← Nederland

ECLI:NL:GHSHE:2025:2065

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team familie- en jeugdrecht zaaknummer 200.353.563/01 arrest van 22 juli 2025 gewezen in het incident ex art. 351 Rv in de zaak van [appellant] , wonende te [woonplaats], appellant in de hoofdzaak, eiser in het incident, hierna: de man, advocaat: mr. A.A.M. Olde Loohuis te Boxmeer, tegen [geintimeeerde 1], wonende te [woonplaats], geïntimeerde in de hoofdzaak, verweerster in het incident, hierna: de vrouw, advocaat: mr. G.H.J. Spee te Nijmegen, op het bij exploot van dagvaarding van 7 april 2025 ingeleide hoger beroep van de vonnissen van 14 juli 2021, 22 juni 2022, 10 augustus 2022 en 8 januari 2025, door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, gewezen tussen appellant – de man – als gedaagde en geïntimeerde – de vrouw – als eiseres. 1Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/01/363097/ HA ZA 20-631) Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen. 2Het geding in hoger beroep Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding in hoger beroep tevens houdende incidentele vordering tot schorsing tenuitvoerlegging met de producties 14 tot en met 17; de conclusie van antwoord in het incident van 6 mei 2025 met productie 1. Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. 3De beoordeling In het incident De feiten 3.1 Het hof gaat uit van de volgende feiten. a. Partijen zijn op 2 mei 1995 met elkaar gehuwd na het maken van huwelijkse voorwaarden. De huwelijkse voorwaarden houden, samengevat, in

  1. i)uitsluiting van elke gemeenschap van goederen en
  2. ii)een periodiek verrekenbeding (art. 9). De man heeft op 29 juni 2000 het agrarisch bedrijf, ‘[naam bedrijf]’ (een melkveebedrijf) van zijn ouders overgenomen.. Hij heeft het agrarisch bedrijf vanaf dat moment voortgezet als een eenmanszaak. Het agrarisch bedrijf is door de man recent omgezet van een (biologisch) melkveebedrijf naar een paardenpension (hierna: de onderneming). De vrouw heeft op 10 juli 2018 een verzoekschrift tot echtscheiding ingediend bij de rechtbank Oost-Brabant (’s-Hertogenbosch). De rechtbank heeft bij beschikking van 1 maart 2019 de echtscheiding uitgesproken. Op 25 maart 2019 is de echtscheidingsbeschikking ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Het periodiek verrekenbeding is niet uitgevoerd door partijen. Partijen hebben afgesproken 31 december 2016 te hanteren als peildatum voor het te verrekenen vermogen. De rechtbank heeft partijen in de echtscheidingsbeschikking (rov. 3.2) bevolen ‘over te gaan tot verrekening van de huwelijkse voorwaarden’. Een minnelijke regeling is onmogelijk gebleken. De procedure bij de rechtbank 3.2 In deze procedure vordert de vrouw, zo blijkt uit het petitum van de dagvaarding, dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: een deskundige benoemt om de waarde te bepalen van het ‘tot het te verrekenen behorende huwelijksvermogen’; de wijze van verrekening van de huwelijkse voorwaarden van partijen vast zal stellen; de man veroordeelt om aan de vrouw binnen een termijn van 3 maanden na betekening van het vonnis, € 909.329,92 dan wel enig ander bedrag, op straffe van een dwangsom van € 2.000,-- per dag voor iedere dag dat de man, na het verstrijken van een termijn van drie maanden na het betekenen van het door de rechtbank te wijzen vonnis, in deze nalaat uitvoering daaraan te geven, dit met een maximum van € 100.000,--; de man veroordeelt in de kosten van de procedure. 3.3 Bij tussenvonnis van 14 juli 2021 (rov. 5.1) heeft de rechtbank de man in de gelegenheid gesteld om ‘tegenbewijs te leveren ten aanzien van het voorshands aangenomen bewijsvermoeden van art. 1:141 lid 3 BW dat er sprake is van overgespaarde inkomsten en daarom alle vermogensbestanddelen op de peildatum 31 december 2016 tot het tussen partijen te verrekenen huwelijksvermogen behoren’. 