (…) Inkomen Artikel 6 1. Inkomen in deze huwelijkse voorwaarden is het gezamenlijk bedrag per jaar van: a. winst uit onderneming in de zin van de Wet inkomstenbelasting 2001, hierna te noemen: de Wet, met dien verstande dat hieronder niet worden begrepen: - de voordelen die genoten worden uit hoofde van een schuldvordering als bedoeld in artikel 3.3 lid 1 sub b van de Wet; - winst die is behaald met het geheel of gedeeltelijk staken van een onderneming; Dit gezamenlijk bedrag wordt verminderd met de daarover verschuldigde belasting en premieheffing volksverzekeringen (…). De in mindering te brengen belasting wordt berekend naar het gemiddelde tarief dat over het gehele belastbare inkomen uit werk en woning is verschuldigd. (…) 3. Indien een echtgenoot inkomen heeft in de vorm van winst uit onderneming of resultaat uit een werkzaamheid als in lid 1 bedoeld, dienen de echtgenoten tevens, naar normen die in het maatschappelijk verkeer als redelijk worden beschouwd, vast te stellen welk gedeelte van de winst of van het resultaat voor onttrekking in aanmerking komt en aldus inkomen is als in lid 1 bedoeld. (…) Kosten van de huishouding Artikel 7 1 De kosten van de gemeenschappelijke huishouding worden door de echtgenoten gedragen naar evenredigheid van ieders inkomen. Zijn de inkomens onvoldoende, dan worden de kosten gedragen naar evenredigheid van ieders vermogen. Een en ander geldt niet voor zover bijzondere omstandigheden zich daartegen verzetten. 2. Onder de kosten van de huishouding zijn begrepen de kosten het dagelijks levensonderhoud, de kosten van verzorging en opvoeding van de tot het gezin behorende kinderen, de premies voor de gebruikelijke verzekeringen, de kosten van vakanties, de huurprijs van de echtelijke woning en rente van geldleningen aangegaan ter verwerving, verbetering dan wel onderhoud van de echtelijke woning en de eventuele vakantiewoning. Tevens behoren daartoe de kosten van aanschaf van de inboedel en van de voor het gezin gestemde auto’s. Is de echtelijke woning gemeenschappelijk eigendom van partijen ieder voor de helft, dan worden ook aflossingen op leningen die zijn aangegaan ter verwerving, verbetering en onderhoud van het registergoed, tot de kosten van de gemeenschappelijk huishouding gerekend. Voorts worden in dat geval tot die kosten gerekend de kosten van alle gewone lasten en herstellingen en buitengewone herstellingen als bedoeld in artikel 3:220 Burgerlijk Wetboek, de zakelijke belastingen en de premies voor de opstalverzekering. Onder aflossingen worden te dezen ook verstaan de stortingen op beleggings- dan wel spaardepots, welke depots zijn verpand aan de verstrekker(
  3. s)van bedoelde geldlening(
  4. en)tot meerdere zekerheid voor de terugbetaling op die lening(en). 3. Indien de echtgenoten in onderling overleg niet samenwonen, worden de gezamenlijke kosten van de afzonderlijke huishoudens, waaronder begrepen de kosten die verband houden met de huisvesting van de echtgenoten, gedragen op de wijze als in lid 1 is bepaald. (…) Verrekening bij het einde van het huwelijk en bij scheiding van tafel en bed Artikel 12 1. Bij ontbinding van het huwelijk door echtscheiding of overlijden en bij scheiding van tafel en bed wordt tussen de echtgenoten of tussen de langstlevende echtgenoot en de rechtverkrijgenden van de overleden echtgenoot afgerekend alsof de echtgenoten in algehele gemeenschap van goederen waren getrouwd. (…) 3. Onder het vermogen van een echtgenoot wordt verstaan het saldo van zijn bezittingen en schulden. (…) 4. De beschrijving van de vermogens van de echtgenoten en de waardering van de daartoe behorende bezittingen en schulden geschiedt, in geval van overlijden, per de datum van de ontbinding van het huwelijk en ingeval van echtscheiding (…), op de datum waarop het daartoe strekkende verzoekschrift is ingediend. De waardering van de goederen en schulden vindt plaats in onderling overleg en bij gebreke daarvan door een of meer deskundigen, te benoemen door de kantonrechter genoemd in artikel 679 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. (…) 7. (…) In de verrekening worden niet betrokken voor het geval dat het huwelijk anders eindigt dan door overlijden: (…) - (certificaten van) aandelen in besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid, alsmede de waarde die zij vertegenwoordigen en uitkeringen zoals dividenden die worden uitgekeerd op vorenbedoelde (certificaten van) aandelen;- ondernemingsvermogen; - al hetgeen krachtens zaaksvervanging voor vorenbedoelde certificaten in de plaats is getreden. (…)’
  5. c)Partijen zijn de ouders van twee kinderen, waarvan de jongste, [minderjarige] , nog minderjarig is.
