← Nederland

ECLI:NL:GHSHE:2025:2006

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team Handelsrecht zaaknummer 200.338.569/01 arrest van 15 juli 2025 in de zaak van RD Benelux B.V., gevestigd te [vestigingsplaats], eiseres in conventie, verweerster in voorwaardelijke reconventie, in de herroepingsprocedure, hierna aan te duiden als RD Benelux, advocaat: mr. P.C.W. Viëtor te Utrecht, tegen 1 [geïntimeerde 1],wonende te [woonplaats],

  1. [geïntimeerde 2],wonende te [woonplaats], gedaagden in conventie, eisers in voorwaardelijke reconventie, in de herroepingsprocedure, hierna aan te duiden als [geïntimeerden], advocaat: mr. N.C. Ogg te Eindhoven, op het bij exploot van dagvaarding van 15 februari 2024 ingeleide geding tot herroeping van het arrest van dit hof van 18 juli 2023 met zaaknummer 200.299.708/01, gewezen tussen RD Benelux als appellante en [geïntimeerden] als geïntimeerden. 1Het verloop van de procedure Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding, met producties HR1 tot en met HR16; de akte overlegging aanvullende producties, met producties HR17 en HR18; de conclusie van antwoord in conventie, tevens houdende voorwaardelijke eisvermeerdering/wijziging in reconventie, met producties 1 tot en met 4; de conclusie van repliek in conventie, tevens houdende conclusie van antwoord in voorwaardelijke reconventie, met producties HR19 tot en met HR21; de conclusie van dupliek; de mondelinge behandeling, waarbij partijen spreekaantekeningen hebben overgelegd; de bij brief van 13 juni 2025 door RD Benelux toegezonden producties HR22 tot en met HR26, die RD Benelux bij de mondelinge behandeling bij akte in het geding heeft gebracht. Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg. 2De beoordeling de kern van de zaak 2.
  2. RD Benelux heeft voor [geïntimeerden] in 2018 een prefab woning gebouwd in [plaats] (hierna: de woning). Bij de oplevering op 24 juli 2018 is een lijst met opleverpunten opgesteld. De afwikkeling van de afspraken uit de bouwovereenkomst heeft tot een gerechtelijke procedure tussen partijen geleid. Zij verschilden ten eerste van mening over het antwoord op de vraag of de op die lijst genoemde punten zijn hersteld. Daarnaast zou volgens [geïntimeerden] sprake zijn van nog een aantal gebreken waarvoor RD Benelux verantwoordelijk is. [geïntimeerden] heeft aanspraak gemaakt op vervangende schadevergoeding. Tot slot ging het debat tussen partijen over verrekening van in de aanneemsom opgenomen stelposten en van meer- en minderwerk. De rechtbank heeft bij vonnis van 4 augustus 2021 geoordeeld dat RD Benelux vervangende schadevergoeding aan [geïntimeerden] moet betalen ter hoogte van € 41.361,
  3. Het geld dat in depot bij de notaris staat moet aan [geïntimeerden] worden uitgekeerd en dient in mindering te strekken op dat bedrag. [geïntimeerden] moet op zijn beurt een bedrag van € 1.419,43 voor het verrichte meerwerk betalen aan RD Benelux. RD Benelux is van dat vonnis in hoger beroep gekomen en heeft haar vordering vermeerderd. Het hof heeft RD Benelux bij voornoemd arrest van 18 juli 2023 gelijk gegeven ten aanzien van de herstelkosten voor de werkzaamheden van Konkrea en het minderwerk ten aanzien van de kabelgoten: alle andere grieven heeft het hof verworpen. De eisvermeerdering is afgewezen. 2.
  4. RD Benelux heeft bij dagvaarding gevorderd dat het arrest wordt herroepen ex artikel 382 Rv, omdat haar gebleken is dat [geïntimeerden] bedrog heeft gepleegd en stukken van beslissende aard heeft achtergehouden. Het hof volgt RD Benelux niet in haar stellingen. Het geding wordt niet heropend. Dat oordeel wordt hierna verder toegelicht. de procedure bij het hof 2.
