GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH Team familie- en jeugdrecht Uitspraak : 10 juli 2025 Zaaknummer : 200.349.520/01 Zaaknummer eerste aanleg : C/02/420531 / FA RK 24-1408 in de zaak in hoger beroep van: [de moeder] , wonende te [woonplaats] , verzoekster in hoger beroep, hierna te noemen: de moeder, advocaat: mr. L.G.F. Gootzen, tegen William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering, gevestigd te [vestigingsplaats] , verweerder in hoger beroep, hierna te noemen: GI (gecertificeerde instelling). Deze zaak gaat over: [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2015 te [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] . Als belanghebbenden merkt het hof aan: De heer [de pleegvader 1] en De heer [de pleegvader 2], wonende te [woonplaats] , hierna te noemen: de pleegouders. In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend: de Raad voor de Kinderbescherming, hierna te noemen: de raad. 1Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 10 oktober 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. 2Het geding in hoger beroep 2.
- Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank het verzoek van de moeder tot vaststelling van een omgangsregeling met [minderjarige] afgewezen. 2.
- De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 2 januari 2025, heeft de moeder verzocht om, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, over te gaan tot vernietiging van voormelde beschikking en opnieuw rechtdoende te bepalen dat tussen [minderjarige] en de moeder een omgangsregeling wordt vastgesteld, inhoudende dat [minderjarige] en de moeder omgang hebben: gedurende de eerste periode van zes weken: 1,5 uur per drie weken; gedurende de tweede periode van zes weken: 2 uur per drie weken; gedurende de derde periode van zes weken: 1,5 uur per twee weken; gedurende de vierde periode van zes weken: 2 uur per twee weken; na de vierde periode: 2 uur per week, waarna verder wordt toegewerkt naar uitbreiding van de omgang tussen de moeder en [minderjarige] ; althans een in goede justitie te bepalen omgangsregeling. Kosten rechtens. 2.
- Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 3 maart 2025, heeft de GI verzocht de moeder in het ingestelde beroep niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel het ingestelde beroep af te wijzen en de beschikking waarvan beroep te bekrachtigen. 2.
- De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 5 juni
- Bij die gelegenheid zijn gehoord: de moeder, bijgestaan door mr. Gootzen; de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI 1] en [vertegenwoordiger van de GI 2] ; de pleegouders; de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] . 2.
- Het hof heeft [minderjarige] in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken. Hij heeft hiervan gebruik gemaakt door het hof een brief te sturen, die ter griffie is ingekomen op 28 mei
- Tijdens de mondelinge behandeling heeft de voorzitter de inhoud van die brief zakelijk weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren. 2.
- Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van: het V6-formulier d.d. 20 mei 2025 met bijlagen namens de moeder; het V6-formulier d.d. 2 juni 2025 met bijlage namens de moeder. 3De feiten 3.
- Tijdens de relatie van de moeder en de vader, [de vader] , is [minderjarige] geboren. De moeder was van rechtswege belast met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] . 3.
- Bij beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem , van 20 april 2015 is (de toen nog ongeboren) [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI. Bij beschikking van de rechtbank van [geboortedatum] 2015 is een machtiging tot uithuisplaatsing voor [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verleend. Deze maatregelen zijn vervolgens steeds verlengd. 3.
- [minderjarige] verblijft sinds 25 april 2016 bij de pleegouders. 3.
- Bij beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 29 juni 2017 is het gezag van de moeder over [minderjarige] beëindigd en is de GI tot voogd benoemd. 3.
- De moeder en [minderjarige] hebben een keer per zes weken begeleide omgang gedurende anderhalf uur. 4De beoordeling 4.
