GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH Team familie- en jeugdrecht Uitspraak: 10 juli 2025 Zaaknummer: 200.348.940/01 Zaaknummer eerste aanleg: C/01/402914 / FA RK 24-1201 in de zaak in hoger beroep van: [de vrouw] , wonende te [woonplaats] , verzoekster in principaal hoger beroep, verweerster in incidenteel hoger beroep, hierna te noemen: de vrouw, advocaat: mr. M.M. Dezfouli, tegen [de man] , wonende te [woonplaats] , verweerder in principaal hoger beroep, verzoeker in incidenteel hoger beroep, hierna te noemen: de man, advocaat: mr. A. Hashem Jawaheri. 1Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 3 september 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. 2Het geding in hoger beroep 2.
- Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 4 december 2024, heeft de vrouw verzocht voormelde beschikking gedeeltelijk te vernietigen, voor zover de rechtbank daarbij de verzoeken van de vrouw met betrekking tot de bruidsgave en de vervangende waarde in euro’s heeft afgewezen en, opnieuw rechtdoende, te bepalen dat de man aan de vrouw 77 Bahar Azadi gouden munten dient te voldoen of een equivalent daarvan in euro’s waarbij de waarde bepaald wordt op € 53.753,70 (77 x € 698,10). 2.
- Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 6 mei 2025, heeft de man verzocht om bij beschikking, voor zover de wet dit toelaat uitvoerbaar bij voorraad, de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar hoger beroep, althans haar verzoeken af te wijzen als zijnde ongegrond en onbewezen en de vrouw te veroordelen in de (werkelijke) proceskosten van de man bestaande uit 15 uur (acht uur voorbereiden van de zitting, vier uur reistijd en drie uur zittingstijd en nabespreking) x € 350,- per uur exclusief BTW en exclusief kantoorkosten van 6%, in totaal € 6.733,
- 2.2.
- Tevens heeft de man bij genoemd verweerschrift incidenteel hoger beroep ingesteld en daarbij verzocht de bestreden beschikking te vernietigen, enkel voor wat betreft daarbij is bepaald dat: I. de man aan de vrouw met ingang van de datum waarop de echtscheidings-beschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke bestand een bedrag van € 970,- dient te betalen als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud (hierna ook: partneralimentatie); II. partijen telkens om de beurt een zaak zullen uitkiezen die aan hem/haar zal toekomen, waarbij de man als eerste mag kiezen, en, opnieuw rechtdoende, te beslissen dat: I. de man aan de vrouw geen partneralimentatie verschuldigd is, althans deze partneralimentatie te matigen tot een bedrag dat het hof juist acht; II. de man eerst een gelijk aantal zaken uit de woning mag kiezen als de vrouw reeds heeft meegenomen, en dat partijen daarna telkens om de beurt een zaak zullen uitkiezen die aan hem/haar zal toekomen. 2.
- Bij verweerschrift op het incidenteel hoger beroep, ingekomen ter griffie op 19 mei 2025, heeft de vrouw verzocht om het incidenteel hoger beroep van de man, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, niet-ontvankelijk te verklaren, althans af te wijzen als zijnde ongegrond dan wel als niet bewezen/onderbouwd, met veroordeling van de man in de proceskosten. 2.
- De mondelinge behandeling, waarbij uitsluitend de ontvankelijkheid van partijen in het principaal en incidenteel hoger beroep aan de orde is geweest, heeft plaatsgevonden op 5 juni
- Bij die gelegenheid zijn gehoord: mr. Dezfouli, namens de vrouw; mr. Hashem Jawaheri, namens de man. Mr. Hashem Jawaheri is telefonisch gehoord. 2.4.
- De vrouw en de man zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet tijdens de mondelinge behandeling verschenen. 2.
- Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van: - het procesdossier van de eerste aanleg, ingekomen ter griffie op 4 december
- 3De beoordeling In het principaal en incidenteel appel 3.
- Partijen zijn op 8 maart 2021 te [plaats] gehuwd. 3.
- De man heeft de Nederlandse en de Iraanse nationaliteit. De vrouw heeft alleen de Iraanse nationaliteit. 3.
- Partijen hebben geen huwelijkse voorwaarden laten opmaken. 3.
- Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank, voor zover in hoger beroep van belang: tussen partijen de echtscheiding uitgesproken; bepaald dat de man aan de vrouw met ingang van de datum waarop de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de daarvoor bedoelde registers een bedrag van € 970,- per maand aan partneralimentatie moet betalen; ten aanzien van de inboedel de navolgende wijze van verdeling gelast: bepaalt dat partijen telkens om de beurt een zaak zullen uitkiezen die aan hem/haar zal toekomen, waarbij de man als eerste mag kiezen; - de verzoeken van de vrouw met betrekking tot de bruidsgave en vervangende waarde in euro’s, afgewezen. 3.
- Partijen kunnen zich met deze beslissingen niet verenigen en zij zijn hiervan in hoger beroep gekomen. Rechtsmacht en toepasselijk recht 3.
- Het internationale karakter van de zaak vraagt om een beoordeling van de rechtsmacht van de Nederlandse rechter. Het hof is, na dit ambtshalve te hebben onderzocht, met de rechtbank van oordeel dat de Nederlandse rechter in deze zaak rechtsmacht heeft. Nederlands recht is van toepassing. Ontvankelijkheid 3.
- Het hof dient allereerst te beoordelen of de vrouw ontvankelijk is in haar principaal hoger beroep en of de man ontvankelijk is in zijn incidenteel hoger beroep. De standpunten 3.
- De man heeft omtrent de ontvankelijkheid – samengevat – het volgende aangevoerd. Het beroepschrift van de vrouw is op 4 december 2024 ter griffie ingekomen. Dat is buiten de in artikel 358 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) genoemde beroepstermijn van drie maanden. Er zijn bij de man geen omstandigheden bekend op grond waarvan in het onderhavige geval kan worden afgeweken van deze beroepstermijn. Voor de beoordeling van het tijdstip van de indiening van het beroepschrift geldt de ontvangsttheorie. Dat de advocaat van de vrouw het beroepschrift wel binnen de beroepstermijn aan het hof heeft verzonden, maar dat het beroepschrift pas na de beroepstermijn door het hof is ontvangen, dient dan ook voor rekening en risico van de vrouw te komen. De advocaat van de vrouw had – om de beroepstermijn veilig te stellen – de diensten van een koerier kunnen inroepen of het beroepschrift digitaal bij het hof kunnen indienen. Bovendien is het beroepschrift qua uren ruim buiten de beroepstermijn ingekomen. De vrouw dient daarom niet-ontvankelijk te worden verklaard in haar principaal hoger beroep. De man is in het door hem op 6 mei 2025 ingestelde incidenteel hoger beroep– ondanks de inhoud van de uitspraak van de Hoge Raad van 18 februari 1994, nr. 15378 (Zoontjes/Kijlstra) – ontvankelijk. Het beroepschrift van de vrouw is binnen de beroepstermijn naar het kantoor van de advocaat van de man verzonden. De advocaat van de man heeft vervolgens op 2 december 2024 contact opgenomen met de griffie van het hof met de vraag of het beroepschrift ook door het hof was ontvangen. Nadat de griffie die vraag ontkennend heeft beantwoord, heeft de advocaat van de man telefonisch contact met de advocaat van de vrouw opgenomen. De advocaat van de vrouw heeft toen bevestigd dat hij het beroepschrift per aangetekende post naar het hof had verzonden. De advocaat van de man mocht er daardoor op vertrouwen dat de vrouw tijdig hoger beroep heeft ingesteld en dat hij daardoor ook tijdig incidenteel hoger beroep heeft ingesteld. De man heeft – gelet op de niet-ontvankelijkheid van de vrouw – onnodige kosten voor deze procedure gemaakt. Hierin kan aanleiding worden gezien om af te wijken van het uitgangspunt dat voormalige echtelieden ieder de eigen proceskosten dragen. De man verzoekt om de vrouw te veroordelen in de daadwerkelijke proceskosten van de man en daarmee ook af te wijken van het liquidatietarief. De vrouw heeft misbruik gemaakt van het procesrecht door het te laat instellen van het hoger beroep. De man betwist dat hij zelf misbruik heeft gemaakt van procesrecht. De vrouw heeft enkel om een proceskostenveroor-deling van de man verzocht naar aanleiding van het eerder gedane verzoek van de man omtrent een veroordeling van de vrouw in de daadwerkelijke proceskosten. 3.
