GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team familie- en jeugdrecht zaaknummers : 200.343.469/01 en 200.346.029/01 zaaknummer rechtbank : C/01/392170 / FA RK 23-1609 beschikking van de meervoudige kamer van 26 juni 2025 inzake [de vrouw] , wonende te [woonplaats] , verzoekster in het principaal hoger beroep, verweerster in het incidenteel hoger beroep, hierna te noemen: de vrouw, advocaat mr. M.G.J.M. van der Staak te Boxmeer, tegen [de man] , wonende te [woonplaats] , verweerder in het principaal hoger beroep, verzoeker in het incidenteel hoger beroep, hierna te noemen: de man, advocaat mr. R.T.A. Slof te Cuijk. 1De zaak in het kort Deze zaak gaat over partneralimentatie en de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden, in het bijzonder over de toepassing van het bewijsvermoeden als bedoeld in art. 1:141 lid 3 BW. 2Het verloop van het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant (’s-Hertogenbosch) van 29 april 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. 3Het geding in hoger beroep 3.
- De vrouw is op 10 juli 2024 in hoger beroep gekomen. 3.
- De man heeft op 6 september 2024 een verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep ingediend. 3.
- De vrouw heeft op 17 oktober 2024 een verweerschrift op het incidenteel hoger beroep ingediend. 3.
- Bij het hof zijn verder de volgende stukken ingekomen: het journaalbericht van de advocaat van de vrouw van 31 oktober 2024 met als bijlage het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij de rechtbank op 5 maart 2024; het journaalbericht van de advocaat van de vrouw van 18 maart 2025 met als bijlage productie
- 3.
- De mondelinge behandeling heeft op 2 april 2025 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. 4De feiten 4.
- Het hof gaat uit van de volgende feiten: Partijen zijn op 24 september 1993 te [plaats 1] gehuwd na het maken van huwelijkse voorwaarden; op 14 april 2023 heeft de vrouw het verzoek tot echtscheiding ingediend bij de rechtbank Oost-Brabant. Daarop is bij de bestreden beschikking van 29 april 2024 de echtscheiding uitgesproken; de echtscheidingsbeschikking is op 12 augustus 2024 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. 4.
- Het hof heeft, voor zover hierna bedragen zijn genoemd, deze telkens afgerond tenzij anders vermeld. 5De omvang van het geschil 5.
- Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank, voor zover van belang, het volgende beslist: “(…) 3.
- bepaalt de door de vrouw, aan de man te betalen bijdrage in de kosten van zijn levensonderhoud op nihil; 3.
- bepaalt dat de vrouw een bedrag van € 17.736,99 aan de man dient te voldoen ter afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden; 3.
- verklaart de beslissing over de partneralimentatie en de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden uitvoerbaar bij voorraad; 3.
- bepaalt dat elke partij de eigen kosten van deze procedure draagt; 3.
- wijst het meer of anders verzochte af.” 5.
- De vrouw verzoekt het hof: “(…) voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant, locatie Den Bosch d.d. 29 april 2024 (…) te vernietigen en opnieuw rechtdoende, zo nodig onder aanvulling / verbetering van gronden te bepalen dat: - Er tussen partijen niet hoeft te worden verrekend; - Het resterende saldo van de spaarrekening met nummer [nummer 1] van de vrouw ter hoogte van € 12.005,00 niet hoeft te worden verrekend; - De auto Opel Grandland X 1.2T niet is gefinancierd met te verrekenen vermogen en de waarde van deze auto niet hoeft te worden verrekend; - Althans een zodanige afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden vast te stellen als U E.A. in goede justitie vermeent te behoren.” 5.
- De man heeft verweer gevoerd. Hij heeft daarbij tevens incidenteel hoger beroep ingesteld. Hij verzoekt het hof: “(…) voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: De vrouw niet ontvankelijk te verklaren dan wel haar grieven te verwerpen en de beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende, zo nodig onder aanvulling/verbetering van gronden te bepalen dat: Verzoek 843a Rv. en artikel 14 huwelijkse voorwaarden - De vrouw te veroordelen om binnen drie weken – na een in deze te wijzen tussenarrest – een kopie van rekeningafschriften van de betaalrekening met nummer [nummer 2] over de maanden oktober, november en december over de jaren 2012 tot en met 2023 en een kopie van de ordner ‘belastingdienst’ met daarin alle correspondentie met de belastingdienst en de arbeidsongeschiktheidsverklaringen van de man over te leggen, althans op een zodanige wijze inzage, afschrift of uittreksel van voornoemde bescheiden te gebieden; Incidenteel beroep - het woonbudget niet in mindering strekt op de draagkracht van de vrouw; - te bepalen dat het vermogen op grond van artikel 15 van de huwelijkse voorwaarden verdeeld dient te worden - te bepalen dat het door de rechtbank in mindering gebrachte bedrag van € 15.000,00 alsnog tussen partijen verdeeld dient te worden, zodat de man een extra bedrag van € 7.500,00 toekomt; - te bepalen dat de naar (één van) de ouders van de vrouw overgemaakte en/of opgenomen en gestorte bedragen van in totaal € 29.000,00 volledig aan de man toekomt dan wel dat dit bedrag alsnog tussen partijen verdeeld dient te worden, zodat de man een bedrag van € 14.500 toekomt; - althans subsidiair een zodanige afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden vast te stellen als U E.A. in goede justitie vermeent te behoren.” 5.
- De vrouw heeft verweer gevoerd. Zij verzoekt het hof de door de man gedane verzoeken af te wijzen. 5.
- De vrouw heeft in principaal hoger beroep vier grieven gericht tegen de bestreden beschikking. De man heeft in incidenteel hoger beroep ook vier grieven gericht tegen de beschikking waarvan beroep. De grieven van partijen zien op de volgende onderwerpen: - partneralimentatie: draagkracht vrouw: woonbudget (grief 1 man); - afwikkeling huwelijkse voorwaarden: niet uitgevoerd periodiek verrekenbeding: toepassing bewijsvermoeden art. 1:141 lid 3 BW (grief 1 en 2 vrouw, grief 2 man); te verrekenen vermogensbestanddelen: o saldo spaarrekening [nummer 1] (grief 3 vrouw, grief 3 man); o Opel Grandland X (grief 4 vrouw); o verzoek ex art. 843a Rv (grief 4 man). 5.
- Het hof zal de grieven hierna per onderwerp bespreken. 6De motivering van de beslissing Partneralimentatie 6.
- De man heeft in eerste aanleg verzocht een door de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van zijn levensonderhoud vast te stellen van € 485,-- per maand, met ingang van de datum waarop de echtscheidingsbeschikking zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. De rechtbank heeft na beoordeling van dit verzoek de bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de man op nihil gesteld vanwege het ontbreken van draagkracht aan de zijde van de vrouw. Woonbudget (grief 1 man) 6.