  6. d)Nadat partijen in 2016 feitelijk uit elkaar zijn gegaan, hebben zij gemeenschappelijk een recht van erfpacht en daaraan verbonden recht van opstal verkregen op het registergoed aan [adres 1] te [woonplaats vrouw] (hierna ook: [adres 1] ). De verkrijging van het recht van erfpacht en het recht van opstal is gefinancierd met een hypothecaire geldlening van € 275.196,-- bij de Rabobank en een hypothecaire geldlening van € 21.944,-- bij [B.V. 1] B.V. De vrouw is vervolgens op voormeld adres gaan wonen.
  7. e)Op 29 maart 2022 heeft de man een verzoek tot echtscheiding ingediend bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant (Breda).
  8. f)Daarop is bij de bestreden beschikking de echtscheiding uitgesproken.
  9. g)De echtscheidingsbeschikking is op 13 november 2023 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
  10. h)Partijen zijn ieder voor de onverdeelde helft eigenaar van de voormalige echtelijke woning aan [adres 2] te [woonplaats man] (hierna ook: [adres 2] ). Daarop rusten hypothecaire geldleningen bij ABN Amro van respectievelijk € 382.000,--, € 253.000,-- en € 177.000,--. i.
  11. i)De man is directeur-grootaandeelhouder van [B.V. 1] B.V. (hierna ook: de bv). 5De omvang van het geschil 5.1. Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank voorts, voor zover in hoger beroep van belang, uitvoerbaar bij voorraad, de verdeling van de gemeenschappelijke goederen van partijen gelast op de wijze als vermeld in de rechtsoverwegingen 4.24 tot en met 4.38, waarin de rechtbank, voor zover hier van belang: heeft overwogen dat partijen in hun onderlinge verhouding ieder voor de helft draagplichtig zijn voor de aan [adres 2] en [adres 1] verbonden (hypothecaire) geldleningen; de rekening-courantschuld van de man aan de bv niet in de finale verrekening heeft betrokken noch anderszins voor rekening van de vrouw laten komen. Vervolgens heeft de rechtbank het verzoek van de man tot vergoeding door de vrouw van € 160.000,-- afgewezen. 5.2. De grieven van de vrouw gaan over de draagplicht voor de hypothecaire geldleningen. Zij verzoekt, na vermeerdering (bij beroepschrift) en herstel (bij akte ter vermeerdering/wijziging van eis) van haar verzoek, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen voor zover zij daartegen is opgekomen en: - de man te veroordelen tot betaling van € 12.533,50 ter zake van de afwikkeling van de gemeenschappelijke rekeningen eindigende op [nummer 1] en [nummer 2] ; - de man te veroordelen om de helft van de waarde van [adres 2] zonder daarop nog hypothecaire schulden in mindering te brengen in het kader van de verrekening aan de vrouw te doen toekomen; - de man te veroordelen om het erfpachtrecht met opstallen aan [adres 1] , althans het aan de man toekomend aandeel daarin aan de vrouw toe te delen onder de verplichting voor de man de op dit erfpachtrecht met opstallen rustende hypothecaire schulden voor zijn rekening te nemen; subsidiair: - te bepalen dat de man aan haar vergoedt een bedrag groot € 730.000,--, althans een door het hof te bepalen bedrag; zowel primair als subsidiair: - de man te veroordelen in de kosten van deze procedure. 5.2.1. Met handhaving van het voorgaande, verzoekt de vrouw bij verweerschrift in incidenteel hoger beroep, tevens aanvulling van eis: 1) aan de man een dwangsom op te leggen ter grootte van € 500,-- per dag, althans ter grootte van een door het hof te bepalen bedrag, voor iedere dag dat hij nalatig blijft de door hem opgebouwde pensioenrechten conform de wet verevening pensioenrechten te verevenen, zulks onder overlegging van de bijbehorende pensioenpolissen en pensioenbrieven en wel door afstorting van het aandeel van de vrouw in de pensioenrechten bij een erkend pensioenverzekeraar. 2) voor recht te verklaren dat de schuld aan de bv ad € 122.913,- niet tot het te verdelen c.q. te verrekenen vermogen behoort. 5.3. De man verzoekt in het principaal hoger beroep de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoeken dan wel haar verzoeken af te wijzen. De grief van de man gaat over de rekening-courantschuld. In het incidenteel hoger beroep verzoekt de man de bestreden beschikking te vernietigen, voor zover hij daartegen is opgekomen, en opnieuw rechtdoende, te bepalen dat: de vrouw aan hem in het kader van de verrekeningen nog € 291.324,50 is verschuldigd, dan wel subsidiair te bepalen dat de hypothecaire schulden gekoppeld aan de twee woningen van partijen dienen te worden vermeerderd met € 276.859,-- waarbij vastgesteld dient te worden dat partijen hier ieder voor een gelijk deel draagplichtig voor zijn dan wel een beslissing te nemen die het hof juist acht. 5.4. De vrouw verzoekt in het incidenteel hoger beroep de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoeken dan wel deze verzoeken af te wijzen en de man te veroordelen in de kosten van dit hoger beroep. 