← Nederland

ECLI:NL:GHSHE:2025:2059

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team Handelsrecht zaaknummer 200.311.947/01 arrest van 22 juli 2025 in de zaak van [appellant] , wonende te [woonplaats] , appellant, hierna aan te duiden als [appellant] , advocaat: mr. J.J. Spijk te Middelburg, tegen Onderlinge Verzekering Maatschappij ZLM U.A., gevestigd te Goes, geïntimeerde, hierna aan te duiden als ZLM, advocaat: mr. L.A. Godwaldt te Amsterdam, als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 9 augustus 2022 in het hoger beroep van het door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, onder zaaknummer C/02/376863 / HA ZA 20-554 gewezen vonnis van 16 februari

  1. 5Het verloop van de procedure Het verloop van de procedure blijkt uit: het tussenarrest van 9 augustus 2022 waarbij het hof een mondelinge behandeling na aanbrengen heeft gelast; het proces-verbaal van de op 22 december 2022 gehouden mondelinge behandeling na aanbrengen; de memorie van grieven met producties en eiswijziging; de memorie van antwoord met producties. Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg. 6De beoordeling 6.
  2. Deze zaak gaat over de hoogte van de schade die [appellant] lijdt als gevolg van een ongeval waarvoor ZLM aansprakelijkheid heeft erkend. Evenals de rechtbank is het hof van oordeel dan [appellant] onvoldoende heeft onderbouwd dat zijn schade meer bedraagt dan wat ZLM al heeft betaald. Het hof zal het bestreden vonnis bekrachtigen en dat hierna toelichten. De feiten 6.
  3. In overweging 2.1.
  4. tot en met 2.1.
  5. heeft de rechtbank in eerste aanleg vastgesteld van welke feiten in dit geschil wordt uitgegaan. Deze feiten zijn niet betwist en vormen ook in hoger beroep het uitgangspunt. Voorts staan nog enkele andere feiten, als enerzijds voldoende gemotiveerd gesteld en anderzijds niet (voldoende gemotiveerd) betwist, tussen partijen vast. Het hof zal hierna een overzicht geven van deze feiten voor zover relevant in hoger beroep. 6.2.
  6. Op 24 maart 2013 is [appellant] betrokken geweest bij een verkeersongeval. Hij was op dat moment 27 jaar oud. [appellant] stond in de berm van een naast de weg gelegen fietspad, toen hij werd aangereden door een van de weg geraakte auto. 6.2.
  7. De auto was tegen wettelijke aansprakelijkheid verzekerd bij ZLM. ZLM heeft aansprakelijkheid erkend voor het ongeval en de gevolgen ervan. 6.2.
  8. Als gevolg van het ongeval heeft [appellant] ernstig letsel opgelopen bestaande uit schedel-hersenletsel, fracturen van de linker schouder en het linker sleutelbeen, wervelfracturen van de borstwervelkolom en twee ribfracturen. [appellant] heeft vier dagen op de intensive care afdeling van het Erasmus Medisch Centrum gelegen en is daarna tot 18 april 2013 opgenomen geweest op de afdeling Heelkunde-Traumatologie van dat ziekenhuis. Vervolgens is hij tot 31 mei 2013 opgenomen geweest bij revalidatiecentrum Revant. De revalidatiebehandelingen duurden tot en met september
  9. 6.2.
  10. Ten tijde van het ongeval werkte [appellant] op basis van een tijdelijk contract van gemiddeld 24 uur per week bij Stichting Arduin in de functie van supportmedewerker BOPZ. Zijn aanvangssalaris bedroeg € 1.775,- x deeltijdfactor 66,67% bruto per maand. Het contract liep van rechtswege af op 29 mei
  11. De personeelsfunctionaris van Arduin schreef hierover: ‘(…) Je jaarcontract van rechtswege afgelopen en vooralsnog niet verlengd. Zoals al besproken met Lennard in het gesprek voor je ongeluk was hij voornemens om de manager te adviseren je een vast dienst verband toe te kennen. Daarnaast ook de vraag om ophoging van je contract naar 28 uur (ophoging tijdelijk voor duur van inzet op die werkplek is gebruikelijk binnen Arduin). (…)' 6.2.
  12. Vanaf juni 2013 heeft [appellant] een ziektewetuitkering ontvangen van € 927,- netto inclusief vakantiegeldtoeslag. In december 2013 is hij opnieuw bij Arduin in dienst getreden op basis van een jaarcontract voor 18 uur per week tegen een basissalaris van € 891,50 per maand, exclusief vakantietoeslag en eindejaarstoeslag. Zijn functie was die van supportmedewerker. 6.2.
  13. In 2015 is [appellant] gaan werken bij Primas. 6.2.
  14. In 2017 heeft [appellant] een post-HBO opleiding tot autismedeskundige afgerond. ZLM heeft de kosten van deze opleiding betaald. Hij is in 2017 gaan werken bij Emergis. Vanaf 2018 was dit als begeleider op de crisisafdeling met een contract van 32 uur per week voor onbepaalde tijd. 6.2.
  15. ZLM heeft een bedrag van € 113.504,27 aan [appellant] vergoed, waarvan € 86.000,- aan schadevergoeding en € 27.504,27 aan buitengerechtelijke kosten. Partijen hebben geprobeerd buitengerechtelijk tot een schaderegeling te komen, maar zijn daar niet in geslaagd. De (medische) expertises 6.2.
  16. [appellant] en ZLM hebben gezamenlijk opdracht gegeven voor een orthopedisch chirurgisch expertise. Op 6 januari 2015 heeft orthopedisch chirurg [persoon A] (hierna: [persoon A] ) zijn expertiserapport uitgebracht. In dit rapport staat onder meer: ‘(…) 1g Wilt u de mate van functiestoornis op uw vakgebied als gevolg van het ongeval uitdrukken in een percentage blijvende invaliditeit hele mens ongeacht enig beroep en uitgaande van de toestand van betrokkene van voor het ongeval? Wilt u hierbij uitgaan van de richtlijnen van de AMA-guide, 6e druk, eventueel aangevuld met de richtlijnen van de NVN of NOV? Wilt u hierbij zo nauwkeurig mogelijk omschrijven hoe het totale percentage is opgebouwd, en indien van toepassing, links en rechts vergelijken? Van de genoemde letsels gradeert de claviculafractuur aan de linker zijde geen functieverlies aangezien hier geen afname is van de range of motion of AC- dan wel sternoclaviculaire irritatie. De ribfracturen graderen evenmin voor functieverlies. Van de wervelfracturen TH6 en TH7 worden de inzakkingcoëfficiënten opgeteld waarbij in totaal er een inzakkingcoëfficiënt is van 79%. Betrokkene valt hiermee in klasse 3, tabel 17-3 op blz.