- De grief van de man keert zich tegen de nihilstelling door de rechtbank van de door de vrouw aan de man te betalen bijdrage in de kosten van zijn levensonderhoud, in het bijzonder tegen rov. 2.6.7 van de bestreden beschikking. De rechtbank heeft daarin het volgende overwogen: “De man heeft zich op het standpunt gesteld dat het woonbudget op nihil moet worden gesteld omdat de vrouw, die bij haar ouders dan wel bij haar nieuwe partner woonachtig is, geen (aantoonbare) woonlasten heeft. De vrouw heeft hiertegen verweer gevoerd. De rechtbank overweegt als volgt. Hoewel de vrouw niet heeft aangetoond dat zij, zoals zij heeft gesteld, € 400,00 per maand betaalt aan haar ouders bij wie zij samen met de meerderjarige zoon van partijen inwoont, acht de rechtbank het niet onaannemelijk dat de vrouw wel enige bijdrage aan haar ouders voldoet als vergoeding in de woonkosten. Hier komt bij dat niet is gesteld of gebleken dat indien en voor zover de huidige woonlast van de vrouw aanmerkelijk lager is dan het woonbudget, die situatie ook duurzaam is. De vrouw heeft in dit verband gesteld dat zij in afwachting is van een huurwoning, hetgeen de man niet heeft betwist. Verder acht de rechtbank het van belang dat het woonbudget van de vrouw, dat in dit geval € 495,00 per maand bedraagt, ook niet onredelijk hoog is. Gelet hierop ziet de rechtbank geen aanleiding om af te wijken van de forfaitaire bepaling van de draagkracht van de vrouw en zij zal bij het draagkrachtloos inkomen dat in mindering strekt op het NBI van de vrouw dan ook rekening houden met genoemd woonbudget.” 6.
- In de toelichting op zijn grief voert de man aan dat de rechtbank ten onrechte geen aanleiding heeft gezien om af te wijken van het woonbudget zoals daar in het forfaitaire systeem rekening mee wordt gehouden. De vrouw heeft de rechtbank verkeerd voorgelicht. Uit de door de vrouw overgelegde betaalspecificaties van het UWV (procestukken eerste aanleg, tabblad 4, onder partneralimentatie) blijkt dat zij staat ingeschreven op het adres van haar nieuwe partner. De vrouw woont dus niet bij haar ouders, maar bij haar nieuwe partner. Een aan haar ouders te betalen bijdrage, als die al wordt betaald, kan dan ook niet zien op een bijdrage als vergoeding in de woonkosten. Derhalve kan geen rekening worden gehouden met het gehanteerde woonbudget van € 495,--. 6.
- De vrouw heeft verweer gevoerd. In reactie op de grief van de man, heeft haar advocaat op de mondelinge behandeling opgemerkt dat zij in haar verweerschrift summier verweer heeft gevoerd, omdat de man geen verzoek heeft verbonden aan zijn grief over het woonbudget. Zij stelt dat de grief van de man reeds om die reden moet worden afgewezen. Mocht de grief inhoudelijk worden behandeld, verzoekt zij het hof om haar schriftelijk in de gelegenheid te stellen om nader verweer te voeren. Ter mondelinge behandeling heeft de vrouw verder weersproken dat zij bij haar nieuwe partner woont. Zij woont met haar zoon bij haar ouders. Zij staat alleen op het adres van haar partner ingeschreven vanwege de studiefinanciering van haar zoon. Haar zoon staat namelijk als uitwonend student ingeschreven op het adres van de ouders van de vrouw. Indien zij zich ook op het adres van haar ouders laat inschrijven, wordt haar zoon niet langer als uitwonend student beschouwd. Volgens de vrouw draagt zij met € 400,-- per maand bij aan de lasten voor water, licht en eten. Er is daarom geen reden om af te wijken van het woonbudget. 6.
- Het hof overweegt als volgt. 6.5.
- Allereerst zal het hof beoordelen of de man kan worden ontvangen in zijn grief. Hoewel de man in zijn petitum geen verzoek heeft verbonden aan zijn grief, begrijpt het hof uit de toelichting op de grief in het beroepschrift, dat de man met zijn grief verzoekt om zijn verzoek tot vaststelling van een door de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van zijn levensonderhoud, alsnog toe te wijzen. Anders dan de vrouw, ziet het hof dan ook geen aanleiding om aan de grief van de man voorbij te gaan. 6.5.
- Ter mondelinge behandeling heeft de vrouw verzocht om nog nader schriftelijk te mogen reageren op haar woonlasten. Dit verzoek wordt afgewezen. Het bepaalde in art. 21 Rv en in het procesreglement brengt met zich dat van de vrouw als onderhoudsplichtige mag worden verwacht dat zij alle relevante informatie en stukken over haar inkomsten en uitgaven op voorhand indient. Voor zover zij dat heeft nagelaten, komt dat voor haar eigen rekening en risico. 6.5.
- Met de man ziet het hof aanleiding om af te wijken van het woonbudget zoals daar in het forfaitaire systeem rekening mee wordt gehouden. Tegenover de gemotiveerde betwisting van de man, heeft de vrouw niet aangetoond dat zij € 400,-- per maand aan haar ouders voldoet voor eten, water en licht. Het had op haar weg gelegen om aan de hand van concrete bescheiden de door haar gestelde kosten inzichtelijk te maken. Nu zij dit heeft nagelaten, dient dat voor haar eigen rekening en risico te komen. Daar komt bij dat de kosten voor eten, water en licht uit de (in dit geval wel toegepaste) bijstandsnorm worden voldaan. Van een woonlast aan de zijde van de vrouw is derhalve niet gebleken. Daarbij gaat het hof ervan uit dat deze situatie duurzaam is omdat de vrouw een in februari 2025 aan haar aangeboden huurwoning (een nieuwbouwwoning die in oktober/november 2025 beschikbaar zou komen) heeft afgewezen (onder meer) omdat zij geen geld heeft voor de inrichting van die woning. Dat die situatie op korte termijn wijzigt, is gesteld noch gebleken. 6.5.
- Het voorgaande brengt met zich dat de grief van de man slaagt. Dit betekent dat het hof het verzoek van de man tot vaststelling van een door de vrouw te betalen bijdrage in zijn levensonderhoud opnieuw zal beoordelen. Op grond van de devolutieve werking van het hoger beroep is het hof gehouden om daarbij alsnog de door de rechtbank niet behandelde stellingen/verweren van de vrouw te behandelen. Ingangsdatum 6.5.
- Tussen partijen is niet in geschil dat als ingangsdatum heeft te gelden de dag dat de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Het hof zal daarom ook van deze datum uitgaan. De echtscheidingsbeschikking is op 12 augustus 2024 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Huwelijksgerelateerde behoefte van de man 6.5.
- De rechtbank heeft de huwelijksgerelateerde behoefte van de man becijferd op € 1.160,-- netto per maand. Dit is niet in geschil, zodat ook het hof hiervan zal uitgaan. Aanvullende behoefte van de man 6.5.