6De motivering van de beslissing De draagplicht voor de (hypothecaire) leningen (grieven 1 en 2 van de vrouw) 6.1. De vrouw is het niet eens met het oordeel van de rechtbank dat partijen in hun onderlinge verhouding ieder voor de helft draagplichtig zijn voor de vier aan de woning verbonden (hypothecaire) geldleningen en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen. Zij licht haar grieven als volgt toe. Onverkorte toepassing van art. 12 van de huwelijkse voorwaarden is in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. De man heeft haar bij het aangaan van de huwelijkse voorwaarden voorgehouden dat het privévermogen optimaal vrijgehouden zou worden van bedrijfsrisico's. Omdat volgens de man zijn salaris toereikend was om rond te komen, heeft zij tegen een laag salaris op directieniveau in de zaak meegewerkt. De man heeft een participatie van de vrouw en gesprekken daarover ‘on hold’ gesteld, stellende dat toch alles van hen beiden was. Steeds heeft hij haar voorgehouden dat zij zich inzette voor hun gezamenlijk belang. De resultaten die hij hiermee heeft nagestreefd zijn schrijnend. De vrouw heeft geen inkomen en geen vermogen en dreigt samen met [minderjarige] en drie honden dakloos te raken, terwijl de man in het bezit is van de woning, drie auto's, de inboedel (die hij ook niet heeft verdeeld) en een bv ter waarde van meer dan drie miljoen, die zij mede heeft opgebouwd. De man heeft ontbinding van de arbeidsovereenkomst met de vrouw aangevraagd met een transitievergoeding op basis van een laag salaris. De vrouw heeft de stelling dat de hypothecaire schulden ten laste van de man moeten blijven voldoende onderbouwd. De bv van de man beschikt over voldoende liquiditeit, minimaal € 2.000.000,-- minus belasting zijnde € 1.460.000,--, waarmee alle (hypothecaire) schulden op [adres 2] (€ 824.293,--) en [adres 1] (€ 253.945,96) konden zijn afgelost, zeker als rekening wordt gehouden met de waarde van de levensverzekeringen. Daarbij moet rekening worden gehouden met feitelijk (onderling overeenstemmend) gedrag van partijen. Daarom dient op de voet van art. 6:248 (lid 2), art. 6:258 BW ‘of op welke rechtsgrond dan ook’ de waarde van de bv ontstaan door bovenmatig oppotten van reserves, te worden verrekend. Praktische uitwerking daarvan is dat de man de (hypothecaire) lasten rustende op [adres 2] en [adres 1] voor zijn rekening neemt, subsidiair de helft van de waarde van de bv (€ 730.000,--) aan haar vergoedt. De vrouw is niet bekend met een lening van de bv van € 12.944,--. 6.2. De man heeft verweer gevoerd. Hij betwist dat art. 12 van de huwelijkse voorwaarden en feitelijke gedragingen van partijen rechtvaardigen dat de vrouw naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid recht heeft op de helft van de waarde van de bv. Artikel 6:248 lid 2 BW geldt slechts als het resultaat onaanvaardbaar zou zijn. Hij weerspreekt dat de door de vrouw aangehaalde jurisprudentie van toepassing is. De bedoeling van de huwelijkse voorwaarden is letterlijk opgenomen. Partijen hebben deze uitleg ook met de financieel adviseur besproken. De vrouw heeft toen ook naar de gevolgen daarvan gevraagd. De man had de bv al voor het huwelijk en het was de bedoeling dat dit zo zou blijven. De vrouw is pas in 2011 in het bedrijf gaan werken als after sales manager en ontving een salaris van € 3.348,-- exclusief vakantiegeld en dertiende maand, passend bij haar functie. Hij betwist de stellingen van de vrouw over de liquiditeit van de bv en de door haar genoemde bedragen die ook niet zijn te herleiden uit de jaarrekeningen. De vrouw is op de hoogte van de leningen. Deze staan in de aangifte IB vermeld. Hoewel de vrouw een relatie had met een ander, heeft de man in 2017 meegewerkt aan de aankoop en financiering van [adres 1] , waar de vrouw sindsdien samen met haar nieuwe partner woont en waarvan hij tot op heden de helft van de hypothecaire lasten voldoet. Sinds het verbreken van de relatie in 2016 is zij met behoud van salaris vrijgesteld van werkzaamheden. Zij kreeg een auto ter beschikking waarin zij nu al zes jaar rijdt zonder bijtelling te hoeven betalen en op kosten van de bv heeft zij een opleiding mogen volgen om haar mogelijkheden op de arbeidsmarkt te vergroten. Ook haar ziektekosten zijn tot de echtscheiding doorbetaald. De afgelopen zeven jaar had de vrouw een baan en een eigen woning kunnen zoeken en aan vermogensopbouw kunnen doen, maar zij heeft dat nagelaten. 