  5. Bij het arrest van 18 juni 2023 heeft dit hof het door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, onder zaak-/rolnummer C/01/359707 / HA ZA 20-410 gewezen vonnis van 4 augustus 2021, tussen RD Benelux als gedaagde in conventie, eiseres in reconventie, en [geïntimeerden] als eiser in conventie, verweerder in reconventie, vernietigd en de vorderingen van partijen over en weer alsnog toegewezen op de wijze zoals in het dictum bepaald, met veroordeling van RD Benelux in de kosten van het hoger beroep. Het hof verwijst voor de feiten en voor zijn overwegingen en beslissingen dienaangaande naar het arrest van 18 juli 2023 (ECLI:NL:GHSHE:2023:2364). de gronden voor herroeping 2.3.
  6. RD Benelux heeft zich op het standpunt gesteld dat [geïntimeerden] enkele stukken niet in het geding heeft gebracht en daarmee essentiële informatie heeft verzwegen. Het gaat om de volgende stukken: i. het taxatierapport van de woning van 15 mei 2023, met bijlagen; ii. de koopovereenkomst met betrekking tot de woning; iii. een rapport van een bouwtechnische keuring van de Vereniging Eigen Huis (hierna: de VEH) van de woning van 22 december
  7. Volgens RD Benelux is gebleken dat [geïntimeerden] al op 22 december 2022 de beschikking heeft gekregen over het rapport van de VEH, welk rapport hij niet heeft ingebracht in de procedure die op dat moment nog aanhangig was bij het hof. Dit terwijl [geïntimeerden] wist dat de conclusies van de VEH tegenstrijdig zijn met de conclusies van Vastgoedkeur. Het taxatierapport onderschrijft de conclusies van het rapport van de VEH. Uit de koopovereenkomst blijkt voorts dat [geïntimeerden] de door Vastgoedkeur vastgestelde gebreken niet heeft hersteld en uit de vragenlijst behorende bij de koopovereenkomst volgt dat [geïntimeerden] zelf heeft verklaard dat de slaapkamers wel degelijk zijn voorbereid op installatie van infra-rood panelen, aldus steeds RD Benelux. Er is sprake van het achterhouden van stukken van beslissende aard. Ook is sprake van bedrog, doordat [geïntimeerden] wezenlijke stukken heeft achtergehouden en RD Benelux niet wist dat [geïntimeerden] de keuring door de VEH zou laten uitvoeren. RD Benelux stelt zich bovendien op het standpunt dat [geïntimeerden] onrechtmatig heeft gehandeld. Zo heeft [geïntimeerden] door het achterhouden van de stukken ervoor gezorgd dat het recht op een eerlijk proces (artikel 6 EVRM) is geschonden. [geïntimeerden] heeft met een bedrieglijk rapport van Vastgoedkeur getracht de rechtbank en het hof te bewegen zijn vordering toe te wijzen. Daarbij werd ook artikel 21 Rv geschonden. RD Benelux heeft schade geleden, bestaande uit de kosten die zij heeft gemaakt om zich te verweren en uit reputatieschade. RD Benelux vordert dat haar vordering in reconventie, zoals vermeerderd in hoger beroep, alsnog wordt toegewezen, vordert terugbetaling van hetgeen zij op grond van het arrest van 18 juli 2023 aan [geïntimeerden] heeft voldaan en wijzigt haar eis aldus dat - samengevat - een verklaring voor recht wordt gevorderd dat [geïntimeerden] onrechtmatig jegens RD Benelux heeft gehandeld, met verwijzing naar de schadestaatprocedure. Ook vordert RD Benelux dat [geïntimeerden] wordt veroordeeld in de reële proceskosten van beide instanties, en in de proceskosten van de herroepingsprocedure. 2.3.
