GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH Team familie- en jeugdrecht Uitspraak : 3 juli 2025 Zaaknummer : 200.353.568/01 Zaaknummer 1e aanleg : C/01/410454 / FA RK 24-4845 in de zaak in hoger beroep van: [de moeder] , wonende te [woonplaats] , verzoekster in hoger beroep, hierna te noemen: de moeder, advocaat: mr. V. de Roo, tegen Raad voor de Kinderbescherming, regio Oost-Brabant, locatie [locatie] , verweerder in hoger beroep, hierna te noemen: de raad. Als belanghebbenden worden aangemerkt: 1. [de vader] , wonende op een geheim adres, hierna te noemen: de vader, 2. William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, gevestigd te [vestigingsplaats] , hierna te noemen: de GI (Gecertificeerde Instelling), 3. [de gezinshuisouder], wonende te [woonplaats] , hierna te noemen: de gezinshuisouder, In het kort De moeder is het er niet mee eens dat de rechtbank haar ouderlijk gezag over de 11-jarige [minderjarige] heeft beëindigd. 1Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 28 maart 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. 2Het geding in hoger beroep 2.1. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 11 april 2025, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het verzoek van de raad tot beëindiging van haar ouderlijk gezag over [minderjarige] af te wijzen, dan wel – subsidiair – Stichting Jeugdbescherming Brabant te benoemen tot voogdes. 2.2. Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 22 mei 2025, heeft de raad verzocht de bestreden beschikking in stand te laten en hetgeen verzocht is in het beroepschrift af te wijzen. 2.3. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 3 juni 2025. Bij die gelegenheid zijn gehoord: de moeder, bijgestaan door mr. R.W. de Gruijl; de raad, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de raad] ; de GI, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de GI] . De vader en de gezinshuisouder zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. 2.4. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van de brief van 21 mei 2025 van de advocaat van de moeder met als bijlage een compleet afschrift van het verzoekschrift eerste aanleg. 3De beoordeling 3.1. Uit de inmiddels verbroken affectieve relatie van de ouders is geboren: - [minderjarige] (hierna: [minderjarige]), op [geboortedatum] 2014 te [geboorteplaats] . De vader heeft [minderjarige] erkend en sinds 13 februari 2024 had hij, met de moeder samen, het gezag over [minderjarige] . 3.2. [minderjarige] heeft sinds 15 oktober 2021 onafgebroken onder toezicht gestaan van de GI en vanaf 24 augustus 2022 heeft ze niet meer thuis bij de moeder gewoond. Sinds 3 juli 2023 verblijft ze in het huidige gezinshuis van mevrouw [de gezinshuisouder] . [minderjarige] heeft eenmaal per drie weken twee uur begeleid contact met haar moeder. 3.3. Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking heeft de rechtbank het gezag van de moeder en van de vader over [minderjarige] beëindigd. 3.4. De moeder kan zich met de beslissing tot beëindiging van haar gezag niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen. In haar beroepschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling, voert ze – samengevat – het volgende aan. De gezagsbeëindigende maatregel is niet noodzakelijk en de aanvaardbare termijn is voor [minderjarige] nog niet verstreken. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat de moeder haar verantwoordelijkheid voor [minderjarige] niet kan dragen, ook al zal dat mogelijk altijd op afstand blijven. Door behoud van haar ouderlijk gezag komt de gezondheid en ontwikkeling van [minderjarige] niet in het gedrang. De gezagsbeëindigende maatregel levert een schending van artikel 8 EVRM op. De moeder is in staat om de verzorging en opvoeding van [minderjarige] op zich te nemen. De moeder heeft een volwassen dochter en zoon uit een eerdere relatie en zij heeft nooit problemen ervaren in de opvoeding. Dit laat zien dat zij ook in staat moet worden geacht om de opvoeding en verzorging van [minderjarige] op zich te nemen. Het is onhandig van de moeder geweest dat zij in oktober 2024 niet meer wilde meewerken aan de omgangsregeling met [minderjarige] ; de moeder gaat dat niet goedpraten. Sinds mei 2025 is de omgangsregeling hervat en het verloopt goed. Voorafgaand aan 2022 zijn er nooit zorgen geuit over de opvoedsituatie bij de moeder. De moeder heeft alles verloren door de fouten van de vader, want hij ging vreemd en hij vertelde onwaarheden aan Veilig Thuis. De moeder heeft geen vertrouwen in de hulpverlening en ze heeft grote zorgen over het gezinshuis waar [minderjarige] verblijft, gebaseerd op de bevindingen van de detective die de vader heeft ingeschakeld. De moeder wil overal aan meewerken, zolang gewerkt wordt aan de thuisplaatsing van [minderjarige] . Van onrust en/of onduidelijkheid als gevolg van twee ouders die het onderling oneens zijn over bij wie hun dochter zou moeten komen te wonen, is geen sprake meer. De vader heeft afstand van [minderjarige] genomen, waardoor er enkel hoeft te worden teruggewerkt naar plaatsing bij de moeder. De GI heeft te snel het opvoedbesluit genomen dat [minderjarige] opgroeit in het gezinshuis, want er zijn nog andere opties. De moeder heeft meerdere malen aangegeven dat er ook kan worden gedacht aan een gezinsopname of een Nika traject. Het is het beste als [minderjarige] weer bij de moeder komt komen. De moeder kan er niet in berusten dat [minderjarige] bij de gezinshuisouder blijft wonen als de bestreden beschikking wordt bekrachtigd. De moeder ervaart met de huidige GI een zeer moeilijke samenwerking, waardoor ze haar omgangsrecht nauwelijks tot niet heeft uitgeoefend. De moeder heeft geen enkel vertrouwen in deze GI of in één van haar medewerkers. Daarom doet zij haar subsidiaire verzoek. 