- De moeder voert – samengevat – het volgende aan. De rechtbank heeft ten onrechte het verzoek tot vaststelling van een opbouwende omgangsregeling afgewezen. Er heeft altijd omgang plaatsgevonden tussen de moeder en [minderjarige] . De reden waarom de omgang eerder in frequentie is teruggeschroefd is niet duidelijk. Dit heeft geleid tot verwarring en onzekerheid bij de moeder en [minderjarige] . De moeder vreest dat zonder een duidelijk vastgestelde regeling dergelijke drastische aanpassingen in de toekomst opnieuw kunnen plaatsvinden. Dat brengt met zich dat de omgang nog verder kan worden beperkt, hetgeen niet in het belang van [minderjarige] is. De huidige frequentie – slechts acht momenten en twaalf uur per jaar – is al onvoldoende voor de noodzakelijke ontwikkeling van een moeder-zoonrelatie. Dit belemmert een gezonde hechting en het opbouwen van een vertrouwensband, die essentieel is voor [minderjarige] ’s emotionele en sociale ontwikkeling. Bij de moeder is in het afgelopen jaar steeds het vertrouwen gewekt dat de omgang zou worden uitgebreid waardoor zij zich is blijven inspannen om aan de door de GI gestelde doelen te werken. De GI heeft zich plotseling op het standpunt gesteld dat een uitbreiding niet mogelijk zal zijn. Het advies van de raad en de pleegouders om de frequentie toch aan te passen heeft de GI naast zich neergelegd. [minderjarige] heeft juist in zijn jonge jaren baat bij regelmatige en langdurige interactie met de moeder. Het risico van de huidige omgangsfrequentie is dat [minderjarige] op latere leeftijd minder geïnteresseerd raakt in het contact met de moeder, wat zijn emotionele welzijn kan schaden en tot vervreemding kan leiden. De moeder heeft vooruitgang geboekt in haar persoonlijke ontwikkeling en inzet voor [minderjarige] , wat blijkt uit de omgangsverslagen. Ook heeft ze vooruitgang geboekt in het stellen van grenzen, het nemen van initiatief in de zorg voor [minderjarige] en het bieden van structuur. De voortdurende begeleiding is niet langer noodzakelijk voor de zorg die zij [minderjarige] biedt. De moeder en [minderjarige] mogen inmiddels tijdens omgangsmomenten af en toe zonder begeleiding naar bijvoorbeeld de speeltuin. De GI dient te onderzoeken hoe de omgang kan worden opgebouwd en aangepast aan de mogelijkheden van de moeder, terwijl tegelijkertijd wordt gekeken naar de wensen en de behoeften van [minderjarige] . Dat [minderjarige] na de omgangsmomenten vermoeid is, is begrijpelijk omdat er vanwege de lage omgangsfrequentie veel moet worden bijgepraat tijdens deze korte bezoeken. [minderjarige] wil vaak nog doorspelen aan het einde van een omgangsmoment. De moeder ervaart frustratie en emotionele belasting door de langdurige afwezigheid van de jeugdbeschermer. Gedurende deze periode worden de gemaakte afspraken door de GI niet nageleefd en geplande belafspraken regelmatig verwaarloosd. De moeder voelt zich hierdoor niet serieus genomen en heeft het gevoel dat de situatie aanhoudend wordt genegeerd. 4.