6.3. Het hof overweegt als volgt. De vrouw beroept zich op art. 6:248 (lid 2), feitelijk overeenstemmend gedrag en art. 6:258 BW. Artikel 6:248 lid 2 BW 6.3.1. Artikel 6:248 lid 2 BW bepaalt dat een tussen partijen als gevolg van de overeenkomst geldende regel niet van toepassing is voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. De vrouw heeft in haar stukken niet althans onvoldoende duidelijk toegelicht welke specifieke bepaling van art. 12 van de huwelijkse voorwaarden volgens haar buiten toepassing dient te blijven. Desgevraagd heeft haar advocaat ter zitting aangegeven – en na nogmaals daarop bevraagd te zijn, benadrukt – dat er weliswaar een bepaling is ‘waar de onderneming erbuiten blijft’, maar dat ‘in dit bijzondere geval’ waarin er meer schulden dan bezittingen zijn waaraan de man zou moeten bijdragen, de leden 3 en 4 van art. 12 buiten toepassing dienen te blijven. Daarop heeft de advocaat van de man onweersproken geconcludeerd dat art. 12 lid 7 (hof: inzake de uitgesloten onderdelen) dan wel in stand blijft. Dit betekent dat de man de waarde van zijn aandelen niet met de vrouw behoeft te verrekenen. Ook als ‘de ondernemingen’ van de man over voldoende liquiditeit zouden beschikken om de hypothecaire schulden af te lossen, brengt dat op zichzelf nog niet mee dat de man de waarde van de aandelen moet verrekenen. De vrouw beroept zich op het buiten toepassing laten van de leden 3 en 4 van art. 12 van de huwelijkse voorwaarden, die, zoals vermeld voor zover van belang, luiden: 3. Onder het vermogen van een echtgenoot wordt verstaan het saldo van zijn bezittingen en schulden. (…) 4. De beschrijving van de vermogens van de echtgenoten en de waardering van de daartoe behorende bezittingen en schulden geschiedt, in geval van overlijden, per de datum van de ontbinding van het huwelijk en ingeval van echtscheiding of scheiding van tafel en bed, op de datum waarop het daartoe strekkende verzoekschrift is ingediend. De waardering van de goederen en schulden vindt plaats in onderling overleg en bij gebreke daarvan door een of meer deskundigen, te benoemen door de kantonrechter genoemd in artikel 679 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Het hof begrijpt dat de vrouw bedoelt dat het buiten de finale verrekening laten van de schulden ertoe zou moeten leiden dat de man deze alleen moet dragen. Vaststaat zoals in rov. 4.23. van de bestreden beschikking is overwogen dat partijen voor [adres 2] en voor [adres 1] gemeenschappelijke (hypothecaire) schulden hebben bij de ABN Amro, bij de bv en bij de Rabobank. Het buiten toepassing laten van lid 3 en lid 4 van art. 12 van de huwelijkse voorwaarden biedt dan ook geen grondslag voor toewijzing van de verzoeken van de vrouw dat alleen de man voornoemde schulden voor zijn rekening moet nemen. Ook indien genoemde leden van art. 12 van de huwelijkse voorwaarden buiten toepassing worden gelaten, is de vrouw nog steeds draagplichtig voor deze schulden op grond van art. 6:10 BW. Het beroep van de vrouw op art. 6:248 lid 2 BW slaagt aldus niet. Aan een beoordeling van de feiten en omstandigheden die volgens de vrouw aanleiding geven tot het buiten toepassing laten van genoemde bepalingen van de huwelijkse voorwaarden, komt het hof niet toe en daarom ook niet aan het hierop ziende bewijsaanbod. Artikel 6:248 lid 1 BW 6.3.2. Voor zover uit het betoog van de vrouw dat de man bovenmatig reserves heeft opgepot in de bv en met dividenduitkeringen de hypothecaire geldleningen had kunnen aflossen, een beroep op de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid (art. 6:248 lid 1 BW) dient te worden afgeleid, slaagt haar beroep evenmin. De huwelijkse voorwaarden verplichten de man niet tot het doen van dividenduitkeringen of aflossen. Binnen het kader van een goede bedrijfsvoering staat het de man bovendien vrij winsten te reserveren, behoudens het inkomen dat naar normen in het maatschappelijk verkeer als redelijk wordt beschouwd (art. 6 lid 3 huwelijkse voorwaarden). De man heeft onweersproken gesteld dat hij zich een jaarinkomen van € 186.091,-- bruto per jaar liet uitkeren, dat in het maatschappelijk verkeer als redelijk wordt beschouwd, zodat dit vaststaat. Daarbij komt dat de man, onverplicht, verschillende (bruto) dividenduitkeringen heeft gedaan (in 2012 € 753.590,--, in 2014 € 500.000,-- en in 2021 € 200.000,--, prod. 8 bij verzoekschrift tot echtscheiding) waarmee hij ook op de (hypothecaire) schulden heeft afgelost. Al hetgeen de vrouw verder heeft aangevoerd maakt dit oordeel niet anders. Het had in dit kader op haar weg gelegen om te stellen welke (extra) winsten de man naast zijn salaris en de gedane dividenduitkeringen (jaarlijks) aan de bv had kunnen onttrekken en tot welk bedrag op de hiervoor genoemde (hypothecaire) schulden afgelost had kunnen zijn. Onvoldoende is dat de bv