GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team familie- en jeugdrecht zaaknummer 200.336.338/01 arrest van 8 juli 2025 in de zaak van [appellant] , wonende te [woonplaats] , appellant, hierna: de man, advocaat: mr. P.J.A. van de Laar te Eindhoven, tegen [geïntimeerde] , wonende te [woonplaats] , geïntimeerde hierna: de vrouw, advocaat: mr. R.S. Knegtmans te Bergeijk, op het bij exploot van dagvaarding van 30 november 2023 ingeleide hoger beroep van de vonnissen van: 17 maart 2021 en/of 21 juli 2021 en/of 5 juli 2023 en/of 8 november 2023 van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Eindhoven, gewezen tussen: de man als eiser in conventie, verweerder in reconventie en de vrouw als gedaagde in conventie, eiseres in reconventie. 1Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/01/346430/ HA ZA 19-326) Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen. 2Het geding in hoger beroep Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding in hoger beroep (d.d. 30 november 2023) de memorie van grieven met producties 1 tot en met 3 (d.d. 19 maart 2024) de memorie van antwoord met de producties 1 tot en met 11 (d.d. 30 april 2024) de akte zijdens de man (d.d. 14 mei 2024) de antwoordakte zijdens de vrouw (d.d. 11 juni 2024). Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg. 3De beoordeling 3.1 In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.
- a)Partijen hebben een affectieve relatie gehad waarbij zij hebben samengewoond.
- b)Op 17 mei 2005 hebben partijen een samenlevingsovereenkomst gesloten.
- c)Op 17 mei 2005 zijn partijen gezamenlijk (ieder voor een gelijk gedeelte) eigenaar geworden van de woning aan [adres 1] te ( [postcode] ) [plaats] (hierna: [de woning 1] ).
- d)De aankoopsom van € 447.500,-- is gefinancierd met een hypothecaire geldlening en eigen middelen van de man. Daarnaast hebben partijen gelijktijdig een kapitaalverzekering ( [nummer] ) en een daarmee samenhangende overlijdensrisicoverzekering ( [nummer] ) afgesloten.
- e)Op 1 september 2010 is (alleen) de man eigenaar geworden van de woning aan de [adres 2] te ( [postcode] ) [plaats] (hierna: [de woning 2] ).
- f)De relatie en de samenwoning zijn in 2018 geëindigd. 3.2 De man concludeert tot vernietiging van het vonnis d.d. 17 maart 2021 en/of het vonnis d.d. 21 juli 2021 en/of het vonnis d.d. 5 juli 2023 en/of het vonnis d.d. 8 november 2023 in conventie en reconventie tussen appellant als eiser in conventie en als gedaagde in reconventie en geïntimeerde als gedaagde in conventie en als eiseres in reconventie, door de Rechtbank Oost-Brabant, Civiel recht, onder zaaknummer/rolnummer C/01/346430/HA ZA 19-326, gewezen en opnieuw rechtdoende in conventie bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, geïntimeerde te veroordelen tot: Betaling van een som van € 100.120,--, dan wel € 50.060,--, ter zake het vennootschapsaandeel in PMT Bedrijfsvloeren V.O.F.; betaling van een gebruiksvergoeding van de woning aan de [adres 1] te ( [postcode] ) [plaats] ten bedrage van € 950,-- per maand vanaf 19 maart 2019 tot 1 november 2021, of althans een bedrag dat het hof redelijk en billijk acht; en in reconventie: 3) geïntimeerde in haar vorderingen niet-ontvankelijk te verklaren of althans de vorderingen als zijnde ongegrond en/of onbewezen te ontzeggen, meer speciaal de vordering ad € 193.122,78 ter zake de afwikkeling van de winst- en verliesovereenkomst welke appellant en geïntimeerde op 14 januari 2015 zijn aangegaan en af te wijzen de vordering van geïntimeerde inhoudende de verdeling bij helfte van de waarde van de polissen [nummer] en [nummer] ; en in conventie als in reconventie: 4) geïntimeerde in beide instanties te veroordelen in de proceskosten. 