  17. Hierin valt ook de processus transversus fractuur van TH
  18. Deze laatste is overigens in mijn ogen zonder restverschijnselen genezen en zou in klasse 0 zijn gevallen wanneer het een solitaire fractuur betrof. De mediane waarde C bedraagt 14% functieverlies van de gehele persoon. Dit is de Key-factor. Non Key-factoren: Functionele anamnese: T.a.v. de functionele anamnese valt betrokkene in GMF 2 aangezien hij pijnklachten krijgt na ongeveer 10 à 15 minuten staan. Dit laatste acht ik een normale activiteit. Hetzelfde geldt voor zijn nekklachten. Lichamelijk onderzoek: Bij het lichamelijk onderzoek is het omvangverschil van de linker onderarm meer dan 1 cm vergeleken met de rechter onderarm. Het neurologisch onderzoek in mijn handen laat geen afwijkingen zien maar ik ben geen neuroloog. Ik gradeer betrokkene als GMF
  19. Klinische studies: Het röntgenonderzoek heb ik aangewend voor de bepaling van de Key-factor. Electromyografisch onderzoek is er niet verricht. Recent MRI-onderzoek is er niet verricht. De Key-factor wordt nu van de non Key-factoren afgetrokken. Het resultaat is -
  20. Derhalve schuift de mediane waarde C van 14% naar 12% functieverlies van de gehele persoon. T.a.v. de polsklachten is er m.i. mogelijk sprake van een ganglion. Verder onderzoek is hier aangewezen. Ik acht dit overigens geen ongevalgevolg. 1h. Welke beperkingen op uw vakgebied bestaan naar uw oordeel bij de onderzochte in zijn huidige toestand, ongeacht of de beperkingen voortvloeien uit het ongeval? Wilt u deze beperkingen zo uitgebreid mogelijk beschrijven, op semi-kwantitatieve wijze weergeven en zo nodig toelichten t.b.v. een eventueel in te schakelen arbeidsdeskundige? Op grond van de letsels en mijn onderzoek acht ik betrokkene licht beperkt voor staan m.n. wanneer het staan meer dan 15 minuten bedraagt. Ik acht betrokkene tevens licht beperkt voor gebogen werken en voor bukken en torderen. Ook is betrokkene licht beperkt voor het hand- en vingergebruik links waarbij ik opmerk dat ik dit constateer nadat deze beperking, niet op orthopedische gronden, maar op neurologische gronden gebaseerd is en het oordeel van de neuroloog in deze afgewacht moet worden zodat er geen dubbele beperking ontstaat. Ook acht ik betrokkene licht beperkt voor tillen, duwen en trekken. 1i. Acht u de huidige toestand van betrokkene zodanig dat een beoordeling van de blijvende gevolgen van het ongeval mogelijk is, of verwacht u in de toekomst nog een belangrijke verbetering of verslechtering van het op uw vakgebied geconstateerde letsel? Zoals ik in mijn overwegingen heb aangegeven m.b.t. de wervelkolom en de wervelfracturen is de röntgenologische situatie, d.w.z. de mate van inzakking, een eindtoestand. Dat geldt ook voor de toegenomen kyfose van de wervelkolom. Zoals ik heb aangegeven in mijn overwegingen kunnen er in de toekomst veranderingen t.a.v. de gevolgen van het letsel plaatsvinden. 1j. t/m 1l. Zo ja, welke verbetering of verslechtering verwacht u? Zoals ik heb vermeld, zal de mate van inzakking en de mate van kyfose die betrokkene heeft als gevolg van het ongeval, niet meer veranderen. Echter, zijn klachtenpatroon, m.n. de functionele anamnese, kan in de toekomst veranderen. Het zou kunnen verergeren maar het zou ook kunnen verbeteren wanneer de wervelkolom met het klimmen der jaren ook meer verstijft. Betrokkene is echter jong en derhalve zal dit eerder leiden tot een verergering van de klachten, m.n. bij inspanning. Ik kan niet aangeven op welke termijn dit plaatsvindt. In welke mate er verslechtering optreedt, kan ik wel zeggen. De functionele anamnese van betrokkene zal mogelijk veranderen, maar de Key-factor zal hetzelfde blijven. Betrokkene blijft, t.a.v. zijn functieverlies, in klasse 3 waarbij het functieverlies bepaald is tussen de 12% en 16% van de gehele persoon. T.a.v. de beperkingen kan het zo zijn dat, wanneer betrokkene meer klachten aangeeft, dat dan ook zijn beperkingen zullen toenemen. Ik kan niet zeggen in welke mate en wanneer. 2De situatie zonder ongeval. 2a Bestonden voor het ongeval bij de onderzochte reeds klachten en afwijkingen op uw vakgebied die de onderzochte thans nog steeds heeft? Neen. (…) 2c. Zijn er daarnaast op uw vakgebied klachten en afwijkingen die er ook zouden zijn geweest of op enig moment ook hadden kunnen ontstaan, als het ongeval de onderzochte niet was overkomen? Ja. Betrokkene klaagt over zijn linker pols en bij onderzoek wordt er een licht functieverlies van de linker pols gevonden en er zijn aanwijzingen voor een ganglion. (…)’ 6.2.
  21. [appellant] is op 21 januari 2015 onderzocht door neuropsycholoog [persoon B] (hierna: [persoon B] ). In het rapport van [persoon B] van 23 februari 2015 staat onder meer: ‘(…) Samenvatting en conclusie: Op verzoek van [persoon C] , werd [appellant] , geboren op 04 februari 1986 onderzocht, teneinde mogelijke restgevolgen te objectiveren ten gevolgen van het ongeval op 24 maart
  22. Hierbij liep hij een hoog-energetisch trauma op. Een CT scan toonde een contusie-haard links temporaal met een spoortje bloed in occipitaalhoorn links. Bij aanvullend MRI onderzoek werden er aanwijzingen gevonden voor diffuse axonal injury. Zijn klachtenpatroon imponeert met onzekerheid over zijn cognitief functioneren, in het bijzonder zijn intellectueel vermogen; hij is bang dat hij dommer is geworden. Hij ervaart lichte concentratieproblemen bij vermoeidheid, hij schrijft alles op en twijfelt vaak. Hij voelt zich met vlagen somber en neerslachtig. Hij moet sinds het ongeval vaker bijslapen vanwege vermoeidheid. Er zijn slaapproblemen en hij meldt “wakend” te slapen. Hierdoor bestaan aanwijzingen voor acceptatie-en/of verwerkingsproblemen die passen bij hetgeen hij over zijn werk vertelt. Sinds het ongeval is hij van werkplek verandert, maar hij mist de uitdaging die hij daarvoor had. Betrokkene is coöperatief en zijn prestatie-motivatie is goed, zowel bij observatie als op basis van objectieve testmethoden: er zijn bij symptoom-validiteitstests geen aanwijzingen voor onderpresteren. De goede uitslag op symptoom validiteittests maken het mogelijk dat zijn testresultaten betrouwbaar kunnen worden geïnterpreteerd; verondersteld mag worden dat de onderzoeksresultaten een betrouwbare afspiegeling vormen van zijn vermogens. Bij het huidige neuropsychologisch onderzoek wordt het premorbide verbale intelligentieniveau op gemiddeld geschat: IQ=
  23. Het premorbide niveau op basis van de verkortte GIT2 wordt geschat op bovengemiddeld niveau: IQ=
  24. Niet beperkt, c.q. gestoord is: • de snelheid van informatieverwerking en het werktempo; • de selectieve en verdeelde aandacht; • de executieve functies; • het taalbegrip; • de verbale vloeiendheid; • de auditieve en visuele perceptie; • de response inhibitie (geen verminderde impulscontrole); • de visuoconstructieve vaardigheden; • het visueel ruimtelijk inzicht; • het visuele (associatieve) geheugen; • de psychomotoriek. De volgende problemen en/of stoornissen kunnen worden geobjectiveerd: • Er zijn geen geheugenstoornissen geobjectiveerd. Echter, er zijn wel benedengemiddelde geheugenprestaties . Op een geheugentaak waarbij samenhangende informatie moet worden onthouden, is de inprenting verminderd, maar niet het vermogen tot het opdiepen van de informatie. Op een andere (15-woordentest) geheugentaak waarbij onsamenhangende informatie moet worden onthouden, is de inprenting gemiddeld. De prestaties lijken samen te hangen met een beperkt werkgeheugen: de samenhangende informatie (verhaaltjes) wordt eenmalig aangeboden, terwijl de 15-woordenlijst diverse keren aangeboden wordt. Het herinneren is niet gestoord. • Betrokkene laat een afwijkende prestatie zien op een werkgeheugen taak. Dit verklaart de afwijkende prestatie op een taak die snelheid van informatieverwerking meet. Deze test, Substitutie, waarbij de symbool-cijfercombinaties zo snel mogelijk dienen te worden geleerd/genoteerd, is een sensitieve test voor hersenletsel. Op andere taken die werktempo en snelheid van informatieverwerking meten presteert hij gemiddeld tot zeer goed. Er is dus zeker geen sprake van mentale traagheid. Naast het tempo van informatieverwerking meet de test ook het korte termijngeheugen. • De volgehouden aandacht is afwijkend op taken die het langdurig vasthouden van de auditieve- en visuele aandacht meten. Op de visuele taak fluctueert zijn aandacht sterk wanneer hij zijn aandacht voor een langere tijd op een eentonige/monotone taak moet richten. (…) Beantwoording van de vraagstellingen:
  25. Zijn er stoornissen in het mentale functioneren, het taalgebruik, de regulatie van emoties en gedrag of in de helderheid van het bewustzijn? Antwoord: Voor stoornissen in het mentale functioneren, zie conclusie. Samengevat is een beperkt werkgeheugen en een beperkte volgehouden aandacht. De geheugenfuncties zijn niet gestoord, maar het inprenten, c.q. het leervermogen wordt door eerder genoemde beperkingen negatief beïnvloed. Anamnestisch meldt hij problemen met zijn concentratie wanneer hij vermoeid is. Echter, het is opvallend dat hij geen vermoeidheidsklachten aangeeft en voelt gedurende het onderzoek. Er is geen stoornis in de helderheid van het bewustzijn. Er is geen taalstoornis, of afasie. De regulatie van emoties en gedrag is niet gestoord, wel spelen er acceptatie- en verwerkingsproblemen die passend zijn bij de ongevalsgevolgen. Indien de slaapproblemen aanhouden, wordt psychologische behandeling gericht op traumaverwerking geadviseerd.
  26. Is het aannemelijk dat de aangetoonde stoornissen veroorzaakt worden door een hersenbeschadiging als gevolg van een bepaalde (nader te omschrijven) gebeurtenis of aandoening? Antwoord: Ja, het is aannemelijk dat de klachten en afwijkende prestaties ten aanzien van het werkgeheugen en volgehouden aandacht ontstaan zijn door hersenletsel na het ongeval dat hij doormaakte. Hij lijkt tamelijk goed in staat te compenseren voor zijn beperkingen en opvallend is dat hij geen vermoeidheid ervaart. Op een intensieve aandachtstest komt dit echter wel uit het profiel naar voren, maar blijkbaar ervaart hij dit niet. (…)
  27. Indien de aangetoonde stoornissen kunnen worden toegeschreven aan een tengevolge van de genoemde gebeurtenis of aandoening ontstane hersenbeschadiging, welke zijn dan de beperkingen in het functioneren die daardoor zijn ontstaan? Antwoord: In een arbeidssituatie zal hij moeite kunnen hebben met het opnemen, c.q. aanleren van nieuwe informatie door beperkingen in het werkgeheugen. De beperkingen in het volhouden van de aandacht kunnen ertoe leiden dat hij vergissingen maakt of niet goed in staat is een taak of activiteit te continueren. De kans is groter bij monotone activiteiten / taken waarbij hij gedurende langere tijd alert moet blijven. (…)’ 6.2.
