GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team Handelsrecht zaaknummer 200.354.782/01 arrest van 15 juli 2025 in de zaak van 1Payward Inc.,gevestigd te [vestigingsplaats] , 2. Payward Ltd.,gevestigd te [vestigingsplaats] , appellanten, hierna gezamenlijk aan te duiden als Payward, advocaat: mr. M. Malycha te Amsterdam, tegen [geïntimeerde] , wonende te [woonplaats] , geïntimeerde, hierna aan te duiden als [geïntimeerde] , advocaat: mr. P.A.M. Vermeer te Breda. op het bij exploot van dagvaarding van 16 mei 2025 ingeleide hoger beroep van het tussenvonnis van 1 mei 2025, door de voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, gewezen tussen Payward als gedaagden en [geïntimeerde] als eiser. 1Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/02/434789 / KG ZA 25-195) Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld tussenvonnis. 2Het geding in hoger beroep Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding in hoger beroep, tevens houdende grieven, met verzoek tot behandeling als spoedappel en schorsing tenuitvoerlegging vonnis (met 7 producties); de rolbeslissing van 15 mei 2025, waarbij de zaak is aangemerkt als spoedappel, gelegenheid aan geïntimeerde is gegeven om op de rolzitting van 10 juni 2025 een memorie van antwoord te nemen en is meegedeeld dat de mondelinge behandeling in de maand juni 2025 wordt gepland; de memorie van antwoord (met 5 producties); de mondelinge behandeling van 12 juni 2025, waarbij Payward is vertegenwoordigd en bijgestaan door mrs. M. Malycha en C.A. Janssen en waarbij [geïntimeerde] is verschenen en is bijgestaan door mrs. P.A.M. Vermeer en J.P. van Asten. Beide partijen hebben spreekaantekeningen overgelegd. Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg. 3De beoordeling Uiteenzetting van het geschil 3.1. [geïntimeerde] voert aan dat hij slachtoffer is geworden van een zogenoemde crypto boilerroom scam, waardoor hij de periode van 9 september 2024 tot 26 februari 2025 in totaal een bedrag van € 193.950,11 (ca. 86.77 ETH-ethereum) heeft verloren. Door middel van een nepadvertentie hebben fraudeurs [geïntimeerde] ervan weten te overtuigen om zich te registreren bij een Bitcoin broker, IB 24, en bedragen over te maken als belegging. [geïntimeerde] stelt dat die belegging niet bestond en dat de gelden zijn weggesluisd naar de fraudeurs. In opdracht van [geïntimeerde] heeft het onderzoeksbureau BlockFo begin april 2025 een blockchainanalyse verricht om inzicht te krijgen in de route die de door [geïntimeerde] overgemaakte gelden hebben afgelegd nadat deze door hem waren overgemaakt. BlockFo heeft het ingelegde geld kunnen traceren naar een aantal exchange wallets, waarvan er twee worden beheerd door Kraken. Kraken is de handelsnaam van Payward, onderdeel van een de internationale Payward-groep. Er zijn diverse Payward-entiteiten die handelen onder de naam ‘Kraken’. [geïntimeerde] is niet in staat om met zekerheid vast te stellen met welke entiteit onder de naam Kraken de fraudeur(
- s)een contractuele relatie heeft/hebben. De eerste creditcardbetaling die hij heeft verricht is ontvangen op een bankrekening in [plaats], zodat de fraudeurs zich mogelijk in [plaats] bevinden. Om die reden [geïntimeerde] besloten Payward Ltd. in deze procedure te betrekken en haar moederbedrijf Payward Inc. 3.2. Op 30 april 2025 heeft de voorzieningenrechter in eerste aanleg een brief ontvangen van de advocaat van [geïntimeerde] met daarbij gevoegd een conceptdagvaarding voor een tegen Payward aanhangig te maken kort geding. Zowel in de brief als in de conceptdagvaarding heeft [geïntimeerde] (onder meer) verzocht om, voor de duur van het kort geding een voorlopige voorziening (een ordemaatregel) te treffen. [geïntimeerde] vorderde om, zonder gedaagden te horen, bij wijze van ordemaatregel gedaagden te bevelen om transacties op de hierna weer te geven crypto-wallets te bevriezen (een zogenaamde freezingorder). Voor het volledige petitum van de conceptdagvaarding verwijst het hof daarnaar. 3.3. De voorzieningenrechter heeft vervolgens in het tussenvonnis als volgt beslist: 3.1. beveelt gedaagden voor de duur van dit kort geding - onverwijld, doch uiterlijk binnen twee dagen nadat eiser het tussenvonnis en de Engelse vertaling daarvan ter kennis van gedaagden heeft gebracht door toezending per e-mail. althans na betekening van het vonnis - de wallet adressen zoals genoemd onder randnummer 7 van de dagvaarding te bevriezen, althans de rechten van die persoon of entiteit om transacties te verrichten met deze wallet te schorsen, 3.2. beveelt gedaagden om de gebruiker(
- s)die zij kan vinden door middel van de transactie hashes (TX ID’s). zoals vermeld op pagina’s 10 t/m 19 van het als productie I bij dagvaarding overgelegde rapport van BlockFo van 7 april 2025, te identificeren en om het account van deze gebruiker(
