← Nederland

ECLI:NL:GHSHE:2025:1989

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team familie- en jeugdrecht Uitspraak: 10 juli 2025 Zaaknummer: 200.350.780/01 Zaaknummer eerste aanleg: C/01/400283 / FA RK 24-16 in de zaak in hoger beroep van: mr. [de bijzondere curator], in de hoedanigheid van bijzondere curator over de minderjarige: [minderjarige] (hierna te noemen: [minderjarige] ), kantoorhoudende te [kantoorplaats] , verzoekster in hoger beroep, hierna te noemen: de bijzondere curator, tegen [de moeder] , wonende te [woonplaats] , verweerster in hoger beroep, hierna te noemen: de moeder, advocaat: voorheen mr. W.H.A. de Koning, thans zonder advocaat. Als belanghebbende in deze zaak wordt aangemerkt: [de man] , wonende te [woonplaats] , hierna te noemen: de man. In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is in de procedure gekend: de Raad voor de Kinderbescherming, locatie [locatie] , hierna te noemen: de raad. 1Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 31 december 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. 2Het geding in hoger beroep 2.

  1. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 3 februari 2025, heeft de bijzondere curator verzocht bij beschikking, voor zover de wet dit toelaat, uitvoerbaar bij voorraad, voormelde beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, zo nodig onder aanvulling of verbetering van de gronden alsnog de uitkomst van de opgestarte procedure bij de rechtbank tot beveling van een DNA-onderzoek en gerechtelijke vaststelling vaderschap (bekend onder zaaknummer C/01/410624 FA RK 24-4958) af te wachten en in de behandeling van het hoger beroep te betrekken het voorwaardelijk verzoek van de bijzondere curator tot vernietiging van de erkenning van [minderjarige] door de man, voor het geval dat in de lopende procedure beveling DNA-onderzoek en gerechtelijke vaststelling vaderschap het vaderschap van de heer [de vermeende biologische vader] als vader van [minderjarige] gerechtelijk wordt vastgesteld. 2.
  2. Er is geen verweerschrift ingekomen. 2.
  3. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 19 juni
  4. Bij die gelegenheid zijn gehoord: de bijzondere curator; de moeder; de man. 2.3.
  5. De raad heeft het hof bij brief d.d. 16 april 2025 bericht niet tijdens de mondelinge behandeling te zullen verschijnen. 2.3.
  6. Het hof heeft de minderjarige [minderjarige] in de gelegenheid gesteld om haar mening kenbaar te maken. Zij heeft hiervan gebruik gemaakt door het hof een brief te sturen, die ter griffie is ingekomen op 19 mei
  7. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de voorzitter verteld dat de inhoud van de brief geen betrekking heeft op het verzoek in hoger beroep, maar op de (woon)situatie van [minderjarige] bij haar grootouders (mz). Alle aanwezigen hebben de gelegenheid gekregen daarop te reageren. 2.
  8. Er zijn geen nadere stukken ingekomen. 3De beoordeling De feiten 3.
  9. Uit de moeder is, op [geboortedatum] 2014 te [geboorteplaats] , [minderjarige] geboren. 3.
  10. De man heeft, met toestemming van de moeder, [minderjarige] op 24 december 2013 erkend. Vaststaat dat de man niet de biologische vader van [minderjarige] is. De procedure in eerste aanleg 3.
  11. De moeder heeft de rechtbank op grond van artikel 1:205 lid onder a juncto lid 4 van het Burgerlijk Wetboek (BW) verzocht de erkenning van [minderjarige] door de man te vernietigen. 3.
  12. Bij beschikking van 26 januari 2024 heeft de rechtbank Oost-Brabant op grond van artikel 1:212 BW de bijzondere curator benoemd. 3.