  28. [appellant] en ZLM hebben tevens gezamenlijk opdracht gegeven voor een neurologische expertise, waaronder een neuropsychologisch onderzoek. Op 30 maart 2015 heeft neuroloog [persoon C] (hierna: [persoon C] ) haar expertiserapport uitgebracht. De bevindingen van [persoon B] zijn daarin tevens verwerkt. In het rapport van [persoon C] staat onder meer: (…) Diagnose f. Wat is de diagnose op een vakgebied? Wilt u daarbij uw differentiaal diagnostische overweging geven f. Antwoord: Betrokkene is een 28 jarige, rechts dominante man die een HET doormaakte op 24 maart 2014 met een amnesie voor het trauma en een kortdurende retrograde amnesie van enkele uren. Vanwege een lage EMV score werd hij geïntubeerd en gesedeerd. Er was sprake van uitgebreide fracturen (clavicula links, costa 1 en 2 fractuur links, scapula fractuur links, fractuur Th 6 en 7) met een contusio cerebri links temporaal en enig boed occipitaal met tevens een DAI beeld op de MRI scan van de hersenen, met tevens een dysfunctie van de linkser arm het meest waarschijnlijk berustend op een contusie van de plexusbrachialis links. Betrokkene maakte op alle fronten een goed herstel door. Er resteert nu 1,5 jaar na het ongeval een minimale restuitval in de linkerarm (lichte ulnair gelocaliseerde sensibele restklacht, met een geringe sensibiliteitsklacht in de handpalm, verder een lichte zwakte van de biceps en polsextensoren links) en het idee bij betrokkene mogelijk in neurocognitief opzicht iets trager te zijn dan voorheen. Dit laatste werd middels aanvullend neuropsychologisch onderzoek van 21 januari met een beperkt werkgeheugen en een beperkte volgehouden aandacht aangetoond. Blijvende invaliditeit g. Wilt u de mate van functiestoornis (=impairment) op uw vakgebied als gevolg van het ongeval uitdrukken in een percentage blijvende invaliditeit van de gehele mens ongeacht enig beroep en uitgaande van de toestand van betrokkene van voor het ongeval? Wilt u hierbij uitgaan van de richtlijnen van de American Medical Association (AMA) zoals verwoord in de Guides to the Evaluation of Permanent Impairment, 6de druk, eventueel aangevuld met de richtlijnen van de Nederlandse vereniging van neurologie? Wilt u hierbij zo nauwkeurig mogelijk omschrijven hoe het totale percentage is opgebouwd, en indien van toepassing links en rechts vergelijken? g. Antwoord: Volgens de richtlijnen van de Guides to the Evaluation of Permanent Impairment,6de druk, is er een functionele invaliditeit van 8 procent van de gehele mens. Dit werd als volgt bekeken: (…) Beperkingen h. Welke beperking op uw vakgebied bestaan naar uw oordeel bij betrokkene in zijn huidige toestand, ongeacht of de beperkingen voortvloeien uit het ongeval? Wilt u deze beperking zou uitgebreid mogelijk beschrijven, op semi kwantitatieve wijze weergeven en zo nodig toelichten ten behoeve van een eventueel in te schakelen arbeidsdeskundige? h. Antwoord: Bij betrokkene is er een beperking in het hanteren van zware boven schouderhoogte belastende arbeid aan de linker zijde. Medische eindsituatie i. Acht u de huidige toestand van betrokkene zodanig dat de beoordeling van de blijvende gevolgen van het ongeval mogelijk is, of verwacht u in de toekomst nog belangrijke verbetering of verslechtering van het op uw vakgebied geconstateerde letsel? i. Antwoord: Gezien de tijd verstreken sedert het ongeval is hier sprake van een toestand. Er is geen belangrijke verbetering of verslechtering te verwachten. (…)’ 6.2.
  29. Naar aanleiding van de uitgevoerde expertises heeft de medisch adviseur van [appellant] geconcludeerd dat sprake is van een percentage blijvende invaliditeit van de gehele persoon (BI) van 22%. De medisch adviseur van ZLM heeft geconcludeerd dat het percentage BI 21% bedraagt. 6.2.
  30. Op 26 juli 2022 heeft [persoon D] , arbeidsdeskundige, [appellant] en zijn partner gesproken tijdens een huisbezoek en op 2 september 2022 een arbeidsdeskundige “would be” rapportage opgesteld. Daarin staat onder meer: “(…) Wat betekent dit (mogelijk) voor het functioneren in de branche van betrokkene: Bij behandeling van patiënten (met name psychiatrie) is alertheid een belastingseis in de functie hulpverlener, met andere woorden onvoldoende alertheid kan bij voorkomende calamiteiten schadelijke gevolgen hebben. Werkgeheugen gedurende een werkdag van 8 uur mag niet afnemen in verband met overdracht patiënten en maken van dag-/ dienstrapporten op patiëntniveau. Vasthouden aandacht heeft een normaalwaarde van minimaal een half uur aaneengesloten. Hier lijken voor betrokkene geen beperkingen te liggen. Uitgaande van bovenstaande ben ik van mening dat betrokkene minimaal enige hinder heeft om in de wensberoepen, waarin hij zonder ongeval prima kon functioneren, nu kan worden beperkt in keuze. (…) Vervolgens hebben we gesproken over de hinder die hij ondervindt als gevolg van het hem overkomen ongeval. In de medische stukken wordt opgemerkt dat betrokkene medisch snel herstelde. In de visie van betrokkene was dit ook zo. Hij hield rekening na het ongeval met blijvende ernstige klachten, zoals invaliditeit. Iedere stap vooruit was winst en in deze positiviteit heeft hij sociaal wenselijke antwoorden gegeven op vragen over zijn medische vooruitgang. Betrokkene ondervindt echter nog steeds hinder. Ook zijn partner merkt dit op. Zijn partner benoemt de volgende veranderingen als gevolg van het ongeval: • Slechter verstaanbaar; • Soms verstoorde zinsopbouw en woordvindingsproblemen; • Is niet goed in staat om nieuwe woorden in een goede zinscontext te plaatsen. Betrokkene noemt hierin zelf: • Ruilt zijn nachtdiensten nagenoeg allemaal weg vanwege onregelmatige diensten die extra energie vragen. • Dwingt zichzelf om gedurende een dienst meerdere keren een deelrapportage te schrijven. Als hij wacht tot het einde van de dienst (wat gebruikelijk is), kan hij geen kwalitatieve rapportage leveren en vervalt hij in feitelijkheden zonder therapeutische meerwaarde. • Hij geeft aan dat hij soms bang is om dingen te vergeten en twijfelt soms over eigen waarnemingen. Desgevraagd geeft betrokkene aan dat hij goed op z'n plek zit In zijn huidige baan voor 32 uur per week. 32 uur is een contract van 89%, dus parttime. Fulltime komt weinig voor in functies bij Emergis op de crisisopvang. Het is een mentaal pittige functie, waarbij tevens in wisselende diensten wordt gewerkt. Ik heb gevraagd naar de huidige ambities van betrokkene. Hij geeft het volgende aan: hij is ervaren op medium care. Een logische stap op termijn is de overgang naar high care. Hier worden patiënten opgenomen met acute problematiek in een hoger level van crisis. Als reden waarom hij niet solliciteert, noemt hij de volgende reden. Hij heeft lang naar werk gezocht dat passend is en wat hij goed aankan. Hij heeft het nu erg naar zijn zin in de huidige functie. Hij durft geen risico te nemen om dit in gevaar te brengen en heeft angst dat hij toch niet kan voldoen aan de zware functie-eisen behorende bij een functie op de high care. Betrokkene kan dit ook niet eenvoudig bespreekbaar maken bij de werkgever, omdat hij de gevolgen van het ongeval nooit gemeld heeft bij de huidige werkgever. (…) Wat maak ik op uit de afgelopen periode van 10 jaar in werk: • De leer- en opbouwfase van een afgestudeerde hbo'er SPH werd onderbroken door arbeidsongeschiktheid vanwege het hem overkomen ongeval. • Werken op een afdeling BOPZ, waar ook gedwongen opnamen zijn, is vooral een ervaring vak. Deze ervaring heeft betrokkene niet kunnen opdoen. • Betrokkene heeft na het ongeval bij Arduin de kans gehad om te re-integreren. Dit heeft niet geleid tot herstel richting eigen functie. Van Arduin kan ik dat begrijpen uitgaande van de beperkingen. De werkgever heeft betrokkene gedurende de re-integratieperiode kunnen observeren en op basis van risico inventarisatie mogelijk betrokkene niet durven aanstellen in de oorspronkelijke functie. Ook hier sluit ik niet uit dat betrokkene vanwege de beperkingen na het ongeval de kans heeft gemist om ervaring en kennis op te doen in het beroep supportmedewerker BOPZ op mbo-niveau. • De supportmedewerker BOPZ op mbo-niveau is meer uitvoerend zorgverlener. Betrokkene heeft een brede scoop in zijn beroep. Op het hbo is hij opgeleid om mee te denken over behandelplannen en kennisoverdracht. Betrokkene had op termijn de mogelijkheid kunnen krijgen om op hbo-niveau bij Arduin een passende functie te bemachtigen. Teamleider was een theoretisch mogelijkheid geweest (FGW 45). Het ongeval en de restbeperkingen die blijvend worden geacht gezien de vastgestelde medische eindsituatie, hebben mijns inziens een beperkende rol gespeeld in: • Opdoen van kennis en ervaring in de branche GGZ om te komen tot volwassenheid in het beroep. De vertraging hierin is meerdere jaren. Feitelijk heeft dit een vervolg gekregen in 2017 bij Emergis. • Carrièrekansen binnen Arduin, tegenwoordig 's Heeren Loo. Hij werkte in een functie op mbo-niveau. Vanwege krapte op de arbeidsmarkt voor afgestudeerde SPH'ers vanaf 2015 waren en mogelijk intern of extern arbeidsmarktkansen ontstaan op hbo-niveau. • De huidige functie van betrokkene bij Emergis sluit aan bij wensen en mogelijkheden van betrokkene. Een promotie naar de afdeling High Care bij Emergis ambieert hij wel, maar hij durft dit niet. • Hij mist vertrouwen in zichzelf (angst dingen te vergeten en twijfel over waarnemingen) en heeft geen vertrouwen in de goodwill van de werkgever. Uit voorzichtigheid om niet afgewezen te worden, heeft hij Emergis nooit verteld over het hem overkomen ongeval en de beperkingen die hij nog ervaart. Dit beperkt hem nu in een volgende carrièrestap. Het ambitieniveau van betrokkene ligt op hbo-niveau, meer verdiepend dan organisatorisch of strategisch. Bestuurlijk heeft hij geen ambitie. Hij heeft wel de behoefte om bij te dragen aan een cliëntgerichte aanpak, waarbij hij ook een rol ziet in opleiden, coachen en sturen van hulpverleners. Uitgaande van de beperkingen die nu ook van toepassing zijn, zijn er theoretisch minder mogelijkheden om te functioneren op werkplekken waar alertheid en volcontinue concentratie vereist zijn. De voorzichtigheid die betrokkene uit en het gebrek aan vertrouwen in eigen kunnen komen voort uit eigen waarneming en onzekerheden. Dit sluit echter wel aan bij beperkingen die zijn benoemd in de expertises, dan bedoel ik de mentale beperkingen. (…)” 6.2.