3.4 Bij tussenvonnis van 22 juni 2022 heeft de rechtbank geoordeeld dat de man niet is geslaagd in het leveren van tegenbewijs. De rechtbank heeft vervolgens in rov. 2.7 bepaald welke goederen tot het te verrekenen vermogen behoren. De rechtbank heeft voorts overwogen (rov. 2.8) dat zij voornemens is een deskundigenonderzoek in te laten stellen. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over dit voornemen. 3.5 Bij tussenvonnis van 10 augustus 2022 heeft de rechtbank een onderzoek door een deskundige bevolen ter beantwoording van de in het dictum van dat vonnis opgenomen vragen. 3.6 Bij tussenvonnis van 21 december 2022 heeft de rechtbank een deskundige benoemd. 3.7 In het eindvonnis van 8 januari 2025 heeft de rechtbank als volgt overwogen: ‘2.8. Hieruit volgt dat de man een bedrag van € 679.717,50 aan de vrouw moet betalen. (…) 2.11. (…) De man heeft niet, althans onvoldoende onderbouwd zijn stelling dat het voor hem niet mogelijk is om de verrekeningsvordering aan de vrouw te voldoen, zonder dat zijn bedrijfsvoering in gevaar komt. Een cijfermatige onderbouwing van deze gestelde betalingsonmacht ontbreekt. De stelling van de man op de zitting dat de bank in verband met het beslag van de vrouw op de vermogensbestanddelen van de man zijn leencapaciteit niet wil berekenen, acht de rechtbank niet aannemelijk. Een verklaring van de bank ontbreekt. Overigens laat die gestelde omstandigheid onverlet dat de man op andere wijze concreet inzichtelijk had kunnen maken dat hij niet tot betaling kan overgaan. In dat kader mag - indien nodig - overigens ook van de man worden verwacht dat hij onderdelen van zijn vermogen (bijvoorbeeld enkele percelen grond) te gelde maakt. Zonder nadere toelichting van de man, die ontbreekt, kan niet worden aangenomen dat zijn onderneming daarmee niet meer levensvatbaar is. (…) Wel ziet de rechtbank in de stellingen van de man voldoende grond om hem een betalingstermijn van 6 maanden te gunnen. De redelijkheid en billijkheid die partijen jegens elkaar in acht moeten nemen, rechtvaardigen die langere betalingstermijn dan de door de vrouw gevorderde termijn van 3 maanden.’ 3.8 De rechtbank heeft de man veroordeeld om binnen 6 maanden na betekening van dit vonnis aan de vrouw € 679.717,50 te betalen. De procedure in hoger beroep 3.9 De man heeft tijdig hoger beroep ingesteld. Daarnaast heeft hij in de appeldagvaarding een incidentele vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging ingesteld. In de hoofdzaak De man vordert vernietiging van de bestreden (tussen)vonnissen van 8 januari 2025, 10 augustus 2022, 22 juni 2022 en 14 juli 2021 en opnieuw rechtdoende de vrouw in haar vorderingen alsnog niet ontvankelijk te verklaren, dan wel de die vorderingen af te wijzen, met veroordeling van de vrouw in de kosten van beide instanties. In het incident De man vordert de uitvoerbaarheid bij voorraad van het bestreden vonnis van 8 januari 2025 op te schorten dan wel de tenuitvoerlegging van dit vonnis te schorsen totdat in de hoofdzaak bij eindarrest zal zijn beslist, met veroordeling van de vrouw in de kosten van dit incident. Het hof zal in dit arrest uitsluitend een beslissing nemen over de vordering in het incident. De beslissing in de hoofdzaak zal worden aangehouden. 