  13. De bijzondere curator heeft op 6 februari 2024 een verslag opgesteld. In dit verslag concludeert de bijzondere curator – samengevat – na alle belangen afgewogen te hebben, dat het door de moeder gedane verzoek dient te worden afgewezen. De door de moeder aangevoerde reden maakt niet dat de eerdere erkenning en daarmee de geslachtsnaamkeuze teniet kan worden gedaan. De bijzondere curator heeft de rechtbank verder verzocht niet direct tot afwijzing van het verzoek van de moeder over te gaan, maar om de beslissing op het verzoek zes tot negen maanden aan te houden. [minderjarige] heeft het recht om te weten van wie zij afstamt en er dient duidelijkheid te worden gecreëerd over wat zij te verwachten heeft van haar (vermeende) biologische vader. De moeder, de GI en/of psycholoog dienen ten behoeve van [minderjarige] met het onderwerp afstamming/identiteit aan de slag te gaan. 3.
  14. Op 3 december 2024, op de ochtend van de mondelinge behandeling van de onderhavige zaak bij de rechtbank, heeft de bijzondere curator bij de rechtbank nog een procedure opgestart (met zaaknummer C/01/410624 / FA RK 24-4958). De bijzondere curator heeft in die procedure verzocht: om haar ook in deze zaak tot bijzondere curator te benoemen; een DNA-onderzoek te bevelen, waaraan de vermeende biologische vader, de heer [de vermeende biologische vader] , zijn medewerking dient te verlenen om vast te kunnen stellen of hij de biologische vader van [minderjarige] is; over te gaan tot de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap van [de vermeende biologische vader] als vader van [minderjarige] , zodra de beslissing inzake de vernietiging van de erkenning van [minderjarige] door de man in kracht van gewijsde is gegaan. 3.
  15. Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank de moeder niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek tot vernietiging van de erkenning. De ontwikkelingen na de bestreden beschikking 3.
  16. Bij beschikking van 13 januari 2025 heeft de rechtbank Oost-Brabant mr. [de bijzondere curator] ook in de procedure met zaaknummer C/01/410624 / FA RK 24-4958 tot bijzondere curator over [minderjarige] benoemd. De procedure in hoger beroep 3.
  17. De bijzondere curator kan zich er niet mee verenigen dat de rechtbank de beslissing op het verzoek van de moeder niet heeft aangehouden, zoals door de bijzondere curator is verzocht. De standpunten 3.
  18. De bijzondere curator voert – samengevat – het volgende aan. De bijzondere curator heeft op de dag van de mondelinge behandeling van het verzoek tot vernietiging van de erkenning van [minderjarige] door de man bij de rechtbank, bij de rechtbank een procedure opgestart tot beveling van een DNA-onderzoek. Ook heeft zij in die procedure een (voorwaardelijk) verzoek tot gerechtelijke vaststelling vaderschap gedaan. Eerder was de naam van de (vermeende) biologische vader van [minderjarige] niet bij de bijzondere curator bekend. Het is onbegrijpelijk dat de rechtbank in de bestreden beschikking aan die procedure geen overweging heeft gewijd; hierdoor is sprake van een motiveringsgebrek. De rechtbank heeft verder ten onrechte het verzoek van de bijzondere curator tot aanhouding van de zaak afgewezen en direct een eindbeschikking afgegeven. De uitkomst van die andere procedure diende eerst te worden afgewacht. Het is normaliter gebruikelijk dat een dergelijk aanhoudingsverzoek wordt gehonoreerd. Dat de rechtbank dit niet heeft gedaan is zowel formeel onjuist als niet praktisch. Het is in het belang van [minderjarige] dat zij de waarheid omtrent haar identiteit en afstamming kent. Ook dient er eerst duidelijkheid te komen over wat [minderjarige] van haar (vermeende) biologische vader te verwachten heeft. Doordat de rechtbank direct een eindbeschikking heeft afgegeven, kon de bijzondere curator in de onderhavige procedure niet meer – bij wege van zelfstandig verzoek – alsnog namens [minderjarige] een verzoek tot vernietiging van de erkenning indienen, indien [de vermeende biologische vader] haar biologische vader is. De bijzondere curator heeft – desgevraagd door het hof – verklaard dat zij bij de rechtbank nog geen voorwaardelijk verzoek tot vernietiging van de erkenning van [minderjarige] door de man heeft ingediend. De bijzondere curator voert – omtrent de ontvankelijkheid in hoger beroep – aan dat het door haar gedane aanhoudingsverzoek bij de rechtbank dient te worden opgevat als een zelfstandig verzoek in die procedure. Dit hoger beroep dient dan niet als een eerste verzoek in hoger beroep te worden gekwalificeerd, maar als een aanvulling of wijziging van het eerder door de bijzondere curator bij de rechtbank gedane zelfstandige verzoek. 3.