  8. [geïntimeerden] voert als meest verstrekkende verweer aan dat RD Benelux niet-ontvankelijk moet worden verklaard. [geïntimeerden] stelt daartoe dat partijen volledige kwijting zijn overeengekomen en dat partijen hiermee zijn overeengekomen niets meer van elkaar te vorderen te hebben. Dat leidt [geïntimeerden] af uit de omschrijving “tegen volledige kwijting” bij de betaling van de vordering op grond van het arrest van 18 juli
  9. Verder voert [geïntimeerden] aan dat de stukken niet relevant waren in de procedure die tussen partijen is gevoerd en derhalve niet van beslissende aard zijn. Bovendien is één van de genoemde stukken nooit in zijn bezit geweest (het taxatierapport). Tot slot voert [geïntimeerden] aan dat er geen causaal verband bestaat tussen het gestelde bedrog en de oordelen van het hof. [geïntimeerden] betwist onrechtmatig te hebben gehandeld: de stukken waren niet relevant voor de kwestie en hoefden derhalve niet door hem in het geding te worden gebracht dan wel waren helemaal niet in zijn bezit en konden niet in het geding worden gebracht. Bovendien stuit de vordering af op het gezag van gewijsde van het arrest van het hof van 18 juli
  10. Daarbij betwist [geïntimeerden] dat schade is geleden en dat er een causaal verband bestaat tussen het gestelde bedrog van [geïntimeerden] en de schade. Mocht het hof overgaan tot heropening, dan wenst [geïntimeerden] (dus voorwaardelijk) in staat gesteld te worden zijn eerder ingestelde vorderingen te vermeerderen dan wel te wijzigen. Daarnaast vordert [geïntimeerden] dat RD Benelux in deze herroepingsprocedure wordt veroordeeld in de volledige proceskosten. de ontvankelijkheid 2.
  11. Het hof is van oordeel dat RD Benelux ontvankelijk is in haar vordering tot herroeping op de voet van artikel 382 Rv. RD Benelux heeft toegelicht dat de vordering onder protest is voldaan om een faillissement - dat door [geïntimeerden] was aangevraagd - te voorkomen en dat door de advocaat ook is medegedeeld dat uit die betaling geen erkenning kan worden afgeleid. Partijen hebben niet beoogd om een overeenkomst te sluiten op basis waarvan zij over en weer niets meer van elkaar te vorderen zouden hebben, dit volgt niet uit de tussen (de advocaten van) de partijen gevoerde correspondentie, aldus RD Benelux. In het licht van die feitelijke toelichting, die door [geïntimeerden] niet is weersproken, is de enkele stelling dat RD Benelux ‘blijkbaar’ iets wilde zeggen met de omschrijving bij de betaling niet toereikend ter onderbouwing van zijn stelling dat finale kwijting tussen partijen is overeengekomen. Het hof verwerpt de stellingen van [geïntimeerden]. het toetsingskader en het oordeel van het hof 2.5.
  12. Voor zover relevant bepaalt artikel 382 Rv het volgende: ‘Een vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan, kan op vordering van een partij worden herroepen indien: a. het berust op bedrog door de wederpartij in het geding gepleegd, (…) of c. de partij na het vonnis stukken van beslissende aard in handen heeft gekregen die door toedoen van de wederpartij waren achtergehouden.’. Voldoende is dat de eisende partij stelt dat de aangewezen gedragingen of feiten gekwalificeerd kunnen worden als een van de gronden behorende tot de opsomming in artikel 382 Rv en dat deze in het voorliggende geval tot een zodanige twijfel omtrent de juistheid van de in de uitspraak aangenomen feiten (de totstandkoming van dit oordeel) en de daarop gebaseerde beslissing leiden, dat de klagende partij via heropening van het geding een herkansing moet krijgen de uitkomst van het geding in haar voordeel om te buigen. Indien de rechter de voor herroeping aangevoerde grond juist bevindt, heropent hij het geding geheel of gedeeltelijk en geeft hij partijen gelegenheid hun stellingen aan te passen (artikel 387 Rv). 2.5.