van de man beschikt over een liquiditeit van minimaal € 2.000.000,--, nu de man dit gemotiveerd heeft weersproken en bovendien onweersproken heeft gesteld dat zich in de bv ook een pensioenverplichting bevindt van € 550.000,-- waarvoor een solvabiliteit van 30% geldt. Het hof komt dan ook niet toe aan het bewijsaanbod van de vrouw, omdat zij heeft tegenover het verweer van de man te weinig heeft gesteld en haar bewijsaanbod ten aanzien van dit punt te weinig concreet is. Artikel 6:258 BW 6.3.3. Ingevolge art. 6:258 BW kan de rechter op vordering van een der partijen de gevolgen van een overeenkomst wijzigen of deze geheel of gedeeltelijk ontbinden op grond van onvoorziene omstandigheden welke van dien aard zijn dat de wederpartij naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst niet mag verwachten. Dat de vrouw als gevolg van het finale verrekenbeding in een ten opzichte van de man ongunstige positie komt te verkeren, is, voor zover al niet voorzienbaar, niet van dien aard dat de man naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de huwelijkse voorwaarden niet mag verwachten. Ook het beroep op art. 6:258 BW slaagt niet. Het hof komt om dezelfde redenen als hiervoor niet toe aan het bewijsaanbod van de vrouw. 6.4. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de grieven van de vrouw falen. De rekening-courantschuld, vergoedingsrecht en optelsom leningen (grief van de man in incidenteel hoger beroep): De grief houdt onder meer in dat de volledige rekening-courantschuld op de peildatum aan de bv in de finale verrekening moet worden betrokken althans ook voor rekening van de vrouw moet komen. 6.5. De rechtbank heeft over de rekening-courantschuld, voor zover van belang, als volgt overwogen. ‘4.52. (…) De rechtbank gaat er hierna dan ook vanuit dat de door de rechtbank gestelde rekening-courantschuld per 29 maart 2022 het gevolg is van betaalde kosten van de huishouding. 4.52 [ sic!] Het laatste verweer, dat de vrouw in dit verband heeft gevoerd, houdt in feite in dat de opbouw van de rekening-courantschuld tot het door de man gestelde bedrag om meerdere redenen niet nodig was, waardoor zij ook anderszins niet gehouden kan worden de helft van deze rekening-courantschuld te dragen. Ter onderbouwing van haar verweer heeft de vrouw, kort samengevat, aangevoerd dat de liquiditeitspositie van de onderneming eind 2016 € 2.209.916,= was en eind 2020 € 2.474.795=, waardoor de liquiditeit volgens de vrouw in vier jaar tijd met € 264.879,= is toegenomen. Ook zijn de langlopende schulden van de onderneming in die periode volgens de vrouw afgelost en beschikte de onderneming over een stille reserve van ongeveer € 750.000,= in de vorm van een bedrijfspand aan de [adres 3] in [plaats] . Naar het oordeel van de rechtbank brengt het gemotiveerde verweer van de vrouw, samen met de door haar (als productie 12) in het geding gebrachte (bij de Kamer van Koophandel gedeponeerde) jaarrekeningen van de vennootschappen mee dat het op de weg van de man had gelegen meer inzicht te verstrekken in het ontstaan van de rekening-courantschuld per 29 maart 2022 en de (on)mogelijkheden om de opbouw daarvan tot dit bedrag te voorkomen c.q. deze schuld tussentijds af te lossen. Dit heeft de man nagelaten. 4.53. Met betrekking tot de kosten van de huishouding zijn partijen in (artikel 7 van) de huwelijkse voorwaarden overeengekomen dat deze kosten worden gedragen door de echtgenoten naar evenredigheid van ieders inkomen. Als onvoldoende weersproken staat vast dat het inkomen van de vrouw gedurende het huwelijk substantieel lager is geweest dan het inkomen van de man en dat de vrouw van haar inkomen (mee)betaalde aan de kosten van de huishouding voor zover haar inkomen dat toeliet. Verder volgt uit de huwelijkse voorwaarden dat het inkomensbegrip in artikel 6 (van de huwelijkse voorwaarden) ruim geformuleerd is. De man heeft als directeur-grootaandeelhouder van [B.V. 1] B.V. het bestuur en beheer over de rekening-courant en heeft een eigen keuze gemaakt om een aanzienlijk deel van de kosten van de huishouding niet ten laste van zijn inkomen (al dan niet met dividenduitkeringen) te laten komen terwijl daartoe wel de financiële ruimte voor aanwezig leek te zijn, maar ten laste van de rekening-courant van zijn onderneming te brengen. Dit is een keuze die de man als ondernemer mag maken, maar het is de vraag of deze keuze ten laste van de vrouw mag worden gebracht. De relatie tussen partijen, als echtgenoten, wordt immers mede beheerst door de eisen van redelijkheid en billijkheid en deze brengen mee dat partijen zijn gebonden aan wat ze hebben afgesproken. (…) 4.54. De rechtbank zal, gelet op al het voorgaande in onderlinge samenhang bezien, de