3.5. De raad voert in het verweerschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling, samengevat, het volgende aan. Uit het raadsrapport en de actuele informatie van de GI is voldoende duidelijk geworden dat een gezagsbeëindigende maatregel nog steeds noodzakelijk is, omdat [minderjarige] ernstig wordt bedreigd in haar ontwikkeling (met name als ze onder de hoede van haar moeder zou komen) en dat de moeder niet in staat is om de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding te dragen binnen een voor [minderjarige] aanvaardbaar te achten termijn. [minderjarige] is een kwetsbaar meisje met een belast verleden en kindeigen problematiek. De moeder wordt opgeslokt door haar eigen problemen. Een extra belemmering wordt gevormd door het wantrouwen van de moeder in de hulpverlening en de aanhoudende strijd van beide ouders onderling. De moeder beschikt niet over verandermogelijkheden en heeft een andere kijk op problemen. Dat maakt de samenwerking lastig. Het is daarom niet mogelijk gebleken om stap voor stap te werken aan verbetering. Voor een gezinsopname of een traject bij Nika is het noodzakelijk dat de moeder de problemen erkent en dat zij bereid is om hulpverlening en begeleiding te accepteren. Dat is beide onvoldoende aanwezig bij de moeder. Tevens blijken de ouders onvoldoende leerbaar, hebben zij beperkt zelfinzicht en zien zij de consequenties van hun eigen gedrag niet in. De ouders leggen de problemen buiten zichzelf . Het is al duidelijk wat [minderjarige] nodig heeft om te voorkomen dat haar ontwikkeling negatief wordt beïnvloed. Een nader onderzoek zal geen meerwaarde hebben. Het is voor [minderjarige] van belang dat zij duidelijkheid heeft over de plek waar zij mag opgroeien. [minderjarige] ervaart spanningen en onrust rondom de verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing en stelt veel vragen ter verduidelijking over waar zij mag opgroeien. [minderjarige] groeit in haar ontwikkeling sinds zij in het gezinshuis verblijft. Ze vindt het fijn om bij de gezinshuisouder te wonen en wil hier ook niet weg. Het is belastend en onduidelijk voor [minderjarige] dat de moeder aangeeft dat ze er alles aan zal doen om [minderjarige] naar huis te krijgen. Nu uit het perspectiefonderzoek duidelijk naar voren is gekomen dat [minderjarige] in het gezinshuis mag blijven wonen, wordt gezien dat [minderjarige] al meer rust ervaart en dat zij een vooruitgang in haar ontwikkeling heeft doorgemaakt. De raad heeft geen signalen van onveiligheid voor [minderjarige] gezien bij de gezinshuisouder. Het subsidiaire verzoek moet worden afgewezen. [minderjarige] heeft een goede band met de betrokken jeugdbeschermer en voelt zich door haar gehoord en gezien. De raad heeft niet de verwachting dat een andere gecertificeerde instelling voor meer vertrouwen bij de moeder kan zorgen, omdat zich in het verleden stelselmatige conflicten hebben voorgedaan tussen de moeder en hulpverleners. 3.6. De GI heeft op de mondelinge behandeling verklaard dat het goed gaat met [minderjarige] en dat ze een enorme positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt op school en in het gezinshuis, sinds voor haar duidelijk is, dat ze mag opgroeien in het gezinshuis. De omgangsregeling tussen de moeder en [minderjarige] is sinds kort hervat. Die verloopt prettig voor beiden. De GI is bezig met het hervatten van de omgangsregeling tussen [minderjarige] en de vader en tussen [minderjarige] en haar oudste halfzus. De laatste weken ziet de GI soms dat de moeder tot inzicht komt over wat goed is voor [minderjarige] . De moeder zegt bijvoorbeeld dat het niet goed is als [minderjarige] weg moet bij gezinshuis. Soms geeft de moeder aan geen andere GI te willen, want dan moet ze opnieuw een band opbouwen en opnieuw haar verhaal doen. Deze inzichten staan echter haaks op de momenten waarop dat inzicht er niet is. [minderjarige] krijgt hulp gericht op haar hechtingsproblematiek (Theraplay) en op haar trauma’s (Write Junior). Het hof overweegt het volgende. Gezagsbeëindigende maatregel 3.7.1. Ingevolge artikel 1:266 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan het gezag van een ouder over een of meer van zijn kinderen beëindigd worden indien: a. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat is te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of de ouder het gezag misbruikt. 3.7.2. Gesteld noch gebleken is dat er sprake is van misbruik van gezag (sub b). Dit betekent dat aan het hof de vraag voorligt of voldaan is aan het bepaalde in artikel 1:266 lid 1 sub a, BW. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat hiervan sprake is. 3.7.3. Bij artikel 1:266 lid 1 aanhef en sub a BW is blijkens de memorie van toelichting het ijkpunt voor het bepalen van de aanvaardbare termijn voor een kind de periode van onzekerheid over in welk gezin hij verder zal opgroeien die het kind kan overbruggen zonder verdergaand ernstige schade op te lopen voor zijn ontwikkeling. Wat voor een minderjarige een redelijke termijn is, is afhankelijk van zijn/haar leeftijd en ontwikkeling. De rechter dient na te gaan of de gezagsbeëindiging in het concrete geval in redelijke verhouding staat tot het na te streven doel (proportionaliteitsbeginsel) en of het te beogen resultaat niet met een minder ingrijpend alternatief bereikt kan worden (subsidiariteitsbeginsel). Uit artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) vloeit voort dat de beëindiging van het gezag van de ouder(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.