- De vrouw heeft omtrent de ontvankelijkheid – samengevat – het volgende aangevoerd. De advocaat van de vrouw heeft het beroepschrift, op 30 november 2024 om 13:14 uur, per aangetekende post en daarmee tijdig aan het hof verzonden. Op dezelfde dag heeft PostNL een bericht naar de advocaat van de vrouw verzonden dat het pakket is ontvangen en binnen één tot twee dagen zal worden bezorgd. Het beroepschrift is op 4 december 2024 om 7:38 uur bij het hof bezorgd. Gelet op het feit dat de advocaat van de vrouw tijdig het beroepschrift heeft verzonden, de bezorging van aangetekende post nooit enkele dagen in beslag neemt en er maar sprake is van een zeer geringe termijnoverschrijding van een paar uur, verzoekt de vrouw het hof hier coulant mee om te gaan. Daarbij speelt ook een rol dat de vrouw door een niet-ontvankelijkheid ernstig in haar rechten wordt aangetast. Het door de man ingestelde incidenteel hoger beroep dient ook ontvankelijk te worden verklaard. De advocaat van de vrouw erkent dat hij telefonisch met de advocaat van de man over de indiening van het beroepschrift heeft gesproken. Dit maakt dat de advocaat van de man erop mocht vertrouwen dat het principaal hoger beroep en daarmee ook zijn incidenteel hoger beroep tijdig was ingesteld. Los van de vraag of de vrouw in haar hoger beroep ontvankelijk is of niet, bestaat er geen aanleiding om de vrouw in de proceskosten, laat staan in de daadwerkelijke proceskosten, te veroordelen. Er is geen sprake van misbruik van procesrecht. De motivering van de beslissing 3.
- Het hof overweegt het volgende. 3.10.
- Het hof ziet zich eerst voor de vraag gesteld of de vrouw tijdig hoger beroep heeft ingesteld. 3.10.
- Ingevolge artikel 358 lid 2 Rv moet door de verzoeker en door de in de procedure verschenen belanghebbenden hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden, te rekenen van de dag van de uitspraak. 3.10.
- Het hof stelt voorop dat de dag waarop het beroepschrift ter griffie van het hof is ingekomen maatgevend is voor de beantwoording van de vraag of het hoger beroep tijdig door de vrouw is ingesteld (de ontvangsttheorie) en dus niet de dag van verzending van het beroepschrift (de verzendtheorie). De bewijslast dienaangaande ligt bij de vrouw. 3.10.
- De bestreden beschikking dateert van 3 september
- De laatste dag van de termijn voor het aanwenden van het rechtsmiddel in deze zaak was daarmee 3 december
- Vast staat dat het pakket met het beroepschrift van de vrouw op 30 november 2024 om 22:35 uur door PostNL is ontvangen. Ook staat vast dat het beroepschrift op 4 december 2024 om 7:38 uur, derhalve na het verstrijken van de beroepstermijn, ter griffie van het hof is ingekomen. Dat de advocaat van de vrouw het beroepschrift binnen de beroepstermijn aan het hof heeft verzonden, maar dat het beroepschrift pas na de beroepstermijn door het hof is ontvangen, dient voor rekening en risico van de vrouw te komen. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat het beroepschrift per aangetekende post is verzonden. Dit maakt dat de advocaat van de vrouw via de track-and-trace code had kunnen en moeten controleren of het beroepschrift nog binnen de beroepstermijn het hof zou bereiken. De advocaat van de vrouw had dan nog op 3 december 2024 aan het einde van de dag – zekerheidshalve – het beroepschrift digitaal kunnen indienen om zo de beroepstermijn veilig te stellen, wat hij heeft nagelaten. Daarbij komt dat het een feit van algemene bekendheid is dat rondom de feestdagen, in dit geval Sinterklaas, poststukken langer dan gebruikelijk onderweg zijn. Hierop had de advocaat van de vrouw alert kunnen en moeten zijn. Het hof merkt in dat kader overigens op dat op de uitdraai van het hof van de track-and-trace code van het desbetreffende beroepschrift expliciet staat vermeld: “Het is door Sinterklaas extra druk. Sommige pakketten zijn wat langer onderweg”. Dat deze waarschuwing blijkens de verklaring van de advocaat van de vrouw tijdens de mondelinge behandeling