  31. Op 3 januari 2023 heeft [persoon E] , verzekeringsarts, op basis van het dossier een functionele mogelijkhedenlijst opgesteld conform de door [persoon F] opgestelde FML van 25 september
  32. Daarin staat onder meer dat [appellant] (licht) beperkt is in: - Specifieke voorwaarden voor het persoonlijk functioneren in arbeid (Het aanleren van nieuwe informatie, b.v. in het kader van een opleiding/bijscholing, is wel mogelijk maar verloopt vertraagd. Schattenderwijs is 30 - 50 % meer tijd nodig dan normaal) - Trillingsbelasting op de wervelkolom - Flexie en extensie van de linker pols - Bedienen van een toetsenbord en hanteren van een muis (links vertraagd) - Werken met een toetsenbord en muis licht beperkt (de helft van de dag) - Schroefbewegingen maken met hand en arm (links) - Frequent reiken tijdens het werk (links) - Frequent buigen tijdens het werk (ongeveer een uur per werkdag) - Torderen (alleen incidenteel) - Duwen of trekken (kan tot ongeveer 10kg duwen of trekken, een volle vuilniscontainer) - Tillen of dragen (tot ongeveer 10kg, peuter) - Frequent zware lasten hanteren tijdens het werk - Lopen tijdens het werk licht beperkt (ongeveer 4 uur beperkt lopen of 1 uur lopen) - Zitten tijdens het werk licht beperkt (ongeveer 6-8 uur) - Staan (ongeveer een kwartier achter elkaar, bijvoorbeeld afwassen, 1 uur in totaal) - Gebogen en/of getordeerd actief zijn (minder dan 5 minuten, bijvoorbeeld schoenveters strikken) - Boven schouderhoogte actief zijn (minder dan 5 minuten, bijvoorbeeld gloeilamp verwisselen) De procedure in eerste aanleg 6.3.
  33. In eerste aanleg vorderde [appellant] - samengevat - veroordeling van ZLM tot betaling van € 1.228.846,48, te vermeerderen met rente en met veroordeling van ZLM in de proceskosten. Deze vordering betreft de optelsom van de voor [appellant] gestelde schadeposten van in totaal € 1.342.350,75 (wegens verlies aan arbeidsvermogen, pensioenschade, omscholing, verlies zelfwerkzaamheid, huishoudelijke hulp, medische kosten, materiële schade, reis- en verblijfskosten, belastingschade, vermogensbeheer, BGK en immateriële schade) minus het bedrag van € 113.504,27 dat ZLM reeds had voldaan. 6.3.
  34. De rechtbank heeft de vordering van [appellant] afgewezen en hem veroordeeld in de proceskosten. De procedure in hoger beroep 6.4.
  35. In hoger beroep heeft [appellant] geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis en gevorderd om bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren arrest ZLM te veroordelen: - € 1.323.903,- aan [appellant] te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de ongevalsdatum over € 60.000,- ter zake van immateriële schade en met de wettelijke rente over een bedrag van € 1.263.903,- vanaf de dag der dagvaarding tot de dag der algehele voldoening; - ter zake van belastingschade box 3 voor zover deze geen betrekking heeft op het verlies aan verdienvermogen en kosten van vermogensbeheer, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de regels van de wet, zulks te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot de dag der algehele voldoening; - in de kosten van de procedure in beide instanties, te vermeerderen met de kosten van de would be rapportage ad € 4.155,62 (productie 38), te vermeerderen met de wettelijke rente over het bedrag van de door [appellant] aan ZLM betaalde proceskosten in eerste instantie per datum van de betaling van die kosten. Voornoemd bedrag van € 1.323.903,- is volgens [appellant] opgebouwd uit de volgende schadeposten: Verlies verschenen arbeidsvermogen € 67.797,00 Verlies toekomstig verdienvermogen inclusief pensioenschade € 1.084.114,00 Verlies zelfwerkzaamheid € 15.998,83 Kosten huishoudelijke hulp € 99.184,00 Reiskosten € 16.607,00 Immateriële schade € 60.000,00 Secundaire victimisatie € 10.000,00 Kosten juridische hulp en bijstand € 83.706,42 totaal € 1.437.407,20 - Af: door ZLM voldaan € 113.504,27 Door ZLM te voldoen € 1.323.903,00 6.4.
  36. ZLM heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis met veroordeling van [appellant] in de proceskosten te vermeerderen met de nakosten en rente. 6.4.3 ZLM heeft geen bezwaar gemaakt tegen de eiswijziging van [appellant] . Het hof ziet ook geen aanleiding de eiswijziging ambtshalve buiten beschouwing te laten wegens strijd met de goede procesorde. Recht zal worden gedaan op de gewijzigde eis. 6.4.
  37. [appellant] heeft 20 grieven geformuleerd. De eerste zeven grieven betreffen de schadepost verlies aan verdienvermogen en het feit dat de rechtbank ten aanzien van het verschenen verlies aan verdienvermogen verrekening heeft toegepast. Grief 8 betreft verlies aan zelfwerkzaamheid, grief 9 kosten huishoudelijke hulp, grief 10 eigen risico ziektenkostenverzekering, grief 11 reiskosten, grief 12 smartengeld, grief 13 belastingschade, grief 14 kosten vermogensbeheer, grieven 15 tot en met 19 buitengerechtelijke kosten en het feit dat de rechtbank verrekening heeft toegepast en grief 20 het dictum waaronder de proceskostenveroordeling. Het hof zal hierna de grieven aan de hand van voornoemde posten behandelen. Verlies aan verdienvermogen – grieven 1 tot en met 7 6.5.
  38. [appellant] vordert € 67.797,00 aan verlies verschenen verdienvermogen en € 1.084.114,00 aan verlies toekomstig verdienvermogen inclusief pensioenschade. Deze vordering volgt volgens [appellant] uit het verschil tussen het inkomen in de feitelijke situatie met het ongeval en het inkomen dat [appellant] in de hypothetische situatie zonder ongeval zou hebben verworven. 6.5.