- De GI voert – samengevat – het volgende aan. [minderjarige] groeit op in een mannengezin en de omgang met de moeder is daarin een belangrijke, waardevolle aanvulling. Uitbreiding van de omgang is echter niet in het belang van [minderjarige] . Hoe blij hij ook is als hij de moeder ziet, [minderjarige] laat in zijn gedrag zien dat de omgang ook belastend voor hem is naarmate het langer duurt. [minderjarige] heeft verwachtingen over de omgang waar de moeder niet altijd aan kan voldoen, hetgeen zorgt voor druk of teleurstelling. Uit liefde en loyaliteit voor de moeder zal hij echter nooit tegen de moeder klagen of lelijk doen. Zo is hij door de pleegouders opgevoed; met respect en begrip voor de moeder. Dat is ook de reden dat de moeder deze teleurstelling niet ziet bij [minderjarige] , die hij slechts uit bij de pleegouders of omgangsbegeleiding. De GI wil de moeder complimenteren voor de groei in haar persoonlijke ontwikkeling. Dit staat echter los van hoe de moeder het doet in de omgang met [minderjarige] . Hierin ziet de GI geen groei. Vanwege de leeftijd van [minderjarige] zijn de bezoeken tussen hem en de moeder soms frustrerend en teleurstellend. Hij overstijgt de moeder en dit merkt hij zelf steeds meer. De moeder doet zichtbaar haar best, maar lijkt hierbij zo gefocust op uitbreiding van de omgang dat het krampachtig overkomt. De moeder bedenkt vooraf enkele vragen, hetgeen een goede voorbereiding is. Tot frustratie bij [minderjarige] aan toe stelt de moeder deze vragen echter een aantal keer en vraagt niet door op de gegeven antwoorden. Bij uitbreiding van duur en frequentie voorziet de GI dat de frustratie bij [minderjarige] groter zal worden. Het volmaken van de anderhalf uur is bovendien reeds een opgave. Dit komt de relatie met de moeder niet ten goede en zal eveneens zorgen voor weerstand vanuit [minderjarige] . Om te voorkomen dat de regie tijdens omgangsmomenten in de handen van [minderjarige] komt te liggen is begeleiding nodig die ook gericht is op het bieden van structuur en veiligheid. De GI biedt waar mogelijk uitbreiding. De moeder kan voortaan tijdens de begeleide bezoekmomenten ook momenten onbegeleid met [minderjarige] zijn. Dit komt door de ontwikkeling van de moeder maar ook omdat [minderjarige] ouder is geworden. Ook kan de moeder gesprekken hebben met de juf van [minderjarige] via Teams, maar daar heeft de moeder geen gebruik van gemaakt. Wanneer de moeder de strijd rondom de uitbreiding van de omgang los kan laten, zal zij meer kunnen genieten van de omgangsmomenten. Ook helpend voor de band tussen [minderjarige] en de moeder zou zijn als de moeder bijvoorbeeld een kaartje stuurt wanneer hij jarig is. De omgangsmomenten zullen geëvalueerd worden zowel voor praktische afspraken als om te kijken of uitbreiding in de toekomst mogelijk is. De GI verwacht echter van niet. Indien het hof van mening is dat de omgangsregeling moet worden uitgebreid zou de GI mogelijk video-interactiebegeleiding kunnen inzetten om de moeder inzicht te geven in de omgang. De druk op de omgangsmomenten zal hierdoor echter toenemen en de vraag is of de GI een organisatie kan vinden die dit wil bieden. De GI merkt op dat het uiterlijk maximaal haalbare een omgangsregeling is van een keer per vier weken een uur, maar dit acht de GI uitdrukkelijk niet in het belang van [minderjarige] . Anders dan de moeder aangeeft is er één omgangsmoment niet doorgegaan. Andere omgangsmomenten zijn verzet wegens ziekte of sneeuwval. Het is spijtig dat de betrokken jeugdbeschermer langdurig afwezig is geweest door ziekte. De GI heeft daarom een ambulant begeleider voor de omgangsmomenten gezocht. 4.
- De pleegouders voeren – samengevat – het volgende aan. Het gaat goed met [minderjarige] . Het gaat goed op school en hij heeft een druk sociaal leven. [minderjarige] houdt veel van de moeder en omgang met de moeder is in zijn belang. De omgangsmomenten zijn alleen erg belastend en vermoeiend voor [minderjarige] . Hij is op een leeftijd gekomen waarin hij de moeder overstijgt en zij niet de juiste aansluiting met hem weet te vinden. Dit roept steeds vaker frustratie op bij hem. Er is geen diepgang in het contact. Zowel [minderjarige] als de moeder doen erg hun best tijdens de omgangsmomenten. Doordat de moeder zo krampachtig vastklampt aan het idee dat als ze het beter gaat doen, de omgang uitgebreid zou kunnen worden, werkt dat in de praktijk averechts. De pleegouders zijn bang dat door uitbreiding van de frequentie en duur van de bezoeken de frustratie bij [minderjarige] alleen maar groter zal worden en dat dit juist niet ten goede komt aan de band met de moeder. De omgangsfrequentie is niet het belangrijkst voor het opbouwen van een band. Het is belangrijk dat er fijne gesprekken plaatsvinden. [minderjarige] weet dat de moeder een licht verstandelijke beperking heeft, maar haar herhaalde vragen aan hem roepen toch frustratie bij hem op. [minderjarige] vindt het fijn dat de omgangsbegeleidster aanwezig is tijdens de omgangsmomenten omdat zij heel actief mee spelletjes doet, ook als de moeder bijvoorbeeld aangeeft moe te zijn. De huidige omgangsregeling is het best voor [minderjarige] . 4.