- Evenmin is in geschil dat de aanvullende behoefte van de man gelijk is aan de huwelijksgerelateerde behoefte. Derhalve bedraagt de aanvullende behoefte van de man € 1.160,-- netto per maand, zijnde € 1.526,-- bruto per maand. Draagkracht van de vrouw 6.5.
- Bij het beoordelen van de draagkracht van de vrouw is de rechtbank uitgegaan van een bruto inkomen van in totaal € 26.236,-- per jaar, bestaande uit een WAO-uitkering van € 21.949,-- bruto per jaar (inclusief 8% vakantietoeslag) en een arbeidsongeschiktheidsuitkering van [verzekeringsmaatschappij] van € 4.287,-- bruto per jaar. Nu hiertegen geen grieven zijn gericht, zal ook het hof van dit inkomen uitgaan. Wat betreft de fiscale aspecten, houdt het hof rekening met de fiscale tarieven 2024 en de algemene heffingskorting. 6.5.
- Het hof houdt verder rekening met de persoonsgebonden aftrek in verband met de door de vrouw gestelde zorgkosten van € 4.580,-- per jaar. Naar het oordeel van het hof heeft de vrouw voldoende onderbouwd dat zij deze kosten maakt, terwijl de man de gestelde zorgkosten niet dan wel onvoldoende gemotiveerd heeft bestreden. Het hof becijfert het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de vrouw alsdan op een bedrag van € 1.799,-- per maand. 6.5.
- Verder rekent het hof met een forfaitair bedrag per maand aan kosten van levensonderhoud. Nu het hof bij het berekenen van het netto besteedbaar inkomen van de vrouw de door haar gemaakte zorgkosten van € 4.580,-- per jaar heeft meegenomen als persoonsgebonden aftrekpost, zal het hof die uitgaven (afgerond € 382,-- per maand) ook meenemen als last bij de berekening van de draagkracht en alimentatie. Na aftrek van die posten van het NBI blijft dan de ‘draagkrachtruimte’ over. Daarvan is 60% beschikbaar voor partneralimentatie. In formulevorm ziet de berekening er dan als volgt uit: 60% [1.799 (NBI) - 1.270 (kosten van levensonderhoud) – 382 (zorgkosten)]. 6.5.
- Het voorgaande brengt met zich dat de vrouw € 88,-- netto per maand, zijnde € 139,-- bruto per maand, beschikbaar heeft voor partneralimentatie. Inkomensvergelijking 6.5.
- De vrouw heeft verzocht om een inkomensvergelijking te maken. Het hof ziet hiertoe geen aanleiding. Een inkomensvergelijking is bedoeld om te voorkomen dat de onderhoudsgerechtigde na betaling van partneralimentatie financieel beter af is dan de onderhoudsplichtige. Als er sprake is van eigen inkomen van de onderhoudsgerechtigde en/of van een relatief hoge behoefte en draagkracht, kan het redelijk zijn de financiële situatie van partijen (onderhoudsgerechtigde en -plichtige) op basis van ieders inkomen en lasten te vergelijken. Dit alles doet zich hier niet voor, zodat het hof aan het verzoek van de vrouw voorbij gaat. Slotsom 6.5.
- Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het hof de door de vrouw aan de man te betalen bijdrage in zijn levensonderhoud zal vaststellen op € 139,-- bruto per maand. Het hof heeft een berekening van de draagkracht van de vrouw gemaakt. Een gewaarmerkt exemplaar van deze berekening is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit. Afwikkeling huwelijkse voorwaarden 6.
- Partijen zijn gehuwd na het maken van huwelijkse voorwaarden. De huwelijkse voorwaarden bevatten de volgende relevante bepalingen: “(…) Kosten huishouding Artikel 5
- (...).
- Onder inkomsten uit arbeid worden verstaan de inkomsten uit arbeid als bedoeld in de Wet op de inkomstenbelasting 1964 en worden mede begrepen uitkeringen ter vervanging van inkomsten uit arbeid, zoals sociale uitkeringen en pensioenuitkeringen, alsmede winst uit een zelfstandig uitgeoefend beroep en bedrijf.
- Onder netto-inkomsten uit arbeid worden verstaan de inkomsten uit arbeid als hiervoor (lees: in lid 2) bedoeld, verminderd met de belasting op inkomen voor zover deze betrekking heeft op de in lid genoemde inkomensbestanddelen, alsmede verminderd met premieheffing volksverzekeringen en andere wettelijke inhoudingen of heffingen. (...).
- (...). Verrekening van inkomsten Artikel 8 De echtgenoten verplichten zich over elk kalenderjaar hetgeen van hun netto-inkomen uit arbeid in de zin van artikel 5, onder aftrek van hetgeen daarvan is besteed voor de gemeenschappelijke huishouding, overblijft, onderling te verrekenen in die zin dat de ene echtgenoot een vordering verkrijgt op de andere echtgenoot ten bedrage van de helft van het aan diens zijde overblijvende als hiervoor bedoeld. (...). Artikel 11 Geen verrekening heeft plaats: a. over de tijd dat de echtgenoten anders dan in onderling niet samenwonen of dat tussen hen scheiding van tafel en bed bestaat; b. over het kalenderjaar dat het netto-inkomen uit arbeid van een echtgenoot onder aftrek als in artikel 8 bedoeld, tengevolge van verlies in een zelfstandig uitgeoefend beroep of bedrijf van die echtgenoot negatief is en over volgende kalenderjaren indien en voor zover het voor verrekening overeenkomstig artikel 8 vatbare inkomen van de betreffende echtgenoot niet het bedrag van het verlies heeft bereikt; c. indien een echtgenoot surcéance van betaling heeft, in staat van faillissement verkeert ofwel verkeerd heeft, terwijl het faillissement op andere wijze dan door homologatie van accoord is geëindigd en deze echtgenoot op grond van de verrekening een vordering op de andere echtgenoot zou verkrijgen; d. voor zover bijzondere omstandigheden zich daartegen verzetten. (…) Afrekening aan het einde van het huwelijk Artikel 15
- Ingeval het huwelijk door de dood wordt ontbonden heeft de langstlevende van de echtgenoten het recht zo, dat de langstlevende en de rechtverkrijgenden van de overleden echtgenoot gerechtigd zijn tot een waarde gelijk aan die, waartoe zij gerechtigd zouden zijn indien er de algehele gemeenschap van goederen tussen de echtgenoten had bestaan.
- De verrekening heeft plaats naar de toestand ten tijde van de ontbinding van het huwelijk.
- De bij artikel 136 boek 1 van het Burgerlijk Wetboek bedoelde beschrijving zal plaats hebben binnen zes maanden na de ontbinding van het huwelijk.
- De verrekening heeft plaats doordat de ene partij aan de andere partij een bedrag uitkeert, zo, dat ieder van hen de helft geniet van het vermogen als omschreven in lid 1 met dien verstande, dat aanspraken op al of niet ingegaan pensioen niet in deze verrekening worden betrokken.