3.3 De vrouw concludeert tot afwijzing van de vorderingen van de man, bekrachtiging van de bestreden vonnissen en veroordeling van de man in de kosten van het geding in beide instanties. Grief 1 (aandeel in de vennootschap onder firma) 3.4 De man heeft voor de rechtbank veroordeling van de vrouw gevorderd tot betaling van € 100.120,-- dan wel € 50.060,-- ter zake van het vennootschapsaandeel in PMT Bedrijfsvloeren VOF. Over deze vordering heeft de rechtbank in haar vonnis van 17 maart 2021 als volgt geoordeeld: 4.38 De gang van zaken met betrekking tot het vennootschapsaandeel in PMT Bedrijfsvloeren VOF roept vragen op. Echter, het begint bij [de man]. Het is aan hem om voldoende feiten en omstandigheden te stellen, en bij voldoende betwisting aan te tonen, waaruit volgt dat hij recht heeft op betaling door [de vrouw]. De rechtbank is van oordeel dat [de man] niet aan zijn stelplicht heeft voldaan. Hij beroept zich op zowel een contractuele als op een aantal wettelijke grondslagen, zonder al die grondslagen met feiten en omstandigheden toe te lichten. Tegenover de gemotiveerde betwisting van [de vrouw] houden de blote stellingen van [appellant] geen stand. Aan bewijslevering wordt daarom niet toegekomen. Daarom zal de rechtbank deze vordering bij eindvonnis afwijzen. Bij eindvonnis (d.d. 8 november 2023) is de vordering afgewezen (dictum, pt 3.5). De man vordert vernietiging van het vonnis op dit punt en alsnog toewijzing van zijn vordering. De grief van de man keert zich tegen deze beslissing. Ter toelichting op zijn grief voert hij het volgende aan. De man (hij was vloerenlegger) is op 31 december 2013 formeel uit de vof (het samenwerkingsverband met [persoon A] en [persoon B] ten behoeve van het leggen van vloeren) gestapt op grond van financiële overwegingen. Met [persoon A] en [persoon B] is vervolgens de afspraak gemaakt dat de vrouw per 1 januari 2014 formeel vennoot zou worden in de vof. Feitelijk was op en na 1 januari 2014 echter de man als vennoot bij de vof betrokken en niet de vrouw. De onderneming bleef feitelijk van de man. Toen de man en de vrouw problemen kregen, zaten [persoon A] en [persoon B] met de situatie in hun maag en uiteindelijk is er besloten om de vrouw per 30 juni 2018 te laten uittreden als vennoot tegen betaling door [persoon A] en [persoon B] aan de vrouw van € 100.120,--. Feitelijk vennoot was echter de man die daarom recht had op de uittredingssom van € 100.120,--. De vrouw heeft ook geen activiteiten ontplooid in de vof. Zij heeft niet het beroep van vloerenlegger uitgeoefend en zij had op dat gebied ook geen deskundigheid. De vrouw was vanwege haar leverproblemen niet in staat om de werkzaamheden te verrichten of leiding te geven in de vof. De vrouw voert het volgende aan. De vrouw was vennoot in de vof en zij was dus gerechtigd tot de uittredingsvergoeding. Het is een welbewuste keuze van partijen geweest dat de vrouw de plaats van de man in de vof heeft overgenomen. Partijen hebben deze keuze gezamenlijk gemaakt. Dat is niet louter vanuit financiële overwegingen. Er dient geen verrekening meer met de man plaats te vinden. Bij een eventuele verrekening zouden dan bovendien ook moeten worden betrokken de op basis van de inkomsten van de vrouw vanuit de vof: berekende alimentatiebedragen, belastingaanslagen en misgelopen tegemoetkomingen vanuit de overheid. Ook heeft zij de belasting over de uitkoopsom betaald. Het hof overweegt als volgt. De man is per 31 december 2013 uitgetreden uit de vof en de vrouw is per 1 januari 2014 in zijn plaats toegetreden. In geschil is of daarbij sprake is van een schijnconstructie. Beide partijen beroepen zich erop dat zij de indeplaatsstelling zijn overeengekomen op grond van ‘financiële overwegingen’. Van andere overwegingen is niet gebleken. Zonder inzicht in de aard en omvang van de financiële overwegingen, beide partijen doen er het zwijgen toe en houden achter waar het hen daarbij werkelijk om te doen is, is het hof niet in staat om te