← Nederland

ECLI:NL:GHSHE:2025:1987

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH Team familie- en jeugdrecht Uitspraak: 10 juli 2025 Zaaknummer: 200.353.548/01 Zaaknummer eerste aanleg: C/03/331419 / FA RK 24-1960 in de zaak in hoger beroep van: [de moeder] , wonende te [woonplaats] , verzoekster in hoger beroep, hierna te noemen: de moeder, advocaat: mr. R. Engwegen, tegen de Raad voor de Kinderbescherming, vestiging [vestigingsplaats] , verweerder in hoger beroep, hierna te noemen: de raad, Het hof merkt als belanghebbenden aan: Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg, gevestigd te [vestigingsplaats] , hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI), [de pleegmoeder] , wonende op een bij het hof bekend adres, hierna te noemen: de pleegmoeder. In het kort: De moeder is het er niet mee eens dat de rechtbank haar ouderlijk gezag over [minderjarige] (3 jaar) heeft beëindigd en de GI tot voogd over [minderjarige] heeft benoemd. 1Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg , zittingsplaats Maastricht van 10 januari 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. 2Het geding in hoger beroep 2.

  1. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 10 april 2025, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen en primair het verzoek tot beëindiging van het gezag af te wijzen en subsidiair de grootouders van de moeder met de voogdij over [minderjarige] te belasten. Kosten rechtens. 2.1.
  2. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft de advocaat namens de moeder het subsidiaire verzoek ingetrokken. 2.
  3. Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 23 mei 2025, heeft de raad verzocht de bestreden beschikking in stand te laten en te concluderen tot afwijzing van het hoger beroep van de moeder. 2.
  4. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 3 juni
  5. Bij die gelegenheid zijn gehoord: - mr. Engwegen namens de moeder; - [vertegenwoordiger van de raad] namens de raad; - [vertegenwoordiger van de GI] namens de GI. 2.3.
  6. De moeder is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet tijdens de mondelinge behandeling verschenen. 2.3.
  7. De pleegmoeder heeft het hof bericht dat zij niet tijdens de mondelinge behandeling zal verschijnen. 2.
  8. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van: - het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 10 december 2024; - een e-mailbericht van de pleegmoeder d.d. 27 mei
  9. 3De beoordeling De feiten 3.
  10. [minderjarige] is geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum]
  11. 3.
  12. Bij beschikking van 31 december 2021 is (nog vóór de geboorte) de ondertoezichtstelling van [minderjarige] uitgesproken. De ondertoezichtstelling is telkens verlengd, laatstelijk tot 1 oktober
  13. Op 15 mei 2023 is een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing uitgesproken en is [minderjarige] bij een crisispleeggezin geplaatst. Sinds september 2023 verblijft [minderjarige] bij een perspectief biedend pleeggezin. 3.
  14. De vader van [minderjarige] is op [sterfdatum] 2024 overleden. 3.
  15. Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank het gezag van de moeder beëindigd en de GI tot voogd over [minderjarige] benoemd. 3.
  16. De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen. De standpunten 3.
  17. De moeder voert - samengevat - het volgende aan. De moeder betwist niet dat [minderjarige] als gevolg van de problemen van de moeder in haar ontwikkeling wordt bedreigd. Het verzoek van de raad om het gezag te beëindigen is echter voorbarig en de aanvaardbare termijn is nog niet verstreken. De moeder erkent dat er in het verleden problemen waren in de relatie met de vader van [minderjarige] en dat er sprake was van drugsproblematiek. De moeder heeft echter een zeer positieve ontwikkeling doorgemaakt en dat wordt ook door de betrokken instanties erkend. De moeder is afgekickt van haar drugsverslaving. Ze woont bij haar grootouders en zal op korte termijn een appartement krijgen. Verder heeft de moeder intensieve begeleiding en ondersteuning van [instantie 1] . De moeder accepteert deze hulpverlening en dat heeft een zeer positieve uitwerking op de moeder. Verder zijn de omgangsmomenten tussen de moeder en [minderjarige] uitgebreid en verlopen deze goed. De rechtbank heeft aldus ten onrechte de rol van de moeder in het leven van [minderjarige] gemarginaliseerd. De conclusie dat de moeder niet op korte termijn in staat zou zijn de verantwoordelijkheid voor [minderjarige] te dragen is dan ook niet gerechtvaardigd. Het feit dat de moeder een positieve ontwikkeling doormaakt, dat zij is afgekickt van de drugs en de nodige hulpverlening heeft geaccepteerd, maakt dat de moeder wel degelijk in staat dient te worden geacht om de verantwoordelijkheid voor [minderjarige] op enig moment te gaan dragen. De moeder betwist uitdrukkelijk dat er onvoldoende perspectief bestaat op verbetering aan haar zijde. De gezagsbeëindiging is een ultimum remedium en het is in het belang van [minderjarige] dat de tijd wordt genomen om te bezien of de moeder de positieve ontwikkeling die zij heeft doorgemaakt, kan volhouden en voortzetten. Overigens ondervindt [minderjarige] er geen last van wanneer het gezag niet nu wordt beëindigd. De ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing zijn immers verlengd tot 1 oktober 2025 zodat haar verblijf bij de pleegmoeder gegarandeerd is. Gelet op het vorenstaande is de aanvaardbare termijn nog niet verstreken. De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat de gezagsbeëindiging proportioneel is en dat, in het kader van artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), is voldaan aan het subsidiariteitsvereiste. Het beoogde resultaat voor [minderjarige] , te weten rust en voorspelbaarheid is ook te bereiken met een minder ingrijpend alternatief. Er wordt niet voldaan aan de wettelijke vereisten voor een gezagsbeëindiging zodat het verzoek van de raad alsnog moet worden afgewezen. 3.