- Voor wat betreft de waardering der goederen, de vorm van de handeling, de personen die tot de verrekening moeten meewerken, en de oplossing van zwarigheden, geschiedt deze verrekening op dezelfde wijze als voor de verdeling van een nalatenschap is voorgeschreven.
- De uitkering moet worden gedaan in geld en wel binnen een jaar na de ontbinding van het huwelijk, ofwel het onherroepelijk worden van de afwijzing van een eventuele vordering van opheffing van het deelgenootschap.
- Ingeval gewichtige redenen zich verzetten tegen prompte voldoening zullen partijen een redelijke betalingsregeling – al of niet met zekerheidstelling – treffen, waarbij de belangen van alle partijen in acht genomen worden.
- Geen verrekening vindt plaats: a. indien op het tijdstip van de ontbinding van het huwelijk een echtgenoot surséance van betaling heeft of in staat van faillissement verkeert, ofwel verkeerd heeft, terwijl het faillissement op andere wijze dan door homologatie van accoord is geëindigd en de betrokken partij op grond van de verrekening een vordering op de andere partij zou verkrijgen; b. indien op het tijdstip van de ontbinding van het huwelijk scheiding van tafel en bed bij vonnis is uitgesproken of een vordering tot scheiding van tafel en bed bij vonnis is uitgesproken of een vordering tot scheiding van tafel en bed of echtscheiding in rechte aanhangig is; c. indien het deelgenootschap is opgeheven of na het tijdstip van ontbinding van het huwelijk wordt opgeheven ingevolge een voordien in rechte ingestelde vordering daartoe. (…)” Toepassing bewijsvermoeden art. 1:141 lid 3 BW (grief 1 en 2 vrouw, grief 2 man) 6.
- Grief 1 en 2 van de vrouw, alsmede grief 2 van de man keren zich tegen rov. 2.7.7 tot en met 2.7.
- De rechtbank heeft daarin het volgende overwogen: “2.7.
- Tussen partijen is niet in geschil dat tijdens het huwelijk nooit uitvoering is gegeven aan het periodiek verrekenbeding. Tussen partijen bestaat echter discussie over wat dit betekent voor de vermogensrechtelijke afwikkeling van het huwelijk. 2.7.
- De man heeft gesteld dat vanwege het feit dat het verrekenbeding nooit is uitgevoerd, het vermoeden geldt dat het op de peildatum aanwezige vermogen is gevormd uit hetgeen verrekend had moeten worden. Volgens hem treedt het bewijsvermoeden van artikel 1:141 lid 3 BW dus in werking. Gelet hierop dient het op de peildatum aanwezige vermogen bij helfte te worden verdeeld, aldus de man. De rechtbank begrijpt dat de man heeft bedoeld te stellen dat alle vermogensbestanddelen die aanwezig waren op de peildatum tot het te verrekenen vermogen behoren en dat de waarde daarvan bij helfte tussen partijen dient te worden verrekend. 2.7.
- De vrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat er niet verrekend hoefde te worden omdat zij de enige was die inkomen had. De man heeft tijdens het huwelijk nooit gewerkt en door hem is dan ook geen inkomen gegenereerd. Ook heeft de man tijdens het huwelijk geen uitkering gekregen. Als het inkomen van de man nul is, valt er weinig te verrekenen, aldus de vrouw. Alles werd door haar betaald. Daarnaast zorgde zij ook nog voor de kinderen. Als de man de helft van het aanwezige vermogen krijgt, krijgt hij meer dan waar hij recht op heeft. Dit is onbillijk en doet geen recht aan de huwelijkse voorwaarden die partijen zijn aangegaan. De vrouw is van mening dat het aanwezige vermogen daarom niet dient te worden verdeeld (lees: verrekend) bij helfte en zij doet in dit verband een beroep op de maatstaven van redelijkheid en billijkheid. 2.7.
- De rechtbank overweegt als volgt. Het enkele feit dat er gedurende het huwelijk geen verrekening heeft plaatsgevonden, betekent niet dat reeds om die reden het bewijsvermoeden van artikel 1:141 lid 3 BW in werking treedt. Dat er niet is verrekend, kan immers ook komen doordat er niets te verrekenen viel. Dat daarvan sprake is, is naar het oordeel van de rechtbank echter niet komen vast te staan. Anders dan de vrouw lijkt te stellen, betekent het enkele feit dat alleen zij een inkomen had niet dat dat inkomen niet hoefde te worden verrekend. Ook indien maar een van de echtgenoten iets overhoudt van zijn of haar inkomen geldt in beginsel immers de verrekenplicht van artikel 8 van de akte huwelijkse voorwaarden. Dat de vrouw niets overhield van haar inkomen dan wel dat het inkomen dat zij ontving niet valt onder het te verrekenen inkomen als bedoeld in artikel 8, is niet gesteld of gebleken. Evenmin is gesteld of gebleken dat sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 11 van de huwelijkse voorwaarden waarin is opgenomen wanneer er geen verrekening plaatsvindt. 2.7.
- De rechtbank is voorts oordeel dat de vrouw onvoldoende heeft aangevoerd om te concluderen dat het in strijd is met de maatstaven van redelijkheid en billijkheid wanneer partijen het op de peildatum aanwezige vermogen bij helfte moeten verrekenen. De stellingen dat alleen zij een inkomen verwierf en tijdens het huwelijk alles betaalde en daarnaast voor de kinderen zorgde, zijn daarvoor niet toereikend. 2.7.
- Het voorgaande betekent dat op grond van artikel 1:141 lid 3 BW als uitgangspunt heeft te gelden dat, zoals de man ook heeft gesteld, het op de peildatum aanwezige vermogen wordt vermoed te zijn gevormd uit hetgeen verrekend had moeten worden. Het bewijsvermoeden van artikel 1:141 lid 3 BW brengt mee dat de tot verrekening gerechtigde echtgenoot (in dit geval: de man) in beginsel kan volstaan met te stellen en aannemelijk te maken dat op de peildatum bepaalde vermogensbestanddelen aanwezig zijn, hetgeen hij heeft gedaan. Het ligt dan op de weg van de andere echtgenoot (in dit geval: de vrouw) om te stellen en aannemelijk te maken dat het op de peildatum aanwezige vermogen, of bepaalde bestanddelen daarvan, niet is of zijn gevormd uit hetgeen (in dit geval op grond van artikel 8 van de akte huwelijksvoorwaarden) verrekend had moeten worden. Daartoe mag van die echtgenoot worden verwacht dat hij aanvoert hoe de vermogensbestanddelen in kwestie zijn gefinancierd of verkregen en dat hij zo nodig bescheiden overlegt die dit afdoende onderbouwen (zie ECLI:NL:HR:2020:1631).” 6.