  39. Het hof stelt het volgende voorop. Aan een benadeelde die blijvende letselschade heeft opgelopen, mogen geen strenge eisen worden gesteld met betrekking tot het te leveren bewijs van (schade wegens het derven van) arbeidsinkomsten die de benadeelde in de toekomst zou hebben genoten in de hypothetische situatie dat het ongeval niet zou hebben plaatsgehad. Het is immers de aansprakelijke veroorzaker van het ongeval die aan de benadeelde de mogelijkheid heeft ontnomen om zekerheid te verschaffen omtrent hetgeen in die hypothetische situatie zou zijn geschied. Bij de beoordeling van de hypothetische situatie komt het dan ook aan op hetgeen hieromtrent redelijkerwijs te verwachten valt (HR 15 mei 1998, ECLI:NLHR:1998:ZC2654, NJ 1998/624; HR 14 januari 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA4277, NJ 2000/437). In dat verband dienen de goede en kwade kansen te worden afgewogen, bij welke afweging de rechter een aanzienlijke mate van vrijheid heeft. Hoewel het resultaat van die afweging in cassatie beperkt toetsbaar is, dient het oordeel van de rechter wel consistent en begrijpelijk te zijn (HR 17 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:273). Verschenen verlies aan verdienvermogen 6.5.
  40. Ten tijde van het ongeval werkte [appellant] op basis van een tijdelijk contract tot 29 mei 2013 van gemiddeld 24 uur per week bij Stichting Arduin in de functie van supportmedewerker BOPZ (een MBO functie) en werkte hij structureel over. Evenals de rechtbank, acht het hof aannemelijk dat [appellant] zonder ongeval een vast contract zou hebben gekregen voor 28 uur per week. Dat dit voornemen bestond bij Stichting Arduin blijkt uit een e-mail van de personeelsfunctionaris. Evenals de rechtbank acht het hof het feit dat [appellant] structureel overwerkte toen hij een contract had van 24 uur per week onvoldoende voor de redelijke verwachting dat hij ook na de uitbreiding van zijn contract naar 28 uur bovenop dat vermeerderd urenaantal nog structureel zou hebben overgewerkt. Dat 71% van de werknemers wel eens overwerkt waarvan 29% regelmatig en dat mensen in hogere functies meer overwerken, zoals [appellant] in hoger beroep heeft aangevoerd, acht het hof evenmin voldoende. Dit zijn te algemene en daarmee onvoldoende op de persoon van [appellant] toegespitste gegevens. Los daarvan wordt niet duidelijk of de werknemers waarop de stelling betrekking heeft, ook voor het overwerk worden betaald. De stelling dat structureel overwerk bij Arduin mogelijk en gebruikelijk was, is eveneens te algemeen en niet op de persoon van [appellant] toegespitst. Zo is niet onderbouwd hoeveel personeel bij Arduin in de functie van supportmedewerker BOPZ met een contract van 28 uur gemiddeld overwerkt en om hoeveel uur dat gemiddeld zou gaan. 6.5.
  41. Dat [appellant] na vijf jaar promotie zou hebben gemaakt is redelijkerwijs te verwachten, gezien de inzet en HBO-opleiding van [appellant] . Volgens [appellant] viel te verwachten dat hij als senior support medewerker zou zijn gaan werken. Dat [appellant] na vijf jaar 36 uur zou zijn gaan werken, acht het hof geen redelijke verwachting. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat 36 uur een fulltime dienstverband is volgens de cao, dat [appellant] niet heeft aangetoond eerder zoveel te hebben gewerkt en dat een uitbreiding van 28 naar 36 uur behoorlijk is. Verder neemt het hof in aanmerking dat [appellant] heeft verklaard dat zijn huidige functie bij Emergis een mentaal pittige functie is, waarbij in wisselende diensten wordt gewerkt en dat een dienstverband van 36 uur niet gebruikelijk is (zie p. 8 van de door [persoon D] opgemaakte would be rapportage, rov. 6.2.13). Dat en waarom dat in de functie van senior support medewerker BOPZ anders zou zijn, heeft [appellant] niet toegelicht. Evenals de rechtbank gaat het hof ervan uit dat [appellant] na vijf jaar 32 uur zou zijn gaan werken. 6.5.
  42. De rechtbank heeft vervolgens geoordeeld dat [appellant] vanaf 2018 bij Emergis is gaan werken en dat zijn inkomen vanaf dat moment nagenoeg gelijk is aan het inkomen dat hij zou hebben verdiend bij Arduin in de hypothetische situatie zonder ongeval, indien ervan wordt uitgegaan dat hij in de hypothetische situatie zonder ongeval vanaf 2018 (na 5 jaar) 32 uur per week zou zijn gaan werken als senior support medewerker zonder structureel overwerk. Tegen die conclusie van de rechtbank heeft Van de Hoff geen grief gericht zodat ook het hof daarvan uitgaat. De grieven van [appellant] richten zich tegen de gehanteerde uitgangspunten. 6.5.
  43. Het hof verwerpt het betoog van [appellant] dat de rechtbank bij het oordeel over het verlies aan arbeidsvermogen over de periode vóór 2018 is uitgegaan van een onjuist salaris in juni
  44. De rechtbank is uitgegaan van € 1.857,-, één functieschaal hoger dan zijn aanvangssalaris en vervolgens van € 1.894,- per juli 2013 vanwege een cao-wijziging. De stelling van [appellant] dat hij in juni 2013 € 1.982,- zou hebben verdiend achtte de rechtbank onvoldoende onderbouwd omdat [appellant] zijn laatstverdiend salaris niet heeft onderbouwd met salarisstroken. Ook in hoger beroep heeft Van de Hoff geen salarisstroken overgelegd van zijn laatstverdiend salaris. Anders dan [appellant] stelt, betreft de onderbouwing van het laatstverdiend salaris de werkelijke en niet de hypothetische situatie. Zonder toelichting waarom [appellant] niet over salarisstroken van zijn laatstverdiend salaris zou kunnen beschikken, welke toelichting hij niet heeft gegeven, mag het overleggen daarvan wel degelijk van hem worden verwacht. Nu hij dat niet heeft gedaan, sluit het hof zich aan bij het oordeel van de rechtbank. 6.5.
  45. De rechtbank heeft in rov. 4.2.10 uitgerekend dat het verlies aan arbeidsvermogen over 2013 tot en met 2017 minder bedraagt dan hetgeen ZLM over die periode heeft uitgekeerd indien wordt uitgegaan van een dienstverband van 32 uur zonder betaald overwerk en van een salaris van € 1.857,- in juni 2013 en van € 1.894,- per juli 2013 en heeft om die reden dit onderdeel van de schadevordering afgewezen. [appellant] heeft in hoger beroep grieven gericht tegen deze uitgangpunten (het salaris in juni/juli 2013, de 32 uur en geen overwerk) welke grieven zoals hiervoor overwogen niet slagen. Tegen de berekening op zich is geen grief gericht zodat ook het hof daarvan uitgaat. Van een verrassingsbeslissing, zoals van [appellant] heeft gesteld, is geen sprake. ZLM heeft in eerste aanleg aangevoerd in totaal € 113.504,27 aan schadevergoeding te hebben betaald en daarmee alle schade te hebben vergoed. Voor zover met deelbetalingen voor bepaalde schadeposten te weinig is betaald, heeft ZLM daarmee bij wijze van verweer een beroep gedaan op verrekening met hetgeen voor andere schadeposten te veel is betaald in deelbetalingen. 6.5.
  46. Anders dan [appellant] betoogt, heeft de rechtbank de verschenen schade niet beoordeeld tot
  47. Voor de periode vanaf 2018 heeft de rechtbank immers overwogen dat er geen verschenen schade in de zin van verlies aan arbeidsvermogen is, omdat [appellant] vanaf 2018 niet minder heeft verdiend dat in de hypothetische situatie zonder ongeval. In hoger beroep heeft [appellant] aangevoerd dat de restbeperkingen een beperkende rol hebben gespeeld en hebben geleid tot vertraging vanaf 2017 in zijn carrière bij Emergis. Dat en hoe de restbeperkingen in de periode bij Emergis vanaf 2017 tot aan de uitspraak van de rechtbank in 2022 hebben geleid tot vertraging in zijn carrière, heeft [appellant] niet toegelicht. Wel heeft [appellant] toegelicht dat verminderd vertrouwen in zichzelf ertoe heeft geleid dat hij geen volgende carrièrestap neemt, welk argument het hof verderop in 6.5.13 zal beoordelen. Toekomstig verlies aan verdienvermogen 6.5.
  48. Volgens [appellant] heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat er ten tijde van de uitspraak (16 februari 2022) onvoldoende aanknopingspunten waren om aan te nemen dat er in de toekomst wel verlies aan arbeidsvermogen zal zijn als gevolg van het ongeval. [appellant] stelt in de situatie met ongeval vanwege de restbeperkingen te worden beperkt in een volgende carrièrestap en dat zijn beperkingen in de toekomst zullen toenemen. Voor de hypothetische situatie zonder ongeval stelt [appellant] dat hij op termijn bij Arduin een functie op HBO niveau, zoals Teamleider, zou hebben gekregen. Toekomstige schade - de situatie met ongeval 6.5.
