GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team belastingrecht Meervoudige Belastingkamer Nummer: 24/2 Uitspraak op het hoger beroep van [belanghebbende] , gevestigd in [vestigingsplaats] , hierna: belanghebbende, tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg (hierna: de rechtbank) van 22 november 2023, nummer ROE 23/697, in het geding tussen belanghebbende en de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, hierna: de heffingsambtenaar. 1Ontstaan en loop van het geding 1.1. De heffingsambtenaar heeft voor belastingjaar 2021 de aanslag watertoeristenbelasting en toeristenbelasting opgelegd. 1.2. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De heffingsambtenaar heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard. 1.3. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. 1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. 1.5. De zitting heeft plaatsgevonden op 16 mei 2025 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen, namens belanghebbende, [naam 1] , (indirect) bestuurder, [naam 2] , boekhouder, en [gemachtigde] , gemachtigde, en, namens de heffingsambtenaar, [heffingsambtenaar 1] , [heffingsambtenaar 2] en [heffingsambtenaar 3] . 1.6. Belanghebbende heeft tijdens de zitting een pleitnota voorgelezen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof en aan de andere partij. Tevens heeft belanghebbende een ingevuld formulier proceskosten overgelegd aan het hof. 1.7. Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten. 1.8. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak aan partijen wordt verzonden dan wel in Mijn Rechtspraak wordt geplaatst. 2Feiten 2.1. Belanghebbende exploiteert sinds 1983 een jachthaven en een camping met bijbehorende faciliteiten in de gemeente Maasgouw onder de naam ‘ [naam 3] ’ (hierna: de jachthaven). De jachthaven omvat circa 650 ligplaatsen op het water voor het afmeren van vaartuigen. Deze ligplaatsen worden op seizoenbasis verhuurd aan de gebruikers van de betreffende vaartuigen (jaarcontracten, van april tot april of van oktober tot oktober). Daarnaast is in de jachthaven ruimte voor het aanleggen van vaartuigen door niet huurders, zijnde passanten. 2.2. De heffingsambtenaar heeft met dagtekening 31 mei 2022 voor het belastingjaar 2021 op één aanslagbiljet een aanslag watertoeristenbelasting van € 42.057,13 (voor 557 vaartuigen, hierna: de aanslag watertoeristenbelasting) en toeristenbelasting van € 13.634,40 (voor 76 seizoenplaatsen) aan belanghebbende opgelegd. De aanslag watertoeristenbelasting ziet alleen op vaartuigen met een vaste ligplaats. 3Geschil en conclusies van partijen 3.1. Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de aanslag watertoeristenbelasting terecht is opgelegd, meer in het bijzonder of de opgelegde aanslag in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. 3.2. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de aanslag watertoeristenbelasting. De heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank. 3.3. Belanghebbende bestrijdt de aanslag toeristenbelasting en het tarief van de watertoeristenbelasting niet. Belanghebbende heeft tijdens de zitting in hoger beroep bevestigd dat zij in hoger beroep niet langer een schadevergoeding vordert en zij begrijpt dat het hof in deze procedure niet kan oordelen over de aanslagen watertoeristenbelasting die zijn opgelegd over andere jaren dan 2021. 4Gronden Ten aanzien van het geschil Wet en regelgeving 4.1. Op grond van artikel 224, lid 1, Gemeentewet kan een toeristenbelasting worden geheven ter zake van het houden van verblijf binnen de gemeente door personen die niet als ingezetene met een adres in de gemeente in de basisregistratie personen zijn ingeschreven. Voor zover de belasting wordt geheven van degene die gelegenheid tot verblijf biedt, is deze op grond van artikel 224, lid 2, Gemeentewet bevoegd de belasting als zodanig te verhalen op degene die ter zake van wiens verblijf de belasting verschuldigd wordt. 