- Ter toelichting op haar grieven voert de vrouw aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat art. 1:141 lid 3 BW van toepassing is, als gevolg waarvan het op de peildatum aanwezige vermogen wordt vermoed te zijn gevormd uit hetgeen verrekend had moeten worden. Primair stelt zij dat uit art. 11 onder b van de huwelijkse voorwaarden volgt dat partijen niet periodiek hebben willen verrekenen indien één van hen tijdens het huwelijk geen inkomen had. Het idee van partijen was dat het niet eerlijk zou zijn dat als één van beiden geen inkomen had en de ander alles financierde, er toch verrekenend zou moeten worden. Subsidiair stelt de vrouw dat de omstandigheid dat zij tijdens het ruim dertig jaar durende huwelijk van partijen de enige is geweest die een inkomen had, terwijl de man al die jaren geen inkomen had en alle kosten werden voldaan van het inkomen van de vrouw, maakt dat er sprake is van een bijzondere omstandigheid als bedoeld in art. 11 onder d van de huwelijkse voorwaarden, op grond waarvan partijen niet met elkaar hebben hoeven te verrekenen, zodat toepassing van art. 1:141 lid 3 BW om die reden achterwege dient te blijven. Meer subsidiair stelt de vrouw dat het in strijd is met de redelijkheid en billijkheid wanneer art. 1:141 lid 3 BW wordt toegepast. Zij wijst daarbij op de omstandigheid dat partijen er bij het opstellen van de huwelijkse voorwaarden van uit zijn gegaan dat beiden een inkomen uit loondienst zouden kunnen verwerven, dat de man nooit moeite heeft gedaan om een eigen inkomen te verwerven, dat als uitgangspunt van de huwelijkse voorwaarden heeft te gelden uitsluiting van iedere gemeenschap van goederen en dat partijen in art. 11 onder b en d een uitzondering op de verrekening hebben opgenomen in de huwelijkse voorwaarden. 6.
- De man weerspreekt dat uit art. 11 onder b van de huwelijkse voorwaarden volgt dat partijen niet periodiek hoefden te verrekenen wanneer een van hen geen inkomen had. Evenmin kan de omstandigheid dat hij tijdens het huwelijk van partijen geen inkomen had worden aangemerkt als een bijzondere omstandigheid als bedoeld in art. 11 onder d huwelijkse voorwaarden op grond waarvan er tussen partijen niet verrekend hoefde te worden. Nog steeds zijn er veel huwelijken waarin één van de echtelieden het inkomen verwerft. Daarbij speelt bovendien mee dat het niet de keuze van partijen en/of de man was om geen werkzaamheden te verrichten. Hij was hiertoe, vanwege gezondheidsredenen, niet in staat. Het is verder niet zo dat de vrouw - zoals door haar naar voren is gebracht - altijd alles heeft betaald. Zonder zijn aanwezigheid zou de vrouw vele belastingvoordelen en toeslagen zijn misgelopen. Deze bedragen zijn allemaal besteed aan het gezin. Dat de vrouw altijd alles zou hebben betaald, is dan ook onjuist. Tot slot merkt hij op dat van strijd met de redelijkheid en billijkheid geen sprake is. In incidenteel hoger beroep voert de man met zijn tweede grief eveneens aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat art. 1:141 lid 3 BW van toepassing is. Onder verwijzing naar art. 15 van de huwelijkse voorwaarden, dat ziet op de afrekening aan het einde van het huwelijk, stelt hij dat er tussen partijen afgerekend dient te worden alsof er tussen partijen algehele gemeenschap van goederen had bestaan. 6.
- De vrouw weerspreekt de incidentele grief van de man. Een verrekening alsof partijen in gemeenschap van goederen waren gehuwd is niet aan de orde. Over grief 2 van de man 6.11.
- Het hof zal allereerst de meest verstrekkende grief, de stelling van de man dat op grond van art. 15 van de huwelijkse voorwaarden tussen partijen moet worden afgerekend alsof zij in de wettelijke algehele gemeenschap van goederen waren gehuwd, bespreken. 6.11.
- Naar het oordeel van het hof treft de grief van de man geen doel. Het bepaalde in art. 15 van de huwelijkse voorwaarden ziet op de omstandigheid wanneer het huwelijk door de dood wordt ontbonden. Alsdan vindt er op grond van het eerste lid, kort gezegd, verrekening plaats alsof tussen partijen een wettelijke algehele gemeenschap van goederen had bestaan. Aanknopingspunten voor een analoge toepassing van dit artikel bij echtscheiding, zijn door de man niet gegeven. Grief 2 van de man faalt mitsdien. Over de grieven 1 en 2 van de vrouw 6.11.
- In geschil is of partijen op grond van de huwelijkse voorwaarden periodiek met elkaar hadden moeten verrekenen. De vrouw betoogt van niet nu de man tijdens het huwelijk geen inkomen genereerde. Zij beroept zich daarbij op art. 11 onder b van de huwelijkse voorwaarden. De man betoogt van wel. Het artikel waarop de vrouw zich beroept ziet volgens hem op een andere situatie. Derhalve hebben partijen een geschil over de uitleg van hetgeen zij in de huwelijkse voorwaarden zijn overeengekomen. Uitleg van die overeenkomst dient plaats te vinden aan de hand van de zogenoemde Haviltex-maatstaf (HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158): “De vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding van partijen is geregeld en of dit contract een leemte laat die moet worden aangevuld, kan niet worden beantwoord op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van dat contract. Voor de beantwoording van die vraag komt het immers aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij kan mede van belang zijn tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren en welke rechtskennis van zodanige partijen kan worden verwacht.” Bij deze uitleg dient de rechter rekening te houden met alle bijzondere omstandigheden van het gegeven geval, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen (HR 20 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO1427, NJ 2005/493). 6.11.
- De door de vrouw bepleite uitleg, die inhoudt dat partijen met art. 11 onder b van de huwelijkse voorwaarden hebben bedoeld dat zij niet periodiek met elkaar zouden hoeven te verrekenen wanneer één van hen tijdens het huwelijk geen inkomen genereerde, wordt door het hof niet gevolgd. Daartoe overweegt het hof als volgt. De man heeft de door de vrouw gestelde bedoeling gemotiveerd weersproken. Volgens hem zijn partijen huwelijkse voorwaarden aangegaan omdat hij toentertijd de ambitie had om een onderneming te beginnen. Tegenover die gemotiveerde betwisting, heeft de vrouw onvoldoende aanknopingspunten verschaft voor de door haar bepleite uitleg. Het hof merkt daarbij op dat art. 11 onder b van de huwelijkse voorwaarden uitdrukkelijk is geschreven voor de situatie dat een echtgenoot een zelfstandig uitgeoefend beroep of bedrijf heeft, hetgeen in overeenstemming is met het doel en de strekking die de man aan de huwelijkse voorwaarden toekent, te weten dat partijen huwelijkse voorwaarden zijn aangegaan omdat hij een eigen onderneming wilde starten. Bovendien, zo staat als niet weersproken vast, had de man bij aanvang van het huwelijk ook al geen eigen inkomen. Indien het de bedoeling van partijen was geweest om niet periodiek te verrekenen wanneer één van hen geen inkomen had, dan had het meer voor de hand gelegen dat partijen dat expliciet in hun huwelijkse voorwaarden hadden opgenomen. In zoverre faalt dan ook grief
- 6.11.