beoordelen of al dan niet sprake is van een schijnconstructie. Partijen zijn op dit punt tekortgeschoten in het volledig aanvoeren van de voor de beslissing van belang zijnde feiten (art. 21 Rv). De gevolgtrekking die het hof daaruit geraden voorkomt (de indeplaatsstelling is door beide partijen overeengekomen en strekte beiden kennelijk tot voordeel) is dat de uittredingsvergoeding ad € 100.120,-- partijen ook ieder voor de helft toekomt. Hierbij wordt nog in aanmerking genomen dat (onbestreden) de vrouw weliswaar geen activiteiten heeft ontplooid in de vof, maar zij anderzijds vanwege haar inkomsten vanuit de vof financieel nadeel heeft ondervonden (ter zake van alimentatie, belastingaanslagen, tegemoetkomingen en uitkoopsom) en zij gedurende de periode dat zij vennoot was het ondernemersrisico heeft gedragen. Het beroep dat de man in dit verband heeft gedaan op onrechtmatig handelen door de vrouw, ongerechtvaardigde verrijking en de redelijkheid en billijkheid, gaat gelet op het bovenstaande niet op (daartoe heeft de man ook onvoldoende gesteld) en aan het door de man aangeboden bewijs wordt evenmin toegekomen. Omdat de vrouw de volledige uittredingsvergoeding heeft ontvangen (mva, pt. 8), zal het hof de vrouw veroordelen tot betaling van € 50.060,-- aan de man. Grief 2 (gebruiksvergoeding woning [adres 1] ) 3.5 De grief van de man keert zich tegen de volgende beslissing van de rechtbank (vs 8 november 2023): veroordeelt [de vrouw] tot betaling van een gebruiksvergoeding van € 88,54 per maand voor het gebruik van de [adres 1] in [plaats] met ingang van 19 maart 2019 tot 1 november 2021. De man wil een hogere gebruiksvergoeding. Hij vordert daarom vernietiging van deze beslissing en veroordeling van de vrouw tot betaling van een gebruiksvergoeding van€ 950,-- per maand (over dezelfde periode: nog steeds dus vanaf 13 maart 2019 tot 1 november 2021). De man baseert zijn vordering op artikel 3:169 BW en op artikel 10 van het samenlevingscontract. De vrouw heeft de vordering betwist. Het hof oordeelt als volgt. De gebruiksvergoeding is bedoeld als schadeloosstelling voor het gemiste gebruik en genot van de woning [adres 1] (daartoe o.m. HR 22 december 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA9143, rov. 3.7 en HR 3 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:156, rov. 4.1.2). De schade per maand is in deze zaak berekend volgens de formule: overwaarde x rentepercentage (decimaal) : 2 (deel man en deel vrouw) : 12 (aantal maanden). Anders dan de man meent, dient bij die berekeningsmethode niet te worden uitgegaan van de WOZ-waarde van de woning (€ 570.000,--) maar van de overwaarde. De overwaarde is onbestreden € 425.000 (= waarde woning ad € 650.000 -/- hypothecaire lening ad € 225.000). De gebruiksvergoeding zoals hier aan de orde, ziet namelijk op het niet kunnen beschikken door de man over zijn deel van het vermogen (dat vast zit in de woning). Dáárvoor wenst hij compensatie en daarom strekt de hypothecaire schuld in mindering op de waarde. De waarde van € 650.000,--, waarmee de rechtbank heeft gerekend, is gebaseerd op de omstandigheid dat er voor de woning een bod was ontvangen voor dat bedrag. Dat is een goede graadmeter voor de waarde van de woning in het economische verkeer. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt dan niet in te zien waarom van de WOZ-waarde, die fiscale doeleinden dient, moet worden uitgegaan. Het bezwaar van de man tegen het door de rechtbank gehanteerde percentage (0,5; de man stelt dat het percentage 4 moet zijn) wordt eveneens verworpen. De (spaar)rente in de periode 13 maart 2019 tot 1 november 2021, was extreem laag en voor grotere bedragen zelfs negatief en kwam niet uit boven het door de rechtbank gehanteerde percentage. De man stelt verder nog te hebben betaald: alle eigenaarslasten (incl. hypotheek en onderhoud, WOZ-kosten), kosten