GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team familie- en jeugdrecht Uitspraak: 10 juli 2025 Zaaknummer: 200.348.912/01 Zaaknummer eerste aanleg: 11118059 OV VERZ 24-2689 in de zaak in hoger beroep van: [de rechthebbende] , wonende in [woonplaats] , verzoeker in hoger beroep, hierna te noemen: [de rechthebbende] of de rechthebbende, advocaat: mr. R.S. Vriend, Als belanghebbenden worden aangemerkt: [de bewindvoerder] B.V. , kantoorhoudend te [kantoorplaats] , hierna te noemen: de bewindvoerder, advocaat: mr. H.S. Franken, [de vader] , wonende in [woonplaats] , hierna te noemen: de vader van de rechthebbende, [de moeder] , wonende in [woonplaats] , hierna te noemen: de moeder van de rechthebbende, [broer 1] , wonende in [woonplaats] , hierna te noemen: broer [broer 1] , [broer 2] , wonende in [woonplaats] , hierna te noemen: broer [broer 2] . Deze zaak gaat - in het kort - over het verzoek van de rechthebbende om het bewind op te heffen dan wel de huidige bewindvoerder te ontslaan onder benoeming van een nieuwe bewindvoerder. 1Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg , van 12 september 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. 2Het geding in hoger beroep 2.
- Bij beroepschrift van 1 december 2024, met producties, ingekomen bij het hof op 5 december 2024, heeft de rechthebbende verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, primair: de bestreden beschikking te vernietigen, alsmede de bewindvoering op te heffen, dan wel een beslissing te nemen die het hof in goede justitie juist acht; subsidiair: [de bewindvoerder] B.V. te ontslaan als bewindvoerder, onder gelijktijdige benoeming van [voorgestelde opvolgend bewindvoerder] , adres houdend te [postcode] [vestigingsplaats] , Postbus [Postbus] , tot bewindvoerder, dan wel een beslissing te nemen die het hof in goede justitie juist acht. 2.
- Bij verweerschrift van 3 maart 2025 heeft de bewindvoerder verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de rechthebbende in zijn verzoeken niet-ontvankelijk te verklaren althans deze af te wijzen en de bestreden beschikking al dan niet onder aanvulling en/of verbetering van gronden te bekrachtigen, kosten rechtens. 2.
- Het hof heeft verder kennisgenomen van: - het procesdossier in eerste aanleg, ingekomen op 31 december 2024; - het V6-formulier van 22 april 2025, met bijlagen, van de advocaat van de rechthebbende. 2.
- De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 15 mei
- Bij die gelegenheid zijn gehoord: - de rechthebbende, bijgestaan door zijn advocaat; - namens de bewindvoerder: mr. M.F.S. Timmermans, mr. F.R.H. van der Leeuw (waarnemend advocaten) en [medewerker 1] en [medewerker 2] ; - de moeder en de vader van de rechthebbende; - broer [broer 1] ; - broer [broer 2] . 2.4.
- De advocaat van de rechthebbende en de waarnemend advocaten van de bewindvoerder hebben ieder tijdens de mondelinge behandeling een pleitnota overgelegd en voorgedragen. 3De beoordeling De feiten 3.
- De kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg , heeft bij beschikking van 10 januari 2023 een bewind ingesteld over de (toekomstige) goederen van de rechthebbende van 11 januari 2023 tot 11 juli 2023 wegens diens lichamelijke of geestelijke toestand met benoeming van [voormalige bewindvoerder] B.V. te [vestigingsplaats] tot bewindvoerder. 3.
- De kantonrechter heeft op 31 maart 2023 [voormalige bewindvoerder] B.V. ontslagen als bewindvoerder van de rechthebbende, onder gelijktijdige benoeming van [de bewindvoerder] B.V. te [vestigingsplaats] tot bewindvoerder, onder gelijke condities als bij de instelling van het bewind is bepaald. 3.
- De kantonrechter heeft voorts op 31 maart 2023 het bewind dat is ingesteld over de (toekomstige) goederen van de rechthebbende wegens diens lichamelijke of geestelijke toestand, onder gelijke condities als bij de instelling van het bewind is bepaald, verlengd voor onbepaalde duur. 3.
- Bij de bestreden beschikking van 12 september 2024 heeft de kantonrechter het verzoek van de rechthebbende om het bewind op te heffen afgewezen. 3.
- Bij beschikking van 22 januari 2025 heeft de kantonrechter het verzoek van de bewindvoerder tot benoeming van een mentor ten behoeve van de rechthebbende afgewezen. 3.