- Het hof volgt de vrouw evenmin in haar stelling dat tijdens het huwelijk niet periodiek verrekend hoefde te worden, omdat sprake was van een bijzondere omstandigheid als bedoeld in art. 11 onder d van de huwelijkse voorwaarden. Het enkele feit dat de man tijdens het huwelijk geen eigen inkomen had, kan naar het oordeel van het hof niet als een bijzondere omstandigheid worden aangemerkt, temeer nu de man reeds bij aanvang van het huwelijk al geen eigen inkomen had. Ook op dit onderdeel faalt grief 1 van de vrouw. 6.11.
- Het beroep van de vrouw op ‘strijd met de redelijkheid en billijkheid’ gaat ook niet op. Zoals volgt uit hetgeen het hof hiervóór heeft overwogen is niet komen vast te staan dat partijen niet periodiek hebben willen verrekenen wanneer een van hen geen inkomen had. Voor zover de vrouw met haar grief heeft willen betogen dat de toepassing van het bewijsvermoeden zoals geformuleerd in art. 1:141 lid 3 BW naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, volgt het hof de vrouw hierin niet. De huwelijkse voorwaarden strekten ertoe dat jaarlijks zou worden vastgesteld of er overgespaarde inkomsten waren die verrekend hadden moeten worden. Tot een dergelijke jaarlijkse vaststelling zijn partijen nimmer overgegaan. Voor die situatie geldt het door art. 1:141 lid 3 BW gegeven bewijsvermoeden. De vrouw heeft tegenover de gemotiveerde betwisting door de man onvoldoende bijzondere concrete feiten of omstandigheden gesteld die tot een andere conclusie kunnen leiden, zodat het hof hieraan voorbij gaat. Grief 2 van de vrouw faalt mitsdien. Slotsom 6.11.
- Het voorgaande leidt tot de slotsom dat partijen tijdens het huwelijk periodiek met elkaar hadden moeten verrekenen als bedoeld in art. 8 van de huwelijkse voorwaarden. Nu zij dit hebben nagelaten – hetgeen tussen partijen verder niet in geschil is – brengt dat met zich, zoals de rechtbank ook heeft overwogen, dat op grond van art. 1:141 lid 3 BW als uitgangspunt heeft te gelden dat het op de peildatum aanwezige vermogen wordt vermoed te zijn gevormd uit hetgeen verrekend had moeten worden. Het hof zal de bestreden beschikking dan ook bekrachtigen op dit punt. Te verrekenen vermogensbestanddelen saldo spaarrekening [nummer 1] (grief 3 vrouw, grief 3 man) 6.
- Grief 3 van de vrouw, alsook grief 3 van de man keert zich tegen rov. 2.7.17 van de bestreden beschikking. De rechtbank heeft daarin het volgende overwogen: “De vrouw heeft, onder verwijzing naar de door haar bij verweerschrift van 28 december 2023 overgelegde bankafschriften, betoogd dat zij in de jaren 2020 tot en met 2023 ieder jaar een schenking van haar ouders heeft ontvangen van € 5.000,00 met als omschrijving “verjaardagscadeau” en dat, zo begrijpt de rechtbank, het saldo op haar spaarrekening (genoemd onder sub e) (mede) is gevormd uit die schenkingen. Dat de vrouw geldbedragen van deze omvang van haar ouders heeft ontvangen die op genoemde spaarrekening van de vrouw terecht zijn gekomen, is door de man niet betwist. Volgens de man ging het echter niet om een schenking omdat er dan aan meer voorwaarden moet zijn voldaan, maar ging het om “verjaardagsgeld”. Of de ontvangen bedragen als een schenking of als een verjaardagscadeau worden aangemerkt, is om het even. In beide gevallen geldt dat het geen overgespaard inkomen is dat op grond van de overeengekomen huwelijkse voorwaarden verrekend had moeten worden. De rechtbank overweegt verder dat tussen partijen niet ter discussie staat dat de ontvangen gelden, op de peildatum nog steeds in het vermogen van de vrouw aanwezig waren. Hoewel partijen zich hierover niet hebben uitgelaten, staat vast dat dit niet kan gelden voor de storting van het bedrag van € 5.000,00 in
- Die dateert immers van 18 oktober 2023 en kan dus op de peildatum (1 januari 2023) geen deel uitmaken van het saldo op de spaarrekening. Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat de vrouw met hetgeen zij heeft gesteld het bewijsvermoeden met betrekking tot een deel van het saldo op haar spaarrekening, namelijk voor een bedrag van € 15.000,00, voldoende heeft weerlegd. Dit bedrag wordt niet tot het te verrekenen vermogen gerekend en hoeft dus niet te worden verrekend. Dit bedrag strekt in mindering op het op 1 januari 2023 aanwezige saldo van de spaarrekening van de vrouw onder sub e, dat zoals de vrouw onbetwist heeft gesteld, op die datum € 27.005,00 bedroeg. De rest van het saldo van deze spaarrekening, € 12.005,00, dient naar het oordeel van de rechtbank bij helfte te worden verrekend. De stelling van de vrouw ter zitting dat zij de rest zelf heeft gespaard, doet hier niet aan af.” 6.
- Ter toelichting op haar grief voert de vrouw aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat, na aftrek van het bedrag van € 15.000,--, het resterende saldo van € 12.005,-- op haar spaarrekening met nummer [nummer 1] bij helfte dient te worden verrekend. Onder verwijzing naar hetgeen zij heeft aangevoerd bij haar grieven 1 en 2 stelt zij dat partijen tijdens het huwelijk niet hoefden te verrekenen, zodat van verrekening van het (resterende) saldo van € 12.005,-- geen sprake kan zijn. 6.
- De man heeft verweer gevoerd. Hij weerspreekt dat het saldo van € 12.005,-- niet verrekend hoeft te worden. In incidenteel hoger beroep voert hij met zijn derde grief aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat een bedrag van € 15.000,-- niet tot het te verrekenen vermogen behoort. De gelden die de vrouw van haar ouders heeft gekregen waren op de peildatum niet meer aanwezig. Zij heeft die gelden besteed aan onder meer kleding en vakanties. 6.
- De vrouw heeft de grief weersproken. Zij is het eens met de beslissing van de rechtbank. 6.
- Het hof overweegt als volgt. Over grief 3 van de vrouw 6.16.
- Deze grief faalt. Het hof verwijst daarvoor naar hetgeen hiervoor onder rov. 6.11.3 tot en met 6.11.6 is overwogen. Over grief 3 van de man 6.16.