  13. Het hof komt tot het oordeel dat de aangevoerde gronden voor herroeping niet slagen. Het hof overweegt daartoe als volgt. zijn er stukken van beslissende aard achtergehouden (de c-grond)? 2.6.
  14. Stukken van beslissende aard zijn stukken die de uitspraak anders zouden hebben doen uitvallen als zij aan de rechter bekend zouden zijn geweest, althans stukken die onzeker maken of de rechter na kennisneming daarvan tot dezelfde uitspraak zou zijn gekomen. De stukken van beslissende aard moeten bovendien door toedoen van de wederpartij zijn achtergehouden. Om daarvan te kunnen spreken zal ten minste gesteld moeten kunnen worden dat de wederpartij hangende het oorspronkelijke geding over deze stukken de beschikking had, althans het bestaan daarvan kende en de beschikking daarover kon krijgen. 2.6.
  15. Het hof heeft in zijn arrest van 18 juli 2023 - samengevat - geoordeeld over de rechtsverhouding tussen RD Benelux en [geïntimeerden], in die zin: I. dat RD Benelux met de ondertekening van de opleverlijst bij het opleveringsprotocol de verplichting op zich heeft genomen de opleverpunten af te werken, en dat zij nagelaten heeft concreet en onderbouwd te stellen dat en wanneer en door wie welke opleverpunten zijn afgewerkt: de beraamde kosten zijn onvoldoende gemotiveerd weersproken, zodat het bedrag van € 24.596,88 aan vervangende schadevergoeding moet worden voldaan; en II. dat ook in hoger beroep het uitgangspunt is dat RD Benelux is ontslagen van aansprakelijkheid voor gebreken die de opdrachtgever op het tijdstip van de oplevering redelijkerwijs had moeten ontdekken, tenzij partijen afwijkende afspraken hebben gemaakt: dat is ten aanzien van de scheuren in de vloer aangenomen, zodat ook het gevorderde bedrag van € 7.448,76 moet worden voldaan. Verder zijn beslissingen genomen ten aanzien van de verrekening van meer- en minderwerk en stelposten. het rapport van de VEH 2.6.
  16. Het rapport van de VEH is, zoals [geïntimeerden] onweersproken heeft toegelicht, ten behoeve van de verkoop van de woning in zijn opdracht opgesteld, met als doel aan de potentiële kopers te kunnen illustreren dat de woning geschikt was als woning. Het is naar het oordeel van het hof niet beslissend van aard. Het betreft een bouwtechnische keuring van de staat van de woning op dát moment, ruimschoots ná de oplevering, en zegt niets over de rechtsverhouding tussen partijen waarover het hof heeft geoordeeld (vgl. rov. 2.6.2). De VEH heeft onderzocht of er sprake was van bouwkundige (functionele) gebreken en gaat niet in op de vraag of de tussen partijen gemaakte afspraken over de opleverlijst, de scheuren in de vloer en de verrekening van meer- en minderwerk en stelposten al dan niet zijn nagekomen. [geïntimeerden] wijst er terecht op dat de procedure niet ging over de vraag of een gebrekkige woning was geleverd, en evenmin over de vraag of de punten op de lijst al dan niet als ‘bouwkundig gebrek’ waren aan te merken. Anders dan RD Benelux tijdens de mondelinge behandeling heeft betoogd, bestond er gelet op de discussie geen ruimte meer om de opleverlijst op basis van nieuwe inzichten aan te passen. Tussen partijen stond immers vast dat RD Benelux zich had verbonden tot herstel van de opleverpunten en de discussie zag op de vraag of dit herstel had plaatsgevonden. Ter beantwoording van die vraag heeft [geïntimeerden] Vastgoedkeur diens rapport laten opstellen. Voor zover RD Benelux beoogt te stellen dat ten aanzien van de vraag of herstel genoegzaam heeft plaatsgevonden het rapport van de VEH