- De raad adviseert – samengevat – het volgende. De wens van de moeder is invoelbaar. De moeder werkt hard en doet haar best voor [minderjarige] , dat wordt erkend door de GI en de pleegvaders. [minderjarige] is dol op de moeder en het is duidelijk dat de omgang er moet zijn. Uit de omgangsverslagen wordt duidelijk dat [minderjarige] geniet van de omgang maar ook dat hij de begeleiding van anderen nodig heeft tijdens de bezoeken. Dat betekent niet dat omgang met de moeder niet leuk genoeg is. De moeder wil de band met [minderjarige] goed houden omdat dat goed voor [minderjarige] is in de toekomst. De vraag is of dit wordt bewerkstelligd door uitbreiding van de omgang omdat dat op dit moment niet passend is. [minderjarige] laat de teleurstelling over de omgang bij de pleegouders en de GI horen. Er dient gekeken te worden hoe de band versterkt kan worden. Voor kinderen kan het fijn zijn om een kaartje te ontvangen of wellicht om een keer te bellen. Op die manier kan het contact verstevigd worden zonder dat de belasting voor [minderjarige] te groot wordt. De raad heeft eerder gezegd dat er mogelijk gekeken kan worden naar een omgangsregeling van een keer per vier weken. De raad hoort dat dit is onderzocht. Het is belangrijk dat de omgangsregeling past bij de mogelijkheden van [minderjarige] . 4.
- Het hof overweegt als volgt. 4.5.
- Ingevolge artikel 1:377a van het Burgerlijk Wetboek stelt de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast. 4.5.
- Evenals de rechtbank is het hof – in lijn met het advies van de raad en de standpunten van de pleegouders en de GI – van oordeel dat de verzochte regeling niet in het belang van [minderjarige] is. Ondanks dat het niet ter discussie staat [minderjarige] geniet van de omgang en de moeder ontzettend haar best doet om de omgangsmomenten fijn te laten verlopen en de band met [minderjarige] te versterken, is het voor het hof voldoende duidelijk geworden dat de omgang ook belastend is voor [minderjarige] . De ontwikkelingen van de moeder zijn onvoldoende om aan haar wens tegemoet te komen. [minderjarige] wordt ouder en het lukt de moeder niet goed om bij zijn behoeften aan te sluiten. [minderjarige] uit teleurstelling en frustratie hierover bij de pleegouders en de omgangsbegeleiding. Een uitgebreidere omgangsregeling dan nu wordt uitgevoerd acht het hof niet in het belang van [minderjarige] omdat de teleurstelling en frustratie dan zullen toenemen en er mogelijk juist weerstand zal ontstaan tegen de omgang. Het is juist belangrijk dat [minderjarige] de momenten met zijn moeder als fijn blijft ervaren. 4.
- Op grond van het vorenstaande zal het hof de beschikking waarvan beroep bekrachtigen. 5De beslissing Het hof: bekrachtigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 10 oktober 2024; wijst af het meer of anders verzochte. Deze beschikking is gegeven door mrs. E.P. de Beij, G.M. Goes en K.A. Boshouwers en is op 10 juli 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van mr. C.A.M. Smolders, griffier.