  49. [appellant] heeft de stelling dat zijn beperkingen in de toekomst zullen toenemen onvoldoende onderbouwd, hetgeen het hof hierna zal toelichten. In 2015 heeft orthopedisch chirurg [persoon A] ten aanzien van het letsel rond de wervelkolom opgemerkt dat er in de toekomst veranderingen ten aanzien van de gevolgen van het letsel kunnen plaatsvinden in die zin dat het klachtenpatroon, m.n. de functionele anamnese, in de toekomst kan veranderen. Het zou kunnen verergeren maar het zou ook kunnen verbeteren wanneer de wervelkolom met het klimmen der jaren ook meer verstijft, aldus [persoon A] . Omdat [appellant] ten tijde van het ongeval jong was, verwachtte [persoon A] eerder verergering van de klachten, met name bij inspanning. Hij kon niet aangeven op welke termijn dit zou kunnen plaatsvinden. In welke mate er verslechtering zou kunnen optreden kon hij wel zeggen. De functionele anamnese van betrokkene kon mogelijk veranderen, maar de Key-factor blijft hetzelfde, zodat het functieverlies uitkomt tussen de 12% en 16% van de gehele persoon. Wanneer [appellant] meer klachten krijgt, zou het kunnen dat zijn beperkingen toenemen. In welke mate en wanneer kon [persoon A] niet zeggen. Ten aanzien van de vastgestelde beperkingen rond het werkgeheugen en de concentratie/leervermogen heeft [persoon A] opgemerkt dat [appellant] in een arbeidssituatie meer moeite zal kunnen hebben met het opnemen, c.q. aanleren van nieuwe informatie door beperkingen in het werkgeheugen. De beperkingen in het volhouden van de aandacht kunnen ertoe leiden dat hij vergissingen maakt of niet goed in staat is een taak of activiteit te continueren. Die kans is groter bij monotone activiteiten / taken waarbij hij gedurende langere tijd alert moet blijven. De klachten van [appellant] op dat moment in 2015 bestonden uit onzekerheid over zijn cognitief functioneren en lichte concentratieproblemen bij vermoeidheid. [appellant] gaf aan alles op te schrijven en vaak te twijfelen, zich met vlagen somber te voelen en sinds het ongeval vaker te moeten bijslapen vanwege vermoeidheid. Volgens [persoon A] viel geen belangrijke verbetering of verslechtering op deze gebieden te verwachten. 6.5.
  50. In juli 2022 heeft [persoon D] onder meer de klachten op dat moment met [appellant] besproken. Daarbij gaf [appellant] aan dat hij zijn nachtdiensten nagenoeg allemaal wegruilt vanwege onregelmatige diensten die extra energie vragen, dat hij zichzelf dwingt om gedurende een dienst meerdere keren een deelrapportage te schrijven wat normaal gesproken in zijn geheel aan het einde van de dienst gebeurt omdat hij anders geen kwalitatief goede rapportage kan leveren en dat hij soms bang is om dingen te vergeten en soms twijfelt over eigen waarnemingen. In 2023 heeft [persoon E] , verzekeringsarts, geconcludeerd dat de functionele mogelijkheden van [appellant] gelijk zijn aan zijn functionele mogelijkheden in
  51. De beperkingen en functionele mogelijkheden van [appellant] zijn in die verstreken acht jaren dus niet gewijzigd. 6.5.
  52. Het hof kan uit de rapportage van [persoon D] niet afleiden dat het klachtenpatroon van [appellant] is verergerd. De daarin genoemde eerdere vermoeidheid, het vaker zaken opschrijven en de eerdere twijfel aan het eigen geheugen, staan ook al in het rapport van [persoon A] van
  53. Dit duidt er juist op dat de klachten gelijk zijn gebleven. [appellant] heeft zijn nachtdiensten weggeruild, maar dat dit werd veroorzaakt door de restbeperkingen en dat dit geen eigen, vrijwillige keuze betreft, is niet onderbouwd. Er is geen medisch advies overgelegd over de nachtdiensten en ook de communicatie hierover met de werkgever ontbreekt. Kennelijk is het niet draaien van nachtdiensten voor het uitvoeren van de huidige functie geen probleem want de werkgever weet niet van de restbeperkingen. Dat en in welke mate de klachten in de periode na 2015 zouden zijn toegenomen is niet onderbouwd. De enkele mededeling van [appellant] tijdens de mondelinge behandeling in eerste aanleg dat hij wat verschil bemerkt, heeft de rechtbank reeds onvoldoende geacht. Ook in hoger beroep wordt niet toegelicht waaruit de toegenomen klachten bestaan, laat staan dat daarover een verklaring van een (huis)arts, fysiotherapeut, of andere deskundige in het geding is gebracht. [appellant] heeft zijn stelling dat de klachten en beperkingen zijn toegenomen daarmee onvoldoende onderbouwd. Nu de situatie al acht jaar niet is verslechterd, bestaan er bovendien onvoldoende aanknopingspunten dat de klachten en/of beperkingen in de toekomst wel zullen verergeren. Het advies van zijn eigen medische (partij)deskundige [persoon F] uit 2018 waarnaar [appellant] nog heeft verwezen, doet aan het voorgaande niet af (productie 5 bij de inleidende dagvaarding). [appellant] vraagt het hof in deze procedure om zijn toekomstig verlies aan verdienvermogen op dit moment te begroten. Daarvoor dient te worden gekeken naar de aanknopingspunten die er nu zijn om die schade voor de toekomst te kunnen vaststellen en die zijn er naar het oordeel van het hof onvoldoende. 6.5.
  54. Dat de restklachten thans in de weg staan of in de weg hebben gestaan aan een volgende carrièrestap bij Emergis, betreft eveneens een stelling van [appellant] zelf, die [persoon D] heeft overgenomen in zijn rapport en is evenmin voldoende onderbouwd. In de rapportage van [persoon D] staat dat [appellant] een promotie naar de afdeling High Care bij Emergis ambieert, maar dat hij vertrouwen mist in zichzelf (angst om dingen te vergeten en twijfel over waarnemingen). [appellant] heeft zijn stelling dat hij door het letsel vertrouwen in zichzelf mist, niet nader gemotiveerd of met een medisch advies onderbouwd. Van [appellant] had tenminste mogen worden verwacht dat hij had toegelicht waaruit zijn ambitie blijkt, wat het verschil is tussen zijn huidige en de geambieerde functie en waarom zijn restklachten maken dat hij vreest dat hij de geambieerde functie niet goed zou kunnen vervullen en zijn huidige functie wel. Dat het gebrek aan vertrouwen in zijn eigen kunnen (in belangrijke mate) is veroorzaakt door de restbeperkingen als gevolg van het ongeval, is daarmee onvoldoende onderbouwd. Het niet durven nemen van een vervolgstap kan evengoed (in belangrijke mate) worden veroorzaakt door een vorm van onzekerheid die iedereen ervaart bij het overwegen van een nieuwe carrièrestap. Ook het hebben van een gezin met kleine kinderen kan eraan bijdragen dat [appellant] twijfelt over deze stap. Daarbij acht het hof van belang dat [appellant] na het ongeval, ondanks de restbeperkingen en het volgens hem daaruit voortvloeiende gebrek aan vertrouwen in zichzelf, wel de stap heeft gezet een post-hbo opleiding te volgen en te solliciteren naar een hogere (hbo-)functie. Al met al is onvoldoende onderbouwd dat [appellant] de goede kans naar een vervolgstap in zijn carrière is ontnomen als gevolg van zijn restbeperkingen. Toekomstige schade - de situatie zonder ongeval 6.5.
  55. Onder verwijzing naar de rapportage van [persoon D] stelt [appellant] dat hij in de hypothetische situatie zonder ongeval in 2022 theoretisch als teamleider bij Arduin had kunnen werken. Het gaat er echter niet om wat theoretisch mogelijk was geweest, maar wat een redelijke verwachting was geweest (zie de hiervoor in 6.5.2 weergegeven maatstaf). Voor zover [appellant] heeft beoogd te stellen dat dit ook redelijkerwijs viel te verwachten, heeft hij dat onvoldoende onderbouwd. Zo staat in de rapportage van [persoon D] dat [appellant] meer verdiepend dan organisatorisch of strategisch is geïnteresseerd en dat hij bestuurlijk geen ambitie heeft. Vanuit dit gegeven dat de ambitie van [appellant] ligt bij verdieping, ligt het niet in de lijn der verwachtingen dat hij de functie van teamleider zou hebben geambieerd. Los daarvan staat in het rapport van [persoon D] dat deze functie van teamleider wordt gewaardeerd op de bijbehorende loontabel bij FWG 45 (pagina 10 van het rapport). Waarom desondanks zou moeten worden uitgegaan van het loon behorend bij FWG 60 heeft [appellant] onvoldoende toegelicht. Slotsom verlies verdienvermogen 6.5.
  56. De slotsom is dat het hof met inachtneming van de maatstaf uit onder meer het molenaarszoon-arrest de door [appellant] gehanteerde uitgangspunten niet volgt. Toekomstig verlies aan verdienvermogen als gevolg van het ongeval kan thans niet worden vastgesteld omdat daarvoor onvoldoende is aangevoerd en het verschenen verlies aan verdienvermogen is al vergoed. [appellant] heeft geen bewijs aangeboden van voldoende onderbouwde stellingen die tot een ander oordeel kunnen leiden. Aan bewijslevering komt het hof niet toe. Zonder verminderd arbeidsvermogen is er ook geen pensioenschade. De grieven 1 tot en met 7 slagen niet. Verlies aan zelfwerkzaamheid – grief 8 6.6.