beslissend kan zijn, overweegt het hof dat dit niet zo is. Ten eerste is die vraag niet aan de deskundige van de VEH voorgelegd. Niet gebleken is dat de deskundige zelfs maar de beschikking had over deze lijst en de tussen partijen in het kader van de bouwovereenkomst gemaakte afspraken. Bovendien is het rapport 4,5 jaar na de oplevering opgesteld. [geïntimeerden] heeft onvoldoende gemotiveerd weersproken gesteld dat hij na de procedure in eerste aanleg zelf tot herstel van een groot deel van de punten op de lijst is overgegaan. Het is het hof niet duidelijk waarop RD Benelux de veronderstelling baseert dat [geïntimeerden] niets aan de woning heeft gedaan. Dus als de deskundige van de VEH een bepaald onderdeel op dat moment niet opmerkt of anders waardeert, zegt dat ook daarom onvoldoende over de situatie ten tijde van de oplevering. Tot slot heeft [geïntimeerden] onderbouwd toegelicht waarom ook de kostenramingen niet vergelijkbaar zijn: de VEH heeft de kosten in kaart gebracht die gemaakt moeten worden om de woning in functionele staat te brengen, terwijl Vastgoedkeur de kosten van herstel van oplevergebreken heeft geraamd. Dat zijn wezenlijk andere kwesties. RD Benelux heeft dat niet gemotiveerd weersproken. Ook ten aanzien van de scheuren in de vloer is op basis van de niet nagekomen afspraak tot herstel geoordeeld dat op RD Benelux een verplichting tot vergoeding van schade bestond, en ook daarover zegt het rapport niets. het taxatierapport 2.6.
  17. Nog daargelaten dat niet is komen vast te staan dat [geïntimeerden] de beschikking had over het door de kopers van de woning ten behoeve van hun financiering opgestelde taxatierapport en het maar de vraag is of hij het bestaan daarvan kende en de beschikking daarover kon krijgen, geldt dat het taxatierapport inzicht geeft in de waarde van de woning op de peildatum als onderpand voor de hypothecaire financiering. Deze waardebepaling dateert van vijf jaar na de oplevering. Op welke wijze een dergelijk rapport beslissend van invloed zou kunnen zijn geweest op de (totstandkoming van de) hiervoor onder rov. 2.6.2 genoemde oordelen is niet duidelijk geworden. Op geen enkele wijze zegt dit rapport iets over de feiten die aan die oordelen ten grondslag hebben gelegen. Het hof verwijst naar hetgeen daarover hiervoor in rov. 2.6.3 is overwogen: ook in dit rapport wordt niet ingegaan op de vragen die aan het hof voorlagen. De stelling dat dit rapport de conclusies van de VEH onderschrijft maakt dit oordeel niet anders, al vanwege hetgeen het hof hiervoor al over de strekking en betekenis van het rapport van de VEH in de onderhavige procedure heeft overwogen. de koopovereenkomst met bijlagen 2.6.
  18. Ten aanzien van de koopovereenkomst met bijlagen heeft RD Benelux gewezen op de opmerking van [geïntimeerden] dat “Alle slaapkamers zijn voorbereid op installatie van infra-rood panelen (bekabeling van meterkast naar slaapkamer)”: daarmee spreekt [geïntimeerden] zichzelf volgens RD Benelux tegen en dit antwoord is ook in lijn met de stellingen van RD Benelux. [geïntimeerden] wijst er echter terecht op dat het in de procedure niet ging om de vraag óf de elektraleidingen waren aangebracht, maar om de vraag of daar opdracht voor was gegeven. Omdat dat laatste niet is komen vast te staan, is een bedrag als minderwerk verrekend. De opmerking van [geïntimeerden] op de vragenlijst werpt dus geen ander licht op het oordeel van het hof. Om welke andere redenen de inhoud van de koopovereenkomst van beslissende aard zou zijn, is niet toegelicht. 2.6.