- s)te bevriezen, althans de rechten om transacties te verrichten met dit account te schorsen, binnen twee dagen nadat eiser het tussenvonnis en de Engelse vertaling daarvan ter kennis van gedaagden heeft gebracht door toezending per e-mail, althans na betekening ervan., 3.3. verbiedt gedaagden om de in 3.1. bedoelde personen of entiteiten en de in 3.2. bedoelde gebruiker(
- s)vooraf in kennis te stellen van de ordemaatregel zoals vermeld onder 3.1 en 3.2; 3.4. beveelt gedaagden om binnen drie weken na de hiervoor bedoelde kennisgeving dan wel betekening aan (de advocaat van) eiser bekend te maken op welke dag en tijdstip de bevriezing c.q. schorsing van rechten is ingegaan en welke soort en kwantiteit cryptovaluta door de voorziening zijn getroffen, 3.5. veroordeelt gedaagden tot betaling van € 10.000,00 voor iedere overtreding van de maatregelen onder 3.1 t/m 3.4, te vermeerderen met een dwangsom van € 1.000,00, voor iedere dag dat de overtreding voortduurt, één en ander met een maximum van € 100.000,00 aan verbeurde dwangsommen, 3.6. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad; 3.7. bepaalt dat de verdere behandeling van deze ordemaatregelen wordt voortgezet ter zitting van de hoofdvordering in dit kort geding (…); 3.8. houdt iedere, verdere beslissing aan. 3.3.1. Het hof overweegt dat het hoger beroep slechts ontvankelijk is voor zover het gericht is tegen de door de voorzieningenrechter gegeven ordemaatregelen voor de duur van het kort geding (hiervoor weergegeven onder 3.1 tot en met 3.6) omdat daartegen grieven zijn gericht en niet tegen de beslissingen onder 3.7 en 3.8. 3.4. Payward is het niet met de bestreden beslissing eens en vordert in hoger beroep dat het hof, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:- eerst en vooraf, bij wijze van voorlopige voorziening voor de duur van het geding:(
- a)de tenuitvoerlegging van het vonnis schorst; - ten principale:(
- b)het vonnis vernietigt;(
- c)zich bij gebreke aan rechtsmacht onbevoegd verklaart van de vorderingen van [geïntimeerde] kennis te nemen;(
- d)althans de vorderingen van [geïntimeerde] afwijst en (
- e)[geïntimeerde] veroordeelt in de proceskosten in eerste aanleg en hoger beroep, inclusief nakosten en vermeerderd met wettelijke rente. 3.5. [geïntimeerde] heeft verweer gevoerd. 3.6. Met grief 1 voert Payward aan dat de Nederlandse rechter geen rechtsmacht heeft. [geïntimeerde] heeft in de conceptdagvaarding in eerste aanleg aangevoerd dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft op grond van art. 6 aanhef en onder e Rv. In hoger beroep doet hij tevens een beroep op art. 9 aanhef en onder c Rv. De voorzieningenrechter heeft haar rechtsmacht gebaseerd op art 6 aanhef en onder e Rv. 3.6.1. Op grond van artikel 6 aanhef en onder e Rv heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht in zaken die een verbintenis uit onrechtmatige daad betreffen, indien het schadeveroorzakende feit zich in Nederland heeft voorgedaan of kan voordoen. Volgens [geïntimeerde] is de grondslag voor de rechtsmacht van de Nederlandse rechter de (beweerde) onrechtmatige daad van de fraudeurs. Naar het oordeel van het hof kan de (beweerde) onrechtmatige daad van de fraudeurs echter niet dienen als grondslag voor de rechtsmacht van de Nederlandse rechter. Een verbintenis uit onrechtmatige daad zoals bedoeld in artikel 6 aanhef en onder e Rv betreft iedere rechtsvordering die beoogt de aansprakelijkheid van verweerder in het geding te brengen. Het gaat in de onderhavige procedure echter uitdrukkelijk niet om een rechtsvordering die de aansprakelijkheid van Payward in het geding beoogt te brengen. [geïntimeerde] stelt immers zelf dat de bevoegdheid van de Nederlandse rechter moet worden gebaseerd op de (gestelde) onrechtmatige daad van de fraudeurs en dat dus niet relevant is of de frauduleuze handelingen aan Payward kunnen worden toegerekend, en dat het schadebrengende feit de fraude is. Denkbaar is dat op Payward de rechtsplicht rust om mee te werken aan het veiligstellen van verhaalsmogelijkheden en dat dreigend onrechtmatig handelen van Payward, bestaande uit het vrijgeven van cryptomunten niettegenstaande het verzoek van [geïntimeerde] om daarvan af te zien vanwege sterke vermoedens van fraude, leidt tot bevoegdheid van de Nederlandse rechter. Die stelling is echter door [geïntimeerde] noch in de conceptdagvaarding noch in de memorie van antwoord betrokken ondanks het terechte verweer van Payward dat de enkele fraude door derden geen rechtsmacht creëert voor een vordering jegens Payward. Ook op de zitting is die grondslag voor rechtsmacht door [geïntimeerde] niet, althans onvoldoende aangevoerd, laat staan dat een dergelijke aanvulling van de grondslag door Payward uitdrukkelijk in de rechtsstrijd is aanvaard. Reeds om die reden komt de Nederlandse rechter op grond van art. 6 aanhef en onder e Rv geen rechtsmacht toe. 3.6.2. Ook de eveneens in art. 6 aanhef en onder e Rv vervatte eis dat de schade zich in Nederland heeft voorgedaan, staat in de weg aan het aannemen van rechtsmacht. [geïntimeerde] beroept zich op het feit dat hij als gevolg van de fraude door onbekende derden verlies in zijn vermogen in Nederland heeft geleden. