Parketnummer : 20-002263-24 Uitspraak : 25 juni 2025 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof 's-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 15 augustus 2024, in de strafzaak met parketnummer 02-165167-24 tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1997, wonende te [adres] . Hoger beroep Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter de verdachte ter zake van ‘opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod’ (feit 1) en ‘handelen in strijd met het in artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie’ (feit 2) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden. Ten aanzien van het in beslag genomen goed (een boksbeugel) heeft de politierechter de onttrekking aan het verkeer gelast. Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het onder 1 en 2 tenlastegelegde bewezen zal verklaren, waarbij het hof, anders dan de politierechter, ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde ook het ‘aanwezig hebben’ van MDMA bewezen zal verklaren, en de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden. Door de verdediging is primair vrijspraak bepleit van het onder 1 tenlastegelegde. Subsidiair is een straftoemetingsverweer gevoerd. Ten aanzien van een bewezenverklaring van het onder 2 tenlastegelegde heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van het hof. Vonnis waarvan beroep Het hof komt (partieel) tot een andere bewezenverklaring van feit 1 dan de politierechter. Omwille van de leesbaarheid zal het hof evenwel het gehele vonnis vernietigen. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: 1. hij op of omstreeks 17 mei 2024, te Roosendaal, opzettelijk heeft vervoerd en/of opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 1085 gram, in elk geval een hoeveelheid, van een materiaal bevattende MDMA en/of amfetamine en/of MDA (tenamfetamine) en/of MMDA en/of N-ethyl MDA en/of N-hydroxy MDA en/of MDEA (methyleen-dioxyethyl en/of 4-broom- 2,5-dimethoxyfenethylamine (2C-B) en/of 3-chloromethcathinone (3-CMC) en/of 3-methylmethcathinon (3-MMC), zijnde MDMA en/of amfetamine en/of MDA (tenamfetamine) en/of MMDA en/of N-ethyl MDA en/of N-hydroxy MDA en/of MDEA (methyleen-dioxyethyl en/of 4-broom- 2,5-dimethoxyfenethylamine (2C-B) en/of 3-chloromethcathinone (3-CMC) en/of 3-methylmethcathinon (3-MMC) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; 2. hij op of omstreeks 17 mei 2024, te Roosendaal, een wapen van categorie I, onder 3°, van de Wet wapens en munitie, te weten een boksbeugel, heeft vervoerd en/of voorhanden heeft gehad. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan met dien verstande dat hij: 1. op 17 mei 2024, te Roosendaal, opzettelijk heeft vervoerd en opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 1085 gram van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I; 2. op 17 mei 2024, te Roosendaal, een wapen van categorie I, onder 3°, van de Wet wapens en munitie, te weten een boksbeugel, heeft vervoerd en voorhanden heeft gehad. Bewijsmiddelen Tenzij anders vermeld wordt hierna verwezen naar pagina’s van het dossier van de politie-eenheid Zeeland-West-Brabant, gesloten op 25 juni 2024 en op ambtsbelofte opgemaakt door hoofdagent [verbalisant 1] . Alle tot het bewijs gebezigde processen-verbaal zijn, voor zover niet anders vermeld, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten en alle verklaringen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven. Feit 1: 1. het ambtsedig proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 2] (p. 15-16) Op 17 mei 2024 omstreeks 01.20 uur zag ik dat er op de Strausslaan, komende vanaf de Van Beethovenlaan en gaande in de richting van de Burgerhoutsestraat een Volkswagen Polo reed met een Belgisch kenteken. Mij is bekend dat er veel Volkswagen Polo's, rood van kleur en met Belgisch kenteken, gestolen worden van het bedrijf [bedrijf] uit België. Ik draaide mijn voertuig om het kenteken te controleren. Het voertuig vertoonde bijzonder rijgedrag (over het puntstuk van een kruising rijden, voorsorteren voor rechts maar op het laatste moment wisselen naar de linkerrijstrook) besloten wij het voertuig te controleren. Ik zag dat collega [verbalisant 3] de mannelijke