  18. De raad voert - kort samengevat - het volgende aan. Binnen het gedwongen kader van de ondertoezichtstelling is het niet gelukt om binnen een aanvaardbare termijn voor [minderjarige] , toe te werken naar een stabiele opvoedsituatie bij de moeder. Het betoog van de moeder om te wachten met de gezagsbeëindigende maatregel nu het beter zou gaan met de moeder, gaat niet op. De moeder vervalt telkens in risicovolle patronen. De moeder heeft in april 2025 aangegeven nog steeds cocaïne te gebruiken en ze heeft tot op heden nog geen negatieve drugstesten aangeleverd. Het lukt de moeder niet om de belangen van [minderjarige] voorop te stellen en keuzes te maken in het belang van [minderjarige] . De moeder wil [minderjarige] zelf opvoeden maar de vraag is of zij, gezien haar verstandelijke beperking, in staat is zich telkens aan te passen, nieuwe vaardigheden op tijd te leren en aan te blijven sluiten op de behoeftes van [minderjarige] . De moeder is niet in staat na te denken over een andere invulling voor het ouderschap en blijft benoemen dat de beste plek voor [minderjarige] bij de moeder is. Ze is niet bereid in te stemmen met het verblijf van [minderjarige] bij het pleeggezin. De moeder heeft eens per drie weken twee uur omgang met [minderjarige] op kantoor van de GI. Deze omgang verloopt goed. Er is echter geen sprake van zorg- en opvoedtaken die de moeder uitvoert en de moeder heeft dan ook weinig tot geen bijdrage in de verzorging en opvoeding van [minderjarige] . De gezagsbeëindiging is in het belang van [minderjarige] . Zij is volledig gehecht binnen het pleeggezin en er zijn aanwijzingen dat ingrijpende zaken vanuit het verleden nog niet volledig verwerkt zijn en tijd nodig hebben om binnen het vertrouwde en veilige klimaat van een professioneel ondersteund pleeggezin opgelost te worden. [minderjarige] kan niet langer verdragen dat er onduidelijkheid is over haar perspectief bij de pleegmoeder. De raad is daarom van mening dat het hoger beroep van de moeder afgewezen moet worden. 3.
  19. De GI heeft tijdens de mondelinge behandeling het volgende naar voren gebracht. [minderjarige] is goed gehecht bij het pleeggezin. De omgangsmomenten die [minderjarige] met de moeder heeft, verlopen goed. Dit laat onverlet dat de moeder [minderjarige] niet zelf kan opvoeden. De moeder heeft een behoorlijke drugsverslaving en laat een patroon zien dat niet ophoudt. Soms gaat het goed en vervolgens glijdt ze weer af. Er is veel ingezet om te onderzoeken of [minderjarige] bij de moeder kan opgroeien maar zij kan [minderjarige] niet zelf opvoeden. Bij de moeder is het plafond bereikt wat betreft de leerbaarheid. De aanvaardbare termijn is verstreken. Het is in het belang van [minderjarige] dat zij in het perspectief biedend pleeggezin blijft. Het doel van de GI is wel om in de toekomst toe te werken naar uitbreiding van de omgangsmomenten. 3.
  20. De pleegmoeder heeft het hof middels een e-mail geïnformeerd en laten weten dat het goed gaat met [minderjarige] bij het pleeggezin. [minderjarige] heeft eens per drie weken omgang met de moeder. Eerder liet [minderjarige] een gedragsverandering zien na een contactmoment met de moeder, maar dat is nu niet meer het geval. [minderjarige] logeert iedere vrijdag bij haar overgrootouders en de samenwerking met de overgrootouders verloopt goed. De pleegmoeder is bereid om in de toekomst de voogdij over [minderjarige] op zich te nemen. De motivering van de beslissing 3.