van de energie, water en verzekering. Ook mocht hij van de vrouw de kinderen niet zien. De vrouw behield voorts alle huuropbrengsten van de woning aan de [adres 2] . Ten slotte heeft de vrouw verkoop van de woning tegengewerkt. De redelijkheid en billijkheid brengen dan mee dat de gebruiksvergoeding € 950,-- per maand bedraagt. De vrouw heeft voldoende gemotiveerd betwist dat de man de kinderen niet mocht zien, dat zij de opbrengsten van de woning aan de [adres 2] behield en dat zij verkoop van de woning frustreerde. Van deze feiten heeft de man geen bewijs aangeboden, zodat deze niet zijn komen vast te staan. Waar het de door de man verrichte betalingen betreft, is de gebruiksvergoeding niet het middel om dat te redresseren. De gebruiksvergoeding is, zoals hiervóór overwogen, bedoeld als schadeloosstelling voor het gemiste gebruik en genot van de woning. De redelijkheid en billijkheid brengen hier ook niet anders mee. Art. 10 van de samenlevingsovereenkomst, waarop de man zich nog heeft beroepen luidt als volgt: ‘indien de woning toebehoort aan beide partijen (…) dient de partij die blijft wonen over gemelde periode een redelijke vergoeding te betalen’, maar ook daar gaat het om een redelijke vergoeding voor het woongenot. Daarvoor geldt hetzelfde als hiervóór werd overwogen over de gebruiksvergoeding op grond van Boek 3 BW. De slotsom van het voorgaande is dat grief 2 faalt. Grief 3 (waarde polissen) 3.6 De grief keert zich tegen de volgende beslissing van de rechtbank (vs 8 november 2023): 2.7. Partijen hebben beiden te kennen gegeven dat de waarde van de polissen [nummer] en [nummer] nog moet worden verdeeld. Op de mondelinge behandeling van 21 december 2020 waren zij het erover eens dat deze polissen bij verkoop en levering van de [adres 1] in [plaats] werden afgekocht en dat het bedrag in mindering zou worden gebracht op de totale hypotheekschuld, zodat partijen er ieder voor de helft profijt van hebben. In haar tussenvonnis van 17 maart 2021 heeft de rechtbank in lijn daarmee de bindende eindbeslissing genomen dat de aan de hypothecaire schuld gekoppelde polissen in mindering strekken op de hypothecaire schuld. Kennelijk is aan deze met de standpunten van partijen in lijn genomen bindende eindbeslissing geen gevolg gegeven. Daarom zal in dit eindvonnis alsnog worden gelast dat de aan [de man] uitgekeerde of uit te keren bedragen voor de helft moeten worden doorbetaald aan [de vrouw] (…) 3.2. veroordeelt [de man] tot betaling aan [de vrouw] van de helft van het uitgekeerde en door hem ontvangen bedrag / de nog uit te keren en door hem te ontvangen bedragen ter zake de polissen [nummer] en [nummer] . De man vordert vernietiging van deze beslissing en afwijzing alsnog van de vordering van de vrouw inhoudende de verdeling bij helfte van de waarde van polis * [nummer] en van polis * [nummer] . Het hof oordeelt als volgt. De vrouw heeft, zo heeft de man het ook begrepen, gevorderd te bepalen dat de waarde van de polissen met nummer * [nummer] en * [nummer] tussen partijen bij helfte dient te worden verdeeld. Tussen partijen staat het volgende vast:
- a)polis * [nummer] heeft een veel hogere waarde dan polis * [nummer]
- b)de woning [adres 1] is verkocht en op 1 november 2021 geleverd aan een derde
- c)de polissen zijn daarbij niet in mindering gebracht op de hypothecaire schuld