  19. De moeder voert – samengevat – aan dat zij hoopt dat er snel duidelijkheid komt voor [minderjarige] over haar biologische vader. 3.
  20. De man heeft tijdens de mondelinge behandeling geen inhoudelijk standpunt ingenomen over het aan het hof voorliggende verzoek in hoger beroep. Hij heeft enkel te kennen gegeven dat hij de juridische procedures niet meer ‘trekt’. De motivering van de beslissing 3.
  21. Het hof overweegt het volgende. 3.13.
  22. De moeder heeft de rechtbank op grond van artikel 1:205 lid onder a juncto lid 4 BW verzocht de erkenning van [minderjarige] door de man te vernietigen. De rechtbank heeft de moeder in genoemd verzoek – in haar hoedanigheid van wettelijke vertegenwoordiger van [minderjarige] –niet-ontvankelijk verklaard. Het hof stelt vast dat het hoger beroep van de bijzondere curator zich niet tegen dit oordeel van de rechtbank richt. De bijzondere curator verzoekt in hoger beroep namelijk de uitkomst van de door haar op 3 december 2024 gestarte procedure bij de rechtbank tot beveling van een DNA-onderzoek en gerechtelijke vaststelling vaderschap af te wachten en in de behandeling van het hoger beroep te betrekken het voorwaardelijk verzoek van de bijzondere curator tot vernietiging van de erkenning van [minderjarige] door de man, voor het geval dat in de lopende procedure tot beveling DNA-onderzoek en gerechtelijke vaststelling vaderschap het vaderschap van de heer [de vermeende biologische vader] als vader van [minderjarige] gerechtelijk wordt vastgesteld. Het hof ziet zich daarom eerst voor de vraag gesteld of de bijzondere curator ontvankelijk is in dit verzoek in hoger beroep. 3.13.
  23. Anders dan de bijzondere curator tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft betoogd is het door de bijzondere curator tijdens de mondelinge behandeling bij de rechtbank gedane aanhoudingsverzoek niet aan te merken als een zelfstandig verzoek in die procedure, waarvan in hoger beroep om aanvulling of wijziging kan worden verzocht. Een zelfstandig verzoek dat voor het eerst in hoger beroep wordt gedaan is op grond van artikel 362 Rv niet toegestaan. Dit brengt met zich dat de bijzondere curator niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in het verzoek in hoger beroep. Dat staat er overigens niet aan in de weg dat de bijzondere curator alsnog bij de rechtbank – namens [minderjarige] – een (voorwaardelijk) verzoek tot vernietiging van de erkenning van [minderjarige] door de man kan indienen. 3.13.
  24. Het hof komt niet meer aan een inhoudelijke beoordeling van de zaak toe. 4De beslissing Het hof: verklaart de bijzondere curator niet-ontvankelijk in het verzoek in hoger beroep. Deze beschikking is gegeven door mrs. S.P.A. Wensink-Vergunst, E.M.C. Dumoulin en E.F.M. van Swaaij en is in het openbaar uitgesproken op 10 juli 2025 in tegenwoordigheid van de griffier.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.