4.2. De Verordening op de heffing en de invordering van watertoeristenbelasting Maasgouw 2021 (hierna: de Verordening) luidt, voor zover van belang, als volgt: “Artikel 1 Begripsomschrijvingen Deze verordening verstaat onder: a. vaartuig: een vaartuig dat is bestemd of wordt gebezigd voor vakantie of andere recreatieve doeleinden; (…) c. vaste ligplaats: een ligplaats die naar plaatselijk gebruik, zulks ter beoordeling van het college van burgemeester en wethouders, is bestemd voor het regelmatig afmeren of ter anker leggen van een zelfde vaartuig gedurende een periode van ten minste een maand; (…) h. passanten: diegenen die verblijf houden in de gemeente, met of op een vaartuig, zonder het hebben van een vaste ligplaats. Artikel 2 Belastbaar feit Onder de naam ‘watertoeristenbelasting’ wordt een directe belasting geheven voor het houden van verblijf op vaartuigen die aanwezig zijn in wateren binnen de gemeente tegen een vergoeding in welke vorm dan ook, door personen die niet als ingezetene met een adres in de gemeentelijke basisregistratie personen zijn ingeschreven. Artikel 3 Belastingplicht 1. Belastingplichtig is degene die gelegenheid biedt tot verblijf als bedoeld in artikel 2 door het ter beschikking stellen van ligplaatsen of vaartuigen. 2. De belastingplichtige is bevoegd de belasting als zodanig te verhalen op degene die verblijf houdt als bedoeld in artikel 2. 3. Als er geen persoon is aan te wijzen die gelegenheid biedt tot verblijf, is belastingplichtig: - de schipper, - de eigenaar of de gebruiker van een vaartuig, of - degene die werkelijk verblijf houdt aan boord van een dergelijk vaartuig. Artikel 4 Vrijstellingen De belasting wordt niet geheven voor het verblijf: 1. door degenen die verblijf houden aan boord van: (…) d. boten van leden van watersportverenigingen die gevestigd zijn in de gemeente Maasgouw; (…) 2. waarvoor de gemeente belasting heft ingevolge de Verordening op de heffing en invordering van toeristenbelasting. Artikel 5 Maatstaf van heffing 1. De belasting wordt geheven naar het aantal etmalen dat verblijf is gehouden. (…) Artikel 7 Belastingtarief Per etmaal bedraagt het tarief € 1,50.” 4.3. In 2020 bedroeg het tarief per etmaal € 1,09. 4.4. Met ingang van 1 januari 2021 is de vrijstelling voor boten van leden van watersportverenigingen die gevestigd zijn in de gemeente Maasgouw, die is opgenomen in artikel 4, lid 1, onderdeel d, Verordening (hierna: de vrijstelling), ingevoerd. Hiertoe is besloten tijdens de raadsvergadering van de gemeente Maasgouw van 15 december 2020. In de ‘Oplegnotitie bij raadsvoorstel 3781’ (hierna: de oplegnotitie) is de motivering om de vrijstelling in te voeren als volgt beschreven: “Aanpassing Verordening Watertoeristenbelasting Maasgouw 2021 Artikel 4 vrijstelling wordt aangevuld met (…) Artikel 4 Vrijstellingen De belasting wordt niet geheven voor het verblijf: 1. door degenen die verblijf houden aan boord van: (…) d. boten van leden van watersportverenigingen die gevestigd zijn in de gemeente Maasgouw. (…) Motivering: Hiertoe is besloten omdat het college van mening is dat het niet terecht is om leden van watersportverenigingen, die niet als toerist in onze gemeente aanwezig zijn, hiervoor te belasten. Een watersportvereniging heeft water nodig, dit bevindt zich niet in iedere gemeente. Het is dus logisch dat er veel leden uit andere gemeenten bij de verenigingen in Maasgouw sporten. Maasgouw heeft hierin een bovengemeentelijke functie. Tenslotte worden leden van andere Maasgouwse sportverenigingen (b.v. tennis of voetbal) van buiten de gemeente, hiervoor ook niet aangeslagen. Daarnaast maken die leden ook nog eens gebruik van door de gemeente gefinancierde voorzieningen.” Standpunten van partijen 4.5. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de Verordening leidt tot een onredelijke en willekeurige belastingheffing, zodat de aanslag watertoeristenbelasting – exceptief toetsend – niet had mogen worden opgelegd. Volgens belanghebbende worden gelijke gevallen ongelijk behandeld. De rechtbank heeft dit niet onderkend en heeft ten onrechte aannemelijk geacht dat leden van watersportverenigingen, anders dan gebruikers van een jachthaven, uit de regio afkomstig zijn en niet vanwege toeristische redenen van een ligplaats gebruikmaken. Dit moet ertoe leiden dat de Verordening onverbindend moet worden verklaard, aldus belanghebbende. 