GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team Handelsrecht zaaknummer 200.351.120/01 arrest van 22 juli 2025 in de zaak van Stichting Hoofdstraat Best, gevestigd te Best, appellante, advocaat: mr. M. van Heeren te Breda, tegen 1 [geïntimeerde 1],wonende te [woonplaats],
- [geïntimeerde 2],wonende te [woonplaats], geïntimeerden, advocaat: mr. F.M.A. Rooijakkers te Eindhoven. als vervolg op de door de rolraadsheer gewezen rolbeslissing van 25 februari 2025 in het hoger beroep van de door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, onder zaaknummer C/01/386719 / HA ZA 22-568 gewezen vonnissen van 21 december 2022, 31 januari 2024 en 30 oktober 2024, tussen appellante – de Stichting – als eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie en geïntimeerden – [geïntimeerden] – als gedaagde partijen in conventie, eisende partijen in reconventie. 1Het verloop van de procedure 1.
- Het verloop van de procedure blijkt uit: de appeldagvaarding van 30 januari 2025; de rolbeslissing van 25 februari 2025; de akte na rolbeslissing van de zijde van de Stichting, met producties 1 tot en met 5; de antwoordakte van de zijde van [geïntimeerden] Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. 2De verdere beoordeling 2.
- Bij genoemde rolbeslissing heeft de rolraadsheer geconstateerd dat uit de stukken kan worden opgemaakt dat het eindvonnis waarvan beroep een verklaring voor recht bevat inhoudende dat [geïntimeerden] onbezwaard en onbelast eigenaar is van een stuk grond zoals nader aangegeven in de dagvaarding eerste aanleg. Niet is gebleken dat het hoger beroep conform de regeling van artikel 3:27 lid 2 BW is ingeschreven in de registers. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld hierop te reageren. Zij hebben ieder bij akte gereageerd. 2.
- De Stichting stelt in haar akte dat artikel 3:27 lid 2 BW niet van toepassing is en dat zij daarom ontvankelijk is in het hoger beroep. De bijzondere procedure van artikel 3:27 lid 2 BW moet volgens de Stichting worden onderscheiden van een verklaring voor recht als bedoeld in artikel 3:302 BW. De Stichting stelt dat het in deze zaak de vraag is of de verklaring voor recht een verklaring was met bijzondere positieve kracht als bedoeld in artikel 3:27 BW of dat deze strekte tot het verkrijgen van een declaratoire uitspraak tussen partijen als bedoeld in artikel 3:302 BW. Alleen in het eerste geval zijn de processuele bepalingen van artikel 3:27 lid 2 BW van toepassing. De Stichting stelt dat [geïntimeerden] geen verklaring met bijzondere positieve kracht als bedoeld in artikel 3:27 BW heeft gevorderd. De Stichting stelt dat [geïntimeerden] de procedure van artikel 3:27 BW niet heeft gevoerd, niet heeft willen voeren en dat ook vaststaat dat de openbare oproeping van derden-belanghebbenden niet heeft plaatsgevonden. De Stichting verzoekt het hof haar bij arrest of rolbeslissing ontvankelijk te verklaren en de zaak voor memorie van grieven te zetten. 2.
- [geïntimeerden] heeft daartegen aangevoerd dat de Stichting was geregistreerd als juridisch eigenaar. Na het bestreden eindvonnis is de strook grond overgedragen aan [geïntimeerden] Op 23 december 2024 is daartoe door een notaris een Registerverklaring ingeschreven in het Kadaster. Het geschil is in volle omvang aan het hof voorgelegd. Daarmee dus ook het oordeel over de eigendomsuitwijzing die bestemd is om in de registers te worden ingeschreven. Volgens [geïntimeerden] is werking jegens derden beoogd en deze derden kunnen nu niet in het kadaster zien dat de strook grond nog onderdeel is van een hoger beroepsprocedure. Het doel van de Stichting is om de ingeschreven eigendomssituatie in het Kadaster te (doen) vernietigen. Als die vordering wordt toegewezen, dan zou dat moeten leiden tot een aanpassing. Er is daarmee sprake van een verklaring voor recht met een bijzondere positieve kracht als bedoeld in artikel 3:27 BW en strekt ertoe derden te beschermen. [geïntimeerden] concludeert de Stichting niet-ontvankelijk te verklaren in het hoger beroep met veroordeling van de Stichting in de kosten. 2.
- Het hof overweegt als volgt. 2.
- Partijen verschillen van mening over het antwoord op de vraag of de verklaring voor recht die in deze procedure wordt gevorderd een ook jegens derden werkende verklaring met bijzondere positieve kracht is in de zin van artikel 3:27 BW, of een verklaring in de zin van artikel 3:302 BW die uitsluitend tussen partijen en hun rechtverkrijgenden werkt en die daarmee een bijzondere positieve kracht mist. Dit verschil is van belang voor de beoordeling van de ontvankelijkheid van het onderhavige hoger beroep. Als komt vast te staan dat een verklaring in de zin van artikel 3:27 BW wordt gevorderd, dan had het hoger beroep op straffe van niet-ontvankelijkheid moeten worden ingeschreven in het rechtsmiddelenregister zoals bedoeld in artikel 433 Rv. Mocht komen vast te staan dat de vordering ziet op een verklaring in de zin van artikel 3:302 BW, dan geldt dit vereiste niet. 2.
- Het hof is van oordeel dat de vorderingen van partijen niet kunnen worden beschouwd als vorderingen uit hoofde van artikel 3:27 BW en dat ook niet de specifieke procedure is gevolgd als bedoeld in dat artikel. De gevorderde verklaringen voor recht zien blijkens de processtukken en de vonnissen alleen op de rechtsverhouding tussen partijen. Uit die stukken en uit hetgeen partijen in dit kader in hun akten hebben aangedragen, blijkt niet dat partijen met de door hen gevorderde verklaringen voor recht eigendomsrechten jegens derden hebben willen markeren. [geïntimeerden] heeft in zijn akte onvoldoende onderbouwd dat hij de procedure met die bedoeling heeft ingestoken. Verder staat vast dat geen oproeping van derde-belanghebbenden in de zin van artikel 3:27 lid 1 BW heeft plaatsgevonden. Het hof legt de door de rechtbank toegewezen gevorderde verklaring voor recht dan ook zo uit dat die vordering slechts werkt in de (beperkte) zin en dus alleen jegens de Stichting en dat dus niet een verklaring met bijzondere positieve kracht is beoogd. De conclusie is dat [geïntimeerden] de bedoeling had een verklaring te verkrijgen in de zin van artikel in de zin van artikel 3:302 BW. Een inschrijving van het hoger beroep op grond van artikel 3:27 lid 2 BW jo 433 Rv in het rechtsmiddelenregister is dus niet vereist, zodat de Stichting ontvankelijk is in het hoger beroep. 2.
- De zaak zal gelet op het vorenstaande worden verwezen naar de rol voor het nemen van een memorie van grieven aan de zijde van de Stichting. 2.
- Het hof zal iedere verdere beslissing aanhouden. 3De uitspraak Het hof: verwijst de zaak naar de rol van 2 september 2025 voor memorie van grieven aan de zijde van de Stichting, houdt iedere verdere beslissing aan. Dit arrest is gewezen door mrs. S.M.A.M. Venhuizen, E.H. Schulten en J.M.H. Schoenmakers en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 22 juli
- griffier rolraadsheer