GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH Team familie- en jeugdrecht Uitspraak: 3 juli 2025 Zaaknummer: 200.349.023/01 Zaaknummer eerste aanleg: C/03/323410 / FA RK 23-3943 in de zaak in hoger beroep van: [de moeder] , wonende te [woonplaats] , verzoekster in hoger beroep, hierna te noemen: de moeder, advocaat: mr. A. van den Eshoff, tegen [de vader] , wonende te [woonplaats] , verweerder in hoger beroep, hierna te noemen: de vader, advocaat: mr. J.G.M. Nass. Deze zaak gaat over de minderjarige [minderjarige] (hierna: [minderjarige] ), geboren op [geboortedatum] 2016 te [geboorteplaats] . In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend: de Raad voor de Kinderbescherming, Regio Limburg, locatie [locatie] , hierna te noemen: de raad. 1Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 19 september 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. 2Het geding in hoger beroep 2.
- Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 11 december 2024, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende de vader het recht op omgang met de minderjarige [minderjarige] te ontzeggen. Kosten rechtens. 2.
- Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 25 februari 2025, heeft de vader verzocht de moeder niet ontvankelijk te verklaren in al haar grieven althans haar deze te ontzeggen als zijnde ongegrond en/of onbewezen en voorts de beschikking waarvan beroep te bekrachtigen, indien en zoveel mogelijk onder verbetering van rechtsgronden. Kosten rechtens. 2.
- De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 20 mei
- Bij die gelegenheid zijn gehoord: de moeder, bijgestaan door mr. Van den Eshoff; de vader, bijgestaan door mr. Nass; de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] . 2.3.
- Het hof heeft de minderjarige [minderjarige] in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken. Zij heeft hiervan gebruik gemaakt en de voorzitter en de griffier hebben voorafgaand aan de mondelinge behandeling met haar gesproken. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de voorzitter de inhoud van dit gesprek zakelijk weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren. 2.
- Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van: het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 31 januari 2024; het V6-formulier met producties 2 tot en met 6 van de advocaat van de moeder d.d. 24 april
- 3De beoordeling 3.
- Bij beschikking van 9 februari 2024 heeft de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, uitvoerbaar bij voorraad, bepaald dat de eerder tussen partijen in het op 6 oktober ondertekende ouderschapsplan overeengekomen zorgregeling voorlopig, tot partijen anders overeenkomen of totdat daarover in rechte anders wordt beslist, wordt geschorst en er voorlopig geen toedeling van de zorg- en opvoedingstaken van [minderjarige] aan de vader zal plaatsvinden. De rechtbank heeft de raad verzocht te adviseren en daartoe een onderzoek te verrichten ter beantwoording van de vragen zoals in deze beschikking onder rechtsoverweging 4.
- gesteld. Iedere verdere beslissing betreffende de verdeling van de zorg- en opvoedtaken is pro forma aangehouden voor de duur van vier maanden in afwachting van de resultaten van het raadsonderzoek. 3.
- Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking, heeft de rechtbank, voor zover in hoger beroep van belang, bepaald dat de contacten tussen [minderjarige] en de vader voorlopig, totdat daarover nader wordt beslist, zullen plaatsvinden in het kader van een BOR 2 onder professionele begeleiding, waarbij de invulling van de BOR wordt overgelaten aan de professionals van de BOR-instantie en waarbij die professionals de regie hebben over de (invulling) van de contacten, voor de duur van acht maanden te rekenen vanaf de datum van de beschikking. De rechtbank heeft verder de raad verzocht om uiterlijk op 19 mei 2024 (naar het hof begrijpt wordt bedoeld 19 mei 2025) (pro forma), of zoveel eerder indien het BOR-traject niet wordt opgestart of voortijdig wordt beëindigd, het eindverslag van de jeugdhulp-aanbieder omtrent het BOR-traject bij de rechtbank in te dienen en geeft opdracht aan de raad om naar aanleiding van het eindverslag van de BOR-instantie (zo nodig) onderzoek te doen en, indien mogelijk definitief, advies uit te brengen over de bij beschikking van 9 februari 2024 geformuleerde vragen over de zorgregeling. Ook heeft de rechtbank de raad verzocht uiterlijk binnen twee weken na indienen van het eindverslag van de jeugdhulpaanbieder (aan het regiebureau van) de rechtbank te berichten of, en zo ja, wanneer wordt gestart met het onderzoek en wanneer het advies van de raad te verwachten is. De rechtbank heeft bepaald dat de ouders zich na het advies van de raad binnen twee weken schriftelijk en gemotiveerd dienen uit te laten over het eindverslag van de jeugdhulpaanbieder en het advies van de raad, waarna de rechtbank hen zal informeren over het verdere vervolg van de procedure. De rechtbank heeft in afwachting daarvan iedere verdere beslissing aangehouden voor acht maanden pro forma. 3.
- De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen. De vader heeft gemotiveerd verweer gevoerd. 3.
- Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep is gebleken dat geen uitvoering is gegeven aan het BOR-2 traject, kort gezegd, omdat de moeder hieraan om haar moverende redenen niet wil meewerken. Naar aanleiding hiervan is de raad, overeenkomstig de bestreden beschikking van het hof, een onderzoek gestart. Inmiddels heeft de raad geadviseerd aan de rechtbank en wachten partijen op de voortzetting van de behandeling van het verzoek in eerste aanleg bij de rechtbank. Na een korte onderbreking van de mondelinge behandeling heeft de moeder, gelet op het voorgaande, haar verzoek in hoger beroep ingetrokken. Het hof maakt hieruit op dat de moeder haar grieven niet handhaaft. Dit brengt mee dat het hof de moeder niet-ontvankelijk zal verklaren in haar verzoek in hoger beroep. 4De beslissing Het hof: verklaart de moeder niet-ontvankelijk in haar verzoek in hoger beroep. Deze beschikking is gegeven door mrs. C.N.M. Antens, C.M.J. Peters, M.I. Peereboom-van Drunick en is op 3 juli 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.