← Nederland

ECLI:NL:GHSHE:2025:1867

GERECHTSHOF ’s-Hertogenbosch Team familie- en jeugdrecht Uitspraak: 3 juli 2025 Zaaknummer: 200.339.299/01 Zaaknummer eerste aanleg: C/01/382972 / FA RK 22-2559 in de zaak in hoger beroep van: [de vader] wonende te [woonplaats] , appellant, hierna te noemen: de vader, advocaat: mr. N.P. Scholte, tegen [de moeder] , wonende te [woonplaats] , verweerster, hierna te noemen: de moeder, advocaat: mr. L.G.P.A. van Putten-van den Heuvel. Deze zaak gaat over de wijziging van het ouderlijk gezag over de minderjarigen: [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2010; [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum]

  1. In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), is in de procedure gekend: de Raad voor de Kinderbescherming, hierna te noemen: de raad. 5De beschikking van 3 oktober 2024 Bij beschikking van 3 oktober 2024 heeft het hof de beslissing over het gezag aangehouden in afwachting van de ontwikkelingen bij [instantie 1] ( [instantie 1] ). De raad is verzocht het hof over zes maanden te informeren over de stand van zaken en het hof gelijktijdig nogmaals te adviseren over de voorliggende gezagskwestie. 6Het verdere verloop van het geding in hoger beroep 6.
  2. De voortzetting van de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 13 mei
  3. Bij die gelegenheid zijn gehoord: de vader, bijgestaan door mr. Scholte; de moeder, bijgestaan door mr. Van Putten-Van den Heuvel; de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] . 6.
  4. Het hof heeft de minderjarige [minderjarige 1] in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken. Zij heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt en de voorzitter heeft op 6 mei 2025 in het bijzijn van de griffier met [minderjarige 1] gesproken. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de voorzitter de inhoud daarvan zakelijk weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren. 6.
  5. Het hof heeft kennisgenomen van de inhoud van: de brief met bijlagen van mr. Scholte van 12 december 2024; het V8-formulier van mr. Van Putten-van den Heuvel van 30 december 2024; de brief van de raad van 13 januari 2025; de brief van de raad van 26 februari 2025, met als bijlage het raadsrapport van diezelfde datum; de brief van de raad van 3 maart 2025, met als bijlage de reactie van de moeder op het raadsrapport; de brief van mr. Scholte van 10 maart 2025; het V6-formulier van mr. Scholte van 14 april 2025 met productie 10; het V6-formulier van mr. Van Putten-van den Heuvel van 2 mei 2025 met bijlagen; het tijdens de mondelinge behandeling door de raad overgelegde stuk, te weten een brief van [instantie 3] van 24 april 2025 met een terugkoppeling aan de raad. 7De verdere beoordeling 7.
  6. Uit de overgelegde stukken volgt dat de hulpverlening bij [instantie 1] niet heeft kunnen aanvangen. De raad heeft vervolgens onderzoek gedaan naar de voorliggende gezagskwestie en tijdens het onderzoek geconcludeerd dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] door de complexe scheidingssituatie ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd. De raad heeft op 26 februari 2025 de rechtbank verzocht [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar. Bij beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 7 april 2025 is het verzoek van de raad afgewezen. 7.
  7. De raad adviseert het hof om de vader samen met de moeder te belasten met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . 7.
  8. De raad constateert net zoals in het vorige onderzoek dat de vader een structurele rol vervult in het leven van de kinderen. Daarnaast geeft de moeder aan dat zij graag zou zien dat de vader een grotere verzorgende rol op zich neemt dan nu het geval is. Wanneer beide ouders invulling geven aan de verzorging en de opvoeding van de kinderen, ligt het voor de hand dat beide ouders belast zijn met het gezag over de kinderen. Gezamenlijk gezag is ook het uitgangspunt in de wet. De raad constateert dat de vader niet meer dan de moeder de hulpverlening heeft geblokkeerd of tegengehouden. Beide ouders hebben er een rol in gehad dat de hulpverlening niet van de grond is gekomen. De ouders kunnen niet met elkaar samenwerken. Het oud zeer en wantrouwen staat op de voorgrond. De problemen tussen de ouders worden niet minder wanneer de moeder alleen belast blijft met het gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Het gezag is niet het probleem. De vader ziet het nut en de noodzaak van de hulpverlening en de raad verwacht dan ook dat de vader de hulpverlening voor de kinderen niet tegenhoudt. Bij gezamenlijk gezag kan de vader ook vanuit de hulpverlening geïnformeerd worden over de kinderen, wat hem kan helpen om beter aan te sluiten bij de leefwereld van de kinderen. De raad vindt het jammer dat er geen ondertoezichtstelling is uitgesproken door de rechtbank. De raad heeft overwogen om hoger beroep in te stellen tegen de beschikking van de rechtbank van 7 april