3.10 De man heeft zijn vordering in het incident als volgt toegelicht. De rechtbank heeft haar beslissing om het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren niet gemotiveerd. Er is sprake van een feitelijke en juridische misslag, in geval executie van het vonnis geraakt hij in een noodtoestand en ten slotte is zijn belang bij schorsing groter dan het belang van de vrouw bij executie van het vonnis. Feitelijke misslag Hij is niet in staat binnen 6 maanden een bedrag van € 679.717,50 aan de vrouw te voldoen. Hij wijst daartoe op het volgende. Uit de door hem bij de rechtbank overgelegde stukken (de prod. 12 en 13; de op 25 juli 2024 laatst bekende IB aangiftes) blijkt dat zijn bedrijf in de jaren 2020 tot en met 2022 verlies heeft geleden en dat op 31 december 2022 het ondernemings-vermogen € 309.757,-- bedroeg en het totaalsaldo van de bankrekeningen € 8.327,--. Zonder de IB-aangiftes hierbij te betrekken en onvoldoende gemotiveerd, heeft de rechtbank aangenomen dat hij een zekere bestedingsruimte of vermogen heeft om binnen zes maanden de betaling aan de vrouw te voldoen. Na het wijzen van het bestreden vonnis heeft hij de bank gevraagd om een financiering voor het aan de vrouw toegewezen bedrag, maar de bank is (d.d. 27 maart 2025) niet bereid deze te verstrekken (prod. 16). Ten slotte heeft hij op 2 februari 2025 door de accountant een bedrijfsplan laten opstellen, waaruit blijkt dat zijn maximale leencapaciteit (ter afwikkeling van de echtscheiding) vanaf 2026 - 2027 maximaal € 200.000,-- is (prod. 17). Juridische misslag De rechtbank heeft de continuïteit van de onderneming niet betrokken in haar belangenafweging. Ten onrechte is geen rekening gehouden met het risico van faillissement van de onderneming of beëindiging van de herstructurering daarvan. Er is geen rekening gehouden met het toekomstperspectief. Het voorbestaan van de onderneming is echter een legitiem belang dat bescherming verdient. Met zijn bedrijfsplan heeft hij aangetoond dat hij in de nabije toekomst in staat is ‘om een bedrag aan de vrouw te voldoen’. Noodtoestand Bij executie van het vonnis ontstaat een noodtoestand. Hij zou worden gedwongen zijn onderneming te verkopen. Gedwongen verkoop leidt tot verlies van zijn inkomen en (bedrijfs)woning. Bovendien kan hij hierdoor ook niet meer voldoen aan zijn bestaande betalingsverplichtingen (schulden en noodzakelijke herinvesteringen). Dit gevolg is onomkeerbaar en disproportioneel. Belangenafweging Uit niets blijkt dat de vrouw in de problemen zou komen op het moment dat de bestaande toestand in stand blijft. Zijn belang bij behoud van de bestaande toestand weegt aldus zwaarder dan het belang van de vrouw bij onmiddellijke executie van het vonnis. 3.11 De vrouw voert daartegen het volgende aan. Anders dan de man stelt, heeft de rechtbank de beslissing om het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren wel gemotiveerd. Dit blijkt uit het vonnis van 8 januari 2025 en het proces-verbaal van de mondelinge behandeling op 23 augustus 2024 (prod. 2). Tijdens deze mondelinge behandeling zijn de (on)mogelijkheden van de man om de verrekenvordering te voldoen, besproken. Uit het vonnis van 8 januari 2025 blijkt de rechtbank bij haar belangenafweging het standpunt van de man heeft meegewogen. De man is daarom een betalingstermijn van 6 maanden is gegund. Over de belangenafweging in hoger beroep voert de vrouw het volgende aan:
  3. a)De man heeft zijn melkveehouderij al in 2021 beëindigd. Hij is zich toen gaan toeleggen op de paardenhouderij. Als de man stelt dat de continuïteit van zijn onderneming in gevaar komt, dan gaat het dus niet om de melkvee-onderneming die partijen tijdens hun huwelijk hielden, maar om de nieuwe onderneming die hij pas na de echtscheiding is gestart. De man was er toen al mee bekend dat hij uit hoofde van de huwelijkse voorwaarden nog met haar zou moeten afrekenen. Het geld dat de man voor de investering in zijn nieuwe onderneming wil gebruiken, is dus geld dat haar toekomt. Het is niet redelijk wanneer die investering prioriteit krijgt boven de verplichting de verrekenvordering aan haar te voldoen.