vrouw tot zover volgen in haar verweer en de door de man gestelde rekening-courantschuld van € 572.742,= per peildatum niet in de finale verrekening betrekken noch anderszins voor de helft voor rekening van de vrouw laten komen. (…) 4.63. (…) Verder staat als niet, dan wel onvoldoende gemotiveerd, weersproken vast dat de man met een dividenduitkering vanuit zijn onderneming een bedrag van € 320.000,-- op voornoemde geldlening van [B.V. 1] B.V. heeft afgelost. Nu tussen partijen vaststaat dat de lening is aangegaan voor de (…) gezamenlijke woning en in artikel 7 lid 2 van de huwelijkse voorwaarden is bepaald dat onder kosten van de huishouding ook zijn begrepen aflossingen op leningen voor de gezamenlijke woning, is de rechtbank van oordeel dat de aflossing op deze lening valt onder het voldoen van de kosten van de huishouding. Dat de man op enig moment ervoor heeft gekozen om in één keer een bedrag aan dividend uit te lasten keren en dat te gebruiken om deze schuld aan zijn onderneming [B.V. 1] B.V., met een groot bedrag ineens af te lossen, maakt niet dat alsdan wel een vergoedingsrecht zou ontstaan. (…) Immers, als de man op deze hypothecaire schuld was gaan aflossen zou er (ook) sprake zijn geweest van (betaling van) kosten van de huishouding die de man ingevolge artikel 7 lid 2 van de huwelijkse voorwaarden voor zijn rekening moest nemen zonder enige vergoeding, c.q. verrekening. Daarbij speelt mee dat het inkomensbegrip ruim is geformuleerd en mede dividenduitkeringen omvat.’ 6.6.1. De grief van de man keert zich primair tegen het oordeel van de rechtbank over de rekening-courantschuld, kort gezegd inhoudende dat: a. de man alleen verantwoordelijk is voor de rekening-courantschuld op 29 maart 2022 ter grootte van € 572.742,-- (rov. 4.53.); b. de man de rekening-courantschuld dan wel de opbouw daarvan had moeten voorkomen en ter onderbouwing van zijn stellingen had moeten aantonen dat hij in de onmogelijkheid verkeerde dat te doen (tweede rov. 4.52). Hij stelt daartoe samengevat het volgende. ad. a. Uit productie 3 blijkt de historische opbouw van de rekening-courantschuld vanaf 2005. Het merendeel betreft huishoudelijke opnames waaronder de aanschaf van inboedel, zonnebank, jacuzzi, meubelen, auto’s en betalingen voor vakanties, kleding en elektronica. Partijen waren beiden ervan op de hoogte dat er feitelijk werd geleefd op krediet. Dit was een bewuste en gezamenlijke keuze van hun beiden en is hen beiden ook ten goede gekomen. Hij kan daar niet alleen verantwoordelijk voor worden gehouden. De rechtbank is de vrouw ook ten onrechte gevolgd in hetgeen zij heeft aangevoerd over de liquiditeitspositie van de bv. Van een stille reserve van het bedrijfspand van € 750.000,-- is geen sprake. Het bedrijfspand is in de jaarrekening 2022 opgenomen tegen de actuele boekwaarde van € 702.649,-- (prod. 6), terwijl het in 2020 is getaxeerd op € 610.000,--. Het eigen vermogen binnen de bv komt voort uit de rendementen van de bv. In het verleden is hierop een correctie gemaakt in verband met uitkoop van compagnons en goodwill is bancair altijd gecorrigeerd op het eigen vermogen (in mindering gebracht). De rekening-courantschuld is de afgelopen jaren ontstaan door diverse opnames, die feitelijk moeten worden gezien als een ‘voorschot op dividenduitkeringen’, met de kanttekening dat hiervoor niet is afgerekend met de belastingdienst. De stellingname dat de rekening-courantschuld had kunnen worden voorkomen (rov. 4.25.) versus een eigen keuze om een aanzienlijk deel van de kosten van de huishouding niet ten laste van het inkomen te laten komen, terwijl daarvoor wel een financiële ruimte aanwezig leek te zijn, houdt geen stand. Voor het onttrekken van dividend aan de bv moet dividendbelasting worden betaald alsmede aanmerkelijk belang heffing (box 2). De betalingen van deze belastingen over eerdere dividenduitkeringen zijn evenals het dividend (bruto) in de rekening-courant opgenomen/verwerkt. ad. b. De man heeft in zijn producties 15 en 16 in eerste aanleg al inzicht gegeven in het ontstaan van de rekening-courantschuld, in hoger beroep geactualiseerd in productie 3. De rechtbank is volledig voorbij gegaan aan de periode vóór 1 januari 2016, terwijl toen al een schuld bestond van € 219.324,--. Verder heeft de rechtbank ten onrechte aangenomen dat de liquiditeitspositie van de bv is toegenomen van € 2.209.916,-- naar € 2.474.495,-- (zie prod. 7 in hoger beroep). Door de rekening-courantschuld geheel aan de man toe te delen doet de rechtbank ook afbreuk aan het eigen ingenomen standpunt dat beide partijen draagplichtig zijn voor de hypothecaire leningen (rov. 4.29). De rekening-courantschuld is ontstaan uit verbeteringen aan de woning (a. € 155.656,-- periode 2006 - 2022), rente en aflossingen (b. € 54.082,-- periode 2012 – 2022, c. € 3.202,-- 2023 en d. € 6.530,-- periode 2018 – 2022) en de jaarlijkse erfpacht (e. € 57.389,--). Het primaire standpunt van de man is dan ook dat tot zijn finaal met de vrouw te verrekenen privévermogen behoort de rekening-courantschuld per 29 maart 2022 van € 572.742,--, te vermeerderen met een bedrag van € 9.907,-- dat de bv in 2023 aan erfpacht heeft voldaan ten behoeve van de door de vrouw bewoonde woning. 