bestuurder controleerde. Ik verbalisant [verbalisant 2] zag dat er een vrouwelijke bijrijder in het voertuig zat en besloot haar te controleren. Bij het openen van het portier, rook ik verbalisant [verbalisant 2] , de mij ambtshalve bekende geur van hennep. Hierop vorderde ik de uitlevering van alle verdovende middelen uit het voertuig. Ik hoorde dat de bestuurder en de bijrijder aangaven dat ze niets bij hadden. Desgevraagd mochten wij het voertuig doorzoeken. Ik keek op de grond en zag hier een damestas met inhoud staan. Ik zag dat er achter deze tas een rode plastictas lag. Ik opende deze tas en zag dat er nog een doorzichtig plastictasje inzat met hierin meerdere kristallen. Ik had het vermoeden dat dit harddrugs was. Ik vroeg aan de bestuurder en de bijrijder wat dit was. Ik hoorde dat ze aangaven dat ze dit niet wisten en dat dit mogelijk edelstenen waren. Zowel de bestuurder als de bijrijder konden geen heldere verklaring geven over wat ze in Roosendaal deden en dit verhaal riep meer vraagtekens dan opheldering op. Collega [verbalisant 3] heeft de kristallen getest middels de TrueNarc. Hieruit bleek dat deze kristallen MDMA waren. 2. het (aanvullend) ambtsedig proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen, d.d. 17 juni 2024. Op dinsdag 1 1 juni 2024 om 13:03 uur werd door de Forensische Opsporing een onderzoek verricht aan aangeboden onderzoeksitem in verband meteen vermoedelijke overtreding van de Opiumwet. Het volgende onderzoeksitem is aangeboden voor onderzoek: Uniek Voorwerp Nummer: AAQF2606NL BVH Goednummer : G2726431 Object: Gripzakje met licht bruine kristallen (Monster goednr. 2726283) afkomstig van 1 plastic zak met bronpartij 1090 gram (goednr. 2726431) Kleur: Bruin Aantal: 1 Nettogewicht: 4,8 gram Bijzonderheden: BRONPARTIJ 1090 GRAM Uitgevoerde testen bij goed (AAQF2606NL) Methode: Marquis Resultaat: Positief voor MDMA Feit 2: Aangezien verdachte ten aanzien van feit 2 een bekennende verklaring heeft afgelegd en ter zake daarvan geen vrijspraak is bepleit, zal worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering en acht de politierechter dat feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op: - de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de zitting van de politierechter van 15 augustus 2024; - het proces-verbaal van politie (pagina 25 van het eind proces-verbaal) waaruit blijkt dat de boksbeugel een wapen is in de zin van artikel 2, lid 1, categorie I, onder 3 volgens de Wet Wapens en Munitie. Bewijsoverwegingen De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden zoals weergegeven in de bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd. Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft. De advocaat-generaal acht de ontkennende verklaring van de verdachte voor feit 1 ongeloofwaardig. Nergens blijkt uit dat de auto werd uitgeleend en daarnaast is het zeer onwaarschijnlijk dat de broer van de verdachte zomaar drugs ter waarde van 2 ton in de auto zou laten liggen. Ten slotte wijken ook de verklaringen van de verdachte en zijn vriendin die als bijrijder in de auto zat ten aanzien van de gang van zaken bij hun bezoek aan vrienden in Roosendaal van elkaar af. Gelet op de ongeloofwaardigheid van de verklaring van de verdachte kan uitgegaan worden van wetenschap aan de zijde van de verdachte en er is zonder meer sprake van beschikkingsmacht nu de drugs in de auto lagen. Door de verdediging is aangevoerd dat de verdachte geen wetenschap had van de drugs in de auto. De plastic zak met de drugs lag niet in het zicht. De tas van zijn vriendin stond ervoor. Verder heeft hij een alternatief scenario geschetst dat verifieerbaar is. Immers, hij heeft de naam en adres van zijn broer genoemd. De politie heeft nagelaten de broer te horen. Het hof overweegt als volgt. Op grond van bestendige jurisprudentie ter zake van het aanwezig hebben verdovende middelen is niet doorslaggevend aan wie de drugs toebehoren, noch is vereist dat bij de verdachte sprake is van beschikkings- of beheersbevoegdheid ten aanzien van de drugs. Voor het tenlastegelegde opzettelijk aanwezig hebben van verdovende middelen is vereist dat deze zich
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.