  4. b)De man heeft niet aangetoond dat de continuïteit van zijn nieuwe onderneming in gevaar zou komen. Uit het bedrijfsplan is op te maken dat de man niet meer heeft gedaan dan ‘stappen (…) gezet om zijn bedrijf om te gaan vormen’. Dit betekent dat er nog geen (goed)lopende onderneming is waarvan de continuïteit geborgd zou moeten worden.
  5. c)De man heeft verder niet aangetoond dat gedeeltelijke verkoop niet mogelijk is. Hij heeft daarover slechts beweerd dat ‘het bedrijf dan zoveel geweld zou worden aangedaan, dat de bedrijfsvoering niet rond te krijgen zou zijn’. Bewijs daarvan heeft hij echter niet geleverd.
  6. d)Nu hij zijn eerdere bedrijfsvoering heeft gestaakt en een nieuwe onderneming wil gaan starten, is het juist zeer waarschijnlijk dat hij dit kan doen met minder grond. De man heeft thans 17 hectare grond in eigendom en daarnaast nog de beschikking over meerdere hectaren pachtgrond. Wanneer hij bijvoorbeeld acht hectare grond zou verkopen, houdt hij voldoende ruimte over voor een herstructurering (hij kan op meer bescheiden schaal een paardenpension houden) en kan hij bovendien de verrekenvordering voldoen. De man kan ook de onderneming en de bijbehorende percelen verkopen. De grond ligt in de agrarische hoofdstructuur waardoor maar weinig beperkingen worden opgelegd aan het agrarische gebruik. Deze grond ligt goed in de markt en kan naar alle verwachting binnen een korte termijn worden verkocht.
  7. e)Zij heeft in 2017 de echtelijke woning verlaten en de echtscheiding is inmiddels al 6 jaar geleden uitgesproken. Zij heeft er belang bij haar leven weer op te kunnen bouwen. In de afgelopen jaren heeft zij veel proceskosten moeten maken waardoor zij financieel in de problemen is gekomen. Om deze kosten te kunnen voldoen, heeft zij een lening moeten aangaan. Om huisvesting te krijgen, heeft zij een hoge hypotheek moeten afsluiten. De man heeft er alles aan gedaan om de procedure te rekken. Zij wacht hierdoor al onnodig lang op haar geld. Van haar kan niet worden gevergd dat zij nog langer moet wachten. 3.12 Het hof overweegt als volgt. 3.12.1 Bij de beoordeling van een vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging, indien tegen de ten uitvoer te leggen uitspraak een rechtsmiddel is ingesteld, heeft op grond van HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026 het volgende te gelden. a. Uitgangspunt is dat een uitgesproken veroordeling, hangende een hogere voorziening, uitvoerbaar dient te zijn en zonder de voorwaarde van zekerheidstelling ten uitvoer kan worden gelegd. Afwijking van dit uitgangspunt kan worden gerechtvaardigd door omstandigheden die meebrengen dat het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand zolang niet op het door hem ingestelde rechtsmiddel is beslist, of diens belang bij zekerheidstelling, ook gegeven dit uitgangspunt, zwaarder weegt dan het belang van degene die de veroordeling in de ten uitvoer te leggen uitspraak heeft verkregen, bij de uitvoerbaarheid bij voorraad daarvan of bij deze uitvoerbaarheid zonder dat daaraan de voorwaarde van zekerheidstelling wordt verbonden. b. Bij de toepassing van de onder a genoemde maatstaf moet worden uitgegaan van de beslissingen in de ten uitvoer te leggen uitspraak en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen, en blijft de kans van slagen van het tegen die beslissing aangewende of nog aan te wenden rechtsmiddel buiten beschouwing, met dien verstande dat de rechter in zijn oordeelsvorming kan betrekken of de ten uitvoer te leggen beslissing(
  8. en)berust(
  9. en)op een kennelijke misslag. c. Indien de beslissing over de uitvoerbaarheid bij voorraad in de ten uitvoer te leggen uitspraak is gemotiveerd, moet de eiser of verzoeker, afgezien van het geval dat deze beslissing berust op een kennelijke misslag, aan zijn vordering of verzoek feiten en omstandigheden ten grondslag leggen die bij het nemen van deze beslissing niet in aanmerking konden worden genomen doordat zij zich eerst na de betrokken uitspraak hebben voorgedaan en die kunnen rechtvaardigen dat van die eerdere beslissing wordt afgeweken. 3.12.2 Anders dan de vrouw stelt, heeft de rechtbank de beslissing om het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren niet gemotiveerd. De incidentele vordering zal daarom worden beoordeeld aan de hand van de hiervoor in rov. 3.12.1 onder (