6.6.2. De grief van de man keert zich subsidiair tegen de hoogte van de eigenwoningschulden. Deze zijn gelijk aan € 935.913,-- (en niet € 824.923,--, het resultaat van een onjuiste rekensom). Indien het hof oordeelt dat de rekening-courantschuld niet in de finale verrekening moet worden betrokken, is het standpunt van de man dat dit bedrag moet worden verhoogd met de hiervoor onder a. tot en met e. genoemde bedragen van in totaal (155.656 + 54.082 + 3.202+ 6.530 + 57.389 =) € 276.859,--. 6.7. De vrouw heeft de grief weersproken. Zij betwist het primaire verzoek van de man en dat de rekening-courantschuld tot het te verrekenen privévermogen behoort. Zij betwist ook het subsidiaire verzoek omdat de verbetering van de woning kosten van de huishouding zijn en als dit al niet het geval zou zijn deze schuld met verkapt dividend is voldaan. Ook aflossingen behoren ingevolge de huwelijkse voorwaarden tot de kosten van de huishouding. Zo ook de door de man genoemde posten a. b. c. d. en e. De canonbetalingen (vergelijkbaar met rente) zijn ook kosten van de huishouding. Het inkomen van de man bestaat uit diens salaris vermeerderd met de ruimte voor dividend. De opnames van de man in rekening-courant zijn naar eigen zeggen ook verkapt dividend. De opnames door de man in rekening-courant vanaf ongeveer april 2016 betreffen voornamelijk zijn eigen dagelijks onderhoud ( [adres 2] ) met uitzondering van de betalingen inzake de canon, mediation en advocaat van de vrouw (eveneens huishoudelijke kosten). Deze toename is dus niet ten gunste van de vrouw besteed. De kosten van de huishouding moeten door partijen ingevolge de huwelijkse voorwaarden pro rato worden voldaan (art. 7 van de huwelijkse voorwaarden). Tot het einde van het huwelijk (13 november 2023) gold art. 6 lid 3 van de huwelijkse voorwaarden. De kosten van de huishouding voor zover in rekening-courant opgenomen, dienen geheel door de man te worden voldaan, omdat de vrouw haar inkomen al geheel aan het huishouden heeft besteed en de man ook de ruimte voor dividend tot zijn inkomen heeft te rekenen. De vrouw betwist dat partijen op krediet van de zaak leefden. Zij wijst erop dat de opnames in de rekening-courant veelal bestaan uit kasopnames en ongespecificeerde uitgaven en dat de rechtbank geen afbreuk doet aan haar standpunt dat de hypotheekschuld in beginsel ten laste van ieder voor de helft komt, omdat gedurende het huwelijk de aflossingen behoren tot de kosten van de huishouding waarin ieder voor de helft heeft bij te dragen. Op de overige stellingen van de vrouw zal het hof voor zover nodig hierna ingaan. 6.8. Het hof oordeelt als volgt. De man heeft een rekening-courant schuld bij zijn bv ( [B.V. 1] B.V.). De schuld behoort tot het eigen (‘privé-’)vermogen van de man (waarover o.m. reeds, onbestreden, rov. 4.45. bs rb). Op de peildatum voor samenstelling en omvang van het te verrekenen vermogen (29 maart 2022) beliep de schuld € 572.742,--. Ingevolge art. 12 lid 3 van de huwelijkse voorwaarden (‘Onder het vermogen van een echtgenoot wordt verstaan het saldo van zijn bezittingen en schulden’) behoort de schuld dus tot het aan de zijde van de man te verrekenen vermogen. Omdat de schuld is aangegaan voor of de geleende gelden zijn besteed aan de kosten van de huishouding, de vrouw al volledig bijdroeg met haar inkomen en de schuld, ook volgens de man zelf, een voorschot op dividenduitkeringen (dus inkomen) is, is de man op grond van de regeling van de kosten van de huishouding in de huwelijkse voorwaarden volledig draagplichtig voor die schuld. De grief van de man faalt in zoverre, zodat zijn primaire en subsidiaire verzoeken in zoverre zullen worden afgewezen. 