  9. De raad start in ieder geval een nieuw onderzoek en er volgt wellicht een nieuw verzoek tot ondertoezichtstelling. 7.
  10. De vader is het eens met het advies van de raad. Hij voert – samengevat – aan dat de hulpverlening bij [instantie 1] niet heeft kunnen aanvangen omdat de moeder hiervoor geen toestemming wilde geven. Er is verder geen hulp betrokken bij de vader. Hij voert gesprekken met een psycholoog en hij kan (telefonisch) terecht bij [instantie 2] als hij vragen heeft. De vader speelt een structurele rol in het leven van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en zal geen gezagsbeslissingen frustreren. Hij houdt de kinderen buiten de strijd, ondanks dat er informatie vanuit zijn huis wordt doorgespeeld naar de moeder. Na de mondelinge behandeling in hoger beroep op 27 augustus 2024 heeft de vader met [minderjarige 1] gesproken over haar brief aan het hof. Haar mening was volgens [minderjarige 1] niet goed overgekomen, zij had het anders bedoeld. De vader heeft toen voorgesteld om terug te gaan naar de rechter om dit recht te zetten. Er volgde een discussie tussen hem en [minderjarige 1] , waarna [minderjarige 1] is opgestapt. Er is een lange tijd geen contact geweest tussen de vader en [minderjarige 1] . Het vertrouwen van de vader in [minderjarige 1] was geschaad. Er is inmiddels weer contact; elke woensdag bij zijn ouders (opa en oma), omdat zijn partner op dit moment niet wil dat [minderjarige 1] bij hen thuis komt. De vader wil het contact met [minderjarige 1] verder herstellen en uitbreiden, maar alleen met de hulp van de hulpverlening en door het maken van goede afspraken. 7.
  11. De moeder is het niet eens met het advies van de raad. Zij voert – samengevat – het volgende aan. De kinderen voeren gesprekken met een kindercoach vanuit [instantie 2] . Ook de moeder heeft een coach vanuit [instantie 2] , die tot aan het verzoek van de raad om een ondertoezichtstelling elke week 1,5 uur bij haar thuis kwam. De moeder staat achter een uitbreiding van het contact tussen [minderjarige 1] en de vader, ook in de weekenden. [minderjarige 1] wil heel graag meer contact met de vader. Er is een omgangsregeling, maar deze komt de vader niet na. Hij wijst naar de hulpverlening en benoemt dat hij duidelijke afspraken wil maken met [minderjarige 1] , maar het is gelet op de leeftijd van [minderjarige 1] normaal dat er conflicten zijn met een ouder. Het lukt de vader niet om ondanks deze conflicten de omgang met [minderjarige 1] na te komen. De moeder vraagt zich af of de vader gezagsbeslissingen in het belang van [minderjarige 1] kan nemen. Er is daarnaast geen communicatie tussen de ouders en het is niet mogelijk dat er door de ouders samen gezagsbeslissingen worden genomen. 7.
  12. Het hof overweegt als volgt. 7.6.
  13. Op grond van artikel 1:253c van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter op verzoek van de tot het gezag bevoegde vader van een kind, die het gezag nooit samen met de moeder heeft uitgeoefend, hem samen met de moeder met het gezag belasten. Dit verzoek wordt slechts afgewezen indien (lid 2): er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering in zou komen, of indien afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is. 7.6.
  14. Uitgangspunt is dat een verzoek tot gezamenlijk ouderlijk gezag zoals het onderhavige wordt toegewezen. Een afwijzing van een dergelijk verzoek geschiedt slechts in de twee in artikel 1:253c lid 2 BW genoemde uitzonderingsgevallen. 7.6.
  15. Gezamenlijke uitoefening van het gezag vereist dat de ouders het mogelijk maken dat beslissingen over de verzorging en opvoeding van het kind tot stand komen op een wijze die niet belastend is voor het kind en zijn veiligheid niet in gevaar brengt. In het geval ouders niet (meer) samenleven en moeizaam of niet communiceren is het van belang dat, waar nodig, de verzorgende ouder die beslissingen kan nemen die voor het dagelijkse leven en de veiligheid van (spoedeisend) belang zijn voor het kind en dat de niet-verzorgende ouder deze beslissingen niet blokkeert. Ook is het van belang dat ouders die niet in staat zijn de strijd met elkaar te staken, tenminste in staat zijn het kind buiten die strijd te houden. Indien bovengenoemde omstandigheden aanwezig zijn, ligt gezamenlijk gezag in de rede, tenzij andere redenen eenhoofdig gezag noodzakelijk maken. 7.6.
  16. Evenals de rechtbank en op dezelfde gronden als de rechtbank, die het hof na eigen onderzoek en weging overneemt en tot de zijne maakt, is het hof van oordeel dat er sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 1:253c lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Het hof voegt hier het volgende aan toe. 7.6.