  10. a)en (
  11. b)weergegeven maatstaven. 3.12.3 De man beroept zich op een (feitelijke en/of juridische) misslag en een onjuiste belangenafweging. Misslag Van een feitelijke of juridische misslag is sprake indien deze misslag evident, direct duidelijk en redelijkerwijs niet voor discussie vatbaar is. Dat is in deze zaak niet het geval. De omstandigheid dat de rechtbank de door de man overgelegde IB-aangiftes niet (kenbaar) bij haar beoordeling heeft betrokken, betekent niet dat daardoor de beslissing van de rechtbank evident onjuist is en daarmee sprake is van een misslag. De rechtbank heeft immers in rov. 2.11 het volgende overwogen: ‘2. 11. De rechtbank volgt de man niet in zijn standpunt; het verweer van de vrouw slaagt. De man heeft niet, althans onvoldoende onderbouwd zijn stelling dat het voor hem niet mogelijk is om de verrekeningsvordering aan de vrouw te voldoen, zonder dat zijn bedrijfsvoering in gevaar komt. Een cijfermatige onderbouwing van deze gestelde betalingsonmacht ontbreekt. De stelling van de man op de zitting dat de bank in verband met het beslag van de vrouw op de vermogensbestanddelen van de man zijn leencapaciteit niet wil berekenen, acht de rechtbank niét aannemelijk. Een verklaring van de bank ontbreekt. Overigens laat die gestelde omstandigheid onverlet dat de man op andere wijze concreet inzichtelijk had kunnen maken dat hij niet tot betaling kan overgaan. In dat kader mag - indien nodig - overigens ook van de man worden verwacht dat hij onderdelen van zijn vermogen (bijvoorbeeld enkele percelen grond) te gelde maakt. Zonder nadere toelichting van de man, die ontbreekt, kan niet worden aangenomen dat zijn onderneming daarmee niet meer levensvatbaar is. (…) Wel ziet de rechtbank in de stellingen van de man voldoende grond om hem een betalingstermijn van 6 maanden te gunnen. De redelijkheid en billijkheid die partijen jegens elkaar in acht moeten nemen, rechtvaardigen die langere betalingstermijn dan de door de vrouw gevorderde termijn van 3 maanden.’ Het bedrijfsplan en de brief van de bank heeft de man pas in hoger beroep overgelegd zodat de rechtbank daar geen acht op kon slaan. Het hof komt hierna terug op deze stukken. Belangenafweging De stelling van de man dat de rechtbank bij de belangenafweging geen rekening heeft gehouden met de continuïteit van de onderneming, is feitelijk onjuist. In rov. 2.11 (zie hiervoor) heeft de rechtbank de continuïteit van de onderneming betrokken in haar overwegingen. Het hof zal daarom geen acht slaan op deze stelling van de man. Het hof stelt voorop dat het belang van de vrouw bij de uitvoerbaarverklaring bij voorraad ten aanzien van het bestreden vonnis in beginsel is gegeven (HR 20 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:688). Beoordeeld dient te worden of de omstandigheden waar de man een beroep op doet, zodanig van aard zijn dat deze vóór gaan op het belang van de vrouw (betaling door de man van de verrekenvordering). De man doet een beroep op de noodzaak van de continuïteit van de bedrijfsvoering (en het daarmee kunnen voldoen aan financiële verplichtingen en behoud van huisvesting) en het voorkomen van een noodsituatie. Het hof is van oordeel dat de omstandigheden waarop de man in het kader van de belangenafweging een beroep op doet, onvoldoende zijn om dat belang van de vrouw niet te respecteren. Ook is geen sprake van een noodtoestand aan de zijde van de man. Het hof wijst daartoe op het volgende. Het verzoekschrift tot echtscheiding is ingediend op 10 juli 2018. Partijen hebben in dat kader afgesproken dat de verrekenperiode (vanwege het niet uitgevoerd periodiek verrekenbeding) is geëindigd op 31 december 