- De rechthebbende kan zich met de beslissing zoals genomen in de bestreden beschikking niet verenigen en is hiervan in hoger beroep gekomen. De standpunten 3.
- De rechthebbende voert - samengevat - het volgende aan. De grond die heeft geleid tot instelling van het bewind is niet meer aanwezig, omdat er geen sprake is van psychische of medische problematiek die maakt dat het bewind in stand moet blijven. In 2022 is er een tijdelijke decompensatie geweest, die voortkwam uit een opgelopen nekbreuk. De psychose is sinds maart 2023 niet meer actueel. De inhoud/interpretatie van het overgelegde GGZ-rapport wordt daarom betwist en is gedateerd. Bovendien is er in 2023 reeds vastgesteld dat er bij de rechthebbende geen sprake is van niet-aangeboren hersenletsel. Daarnaast stelt de bewindvoerder ten onrechte dat de rechthebbende zonder het bewind in ernstige financiële problemen zou komen; de schuldenlast is juist lopende het bewind verdubbeld. De rechthebbende kan zelf goed overzicht houden en is in staat zijn eigen financiën te beheren. Zo heeft hij zelf contact met de uitkeringsinstantie, heeft hij zijn eigen verhuizing geregeld en heeft hij sinds juni 2024 onafgebroken gewerkt. Mocht het bewind niet worden opgeheven, dan verzoekt de rechthebbende om de door hem voorgestelde bewindvoerder te benoemen. Ondanks dat de rechthebbende binnen het huidige bewindvoerderskantoor een andere contactpersoon heeft gekregen zijn er nog steeds problemen. Zo heeft de rechthebbende geen reiskostenvergoeding gekregen om bij de mondelinge behandeling van zijn hoger beroep bij het hof aanwezig te zijn. Ook is het voor de rechthebbende lastig om contact te krijgen met de bewindvoerder. 3.
- De bewindvoerder voert - samengevat - het volgende aan. De grond die tot instelling van het bewind heeft geleid is nog steeds aanwezig. Uit het GGZ-rapport blijkt dat de nekbreuk van de rechthebbende voortvloeide uit psychische problemen, en niet andersom. Een verbetering van zijn medische situatie is niet vastgesteld. De rechthebbende is niet in staat om zijn eigen financiën te beheren. Zo wordt het leefgeld structureel in korte tijd opgemaakt en wordt er door de rechthebbende zeer regelmatig om extra geld gevraagd. Ook besteedt de rechthebbende veel geld aan crypto-websites. De rechthebbende blijft hierdoor boven zijn financiële mogelijkheden leven en kan niet in zijn eigen onderhoud voorzien. Het cannabisgebruik en gokken met cash door de rechthebbende is daarbij een risico. Daarnaast heeft de rechthebbende een problematische schuldenlast en te voorzien is dat hij zal ophouden met betalen van zijn schulden als het bewind wegvalt. De rechthebbende mist een stabiel inkomen om op zijn schulden af te kunnen lossen doordat zijn inkomen fluctueert als gevolg van jobhoppen. De schuldenlast is lopende het bewind toegenomen omdat gebleken is dat er bij de aanvang van het bewind meer schulden waren dan waar destijds van uit is gegaan en omdat toeslagen en uitkeringen zijn teruggevorderd als gevolg van een sterk veranderd inkomen waar de bewindvoerder door de rechthebbende niet tijdig van op de hoogte is gesteld. De bewindvoerder ziet, ten slotte, een verbetering in de samenwerking tussen de bewindvoerder en de rechthebbende omdat er een nieuwe contactpersoon binnen het bewindvoerderskantoor is aangewezen. 3.
- De vader van de rechthebbende heeft - samengevat - aangevoerd dat de ouders hopen dat er een stip op de horizon komt voor de rechthebbende doordat er daadwerkelijk afgelost gaat worden op de schulden van de rechthebbende. De ouders zien hier op dit moment te weinig beleid in. Hierdoor komt er geen oplossing voor de rechthebbende. De ouders denken dat veel zaken, waaronder het cannabisgebruik en de handel in crypto, hieruit voortkomen. Een traject schuldhulpverlening zou een oplossing kunnen bieden. Volgens de ouders is de rechthebbende altijd gemotiveerd om te werken en inkomen te genereren. 3.
- Het hof overweegt als volgt. Opheffing bewind 3.10.
