← Nederland

ECLI:NL:GHSHE:2025:2005

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team Handelsrecht zaaknummer 200.338.062/01 arrest van 15 juli 2025 in de zaak van [appellant] , wonende te [woonplaats] , appellant, hierna aan te duiden als [appellant] , advocaat: mr. R.W. Lagerwaard te Hilversum, tegen [geïntimeerde] , gevestigd en kantoorhoudende te [vestigingsplaats] , Polen, geïntimeerde, hierna aan te duiden als [geïntimeerde] , advocaat: mr. J.E. van Nuland te Maastricht, als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 21 mei 2024 in het hoger beroep van de door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, onder zaaknummer C/03/305051 / HA ZA 22-216 gewezen vonnissen van 16 november 2022, 1 februari 2023 en 22 maart

  1. 5Het verloop van de procedure 5.
  2. [appellant] heeft bij dagvaardingsexploot van 21 juni 2023, hersteld bij exploot van 28 december 2023, [geïntimeerde] opgeroepen om te verschijnen ter openbare terechtzitting van dit hof van 27 februari 2024, waarbij in een nog in te dienen memorie van grieven nadere gronden zullen worden aangevoerd ter onderbouwing van de eis en conclusie zoals in de appeldagvaarding vermeld. 5.
  3. Het hof heeft in het tussenarrest van 21 mei 2024 een mondelinge behandeling na aanbrengen gelast. Deze mondelinge behandeling is gehouden op 3 juli 2024 en daarvan is een proces-verbaal van mondelinge behandeling na aanbrengen opgemaakt. Partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling geen minnelijke regeling bereikt. De raadsheer-commissaris heeft de zaak daarom naar de rol van 30 juli 2024 verwezen voor uitlating van partijen over eventuele voortzetting van de mondelinge behandeling na aanbrengen op een nader te bepalen datum. Nadat de zaak een aantal keer was aangehouden, hebben partijen een akte genomen. In de zaak is vervolgens een voortzetting van de mondelinge behandeling na aanbrengen gepland op 13 februari
  4. Deze zitting is niet gehouden. 5.
  5. De zaak is vervolgens geplaatst op de rol van 1 april 2025 voor het nemen van een memorie van grieven. De memorie van grieven is niet op die roldatum genomen. Aan [appellant] is vervolgens op grond van artikel 2.19 van het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven (LPR) een (ambtshalve) uitstel van vier weken verleend voor het nemen van de memorie van grieven op de rol van 29 april 2025, ambtshalve peremptoir. 5.
  6. Op de rol van 29 april 2025 heeft de advocaat van [appellant] zich aan de zaak onttrokken, waarna de zaak op de voet van artikel 6.2 LPR is verwezen naar de rol van 13 mei 2025 voor de procedurestap ‘procesvertegenwoordiger stellen appellant + mvg AP’. Op die rol heeft zich voor [appellant] een nieuwe advocaat gesteld. Deze advocaat heeft om uitstel voor het nemen van een memorie van grieven verzocht. Dit verzoek is toegewezen en de zaak is naar de rol van 27 mei 2025 verwezen voor het nemen van een memorie van grieven, ambtshalve peremptoir. [appellant] heeft daarna nogmaals, eenstemmig, om twee weken uitstel verzocht op grond van klemmende redenen. Ook dit verzoek is toegewezen en de zaak is verwezen naar de rol van 10 juni
  7. Op die rol heeft [appellant] wederom om een uitstel op grond van klemmende redenen verzocht. Dit verzoek is door de rolraadsheer afgewezen. De memorie van grieven is niet genomen. 5.
  8. Dat heeft ertoe geleid dat op de rol van 10 juni 2025 de rolraadsheer heeft vastgesteld dat het recht van [appellant] om de memorie van grieven te nemen is vervallen, omdat die proceshandeling niet binnen de daarvoor gestelde termijn is verricht en daarvoor geen nader uitstel is verkregen. De rolraadsheer heeft van dat feit aan de wederpartij akte van niet-dienen verleend. 5.
  9. Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. 6De beoordeling Aan [appellant] is een termijn van zes weken verleend voor het nemen van een memorie van grieven (artikel 2.18 LPR). Daarna is conform artikel 2.19 LPR een ambtshalve uitstel van vier weken voor het nemen van de memorie van grieven verleend, ambtshalve peremptoir. Daarna kan slechts op eenstemmig verzoek van partijen of op grond van klemmende redenen om een nader uitstel worden verzocht, artikel 2.20 LPR. Nadat tot twee keer toe om nader uitstel is gevraagd en ook is verkregen, is het derde verzoek voor de rol van 10 juni 2025 door de rolraadsheer afgewezen en een akte van niet-dienen verleend. Dat leidt ertoe dat [appellant] tegen de vonnissen waarvan beroep geen grieven heeft aangevoerd. Dit brengt mee dat [appellant] niet-ontvankelijk zal worden verklaard in het hoger beroep. [geïntimeerde] heeft niet verzocht een memorie van eis in incidenteel hoger beroep te mogen nemen (artikel 2.21 LPR). [appellant] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure in hoger beroep. 7De uitspraak Het hof: verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in het hoger beroep; veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerde] tot aan deze uitspraak begroot op € 5.689,00 aan verschotten en op € 5.286,00 (1,0 punt x tarief VII) aan salaris advocaat. Dit arrest is gewezen door mrs. S.M.A.M. Venhuizen, E.H. Schulten en J.M.H. Schoenmakers en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 15 juli
  10. griffier rolraadsheer

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.