  21. Het hof overweegt het volgende. 3.10.
  22. Ingevolge artikel 1:266 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan het gezag van een ouder over een of meer van zijn kinderen beëindigd worden indien: a. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat is te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of b. de ouder het gezag misbruikt. 3.10.
  23. Er is geen sprake van misbruik van het gezag. De vraag die aldus aan het hof voorligt, is of [minderjarige] zodanig opgroeit dat zij in haar ontwikkeling wordt bedreigd en de moeder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW, te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van [minderjarige] aanvaardbaar te achten termijn. Vaststaat dat [minderjarige] ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd. Dat wordt door de moeder als zodanig ook niet betwist. [minderjarige] is als baby verslaafd ter wereld gekomen en heeft in de thuissituatie bij de moeder meerdere ingrijpende levensgebeurtenissen meegemaakt. De moeder is licht verstandelijk beperkt, moeilijk te begeleiden en zij heeft geen inzicht in wat [minderjarige] nodig heeft. Het lukt de moeder niet de belangen van [minderjarige] voorop te stellen. De verslavingsproblematiek van de moeder is nog steeds actueel. Er is sprake van een jarenlang patroon van terugvallen in haar drugsgebruik. Op die momenten is de moeder onbereikbaar en niet beschikbaar. De moeder stelt dat zij is afgekickt, maar heeft dat op geen enkele manier onderbouwd. Sterker nog, de moeder heeft in april jl. bij de GI aangegeven nog steeds cocaïne te gebruiken. Ook haar begeleider van [instantie 1] herkent dat patroon, zo valt in het raadsrapport te lezen. Er zijn periodes dat er makkelijk contact is met de moeder, afgewisseld met periodes dat zij niet altijd bereikbaar is voor ambulante begeleiding en de moeder niet regelmatig naar de dagbesteding komt. [instantie 2] heeft te kennen gegeven dat de behandeling voor haar drugsverslaving pas opgestart kan worden als de moeder gemotiveerd is en het haar lukt om structureel haar afspraken na te komen. Tot op heden is het onduidelijk wanneer haar behandeling daadwerkelijk kan starten. Ook het feit dat de moeder, zonder zich bij haar advocaat afgemeld te hebben, niet ter zitting in hoger beroep is verschenen, ziet het hof als een bevestiging dat zij als ouder onvoorspelbaar en onbetrouwbaar is en dat het haar niet lukt om haar verantwoordelijkheid te nemen. Dat de moeder stelt een positieve ontwikkeling door te maken en binnenkort over eigen huisvesting te beschikken, is niet voldoende om op korte termijn over te kunnen gaan tot terugplaatsing van [minderjarige] . Gebleken is dat de moeder op dit moment nog haar volledige focus nodig heeft om haar eigen leven op orde te krijgen. Het vorenstaande maakt dat nu niet de verwachting is dat de moeder in staat zal zijn om de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige] op zich te kunnen nemen. De vraag is of [minderjarige] kan wachten op mogelijke ontwikkelingen in de toekomst, of dat de voor haar aanvaardbare termijn is verstreken. 3.10.
  24. Bij artikel 1:266 lid 1 aanhef en sub a BW is blijkens de memorie van toelichting het ijkpunt voor het bepalen van de aanvaardbare termijn voor een kind de periode van onzekerheid over in welk gezin hij/zij verder zal opgroeien, die het kind kan overbruggen zonder verdergaand ernstige schade op te lopen voor zijn/haar ontwikkeling. Wat voor een minderjarige een redelijke termijn is, is afhankelijk van de leeftijd en de ontwikkeling van het kind. De rechter dient voorts na te gaan of de gezagsbeëindiging in het concrete geval in redelijke verhouding staat tot het na te streven doel (proportionaliteitsbeginsel) en of het te beogen resultaat niet met een minder ingrijpend alternatief bereikt kan worden (subsidiariteitsbeginsel). Uit artikel 8 EVRM vloeit voort dat de beëindiging van het gezag van de ouder(s) in het belang van de minderjarige noodzakelijk dient te zijn. Iedere kinderbeschermingsmaatregel is in principe tijdelijk en moet als doel hebben om het kind weer terug naar huis te laten keren. De overheid moet hulpverlening of andere ondersteuning inzetten die ervoor kan zorgen dat een kind weer terug naar huis kan en met het gezin wordt herenigd. De mogelijkheid van terugplaatsing moet serieus zijn overwogen en de ouder moet in voldoende mate in het besluitvormingsproces zijn betrokken. Voor het beëindigen van het gezag is vereist dat de rechter een afweging maakt tussen de belangen van het kind en die van zijn ouder(s). Die belangenafweging kan in het nadeel van de ouder(s) uitvallen als het belang van het kind om na het verstrijken van een (aanzienlijke) periode bij het pleeggezin te kunnen blijven opgroeien zwaarder weegt dan het belang van de ouders bij gezinshereniging. Er kan echter slechts sprake zijn van beëindiging van het ouderlijk gezag wanneer de instandhouding van het gezag van het kind schadelijk is voor de gezondheid en ontwikkeling van het kind. 3.10.