- Op grond van artikel 1:431 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kantonrechter een bewind instellen over één of meer van de goederen, die een meerderjarige als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren, indien de meerderjarige tijdelijk of duurzaam niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen, als gevolg van: a. zijn lichamelijke of geestelijke toestand, dan wel; b. verkwisting of het hebben van problematische schulden. 3.10.
- Ingevolge artikel 1:449 lid 2 BW kan de kantonrechter het bewind opheffen, indien de noodzaak daartoe niet meer bestaat of voortzetting van het bewind niet zinvol is gebleken, zulks op verzoek van de bewindvoerder of degene die gerechtigd is het bewind te verzoeken als bedoeld in artikel 1:432 BW, alsmede ambtshalve. 3.10.
- Het hof dient te beoordelen of voortzetting van het bewind noodzakelijk en/of zinvol is. Het hof is van oordeel dat dit het geval is. Niet is gebleken dat de grond waarop het bewind in 2023 is ingesteld (lichamelijke of geestelijke toestand) is komen te vervallen. Zo blijkt uit de medische rapportage van 24 november 2022 van [semi-arts] (semi-arts bij HIC [locatie] ) en [psychiater] (psychiater bij HIC [locatie] ) dat de rechthebbende van 18 november 2022 tot 24 november 2022 in behandeling is geweest bij de gesloten kliniek [gesloten kliniek] in [plaats] op de afdeling High Intensive Care. De reden voor opname was een psychotische decompensatie bij ASS, er was sprake van zelfverwaarlozing (25 kilo afgevallen, slechte zelfhygiëne), boosheid (waarbij zijn appartement was gesloopt en vervuild) en gedesorganiseerd denken met verhoogd risico op suïcide waarbij de rechthebbende tegen de zijkant van een bus is aangerend, met een nekwervelfractuur tot gevolg. Een en ander is blijkens voornoemde medische rapportage geluxeerd door een traumatische gebeurtenis, de daaropvolgende zelfstandige stop van Risperdal (antipsychoticum) en overmatig wietgebruik. De DSM-V classificatie bij opname was een autismespectrumstoornis en een ongespecificeerde schizofreniespectrum- of andere psychotische stoornis. Na opname op de HIC-afdeling is de betrokkene overgeplaatst naar [instantie 1] in [provincie] . Voorts blijkt uit het psychologisch onderzoeksrapport van de rechthebbende, uitgevoerd door [instantie 2] in juni 2023, onder meer dat er sinds de geboorte regulatieproblemen zijn geweest bij de rechthebbende en dat de rechthebbende vanaf zijn kindertijd met hallucinaties kampt. Ten aanzien van de persoonlijkheidsproblematiek wordt er door de therapeuten (mw. [orthopedagoog], orthopedagoog, [psycholoog], psycholoog en [GZ-psycholoog], GZ-psycholoog) geconcludeerd dat er bij de rechthebbende gedacht kan worden aan een psychotische decompensatie op een onderliggende ontwikkelingsstoornis (ASS), een cluster A- of B- persoonlijkheidsstoornis of een schizofreniforme stoornis. Ten aanzien van het persoonlijkheidsprofiel van de rechthebbende is geconstateerd dat er sprake is van een high level borderline organisatie met dissociatieve verschijnselen, waardoor de rechthebbende uiterst kwetsbaar en snel te ontregelen is. Weliswaar wordt de inhoud/interpretatie van voornoemde rapporten door de rechthebbende betwist, maar de rechthebbende heeft geen (medische) stukken overgelegd die dit standpunt van de rechthebbende nader onderbouwen. Het door de rechthebbende overgelegde verslag van 29 november 2023 van de afdeling neurologie van het [ziekenhuis] geeft bovendien onvoldoende inzicht in de medische situatie (nu een duidelijke conclusie ontbreekt) en geeft daarnaast geen informatie over de recente stand van zaken bij de rechthebbende. Daar komt bij dat de rechthebbende tijdens de mondelinge behandeling bij het hof heeft verklaard op dit moment nog altijd Olanzapine (anti-psychoticum) te gebruiken. Dit alles betekent naar het oordeel van het hof dat de zorgen die er waren ten tijde van het instellen van het bewind niet zijn weggenomen. Daarnaast is het hof er niet van overtuigd dat de rechthebbende voldoende in staat is om zelfstandig zijn financiën te beheren. Zo is gebleken dat tijdens het bewind de schuldenlast is opgelopen, onder meer omdat er terugvorderingen van uitkeringen en toeslagen hebben plaatsgevonden