- d)de afkoopsommen voor de polissen zijn nog niet zijn uitgekeerd. De vrouw betoogt dat de polissen (of de waarde daarvan) gemeenschappelijk zijn (is). Daartoe wijst zij erop dat: de verzekeringen zijn aangegaan op het moment van levering van de woning aan partijen op 17 mei 2005; de ingangsdatum van de polissen 11 mei 2005 is; er derhalve een causaal verband is tussen het afsluiten van de polissen en het aankopen van de gezamenlijke woning; in 2013 de polissen zijn aangepast naar een kapitaalverzekering eigen woning (KEW); zowel bij overlijden als bij in leven zijn, de uitkering bedoeld is ter aflossing van de eigenwoningschuld (op beider naam). Voorts bepaalt art. 4 sub 3 van de samenlevingsovereenkomst van partijen, dat ingeval sprake is van een woning in gemeenschappelijk eigendom niet alleen de rente, maar ook de aflossing tot de kosten van de gemeenschappelijke huishouding wordt gerekend. De premies voor de opbouw van het kapitaal bij in leven zijn op genoemde polissen, worden beschouwd als ‘aflossing’, waardoor geen vergoedingsrecht van de man aanwezig is op de vrouw op grond van art. 6 sub 4 van de samenlevingsovereenkomst. Artikel 6 sub 4 luidt als volgt: ‘Indien door partijen een door hen gezamenlijk te bewonen woning (…) wordt verkregen, zal de partij die uit eigen middelen meer dan haar aandeel van de koopsom (…) heeft betaald voor het meerdere een vordering hebben op de andere partij (…).’ De man heeft de uitleg die de vrouw geeft aan de samenlevingsovereenkomst niet betwist. In het bijzonder heeft hij niet betwist dat de inleg op de polissen wordt beheerst door de regeling van de kosten van de huishouding, dat daarmee sprake is van een gezamenlijke aflossing, namelijk niet uit eigen middelen, en dáármee dat de waarde van de polissen partijen beiden, ieder voor de helft, toekomt. Daaraan doet niet af dat volgens de man polis * [nummer] zijn ‘eigendom’ is en ‘op zijn naam is geregistreerd’ (welke termen de man nader had moeten duiden), in het bijzonder nog in het licht van de stelling van de vrouw dat polis * [nummer] één geheel vormt met polis * [nummer] (zoals ook vermeld in de polissen, prod. 6 en 7) en partijen met de polissen de bedoeling hadden de hypotheek af te lossen. De slotsom is dat de grief faalt. Grief 4 (winst- en verliesdelingsovereenkomst woning [adres 2] , onderdeel I: één of twee peildata?) 3.7 Het geschil tussen partijen is in hoger beroep, nog immer zoals de rechtbank het geschil al heeft weergegeven (vs 17 maart 2021): 4.23. Partijen hebben een winst- en verliesdelingsovereenkomst gesloten ter zake de woning aan de [adres 2] in [plaats] . Partijen zijn het niet eens over waar [de vrouw] op grond van deze overeenkomst recht op heeft. 4.24. [ De vrouw] stelt dat de winst- en verliesdelingsovereenkomst slechts één peildatum noemt. Primair stelt zij dat gekeken moet worden naar de huidige waarde en subsidiair de waarde bij einde van de samenlevingsovereenkomst. Zij stelt dat zij recht heeft op de helft van die waarde minus de huidige hypothecaire schuld. 4.25. [ De man] betwist dit en stelt dat er twee peildata zijn die vergeleken moeten worden. Eerst moet gekeken worden naar de waarde van de woning ten tijde van het aangaan van de overeenkomst (14 januari 2015) en de toen openstaande hypothecaire schuld. Daarna moet gekeken worden naar de waarde en de openstaande hypothecaire schuld bij het einde van de samenlevingsovereenkomst (13 maart 2019). Volgens [de man] heeft [de vrouw] op grond van de overeenkomst recht op de helft van het waardeverschil tussen deze twee peildata. De rechtbank (vs 17 maart 2021 rov. 4.28) heeft de uitleg die de vrouw voorstaat (één peildatum) gevolgd en daartoe samengevat overwogen dat (rov. 4.27):
- i)in artikel 1 van de overeenkomst staat voor welk bedrag de woning (hof: [adres 2] ) destijds door de man is gekocht en voor welk bedrag hij toen een hypothecaire lening heeft afgesloten. Zou de lezing van de man juist zijn, dan was het niet nodig geweest deze gegevens te vermelden;
- ii)artikel 2 definieert wat partijen onder een waardestijging- of daling verstaan: het verschil tussen de waarde in het economisch verkeer van de woning en de daarop rustende (hypothecaire) geldleningen. De tekst veronderstelt één peilmoment; iii) artikel 4 bepaalt voor beëindiging van de samenleving dat de waarde (enkelvoud) van de woning moet worden bepaald. Dus geen twee peilmomenten;