- Het hof stelt het volgende voorop. Indien bij het einde van het huwelijk aan een bij huwelijkse voorwaarden overeengekomen periodieke verrekenplicht niet is voldaan, wordt op grond van art. 1:141 lid 3 BW het alsdan aanwezige vermogen van partijen vermoed te zijn gevormd uit hetgeen verrekend had moeten worden, tenzij uit de eisen van redelijkheid en billijkheid in het licht van de aard en omvang van de verrekenplicht anders voortvloeit. Dit bewijsvermoeden brengt mee dat de tot verrekening gerechtigde echtgenoot in beginsel kan volstaan met stellen en aannemelijk maken dat de andere echtgenoot op de peildatum bepaalde vermogensbestanddelen heeft. Het ligt dan op de weg van de andere echtgenoot om te stellen en zo nodig te bewijzen dat het op de peildatum aanwezige vermogen, of bepaalde bestanddelen daarvan, niet gevormd is uit hetgeen verrekend had moeten worden (curs. hof). Daartoe mag van die laatstbedoelde echtgenoot worden verwacht dat hij aanvoert hoe de vermogensbestanddelen in kwestie zijn gefinancierd of verkregen en dat hij zo nodig bescheiden overlegt die dit afdoende onderbouwen (HR 17 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1922). 6.16.
- Gelet op het voorgaande ligt het op de weg van (in dit geval) de vrouw om te stellen en zo nodig te bewijzen dat het op de peildatum aanwezige vermogen (of bepaalde bestanddelen daarvan) niet gevormd is uit hetgeen verrekend had moeten worden. 6.16.
- Evenals de rechtbank en op dezelfde gronden als de rechtbank, die het hof na eigen onderzoek en waardering overneemt en tot de zijne maakt, is het hof van oordeel dat de vrouw voor wat betreft een bedrag van € 15.000,-- van haar saldo op haar spaarrekening erin is geslaagd het bewijsvermoeden te weerleggen. Het hof overweegt in aanvulling daarop dat de vrouw met de door haar in het geding gebrachte stukken genoegzaam heeft aangetoond dat zij in de periode 2020 tot 1 januari 2023 (zijnde de peildatum) ieder jaar een schenking van € 5.000,-- van haar ouders heeft ontvangen op haar spaarrekening en dat die bedragen er op de peildatum ook nog waren. Grief 3 van de man faalt mitsdien. Opel Grandland X (grief 4 vrouw) 6.
- Grief 4 van de vrouw keert zich tegen rov. 2.7.21 van de bestreden beschikking. De rechtbank heeft daarin het volgende overwogen: “Ter onderbouwing van het standpunt dat de auto eigendom was (en is) van haar ouders en, zo begrijpt de rechtbank, niet is gefinancierd uit overgespaard inkomen, heeft de vrouw een verklaring van haar ouders overgelegd. De ouders van de vrouw bevestigen hierin de stellingen van de vrouw over het gebruik en de eigendom van de auto. Ook bevestigen zij, onder verwijzing naar enkele bankafschriften, dat zij de auto hebben betaald en dat zij de verzekering en belasting van die auto betalen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de vrouw hiermee het bewijsvermoeden met betrekking tot de auto onvoldoende weerlegd. Weliswaar blijkt uit de bankafschriften die zijn gehecht aan de verklaring van de ouders van de vrouw dat er op 8 april 2021 door hen een bedrag van € 12.000,00 is overgemaakt aan een autobedrijf in [plaats 2] maar dat deze betaling betrekking heeft op de aankoop van de Opel Grandland X 1.2T blijkt hieruit niet. Verder volgt uit de bankafschriften dat de ouders van de vrouw op 19 mei 2018 een bedrag van € 17.750,00 hebben betaald aan een autobedrijf in [plaats 3] maar niet kan worden vastgesteld dat deze betaling betrekking heeft op de auto die volgens de vrouw later bij de aankoop van de Opel Grandland is ingeruild. Wat de Opel Grandland heeft gekost, hoe de aankoopprijs van deze auto is betaald (al dan niet door middel van het inruilen van een andere auto) en door wie, is niet komen vast te staan. Om te kunnen concluderen dat de auto niet is gefinancierd uit te verrekenen inkomsten had de vrouw haar stellingen beter moeten onderbouwen, zoals bijvoorbeeld door het overleggen van een aankoopfactuur van de auto. Dit betekent dat de auto naar het oordeel van de rechtbank behoort tot het verrekenbaar vermogen en dat de waarde daarvan bij helfte dient te worden verrekend. De man heeft die waarde gesteld op € 24.700,00, hetgeen de vrouw niet heeft betwist, zodat de rechtbank hierbij zal aansluiten.” 6.
- Ter toelichting op haar grief voert de vrouw aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de vrouw met betrekking tot de Opel Grandland X het bewijsvermoeden onvoldoende heeft weerlegd en dat daarom de waarde van de auto bij helfte dient te worden verrekend. Onder verwijzing naar productie 1 in hoger beroep en de eerder door haar in het geding gebrachte bankafschriften, stelt zij dat zij ter zake van de Opel Grandland X het bewijsvermoeden als bedoeld in art. 1:141 lid 3 BW voldoende heeft weerlegd. Uit de door haar overgelegde stukken blijkt duidelijk dat de Opel Grandland X is gefinancierd door haar ouders en niet uit te verrekenen inkomsten. Van verrekening van de waarde van de Opel Grandland X kan daarom geen sprake zijn. 6.
- De man heeft de grief weersproken. Hij is het eens met de beslissing van de rechtbank. De Opel Grandland X is eigendom van de vrouw. De waarde van de Opel Grandland X dient daarom met de man te worden verrekend. Dat de Opel Grandland X mogelijk is betaald door de ouders van de vrouw doet niet ter zake. 6.
- Het hof overweegt als volgt. 6.20.
- Onder verwijzing naar hetgeen het hof hiervóór heeft overwogen in rov. 6.16.2, ligt het op de weg van (in dit geval) de vrouw om te stellen en zo nodig te bewijzen dat de Opel Grandland X niet is verkregen met gelden die op grond van de huwelijkse voorwaarden tussen partijen verrekend hadden moeten worden. 6.20.
- Naar het oordeel van het hof is de vrouw hierin geslaagd. Met de door haar in hoger beroep en in eerste aanleg overlegde producties (aankoopfacturen en bankafschriften van haar ouders) heeft de vrouw genoegzaam aangetoond dat haar ouders de Opel Grandland X, alsook de daarop ingeruilde Opel Zafira hebben betaald en dat de Opel Grandland X dus niet is verkregen met gelden die tussen partijen verrekend hadden moeten worden. De koopsom van de Opel Grandland X bedroeg blijkens de aankoopfactuur € 28.442,
- Vastgesteld kan worden dat dit bedrag is voldaan met de inruil van de Opel Zafira voor € 16.442,40 en de bijbetaling door de ouders van de vrouw van een bedrag van € 12.000,--, waarbij tevens uit de daartoe door de vrouw overgelegde aankoopfactuur en bankafschrift kan worden afgeleid dat ook de op de Opel Grandland X ingeruilde Opel Zafira indertijd is betaald door de ouders van de vrouw. Hiermee heeft zij het bewijsvermoeden van art. 1:141 lid 3 weerlegd, hetgeen met zich brengt dat de waarde van de Opel Grandland X niet met de man verrekend hoeft te worden. Grief 4 van de vrouw slaagt mitsdien. De stelling van de man bij de rechtbank dat de waarde van de auto moet worden verrekend omdat de vrouw de auto tijdens het huwelijk in haar bezit had (pt. 19 aanvullende verzoeken man), kan niet tot een ander oordeel leiden. verzoek ex art. 843a (oud) Rv (grief 4 man) 6.