niet op zijn exemplaar van de track-and-trace code stond vermeld, neemt niet weg dat hij hiermee rekening had kunnen en moeten houden. Het voorgaande maakt dat er – naar het oordeel van het hof – geen feiten of omstandigheden zijn gesteld of gebleken waaruit blijkt dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding (vgl. HR 11 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1682). De vrouw dient daarom niet-ontvankelijk te worden verklaard in het door haar ingestelde principaal hoger beroep. Voor zover de advocaat van de vrouw tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep het hof nog heeft verzocht om coulant met de geringe termijnoverschrijding om te gaan, wijst het hof dit verzoek af. De appeltermijnen zijn van openbare orde en moeten door het hof ambtshalve worden toegepast. Voorts moet in het belang van een goede rechtspleging duidelijkheid bestaan omtrent het tijdstip waarop een appeltermijn aanvangt en eindigt. Hieraan moet strikt de hand worden gehouden. Noch de belangen van partijen, noch een relatief geringe termijnoverschrijding, noch deze omstandigheden tezamen, rechtvaardigen hierop een uitzondering (vgl. HR 21 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:413, NJ 2014/131). 3.10.
- Het hof dient vervolgens te beoordelen of het door de man ingestelde incidenteel hoger beroep ontvankelijk is. De Hoge Raad heeft in de uitspraak van 18 februari 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1274, NJ 1994,606 (Zoontjens/Kijlstra) de regel aanvaard dat de omstandigheid dat het principale hoger beroep geen effect kan sorteren – behoudens in het geval dit het gevolg is van nietigheid van het processtuk dat het beroep inleidt of overschrijding van de beroepstermijn – niet in de weg staat aan ontvankelijkheid van het incidenteel hoger beroep. Deze regel is aanvaard met het oog op het gerechtvaardigd belang van de verweerder en gelet op de hanteerbaarheid van het systeem. Omdat in de onderhavige zaak sprake is van één van de door de Hoge Raad in bovenstaande uitspraak genoemde uitzonderingen (de overschrijding van de beroepstermijn) dient ook de man in zijn incidenteel hoger beroep niet-ontvankelijk te worden verklaard. Daarbij merkt het hof nog op dat het op de weg van de advocaat van de man had gelegen, toen uit navraag bij het hof op 2 december 2024 bleek dat het beroepschrift van de vrouw nog steeds niet door het hof was ontvangen, om zelf op de laatste dag van de beroepstermijn hoger beroep tegen de bestreden beschikking in te stellen. Dat de advocaat van de man dit heeft nagelaten, dient voor rekening en risico van de man te komen. Hij had er immers rekening mee kunnen en moeten houden dat het beroepschrift van de vrouw niet binnen de beroepstermijn het hof zou bereiken. 3.10.
- Het hof komt derhalve niet aan een inhoudelijke beoordeling van de zaak toe. De proceskosten 3.
- Partijen hebben over en weer verzocht om elkaar in de (daadwerkelijke) proceskosten te veroordelen. Het hof ziet in hetgeen partijen hieromtrent hebben aangevoerd echter geen aanleiding om af te wijken van de gebruikelijke regel, inhoudende dat, de proceskosten tussen partijen die gehuwd zijn geweest worden gecompenseerd. Dat het beroepschrift één dag buiten de beroepstermijn is ingekomen, is – naar het oordeel van het hof – niet aan te merken als misbruik van procesrecht. Het hof wijst daarom de verzoeken van partijen af. De slotsom 3.
- Het hof beslist als hierna onder 4 vermeld. 4De beslissing Het hof: op het principaal en incidenteel appel: verklaart de vrouw niet-ontvankelijk in het principaal verzoek in hoger beroep; verklaart de man niet-ontvankelijk in het incidenteel verzoek in hoger beroep; compenseert de proceskosten in hoger beroep, in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt; wijst af het meer of anders verzochte. Deze beschikking is gegeven door mrs. E.P. de Beij, G.M. Goes en K.A. Boshouwers en is in het openbaar uitgesproken op 10 juli 2025 in tegenwoordigheid van de griffier.