in verband met een sterk wisselend inkomen van de rechthebbende waar de bewindvoerder door de rechthebbende niet tijdig van op de hoogte is gesteld. Deze fluctuerende inkomensstroom ten gevolge van het meermaals wisselen van werkgever betekent ook dat het beoogde schuldsaneringstraject op dit moment niet van de grond komt. De rechthebbende heeft aangegeven van zijn schulden af te willen en ook de ouders van de rechthebbende hebben een uitdrukkelijke oproep gedaan voor een stip op de horizon voor de rechthebbende. Het is daarom van belang, zoals de bewindvoerder ook aangeeft, dat de rechthebbende een stabiel inkomen heeft zodat er gewerkt kan worden aan een oplossing voor de schuldenproblematiek van de rechthebbende. Gelet op het verzoek van de rechthebbende strekkende tot opheffing van het bewind had het voorts op zijn weg gelegen inzage te geven in welke stappen de rechthebbende heeft gezet om zijn financiële zelfredzaamheid te vergroten. Dat de rechthebbende contact heeft met de uitkeringsinstantie of zelf een verhuizing heeft geregeld is hiervoor onvoldoende. Het hof betrekt in dit verband bij de beoordeling dat de rechthebbende tijdens de mondelinge behandeling bij het hof heeft verklaard (nog altijd) met cash te gokken, te beleggen via crypto-websites en dagelijks cannabis te gebruiken. De bewindvoerder heeft hierover aangegeven dat de rechthebbende een te positieve kijk heeft op geldzaken, dat zijn handelen meer risico’s met zich brengt dan door de rechthebbende wordt ingeschat en dat hij hulp nodig heeft bij zijn verslaving(en). Dit betekent, alles overziend, dat voortzetting van het bewind noodzakelijk en zinvol is. Ontslag bewindvoerder onder gelijktijdige benoeming nieuwe bewindvoerder 3.10.
- Ingevolge artikel 1:448 lid 1 aanhef en sub e en lid 2 BW kan de bewindvoerder door de kantonrechter ontslag worden verleend, hetzij op eigen verzoek, hetzij wegens gewichtige redenen of omdat hij niet meer voldoet aan de eisen om bewindvoerder te kunnen worden, zulks op verzoek van de medebewindvoerder of degene die gerechtigd is onderbewindstelling te verzoeken als bedoeld in artikel 1:432, eerste en tweede lid BW, dan wel ambtshalve. 3.10.
- Het hof zal het verzoek van de rechthebbende om de bewindvoerder te ontslaan onder gelijktijdige benoeming van de door hem voorgestelde bewindvoerder afwijzen, omdat aan de vereisten van voornoemd artikel niet is voldaan. Het hof stelt vast dat de rechthebbende al een keer van bewindvoerderskantoor is gewisseld, nu bij beschikking van 31 maart 2023 van de kantonrechter Zeeland-West-Brabant [voormalige bewindvoerder] B.V. als bewindvoerder is ontslagen onder gelijktijdige benoeming van [de bewindvoerder] B.V. Daarnaast is uit het dossier gebleken dat de rechthebbende binnen [de bewindvoerder] B.V. inmiddels de derde contactpersoon toegewezen heeft gekregen. De bewindvoerder geeft aan de samenwerking voort te willen zetten en te zien dat de samenwerking beter verloopt sinds de laatste wisseling van contactpersoon. Het hof heeft verder geen aanwijzingen dat de bewindvoerder zijn werkzaamheden niet naar behoren uitvoert. Dat de bewindvoerder niet op alle verzoeken van de rechthebbende om extra financiële middelen positief reageert betekent niet dat het bewind niet goed verloopt. Daarbij wordt opgemerkt dat het voor een goede samenwerking ook van belang is dat de bewindvoerder door de rechthebbende volledig wordt geïnformeerd, bijvoorbeeld over de werkzaamheden en inkomsten van de rechthebbende. Gelet op het voorgaande is er geen sprake van gewichtige redenen die maken dat de bewindvoerder moet worden ontslagen. 3.
- Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking dient te worden bekrachtigd. De proceskosten zullen worden gecompenseerd, gelet op de aard van de procedure, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. 4De beslissing Het hof: bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg , van 12 september 2024; compenseert de proceskosten, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt; wijst af het meer of anders verzochte. Deze beschikking is gegeven door mrs. G.M. Goes , A.M. Bossink en K.A. Boshouwers en is in het openbaar uitgesproken op 10 juli 2025 in tegenwoordigheid van de griffier.