  57. De rechtbank heeft bepaald dat [appellant] niet volledig, maar voor de helft is uitgevallen voor de werkzaamheden in en om het huis. De lichamelijke beperkingen waar [appellant] mee kampt zijn direct van invloed op zijn mogelijkheid tot het verrichten van de werkzaamheden waar het hier om gaat (reparatiewerkzaamheden, schilderwerkzaamheden en tuinonderhoud), maar onvoldoende is onderbouwd dat [appellant] voor deze werkzaamheden volledig is uitgevallen, ook omdat bijvoorbeeld uit het bezoekverslag van de schade-expert van ZLM van 6 maart 2019 blijkt dat hij nog in staat is tot het uitvoeren van normaal schilderwerk. [appellant] heeft hiertegen in hoger beroep aangevoerd dat het huisbezoek van de verzekeraar een inbreuk vormt op zijn huisrecht. [appellant] heeft medegedeeld dat de achtertuin niet veel onderhoud vergt, maar het onderhoud wordt wel uitgevoerd door een tuinbedrijf. Ook reparatie- en schilderwerkzaamheden kan [appellant] niet meer zelf verrichten. Dit blijkt volgens [appellant] uit de would be rapportage en de FML. 6.6.
  58. Zoals hiervoor overwogen is onvoldoende onderbouwd dat de beperkingen en klachten van [appellant] zijn verergerd sinds
  59. De FML waarnaar [appellant] verwijst is gelijk aan die uit 2015 en dat de klachten zijn verergerd blijkt niet uit de would be rapportage. Deze rapportage ziet bovendien op de gevolgen van de beperkingen in verband met de beroepsmatige arbeid van [appellant] (het verlies aan verdienvermogen) en daarmee niet op tuinieren, reparatie- of schilderwerkzaamheden. Ook als het verslag van de schade-expert buiten beschouwing zou worden gelaten, is het aan [appellant] om aan te tonen dat hij in het geheel geen tuin- reparatie of schilderwerkzaamheden meer kan uitvoeren. Dat [appellant] niet in staat is lichtere werkzaamheden uit te voeren, blijkt onvoldoende uit de overgelegde FML. Daarin staat bijvoorbeeld ook: “Geknield of gehurkt actief zijn: normaal, kan tenminste 5 minuten achtereen geknield of gehurkt actief zijn (tuinieren)” Van [appellant] had - zeker in hoger beroep gezien het oordeel van de rechtbank - mogen worden verwacht dat hij een oordeel van een (partij)deskundige had ingebracht waaruit blijkt in hoeverre zijn beperkingen en klachten maken dat hij reparatiewerkzaamheden, schilderwerkzaamheden en tuinonderhoud niet meer kan uitvoeren. [appellant] heeft zijn stelling dat hij in het geheel geen reparatie-, schilder- en tuinwerkzaamheden meer kan uitvoeren onvoldoende onderbouwd. 6.6.
  60. [appellant] heeft onder overlegging van een berekening (productie 34 bij memorie van grieven) aangevoerd dat de rechtbank een onjuist normbedrag heeft gehanteerd vanaf 2021 (de rechtbank heeft € 599,00 gehanteerd, terwijl dat vanaf 2021 € 643,00 had moeten zijn en vanaf 2023 tot en met zeventigjarige leeftijd in 2056, zijnde een periode van 33 jaar, een bedrag van € 677). Volgens deze berekening bedraagt de schade wegens verlies aan zelfwerkzaamheden indien wordt uitgegaan van gehele uitval € 2.019,83 aan verschenen schade en € 11.509,00 aan toekomstige schade (€ 13.979,00 met rekenrente). Uitgaande van een percentage van 50% leidt dit tot bedragen van € 1.009,92 en € 5.754,
  61. Dit is een lager bedrag dan waarop de rechtbank uitkwam (die rekende tot een leeftijd van 75 jaar). De gewijzigde bedragen leiden dus niet tot een hogere vergoeding dan waarvan de rechtbank is uitgegaan. Kosten huishoudelijke hulp – grief 9 6.
  62. De rechtbank heeft overwogen dat uit de expertises en verslagen van de huisbezoeken blijkt dat [appellant] uitgezonderd de weken na het ongeval steeds zelf het huishouden heeft gedaan en daarin geen beperkingen ondervond. Dat [appellant] thans wel huishoudelijke hulp inschakelt achtte de rechtbank niet ongebruikelijk in een gezin van tweeverdieners met kinderen. In hoger beroep heeft [appellant] aangevoerd dat hij huishoudelijk werkzaamheden zoals stofzuigen, de vloer dweilen, bedden opmaken, wassen, strijken en boodschappen doen niet meer kan als gevolg van de beperkingen. Hij heeft dit echter niet onderbouwd. Een bericht daaromtrent van huisarts, fysiotherapeut dan wel een andere ter zake deskundige ontbreekt. Zoals hiervoor overwogen ziet de would be rapportage niet op dit soort werkzaamheden en uit de FML kan het hof dit evenmin afleiden. Zo kan [appellant] een volle vuilniscontainer duwen of trekken en tot 10 kg tillen of dragen. Nu niet is komen vast te staan dat [appellant] meer beperkingen of klachten heeft dan in 2015, heeft [appellant] bovendien onvoldoende toegelicht waarom hij deze werkzaamheden nog wel kon uitvoeren in 2015 volgens neuropsycholoog [persoon B] en in 2019 tijdens het huisbezoek en nu niet meer. [appellant] verwijst enkel naar zijn eigen verklaring tijdens de mondelinge behandeling in eerste aanleg dat er wat verschil in rugklachten is ten opzichte van eerder. Los van het feit dat een toelichting of onderbouwing van een huisarts of een fysiotherapeut ontbreekt, volgt hieruit niet dat of in welke mate [appellant] thans en in de toekomst minder huishoudelijke werkzaamheden kan verrichten. Eigen risico ziektekostenverzekering en reiskosten – grieven 10 en 11 6.
  63. [appellant] stelt als gevolg van zijn invaliditeit van de gehele persoon van 21 of 22% en daarmee samenhangende belemmeringen steeds meer medische kosten te moeten maken en jaarlijks zijn eigen risico te moeten opgebruiken en reiskosten te moeten maken. Feit is echter dat hij zijn eigen risico niet heeft opgebruikt tot en met heden en geen (para) medische behandelingen heeft hoeven te ondergaan en daarvoor dus ook geen reiskosten heeft gemaakt, althans hij heeft onvoldoende gesteld dan wel onderbouwd dat dat anders zou zijn. Er zijn inmiddels tien jaren verstreken sinds de laatste medische expertises in welke tien jaren geen medische kosten of reiskosten zijn gemaakt. Niet is vast komen te staan dat de beperkingen of klachten zijn verergerd. De enkele verklaring van [appellant] tijdens de mondelinge behandeling in eerste aanleg dat er wat verschil in rugklachten is ten opzichte van eerder is onvoldoende om thans te kunnen vaststellen dat in de toekomst medische kosten of reiskosten zullen moeten worden gemaakt als gevolg van het ongeval. Dat extra bezoek aan de sportschool op medisch advies en als gevolg van het ongeval plaatsvindt en tot reiskosten leidt is evenmin onderbouwd. Smartengeld – grief 12 6.
  64. De rechtbank heeft samengevat overwogen dat de blijvende lichamelijke beperkingen [appellant] niet beperken in zijn werk of dagelijks leven en dat een bedrag van € 20.000,00 als smartengeldvergoeding billijk is. In hoger beroep voert [appellant] aan dat hij ernstig leed en gederfde levensvreugde ondervindt als gevolg van het ongeval, maar hij onderbouwt dat verder niet. Zo wordt onvoldoende duidelijk gemaakt wat hij nu niet meer kan of moet missen als gevolg van de resterende beperkingen. Na 2017 ging het goed met [appellant] . Niet is gebleken dat hij nadien voor lichamelijke of geestelijke klachtenonder behandeling is geweest, of dat hij bepaalde hobby's of vrijetijdsbestedingen niet meer of beperkter kan uitoefenen. Er zijn geen aanknopingspunten voor toegenomen klachten of beperkingen. Zoals hiervoor overwogen staat thans niet vast dat de beperkingen of klachten in de toekomst zullen verergeren. Los daarvan is het hof van oordeel dat partijen zijn overeengekomen dat het smartengeld € 20.000,00 bedraagt. [appellant] heeft via een e-mail van zijn advocaat van 9 maart 2016 voorgesteld “om het smartengeld definitief te begroten op € 20.000,00”. Een voorbehoud is daarbij niet gemaakt. ZLM heeft hierop akkoord gegeven in de e-mail van 8 april
  65. In latere correspondentie heeft [appellant] alleen achter de schadepost smartengeld van € 20.000,00 “definitief” gezet. In hoger beroep maakt [appellant] zonder enige onderbouwing aanspraak op € 10.000,00 schadevergoeding ter zake secundaire victimisatie. Welk handelen van ZLM hieraan ten grondslag ligt is niet toegelicht, waarmee dit onderdeel van de vordering feitelijke grondslag mist. Het hof wijst deze vordering dan ook af. Belastingschade en kosten vermogensbeheer – grieven 13 en 14 6.