  25. Het hof is van oordeel dat de aanvaardbare termijn voor [minderjarige] is verstreken en dat zij niet langer kan wachten totdat de moeder in de toekomst eventueel de verantwoordelijkheid voor haar verzorging en opvoeding kan dragen. [minderjarige] verblijft sinds september 2023 in een perspectief biedend pleeggezin waar ze goed is gehecht en zich adequaat ontwikkelt. [minderjarige] is ruim drie jaar en heeft behoefte aan duidelijkheid. Daarbij komt dat [minderjarige] van de moeder niet de emotionele toestemming krijgt om bij het pleeggezin op te groeien. Dit maakt dat minder verstrekkende maatregelen dan de gezagsbeëindiging niet zullen leiden tot de voor [minderjarige] noodzakelijke duidelijkheid. De stelling van de moeder dat er meer moet worden ingezet op terugplaatsing, volgt het hof niet. Uit de stukken is juist gebleken dat er al veel is ingezet maar dat de moeder er niet in is geslaagd haar leven blijvend op zo’n manier vorm te geven dat zij in staat is de verzorging en opvoeding voor [minderjarige] voor haar rekening te nemen. De moeder en [minderjarige] hebben een jaar samen in een moeder-kindhuis in [provincie 1] gewoond. Daar heeft de moeder met 24-uurs begeleiding voor [minderjarige] kunnen zorgen. Omdat de moeder terug naar [provincie 2] wilde, is zij met [minderjarige] bij [instantie 3] gaan wonen. Daar was geen 24-uurs begeleiding aanwezig. De moeder had toen een terugval in drugsgebruik waardoor er weer sprake was van onveilige situaties. [minderjarige] is toen met spoed uit huis geplaatst. De moeder is toen enkele maanden onbereikbaar geweest voor de GI en er heeft maandenlang geen contact kunnen plaatsvinden tussen de moeder en [minderjarige] . De impact daarvan op [minderjarige] is groot. Er is pas voor het eerst in februari 2024 weer begeleide omgang geweest tussen [minderjarige] en de moeder en [minderjarige] herkende de moeder toen niet bij het eerste omgangsmoment. Zo lang de moeder kampt met verslavingsproblematiek, is zij niet in staat zelf voor [minderjarige] te zorgen. Gezien het feit dat het de moeder niet lukt het patroon te doorbreken, is er onvoldoende perspectief op verbetering bij de moeder. Het voorgaande in aanmerking nemende is het hof van oordeel dat het in het belang van [minderjarige] is om het gezag van de moeder te beëindigen. 3.10.
  26. Het hof merkt tenslotte op dat de moeder altijd de moeder van [minderjarige] blijft, ook al heeft de moeder het ouderlijk gezag over [minderjarige] niet meer. De moeder is belangrijk voor [minderjarige] omdat zij haar moeder is. Het feit dat de omgang tussen de moeder en [minderjarige] momenteel goed verloopt, is heel positief te noemen. Het hof acht het dan ook van belang dat de GI, wanneer het de moeder lukt deze positieve ontwikkeling in de toekomst voort te zetten, zal bekijken hoe er verder vorm gegeven kan worden aan de omgangsmomenten. 3.
  27. De moeder heeft haar subsidiaire verzoek om de grootouders tot voogd te benoemen ter zitting ingetrokken, zodat dit verzoek geen verdere bespreking behoeft. 3.
  28. Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking dient te worden bekrachtigd. 3.
  29. Gelet op de aard van de procedure zal het hof de proceskosten in hoger beroep compenseren. 4De beslissing Het hof: bekrachtigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Limburg , zittingsplaats Maastricht van 10 januari 2025, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen; verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, team familie- en jeugdrecht, ter attentie van het centraal gezagsregister; compenseert de proceskosten in hoger beroep, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt; wijst af het meer of anders verzochte. Deze beschikking is gegeven door mrs. S.P.A. Wensink-Vergunst, E.M.C. Dumoulin en M.E.M. Beijersbergen, bijgestaan door mr. E.G.A. Janssen als griffier en is op 10 juli 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.