- iv)het ‘meedelen in’ zoals geformuleerd in art. 2, wordt in art. 3 concreet ingevuld: gelijkelijk, de helft van een meerwaarde en van een onderwaarde;
- v)de zinsnede ‘na ondertekening van deze overeenkomst’ in art. 3 vormt geen beperking in de omvang van de aanspraak van de vrouw. Deze zinsnede kan simpelweg betekenen de vrouw door het sluiten van de overeenkomst een in rechte af te dwingen aanspraak ontstaat die voordien niet bestond. De rechtbank heeft verder (rov. 4.28), in zoverre onbestreden, beslist dat die ene, te hanteren datum, 13 maart 2019 (einde samenlevingsovereenkomst) is. Dat is de peildatum is voor de waarde van de woning [adres 2] en voor de omvang van de hypothecaire schuld. Ten slotte heeft de rechtbank overwogen (vs 5 juli 2023, rov. 2.17) dat de vrouw op grond van de winst- en verliesdelingsovereenkomst aanspraak kan maken op de helft van [het verschil tussen de waarde van deze woning in het economisch verkeer (€ 515.000) en de daarop rustende hypothecaire lening (€ 128.754,45)] = € 193.122,78. In het vonnis van 8 november 2023 pt. 3.3 is de man veroordeeld tot betaling aan de vrouw van € 193.122,78 ter zake van de afwikkeling van de winst- en verliesdelingsovereenkomst. De grief van de man keert zich tegen de beslissingen zoals hiervóór verkort weergegeven. Hij vordert vernietiging van de beslissing tot toewijzing van de vordering ad € 193.122,78. Ter toelichting op zijn grief voert de man het volgende aan. Na aanschaf van de woning [adres 2] in 2010 heeft hij de woning verbouwd voor € 80.000,--. De vrouw heeft daarin geen rol gehad. Deze woning is door de verbouwing in waarde gestegen. Toen partijen in 2015 relatieproblemen kregen, eiste de vrouw dat zij in de toekomst ook voordeel zou hebben van waardestijgingen van de woning. Het was daarbij de bedoeling van partijen dat 14 januari 2015 de eerste waardebepalingsdatum zou worden. Artikel 3 van de winst- en verliesovereenkomst bepaalt ook: ‘Partijen zijn overeengekomen dat [de vrouw] zal meedelen in een eventuele waardestijging of waardedaling van de woning.’ Het gaat dus om een waardestijging in de toekomst. Hierbij is rekening gehouden met de betaling door de man van de verbouwingskosten van € 80.000.--. Die kosten waren namelijk gemaakt voor 14 januari 2015. ‘De hypotheek en verdere lasten [zijn] steeds door [de man] ‘voldaan’’ (mvg, pt. 12). De vrouw voert in haar reactie op de grief het volgende aan. Zij weerspreekt de gang van zaken zoals door de man gesteld. De verbouwing is door partijen samen gedaan. De verbouwingskosten zoals door de man gesteld, zijn niet gedaan. De man draagt geen andere argumenten aan dan in eerste aanleg. Uitsluitend een verwijzing naar het woordje ‘zal’ in de overeenkomst, is onvoldoende. Op het moment van het tekenen van de winst- en verliesdelingsovereenkomst bij de notaris, kon de vordering van de vrouw op de man immers nog niet worden vastgesteld; daarop had het woordje ‘zal’ betrekking. De beslissing van de rechtbank is juist. Het hof oordeelt als volgt. De vrouw heeft de verbouwingskosten van € 80.000,-- voldoende gemotiveerd betwist. Ook de rechtbank heeft er al op gewezen dat de man ‘volstrekt’ onvoldoende heeft onderbouwd om welk bedrag het zou gaan. (vs. 17 maart 2021, rov. 4.31). De man heeft van de verbouwingskosten ook geen voldoende specifiek bewijs aangeboden, zodat van de gestelde kosten niet kan worden uitgegaan. Zoals de rechtbank al heeft overwogen, hebben partijen een geschil over de uitleg van hun overeenkomst. Die uitleg moet plaatsvinden aan de hand van de zogenoemde Haviltex-maatstaf (HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158): De vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding van partijen iis geregeld en of dit contract een leemte laat die moet worden aangevuld, kan niet worden