  66. [appellant] maakt aanspraak op belastingschade en kosten vermogensbeheer over het toewijsbare deel van zijn vorderingen. Uit hetgeen hiervoor is overwogen blijkt dat zijn vorderingen worden afgewezen zodat er ook geen belastingschade of kosten vermogensbeheer kunnen ontstaan in verband met toegewezen vorderingen. Overigens geldt nog het volgende. Anders dan [appellant] stelt is het niet nodig om kosten te maken voor vermogensbeheer om in de toekomst een groot verlies van koopkracht ten aanzien van het schadebedrag te voorkomen. Bij vergoeding ineens van toekomstige schade wordt het toegewezen schadebedrag aan de hand van een bepaalde rekenrente gekapitaliseerd. Partijen waren het er reeds over eens de rekenrente te hanteren zoals die volgt uit de Aanbevelingen rekenrente in personenschadezaken van de Expertgroep Personenschade. Deze gaat uit van een redelijke inschatting van de te verwachten inflatie en het te verwachten rendement in de toekomst. Omdat dus al rekening wordt gehouden met te verwachten koopkrachtverlies, kan het schadebedrag risicoloos worden vastgezet, zodat het niet nodig is om kosten te maken voor vermogensbeheer. Een eventuele keuze om dat toch te doen, kan dan niet voor rekening van de verzekeraar worden gebracht. Buitengerechtelijke kosten - grieven 15 tot en met 19 6.11.
  67. [appellant] vordert een bedrag van € 95.311,38 aan buitengerechtelijke kosten. Hiervan heeft ZLM een bedrag van € 27.504,27 voldaan. Zowel het maken van de kosten als de omvang van de gemaakte kosten moet redelijk zijn om voor vergoeding van de kosten in aanmerking te komen. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat het niet redelijk was om kosten te maken voor schikkingsonderhandelingen vanaf het moment dat mr. Boogaard het dossier overnam. ZLM was in augustus met de eerder toegezonden schadestaat van € 559.140,93 (exclusief buitengerechtelijke kosten) al niet akkoord (en bood aan nog een slotbetaling van € 11.000,00 te doen). [appellant] heeft onvoldoende toegelicht waarom het gezien het grote verschil tussen partijen daarna nog zin had om verder te onderhandelen op basis van een nog hogere schadestaat en daarvoor kosten te maken. De rechtbank heeft geoordeeld dat van de zeven resterende facturen (van 26 november 2018, 21 december 2018, 25 februari 2019, 15 maart 2019, 9 april 2019, 26 juni 2019 en 11 juli 2019) ongeveer driekwart van de werkzaamheden betrekking heeft op het schikkingsvoorstel van 18 juni
  68. Deze werkzaamheden komen volgens de rechtbank niet in aanmerking omdat de waarde van de schadestaat gering was. Ook het hof acht dit geen redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid of ter verkrijging van voldoening buiten rechte. Hetgeen partijen voornamelijk verdeeld hield was de opgevoerde hoge schadepost wegens verlies aan verdienvermogen. Het uitgangspunt dat sprake is van 22% verlies aan verdienvermogen omdat sprake is van 22% blijvende invaliditeit (waarop het schikkingsvoorstel van 18 juni 2019 was gebaseerd) is binnen de letselschadebranche juridisch dermate onhoudbaar, dat redelijkerwijs niet verwacht mocht worden dat dit met een professionele verzekeraar zou leiden tot een schikking en geen kostenpost van € 14.092,82 rechtvaardigt (driekwart van het totaal van de zeven facturen van € 18.790,42). Deze kosten voor het schikkingsvoorstel van 18 juni 2019 zijn dus niet in redelijkheid gemaakt. 6.11.
  69. Met grief 15 komt [appellant] op tegen het oordeel dat dat de uurtarieven van € 280,00 tot € 290,00 voor een ervaren advocaat, € 220,00 voor een minder ervaren advocaat en € 165,00 voor de office manager plus 6% kantoorkosten de redelijkheidstoets uit 6:96 lid 2 BW niet kunnen doorstaan. 90% van de gerekende uurtarieven zonder kantoorkosten achtte de rechtbank redelijk. Zelfs als deze grief zou slagen, leidt dat niet tot vernietiging van het bestreden vonnis. Het slagen van de grief zou betekenen dat [appellant] niet recht zou hebben op nog € 4.000,00, maar op nog € 4.697,61 (€ 18.790,42 min driekwart). In dat geval blijft de conclusie dat ZLM ter zake de posten verlies aan verdienvermogen, pensioenschade, zelfwerkzaamheid, huishoudelijke hulp en toekomstige medische kosten meer heeft betaald dan waartoe zij gehouden was. Het teveel betaalde overstijgt dan nog steeds hetgeen ZLM aan buitengerechtelijke kosten te weinig heeft betaald. 6.11.3 De schade door verlies aan arbeidsvermogen op basis van de gegevens van [appellant] (uitgaande van een 32-urige werkweek zonder betaald overwerk) bedraagt € 34.102,00 (zie 4.2.10 van het bestreden vonnis). De door [appellant] daarover gevorderde 15% pensioenschade bedraagt € 5.115,
  70. De kosten van omscholing bedragen € 5.654,
  71. De kosten voor verlies aan zelfwerkzaamheid zijn € 6.678,42 (€ 838,17 plus € 5.840,25). De kosten voor huishoudelijke hulp bedragen € 546,
  72. De medische kosten bedragen € 2.555,
  73. De materiële schade (beschadigde kleding) bedraagt € 405,
  74. De reiskosten bedragen € 2.507,
  75. Het smartengeld bedraagt € 20.000,
  76. De buitengerechtelijke kosten bedragen € 27.504,27 plus € 4.697,61 indien grief 15 zou slagen. De totale schade inclusief buitengerechtelijke kosten komt daarmee indien grief 15 zou slagen op € 109.764,
  77. Dit is minder dan de € 113.504,27 die ZLM in totaal aan schadevergoeding aan [appellant] heeft vergoed. Verrekening – grief 19 6.12.
  78. [appellant] stelt dat ZLM, door het verrichten van betalingen voor verschillende posten, deze posten in en buiten rechte heeft erkend. ZLM heeft geen beroep op verrekening gedaan, zodat per post eventueel teveel betaalde bedragen niet mogen worden verrekend. Ook mogen de teveel betaalde bedragen niet verrekend worden met het voor de buitengerechtelijke kosten verschuldigde bedrag, aldus [appellant] . ZLM stelt zich op het standpunt dat de betalingen niet per schadepost zijn verricht, maar (met uitzondering van het bedrag van € 20.000,00) als lumpsumbetaling. De schadestaat was opgemaakt in het kader van overleg over een minnelijke regeling en de verschillende schadeposten zijn dan ook niet door ZLM erkend. 6.12.
  79. [appellant] heeft niet weersproken dat de door ZLM overgelegde schadestaat is opgemaakt ten behoeve van (het gesprek over) een minnelijke regeling. Het hof is daarom van oordeel dat uit de schadestaat niet kan volgen dat ZLM betalingen heeft verricht of erkenningen heeft gedaan ten aanzien van specifieke schadeposten, zoals door [appellant] gesteld. Het door ZLM aan [appellant] betaalde bedrag moet worden beschouwd als een lumpsumbetaling voor alle posten, inclusief de buitengerechtelijke kosten. Het door ZLM in totaal betaalde bedrag overstijgt het aan [appellant] in totaal toe te wijzen bedrag, waarmee ZLM aan haar betalingsverplichting heeft voldaan. Voor zover hetgeen in nr. 91 van de memorie van grieven is gesteld moet worden opgevat als een bewijsaanbod, is dat onvoldoende gespecificeerd, zodat het hof daaraan voorbij gaat. Slotsom 6.13.
  80. De slotsom is dat de grieven 1 tot en met 19 van [appellant] niet slagen en het hof het bestreden vonnis zal bekrachtigen en [appellant] als de in het ongelijk gestelde partij zal veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep. Ook grief 20 slaagt daarmee niet. [appellant] heeft aangeboden de deskundigen te horen indien hun rapportages zouden worden betwist. Het hof is op basis van de rapportages van de deskundigen tot zijn oordeel gekomen en ziet daartoe derhalve geen aanleiding. Voor het overige is het bewijsaanbod in de onderdelen 91 - 97 van de memorie van grieven onvoldoende specifiek. 6.13.
  81. De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van ZLM zullen vastgesteld worden op: Griffierechten € 11.379,00 Salaris advocaat € 1 punt x tarief € 5.286,00 Nakosten € 178,- (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 16.843,00 De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. 7De uitspraak Het hof: bekrachtigt het bestreden vonnis; veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het hoger beroep van € 16.843,00, te betalen binnen veertien dagen na heden. Als [appellant] niet tijdig aan deze veroordeling voldoet en het arrest daarna wordt betekend, dan moet [appellant] € 92,00 extra betalen vermeerderd met de kosten van betekening; veroordeelt [appellant] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na heden zijn voldaan; wijst af het anders of meer gevorderde. Dit arrest is gewezen door mrs. A.L. Bervoets, F.C. Alink-Steinberg en O.L. Nunes en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 22 juli
  82. griffier rolraadsheer

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.