2016. De man moest dus al vanaf juli 2018, bij zijn bedrijfsvoering, rekening houden met de vermogensrechtelijke afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden gedurende het verrekentijdvak van 2 mei 1995 - 31 december 2016. Voor zover hij dat niet heeft gedaan, kan dat niet aan de vrouw worden tegengeworpen. In die zin treft zijn beroep op de continuïteit van de bedrijfsvoering geen doel. De man heeft in 2021 (en volgens de vrouw al eerder omdat hij in de daaraan voorafgaande jaren niet meer investeerde in het melkveebedrijf) de bedrijfsvoering gewijzigd. Hij heeft het melkveebedrijf omgevormd tot een paardenpension (en is bezig dit nog nader vorm te geven). Dit wordt bevestigd door het bedrijfsplan (prod. 17
  12. hb)waar beide partijen naar verwijzen. Dit betekent dat bij de beoordeling van de continuïteit van de onderneming, rekening moet worden gehouden met de continuïteit van het paardenpension (en dus niet van het melkbedrijf). Daarbij is ook van belang dat de man de bedrijfsvoering pas heeft gewijzigd nadat de echtscheiding door de rechtbank is uitgesproken (1 maart 2019 – en deze beschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand). Met andere woorden, op dat moment was de man bekend met de verplichting van partijen om over te gaan tot de vermogensrechtelijke afwikkeling van hun huwelijkse voorwaarden. De relatie van partijen wordt na hun echtscheiding beheerst door de post-relationele solidariteit (art. 6:2 BW). Daaruit vloeit voort dat partijen bij de vermogensrechtelijke afwikkeling van hun huwelijk rekening houden met elkaars gerechtvaardigde belangen. De vrouw heeft daar in zoverre ook een beroep op gedaan door te stellen dat zij in staat moet worden gesteld, geruime tijd na de echtscheiding, haar leven weer op te kunnen bouwen. De man heeft niet aangetoond dat de bedrijfsvoering van het paardenpension door voldoening van de verrekenvordering in gevaar komt. Door de wijziging van de bedrijfsvoering moet er namelijk van worden uitgegaan (zoals de vrouw stelt en de rechtbank de man heeft voorgehouden tijdens de mondelinge behandeling op 23 augustus 2024) dat percelen grond die vereist waren voor de exploitatie van het melkbedrijf, kunnen worden verkocht omdat voor de (rendabele) exploitatie van een paardenpension minder grond is vereist. De man heeft echter nagelaten aan te tonen dat verkoop van een of meerdere percelen grond onmogelijk of onvoldoende is om de verrekenvordering tijdig te voldoen. Hij heeft evenmin toegelicht dat verkoop van gronden een bedrijfseconomisch verantwoorde (voor hem rendabele) exploitatie van het paardenpension zou belemmeren. De omstandigheden dat volgens het bedrijfsplan slechts op termijn een beperkte betaling mogelijk is en de bank geen financiering wil verstrekken, zijn gelet op het voorgaande onvoldoende om aan te nemen dat executie van het vonnis zal leiden tot een noodsituatie voor de man. 3.13 Het voorgaande leidt tot het oordeel dat het belang van de vrouw bij de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis zwaarder dient te wegen dan het belang van de man bij behoud van de bestaande toestand totdat in hoger beroep is beslist. De incidentele vordering van de man zal dan ook worden afgewezen. 3.14 De beslissing over de proceskostenveroordeling zal worden aangehouden totdat in de hoofdzaak is beslist. In de hoofdzaak 3.15 De zaak wordt naar de rol verwezen voor memorie van antwoord. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden. 4De beslissing Het hof: in het incident: wijst de vordering van de man af; houdt de beslissing over de proceskosten aan tot de einduitspraak in de hoofdzaak; in de hoofdzaak: verwijst de zaak naar de rol van 29 juli 2025 voor memorie van antwoord; houdt iedere verdere beslissing aan. Dit arrest is gewezen door mrs. P.P.M. van Reijsen, M.J. van Laarhoven en A.J.F. Manders en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 22 juli 2025. griffier rolraadsheer

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.