4.6. Volgens de heffingsambtenaar is, samengevat, geen sprake van ongelijke behandeling van gelijke gevallen, omdat alleen leden van een watersportvereniging die aanmeren bij de haven van hun vereniging zijn vrijgesteld. Dit zijn leden van een sportvereniging die als oogmerk hebben sporten. Voor wat betreft niet-leden dient er ook door de sportvereniging een watertoeristenbelasting afgedragen te worden. Dit is deugdelijk gemotiveerd in de afwegingen bij de vrijstelling van de gemeente Maasgouw, aldus de heffingsambtenaar. Oordeel van het hof Gelijkheidsbeginsel 4.7. Het hof stelt het volgende voorop. Voor het onverbindend verklaren van een regeling is slechts plaats indien de gekozen heffingsmaatstaf dan wel tariefstelling tot een uitkomst voert die in strijd is met de wet of enig algemeen rechtsbeginsel zoals het gelijkheidsbeginsel. Van schending van het gelijksbeginsel is sprake bij een ongelijke behandeling van gelijke gevallen. Een ongelijke behandeling van gelijke gevallen is alleen toegestaan als daarvoor een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat. Het is aan belanghebbende om feiten aan te voeren en aannemelijk te maken waaruit volgt dat sprake is van een ongelijke behandeling van gelijke gevallen. Het hof neemt bij de beoordeling van de vraag of er sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel ook in aanmerking dat de gemeentelijke wetgever een ruime beoordelingsvrijheid heeft. Het gaat er daarbij om of hij in redelijkheid mocht aannemen dat de gevallen die hij verschillend heeft behandeld, met het oog op de toepassing van de desbetreffende regeling niet als gelijke gevallen zijn aan te merken. Alleen als de gemeentelijke wetgever daarvan in redelijkheid niet mocht uitgaan, en de gevallen daarom als gelijke gevallen moeten worden aangemerkt, is een objectieve en redelijke rechtvaardiging voor het verschil in behandeling vereist. Als sprake is van een objectieve en redelijke rechtvaardigingsgrond voor in dit geval de vrijstelling, dan blijft de gemeentelijke wetgever binnen de haar toekomende beoordelingsvrijheid. 4.8. Bij (exceptieve) toetsing van een in een verordening gemaakt onderscheid moet, indien is uitgegaan van een ervaringsregel, eerst worden onderzocht of de gemeentelijke wetgever in redelijkheid van de daaraan ten grondslag liggende ervaringsregels mocht uitgaan en vervolgens, bij een bevestigende beantwoording van die vraag, of in deze ervaringsregels de benodigde steun kan worden gevonden voor het gemaakte onderscheid. 4.9. De gemeenteraad van de gemeente Maasgouw (hierna: gemeentelijke wetgever) heeft blijkens de oplegnotitie de vrijstelling in de Verordening opgenomen, omdat het volgens haar niet terecht is om leden van watersportverenigingen, die geen toerist zijn, hiervoor te belasten. Het is logisch dat leden uit andere gemeenten bij de watersportverenigingen in haar gemeente sporten, de gemeente heeft hierin een bovengemeentelijke functie. Leden van andere Maasgouwse sportverenigingen, zoals tennis- of voetbalverenigingen, van buiten de gemeente, worden hiervoor ook niet aangeslagen, aldus de gemeentelijke wetgever in de oplegnotitie. Volgens de heffingsambtenaar zijn er naast deze afweging in de oplegnotitie, niet nog meer stukken. Van andere stukken ter onderbouwing van de vrijstelling is, ondanks een zogenaamd Woo-verzoek van belanghebbende aan de gemeente Maasgouw, ook anderszins niet gebleken. 4.10. De gemeentelijke wetgever is dan ook, zoals belanghebbende betoogt, bij de invoering van het onderscheid tussen degenen die verblijf houden aan boord van boten die wél en boten die niet van leden van watersportverenigingen zijn, uitgegaan van de ervaringsregel dat leden van watersportverenigingen in haar gemeente
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.