beantwoord op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van dat contract. Voor de beantwoording van die vraag komt het immers aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij kan mede van belang zijn tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren en welke rechtskennis van zodanige partijen kan worden verwacht. De grond die de man in hoger beroep aanvoert om te betogen dat de bestreden uitspraak behoort te worden vernietigd, is de tekst van art. 3 van de winst- en verliesovereenkomst. Dat het woordje ‘zal’ de betekenis heeft die de man eraan toekent, heeft de vrouw voldoende gemotiveerd betwist, terwijl bovendien de feiten en omstandigheden waarop de rechtbank haar beslissing over de uitleg baseert niet zijn aangevallen in hoger beroep en de vrouw zich juist achter die feiten en omstandigheden schaart. De grief faalt. De omstandigheid dat de man de hypotheek en verdere lasten heeft ‘voldaan’ is te vaag (heeft hij daarmee bedoeld dat deze voor zijn rekening kwamen?) en voor de kwestie van de uitleg onvoldoende om tot een ander oordeel te komen. Grief 4 (winst- en verliesdelingsovereenkomst woning [adres 2] , onderdeel II: verbouwingskosten van de man ad € 80.000,--) 3.8 De man stelt dat (als de uitleg die de vrouw voorstaat wordt gevolgd) het niet redelijk en billijk is dat hij voor de verbouwingskosten van € 80.000,- moet opdraaien. De betreffende kosten zijn immers alleen door hem voldaan. Juist deze kosten hebben bewerkstelligd dat deze woning geschikt werd voor het verhuren van kamers waardoor er een aanzienlijke huuropbrengst is. Ook dit heeft weer de waarde van de woning opgestuwd. Het is in strijd met de redelijkheid en billijkheid dat de gemaakte verbouwingskosten alleen voor zijn rekening komen. De man heeft ter zake echter geen vordering ingesteld en de vrouw heeft hetgeen de man aanvoert ook niet als zodanig begrepen. Voor zover er sprake zou zijn van een grief, verwerpt het hof deze omdat de vrouw de verbouwingskosten van € 80.000,-- voldoende gemotiveerd heeft betwist en de man geen voldoende specifiek bewijs heeft aangeboden. Grief 5 (waarde woning [adres 2] per 13 maart 2019 (einde samenlevingsovereenkomst)) 3.9 In het vonnis van 5 juli 2023 (rov. 2.17) heeft de rechtbank overwogen dat de vrouw op grond van de winst- en verliesdelingsovereenkomst aanspraak kan maken op de helft van [het verschil tussen de waarde van de woning in het economisch verkeer (€ 515.000) en de daarop rustende hypothecaire lening (€ 128.754,45)] = € 193.122,78. In het vonnis van 8 november 2023, pt. 3.3 is de man veroordeeld tot betaling aan de vrouw van € 193.122,78 ter zake van de afwikkeling van de winst- en verliesdelingsovereenkomst. De grief keert zich de waarde van de woning [adres 2] (€ 515.000,--). De man vordert vernietiging van de beslissing tot toewijzing van de vordering ad € 193.122,78. Ter toelichting op zijn grief voert de man het volgende aan. De waarde van € 515.000,-- is onjuist. De WOZ-waarde is € 239.000,--. De vrouw is zelf uitgegaan van een waarde van € 420.000,--. De deskundige heeft een vergelijking gemaakt met vier andere panden, maar die hebben een veel lagere waarde; zij zijn voor lagere bedragen verworven. De vrouw voert hiertegen het volgende aan. De deskundige heeft in het rekenmodel ook gerekend met een WOZ-waarde van € 239.000,--. De WOZ-waarde is voorts doorgaans vele malen lager dan de werkelijke waarde. Het bedrag van € 420.000,-- dat door de vrouw is genoemd was alleen een indicatiebedrag ten behoeve van een rekenvoorbeeld, in afwachting van het taxatierapport. De deskundige is al uitgebreid ingegaan op de bezwaren van de man bij de taxatie (prod. 11). Dat de referentiepanden een lagere waarde behelzen dan de [adres 2] is te verklaren (cva na desk. bericht 25 mei 2022), zo is de [adres 3] een tussenwoning, de [adres 4] is slechts 157m2 