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt echter dat het in het kader van art. 6 aanhef en onder e Rv moet gaan om schade als gevolg van (dreigend) onrechtmatig handelen van Payward. Ook hiervoor geldt dat [geïntimeerde] in de conceptdagvaarding en in de memorie van antwoord hierover niets heeft gesteld. Ter zitting in hoger beroep heeft [geïntimeerde] nog aangevoerd dat schade in Nederland wordt geleden, omdat het saldo op de bankrekening van [geïntimeerde] niet meer kan worden aangevuld. Ook indien op grond daarvan zou moeten worden aangenomen dat Nederland te gelden heeft als de plaats waar de schade wordt geleden (het Erfolgsort), is die enkele aanvulling onvoldoende. Het HvJEU heeft overwogen dat zuiver financiële schade, die rechtstreeks intreedt op de bankrekening van eiser (in dit geval [geïntimeerde] ), zonder bijkomende omstandigheden, niet kan worden aangemerkt als een relevant aanknopingspunt voor de rechterlijke bevoegdheid op basis van het Erfolgsort. Het had op de weg van [geïntimeerde] gelegen om die bijkomende omstandigheden te stellen. Hij heeft dat niet gedaan. Dit maakt dat ook hierom geen sprake is van rechtsmacht op grond van art. 6 aanhef en onder e Rv. 3.6.3. Aan de eisen van art. 9 aanhef en onder c Rv is evenmin voldaan. [geïntimeerde] voert aan dat de kwestie voldoende verbonden is met de Nederlandse rechtssfeer omdat de schade in Nederland is geleden, de fraudeur contact met hem heeft opgenomen met een Nederlands telefoonnummer en Payward in Nederland actief is. Het hof overweegt hierover als volgt. Art. 9 aanhef en onder c Rv vereist dat het onaanvaardbaar is om van [geïntimeerde] te vergen dat hij de zaak aan het oordeel van de rechter van een vreemde staat onderwerpt. Dat dit het geval is, is door [geïntimeerde] onvoldoende onderbouwd. Het enkele feit dat hij zich zou moeten wenden tot de rechter in [plaats] of [plaats] is hiervoor onvoldoende. Hierbij is van belang dat [geïntimeerde] zelf de gelden naar het buitenland heeft overgemaakt, dat het thans gaat om vermogensbestanddelen die zich (mogelijk) in een wallet bevinden die gehouden wordt bij een buitenlandse exchange en dat het niet gaat om een ordemaatregel (de freezingorder) die (bijvoorbeeld voor wat betreft de territoriale werking) specifiek met Nederland is verbonden. 3.7. De conclusie is dat grief 1 slaagt. Het tussenvonnis zal worden vernietigd, voor zover het betreft de beslissingen die aan het oordeel van het hof zijn onderworpen (zie hiervoor onder 3.3.1). De overige grieven behoeven daarmee geen verdere bespreking. Omdat het hof het vonnis voor wat betreft voornoemde beslissingen zal vernietigen heeft Payward geen belang meer bij haar vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van die beslissingen. 3.8. Het hof zal [geïntimeerde] als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het hoger beroep veroordelen. Dat Payward tot aan het tussenvonnis in eerste aanleg proceskosten heeft gemaakt is het hof niet gebleken en heeft Payward niet onderbouwd. De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van Payward zullen vastgesteld worden op: Explootkosten € 145,45 Griffierechten € 827,-- Salaris advocaat € 2.428,-- Nakosten € 178,- Totaal € 3.578,45 De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. 4De uitspraak Het hof: vernietigt het tussen partijen gewezen tussenvonnis van 1 mei 2025 voor zover het betreft de beslissingen die aan het oordeel van het hof zijn onderworpen (de voor de duur van het kort geding in eerste aanleg gegeven voorzieningen) en verklaart de voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant onbevoegd om van deze vorderingen (vermeld onder 3.3.1) kennis te nemen en verwijst de zaak voor het overige nodig terug naar (de voorzieningenrechter van) de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda; veroordeelt [geïntimeerde] in de proceskosten van het hoger beroep van € 3.578,45, te betalen binnen veertien dagen na heden; veroordeelt [geïntimeerde] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na heden zijn voldaan; verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad; wijst af het meer of anders gevorderde. Dit arrest is gewezen door mrs. P.P.M. Rousseau, A.L. Bervoets en N.W.M. van den Heuvel en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 15 juli 2025. griffier rolraadsheer