6.9. De man heeft aangeboden de heer [medewerker] van [B.V. 2] B.V. te horen als getuige over onder meer de wijze van bedrijfsvoering door de man en de bedoeling van partijen in de huwelijkse voorwaarden en de uitleg daarvan. In het licht van het vorenstaande kan een dergelijke verklaring niet tot een ander oordeel leiden. Het hof passeert het bewijsaanbod van de man. 6.10. Het subsidiaire deel van de grief van de man, gericht tegen de foutief berekende hoogte van de eigenwoningschulden, slaagt. Het totaal van de hypothecaire leningen bij ABN Amro van € 382.000,--, € 253.000,-- en € 177.000,-- en de lening bij de bv van € 122.913,--, bedraagt € 934.913,-- en niet € 824.923,--, zoals de rechtbank ten onrechte heeft vastgesteld. De saldi op twee bankrekeningen bij de ABN Amro Bank (vermeerdering van verzoek van de vrouw) 6.11. De rechtbank heeft in rov. 4.40 geoordeeld dat de man ter zake van de bankrekeningen met nummers [nummer 2] en [nummer 1] € 12.553,50 aan de vrouw moet voldoen, maar heeft dit niet opgenomen in het dictum. De vrouw verzoekt de man te veroordelen tot betaling aan haar van genoemd bedrag. De man heeft dit verzoek niet weersproken. Het hof zal het verzoek van de vrouw daarom toewijzen, zij het verminderd met het bedrag van € 10.400,-- dat zij blijkens haar pleitnota ter zake van genoemde rekeningen inmiddels van de man heeft ontvangen. Het hof zal de man veroordelen ter afwikkeling van genoemde rekeningen € 2.153,50 aan de vrouw te voldoen. Aanvulling van eis van de vrouw 6.12. Bij verweerschrift in incidenteel hoger beroep, tevens aanvulling van eis, heeft de vrouw haar verzoek aangevuld als hiervoor in rov. 5.2.1. onder 1 weergegeven. De in art. 347 lid 1 Rv besloten twee-conclusie-regel, die in verzoekschriftprocedures van overeenkomstige toepassing is, beperkt de aan oorspronkelijk verzoeker toekomende bevoegdheid tot verandering of vermeerdering van zijn verzoek in hoger beroep in die zin dat hij in beginsel zijn verzoek niet later dan in zijn beroepschrift of verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep mag veranderen of vermeerderen. Op deze ‘in beginsel strakke regel’ kunnen onder omstandigheden uitzonderingen worden aanvaard, met name indien de wederpartij ondubbelzinnig erin heeft toegestemd dat de eisverandering of -vermeerdering plaatsvindt, of indien de aard van het geschil meebrengt dat in een later stadium nog een zodanige verandering of vermeerdering van eis kan plaatsvinden. In het algemeen kan een verandering of vermeerdering van het verzoek na het indienen van het beroepschrift of verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep toelaatbaar zijn, indien daarmee aanpassing wordt beoogd aan eerst na dat tijdstip voorgevallen of gebleken feiten en omstandigheden en de verandering of -vermeerdering van het verzoek ertoe strekt te voorkomen dat het geschil aan de hand van inmiddels achterhaalde of onjuist gebleken (juridische of feitelijke) gegevens zou moeten worden beslist, of dat – indien dan nog mogelijk – een nieuwe procedure zou moeten worden aangespannen om het geschil alsnog aan de hand van de juiste en volledige gegevens te kunnen doen beslissen. Onverkort blijft dan gelden dat toelating van de verandering of -vermeerdering van het verzoek niet in strijd mag komen met de eisen van een goede procesorde. De vrouw heeft niet uitgelegd waarom zij haar nieuwe verzoek pas in dit stadium van de procedure heeft ingediend en waarom dit niet eerder had gekund. Gesteld noch gebleken is dat sprake is van een omstandigheden als hiervoor genoemd die een uitzondering op de twee-conclusie regel rechtvaardigen. De man heeft ook niet ondubbelzinnig met de nieuwe verzoeken ingestemd. Dit brengt met zich dat het hof de nieuwe verzoeken van de vrouw buiten beschouwing zal laten. 7De slotsom in het principaal en het incidenteel hoger beroep 7.1. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, bekrachtigen behoudens ten aanzien van - de overweging van de rechtbank in rov. 4.32., waar voor het bedrag € 824.293,-- van de totale (hypotheek)schuld in de plaats komt een bedrag van € 934.913,--; - de overweging van de rechtbank in rov. 4.40., waar voor het bedrag van € 12.553,50 dat de man aan de vrouw dient te voldoen ter zake van de bankrekeningen in de plaats komt een bedrag van € 2.553,50, en beslissen als hierna onder 8 weergegeven. 7.2. De vrouw heeft verzocht de man te veroordelen in de kosten van deze procedure. Het hof ziet daartoe geen aanleiding en zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen gewezen echtgenoten zijn. 8De beslissing Het hof: bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (Breda) van 21 juli 2023 met inachtneming van hetgeen hiervoor onder rov. 7.1. is overwogen: en beschikt aanvullend als volgt: veroordeelt de man ter zake van de bankrekeningen met nummers [nummer 2] en [nummer 1] een bedrag van € 2.153,50 aan de vrouw te voldoen; verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad; compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt; wijst af het meer of anders verzochte. Deze beschikking is gegeven door mrs. G.J. Vossestein, P.P.M. van Reijsen en C.M.J. Peters en is op 26 juni 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.