en geen kamerverhuurobject, de [adres 5] is vele malen kleiner en beschikt over minder kamers/studio’s dan de [adres 2] en de [adres 6] is eveneens vele malen kleiner dan de [adres 2] . De aangegeven referentiepanden beschikken alle aldus over minder oppervlakte (de [adres 2] behelst 193m2 oppervlakte). De [adres 2] beschikt daarnaast over vier keukens, vijf badkamers, drie ruime studio’s, één ruime kamer met douche en vier kamers. Zulks in tegenstelling tot de referentiepanden. Ook is de [adres 2] dichter bij het centrum van [plaats] en de Technische Universiteit van [locatie] gelegen, hetgeen resulteert in een hogere waarde. Het hof oordeelt als volgt. De deskundige is in het rekenmodel al uitgegaan van de WOZ-waarde die de man noemt. Voor zover de man betoogt dat los van enig rekenmodel voor de waarde van de woning [adres 2] moet worden uitgegaan van de WOZ-waarde van € 239.000,--, gaat dat betoog niet op. Daarvoor had de man moeten uitleggen waarom de rekenmethode van de deskundige onjuist zou zijn. Voorts dient de WOZ-waarde fiscale doeleinden per een peildatum die niet overeenstemt met de hier gehanteerde. Op het bezwaar van de man dat de deskundige een vergelijking heeft gemaakt met andere panden (die een lagere waarde hebben), heeft de rechtbank als volgt beslist (vs 5 juli 2023, rov. 2.14): De deskundige heeft als referentie-objecten - net als de [adres 2] - kamerverhuurobjecten gebruikt. Die referenties heeft de deskundige, naast zijn eigen waarnemingen van de [adres 2] , cijfers over de huurinkomsten op de peildatum van dat object en zijn kennis en kunde, gebruikt om het rendement van dit type beleggingsvastgoed in [plaats] in kaart te brengen. Dat rendement hangt mede af van de grootte van de wooneenheid. De kwalificatie waar [de man] op doelt bij twee van de referentie-objecten betreft een totale beoordeling van het object in termen van locatie, object, functionaliteit, afwerking, etc., ter bepaling van het rendement. [De vrouw] merkt terecht op dat er tussen de referentie-objecten grote verschillen zitten qua oppervlakte, wat uiteraard gevolgen heeft voor het totale rendement (in relatieve en absolute zin) dat met het object te behalen is. Wat [de man] verder nog heeft aangevoerd over kosten en leegstand is dermate algemeen in het licht van de motivering van de deskundige, dat de rechtbank daaraan voorbij gaat. Het enkele feit dat de referentiepanden een lagere waarde hebben, daarop beroept de man zich in hoger beroep, vormt in het licht van hetgeen de rechtbank reeds heeft overwogen (en waaruit de lagere waarde van de andere panden kan worden verklaard) en de betwisting van het standpunt van de man door de vrouw, een onvoldoende grond om van (kennelijk is dat wat de man betoogt) een lagere waarde van de woning aan de [adres 2] uit te gaan. De slotsom is dat de grief faalt. Proceskosten Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren omdat partijen voormalig levensgezellen zijn. 4De uitspraak Het hof: vernietigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Eindhoven van 8 november 2023, voor zover daarbij is afgewezen de vordering van de man de vrouw te veroordelen tot betaling van € 100.120,-- dan wel € 50.060,-- ter zake van het vennootschapsaandeel in PMT Bedrijfsvloeren VOF, en in zoverre opnieuw rechtdoende: veroordeelt de vrouw tot betaling aan de man van € 50.060,-- ter zake van het vennootschapsaandeel in PMT Bedrijfsvloeren VOF; verklaart dit arrest in zoverre uitvoerbaar bij voorraad; bekrachtigt de bestreden vonnissen voor het overige; compenseert de proceskosten in hoger beroep, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt; wijst af het meer of anders gevorderde. Dit arrest is gewezen door mrs. G.J. Vossestein, P.P.M. van Reijsen en A.J.F. Manders en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 8 juli 2025. griffier rolraadsheer