- Met grief 4 verzoekt de man op grond van art. 843a (oud) Rv: “De vrouw te veroordelen om binnen drie weken – na een in deze te wijzen tussenarrest – een kopie van rekeningafschriften van de betaalrekening met nummer [nummer 2] over de maanden oktober, november en december over de jaren 2012 tot en met 2023 en een kopie van de ordner ‘belastingdienst’ met daarin alle correspondentie met de belastingdienst en de arbeidsongeschiktheidsverklaringen van de man over te leggen, althans op een zodanige wijze inzage, afschrift of uittreksel van voornoemde bescheiden te gebieden.” Ter toelichting voert hij aan dat partijen tijdens het huwelijk bedragen van de bankrekening van de vrouw hebben overgemaakt en/of opgenomen en gestort naar een speciaal daarvoor geopende bankrekening op naam van (één van) de ouders van de vrouw. Partijen hebben dat gedaan om onder de vermogensgrens voor de toekenning van toeslagen te blijven. De vrouw heeft de man op enig moment verteld dat er € 29.000,-- op deze rekening zou staan. Nu het gaat om gelden die aan partijen toebehoren, dient de vrouw hierover duidelijkheid te verschaffen, zodat die gelden alsnog tussen partijen verdeeld kunnen worden. 6.
- De vrouw heeft de grief weersproken. Het is niet juist dat partijen geld van haar rekening overmaakten naar een rekening op naam van (één van) de ouders van de vrouw om zo het gezamenlijk vermogen van partijen onder de grens voor de toekenning van toeslagen te houden. Verder heeft de man geen belang bij zijn verzoek, nu alle rekeningafschriften waar hij om vraagt zijn achtergebleven in de voormalige echtelijke woning waar de man nog steeds woont. Hij beschikt daar dus al over. Hetzelfde geldt voor de ordner met correspondentie van de Belastingdienst. 6.
- Het hof overweegt als volgt. 6.23.
- Artikel 843a (oud) Rv bepaalt dat hij die daarbij een rechtmatig belang heeft, op zijn kosten inzage, afschrift of uittreksel kan vorderen van bepaalde bescheiden aangaande een rechtsbetrekking waarin hij partij is. De exhibitieplicht betreft niet een algemeen inzagerecht maar is bedoeld voor de situatie dat de inhoud van een schriftelijk bewijsmiddel aan een partij in beginsel wel bekend is, maar dat zij het niet in haar bezit heeft. Artikel 843a Rv biedt niet de mogelijkheid voor het opvragen van documenten waarvan slechts het vermoeden bestaat dat zij steun zouden kunnen geven aan de stellingen van de verzoekende partij. 6.23.
- Het ligt op de weg van de man, die inzage verlangt, om voldoende concrete feiten en omstandigheden te stellen waaruit zijn rechtmatig belang blijkt zoals bedoeld in art. 843a (oud) Rv. Hij legt aan zijn verzoek ten grondslag dat partijen tijdens het huwelijk bedragen hebben opgenomen van de bankrekening van de vrouw en hebben gestort op een bankrekening van de ouders van de vrouw. Die bedragen moeten volgens de man alsnog worden verdeeld. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft de man verklaard dat het ging om contante opnamen die partijen jaarlijks hebben gedaan, bij de vader van de man hebben ‘gestald’ en later hebben gestort op de rekening van (één van) de ouders van de vrouw. Deze gelden zijn onder meer besteed aan de rijlessen voor de zoon van partijen. De man laat na uit te leggen waarom inzage in de rekeningafschriften van de betaalrekening met nummer [nummer 2] over de maanden oktober, november en december over de jaren 2012 tot en met 2023 ertoe kan leiden dat vastgesteld kan worden of, en zo ja welke, bedragen zijn gestort op de rekening van de ouders van de vrouw (en daar op de peildatum nog aanwezig zijn). Hij stelt immers zelf dat de opgenomen gelden eerst zijn ‘gestald’ bij zijn vader. Daarbij neemt het hof ook in aanmerking dat (in ieder geval) een gedeelte van deze gelden vervolgens is besteed. Waarom de man dan toch een rechtmatig belang heeft bij inzage licht hij niet nader toe terwijl dit, mede in het licht van de betwisting van zijn stellingen door de vrouw, wel op zijn weg had gelegen. Grief 4 van de man faalt mitsdien. Zijn daaraan verbonden verzoek zal om die reden worden afgewezen. Conclusie te verrekenen vermogensbestanddelen 6.
- Op grond van het voorgaande zal het hof de berekening door de rechtbank van het te verrekenen vermogen (rov. 2.7.22.) aanpassen in die zin dat geen rekening wordt gehouden met de waarde van de Opel Grandland X. Dit betekent dat alleen de saldi van de bankrekeningen voor een bedrag van € 14.878,84 in de verrekening vallen. Aan ieder van partijen komt de helft van dit bedrag toe, zijnde € 7.439,
- Daarop strekt in mindering het saldo dat de man al onder zich heeft, zijnde € 2.052,43 zodat de vrouw uit hoofde van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden nog een bedrag van € 5.386,99 aan de man dient te voldoen. 7De slotsom in het principaal en het incidenteel hoger beroep 7.
- Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen zal het hof beslissen zoals hierna in het dictum is bepaald. 7.
- Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen (gewezen) echtgenoten zijn. 8De beslissing Het hof: vernietigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 29 april 2024, voor zover daarbij de door de vrouw aan de man te betalen onderhoudsbijdrage is bepaald op nihil, alsook voor zover daarbij de (waarde van de) Opel Grandland X bij de berekening van het verrekenbaar vermogen is betrokken, en in zoverre opnieuw rechtdoende: bepaalt dat de vrouw aan de man met ingang van 12 augustus 2024 als uitkering tot zijn levensonderhoud € 139,-- bruto per maand zal betalen, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen; bepaalt dat de vrouw een bedrag van € 5.386,99 aan de man dient te voldoen ter afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden; verklaart deze beschikking (tot zover) uitvoerbaar bij voorraad; bekrachtigt de beschikking van de rechtbank voor het overige; compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt; wijst af het meer of anders verzochte. Deze beschikking is gegeven door mrs. A.J.F. Manders, P.P.M. van Reijsen en H.J. Witkamp, en is op 26 juni 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.