  19. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat zelfs als het hof voornoemde stukken had gekend, dit niet tot aan andere uitkomst had geleid. Ze trekken de feiten waarop het oordeel van het hof is gebaseerd niet in twijfel. Er is dus geen processueel causaal verband tussen het niet overleggen van de stukken in de procedure en de totstandkoming van de beslissingen van het hof. berust het arrest op bedrog door [geïntimeerden] (de a-grond)? 2.7.
  20. Over het beroep van RD Benelux op de a-grond, bedrog, oordeelt het hof als volgt. Het begrip ‘bedrog’ dient ruim te worden uitgelegd (zie HR 19 december 2003, ECLI:NL:HR:2003:AN7890, rov. 3.7). Van bedrog is al sprake wanneer een partij door haar oneerlijke proceshouding belet dat in de procedure feiten aan het licht komen die tot een voor de tegenpartij gunstige afloop van die procedure zouden hebben kunnen leiden. Dit zal zich onder meer voordoen wanneer een partij feiten als hiervoor bedoeld verzwijgt, terwijl zij wist of behoorde te weten dat de tegenpartij niet met die feiten bekend was of redelijkerwijs bekend behoorde te zijn. 2.7.
  21. Het hof ziet geen aanknopingspunten voor het oordeel dat [geïntimeerden] in de procedure die heeft geleid tot het arrest van 18 juli 2023 bedrog heeft gepleegd. Uit hetgeen het hof hiervoor al ten aanzien van de stukken heeft overwogen, volgt dat geen sprake is van het bedrieglijk achterhouden van feiten (de stukken) die tot een andere - voor [geïntimeerden] ongunstige - uitkomst hadden kunnen leiden. Om welke reden [geïntimeerden] RD Benelux hadden moeten inlichten over de keuring door de VEH is niet duidelijk geworden. [geïntimeerden] heeft er in haar conclusie van antwoord terecht op gewezen dat dit feit voor het debat tussen partijen niet ter zake deed. Er is geen sprake van een oneerlijke proceshouding van [geïntimeerden]. conclusie 2.8.
  22. De vordering tot herroeping wordt afgewezen en het geding wordt niet heropend. Gelet op dit oordeel is voor bewijslevering geen plaats. Aan de gewijzigde eis wordt niet toegekomen. 2.8.
  23. Het hof zal RD Benelux als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van deze procedure veroordelen. De vordering tot vergoeding van alle door [geïntimeerden] in verband met de onderhavige procedure gemaakte kosten wordt afgewezen. Deze is slechts toewijsbaar in geval van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen. Daarvan is pas sprake als het instellen van de vordering, gelet op de evidente ongegrondheid daarvan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven. Hiervan kan eerst sprake zijn als eiser zijn vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. Bij het aannemen van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door het aanspannen van een procedure past terughoudendheid, gelet op het recht op toegang tot de rechter dat mede gewaarborgd wordt door artikel 6 EVRM. Hetgeen [geïntimeerden] ter onderbouwing van zijn vordering heeft gesteld, is in het licht van die maatstaf onvoldoende om de conclusie te kunnen dragen dat sprake is van misbruik van recht. 2.8.
  24. De kosten voor de herroepingsprocedure aan de zijde van [geïntimeerden] zullen vastgesteld worden op: griffierechten € 798,- salaris advocaat € 3.642,- (3 punten x tarief II) nakosten € 178,- (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 4.618,- 2.8.
  25. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. 3De uitspraak Het hof: wijst de vordering tot herroeping af; veroordeelt RD Benelux in de kosten van de procedure van € 4.618,-, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe; als RD Benelux niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het arrest daarna wordt betekend, dan moet zij € 92,- extra betalen vermeerderd met de kosten van betekening; veroordeelt RD Benelux in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan; verklaart voormelde proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad; wijst het meer of anders gevorderde af. Dit arrest is gewezen door mrs. J.J.M. van Lanen, J.M.H. Schoenmakers en J.J.M. Saelman en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 15 juli
  26. griffier rolraadsheer

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.