  17. Zoals volgt uit de brief van [instantie 3] van 24 april 2025, overgelegd tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep, is er sprake van een complexe situatie waardoor de (vrijwillige) hulpverlening niet opgestart kan worden. [instantie 3] heeft daarom een terugmelding gedaan bij de raad. Er is naar het oordeel van het hof al een lange tijd sprake van een situatie waarbij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] klem en verloren zijn tussen de ouders. De verstandhouding tussen de ouders is, evenals de onderlinge communicatie, ernstig verstoord. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben hier al jarenlang last van. Volgens de raad is het gezag niet het probleem, maar naar het oordeel van het hof bestaat er een reëel risico dat het gezamenlijk gezag de situatie voor de kinderen niet beter maar eerder zwaarder maakt. De ouders zijn niet in staat om in het kader van de omgangsregeling in onderling overleg afspraken te maken en daartoe de samenwerking met elkaar op te zoeken. Zoals het hof in de beschikking van 3 oktober 2024 heeft overwogen, betekent de omstandigheid dat de communicatie tussen de ouders niet goed verloopt niet zonder meer dat er geen sprake kan zijn van gezamenlijk gezag. Het hof verwacht echter in onderhavig geval dat wanneer er sprake is van gezamenlijk gezag er nog meer strijdpunten bijkomen voor de ouders, hetgeen effect zal hebben op de kinderen. Daarbij komt dat het hof, anders dan de vader aangeeft, niet ziet dat de kinderen en met name [minderjarige 1] buiten de ouderstrijd worden gehouden. Na de vorige mondelinge behandeling heeft de vader [minderjarige 1] aangesproken op de inhoud van haar brief aan het hof. Daarop heeft een discussie plaatsgevonden tussen de vader en [minderjarige 1] die er toe geleid heeft dat [minderjarige 1] boos is weggegaan. Er is vervolgens maandenlang geen contact geweest tussen de vader en [minderjarige 1] , hetgeen [minderjarige 1] heel verdrietig heeft gevonden. Het hof acht deze handelwijze van de vader beschadigend voor het gevoel van veiligheid en vertrouwen van [minderjarige 1] in haar vader. Naar het oordeel van het hof laat de vader hiermee zien dat hij kennelijk niet in staat is om [minderjarige 1] buiten het geschil te houden en haar belang voorop te stellen. Dankzij de inzet van de hulpverlening zijn er weer stappen gezet in het contact tussen [minderjarige 1] en de vader. Sinds februari 2025 heeft [minderjarige 1] elke woensdag ongeveer twee uur contact met de vader in het huis van zijn ouders, waar zij gezamenlijk avondeten. [minderjarige 1] is rond 16.30 uur bij oma en opa en de vader komt daar pas na 17.00 uur omdat hij eerst met [minderjarige 2] naar zwemles is geweest. Na het avondeten vertrekt [minderjarige 1] al weer om 18.45 uur met de fiets naar de scouting. Hoewel het positief is dat er contactherstel heeft plaatsgevonden, acht het hof deze vorm van contact bedroevend weinig zowel qua omvang als qua inhoud (quality time), temeer daar [minderjarige 1] het contact heel graag wil uitbreiden. Verder is het voor [minderjarige 1] , en overigens ook voor het hof, onbegrijpelijk waarom haar zusje [minderjarige 2] wel een weekendregeling heeft met de vader die plaatsvindt in het gezin van vader met zijn vriendin, terwijl [minderjarige 1] alleen maar op de woensdag twee uurtjes de vader ziet als zij eten bij opa en oma en zij kennelijk niet welkom is bij de vader en zijn vriendin. Voorts staat de moeder achter uitbreiding van het contact, maar de vader houdt dat af omdat hij wacht op de hulpverlening. Hij hoopt met duidelijke afspraken nieuwe conflicten te voorkomen. Het is echter maar zeer de vraag of afspraken conflicten kunnen voorkomen, mede gelet op de steeds ouder wordende [minderjarige 1] , de puberteit en alles wat daarbij komt kijken, zoals het vormen van een eigen mening. Een meer flexibele en begripvolle houding van de vader tegenover [minderjarige 1] zal eerder helpend zijn. Het hof vraagt zich hierbij af of de vader voldoende kan aansluiten bij de (veranderende) behoeften van de kinderen, mede gelet op het feit dat [minderjarige 1] inmiddels een tiener is van 15 jaar oud. In het rapport van 5 juli 2023 heeft de raad de vader geadviseerd om psycho-educatie en/of opvoedingsondersteuning aan te gaan, zodat hij meer inzicht krijgt in de ontwikkelingsfases van de kinderen en leert over wat de kinderen in de verschillende leeftijdsfases nodig hebben van hem als ouder. Het hof is niet gebleken dat de vader (enige vorm van) hulp op dit gebied heeft gehad. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep geeft de vader aan dat hij gesprekken voert met een psycholoog, maar daarvan zijn geen onderbouwende stukken overgelegd. De conclusie van het hof is dan ook dat er een onaanvaardbaar risico is dat de kinderen klem en verloren raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen. 7.6.
  18. Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking wordt bekrachtigd. Dit betekent dat het verzoek van de vader tot gezamenlijk gezag wordt afgewezen. De moeder blijft belast met het eenhoofdig gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . 8De beslissing Het hof: bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 22 januari 2024, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen; wijst af het meer of anders verzochte. Deze beschikking is gegeven door mrs. J.C.E, Ackermans-Wijn, E.P. de Beij en G.M. Goes en is in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2025 in tegenwoordigheid van de griffier.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.