← Nederland

ECLI:NL:GHSHE:2025:2080

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH Team familie- en jeugdrecht Uitspraak: 24 juli 2025 Zaaknummer: 200.351.587/01 Zaaknummer eerste aanleg: C/01/380104 / FA RK 22-1084 in de zaak in hoger beroep van: [de moeder] , wonende te [woonplaats] , verzoekster in hoger beroep, hierna te noemen: de moeder, advocaat: mr. M.M. van der Marel, tegen [de vader] , wonende te [woonplaats] , verweerder in hoger beroep, hierna te noemen: de vader, advocaat: mr. L.J.E. Warbroek. Deze zaak gaat over [minderjarige 2], geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum]

  1. In deze procedure is als informant aangemerkt: Stichting Jeugdbescherming Brabant, locatie: [locatie] , hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI). In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend: de Raad voor de Kinderbescherming, locatie: [locatie] , hierna te noemen: de raad. 1Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 20 november 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. 2Het geding in hoger beroep 2.
  2. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 19 februari 2025, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende het verzoek ex artikel 1:253c van het Burgerlijk Wetboek (BW) van de vader af te wijzen. 2.
  3. Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 28 april 2025, heeft de vader verzocht het door de moeder ingestelde hoger beroep ongegrond te verklaren en de bestreden beschikking te bekrachtigen. 2.
  4. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 24 juni
  5. Bij die gelegenheid zijn gehoord: - de moeder, bijgestaan door mr. Van der Marel; -de vader, bijgestaan door mr. Warbroek; - de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] ; - de GI als informant, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] . 2.
  6. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van: - het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 4 april 2025; - de brief van de advocaat van de vader d.d. 9 april
  7. 3De beoordeling Feiten 3.
  8. Partijen zijn op 23 september 2005 met elkaar gehuwd. Uit het huwelijk van partijen is geboren: [minderjarige 1] , te [geboorteplaats] op [geboortedatum]
  9. 3.
  10. Bij beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 13 juli 2012 is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken. 3.
  11. Uit de affectieve relatie na het huwelijk van partijen is geboren [minderjarige 2] , te [geboorteplaats] op [geboortedatum]
  12. De moeder is van rechtswege met het eenhoofdig gezag over [minderjarige 2] belast. 3.
  13. Bij beschikking van 15 juli 2022 van de rechtbank Oost-Brabant zijn partijen in het kader van het Uniform Hulpaanbod verwezen naar een traject voor begeleide omgang door professionals. 3.
  14. Bij beschikking van 12 februari 2024 heeft de rechtbank Oost-Brabant [minderjarige 2] onder toezicht gesteld. De ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] is nadien verlengd tot 12 februari
  15. Procedure in eerste aanleg 3.
  16. Bij beschikking van 27 februari 2024 van de rechtbank Oost-Brabant is op grond van artikel 1:212 BW een bijzondere curator benoemd met het oog op een door de vader te voeren procedure tot verkrijging van vervangende toestemming tot erkenning (artikel 1:204 BW) betreffende [minderjarige 2] . 3.
  17. Bij beschikking van 11 april 2024 van de rechtbank Oost-Brabant is, voor zover van belang: de vader vervangende toestemming verleend tot erkenning van [minderjarige 2] ; een opbouwende omgangsregeling vastgesteld, waarbij de omgang tussen de vader en [minderjarige 2] plaatsvindt onder regie van de GI, waarbij de regeling qua aard, duur en frequentie onder regie van de GI wordt opgebouwd en waarbij wordt toegewerkt naar een onbegeleide omgangsregeling waarbij [minderjarige 2] bij de vader verblijft: - om de week van vrijdag 17.00 uur tot en met zondag 19.00 uur; - de helft van de vakanties en feestdagen; - op Vaderdag; - op de verjaardag van de vader; - op de verjaardag van [minderjarige 2] in de even jaren. - de beslissing op het verzoek ten aanzien van het gezag pro forma aangehouden. 3.
  18. Bij de bestreden beschikking van 20 november 2024 heeft de rechtbank Oost-Brabant bepaald dat de vader en de moeder gezamenlijk het gezag uitoefenen over [minderjarige 2] . 3.
  19. De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen. De standpunten 3.
  20. De moeder voert, samengevat, het volgende aan. Aan de uitzonderingsgronden van artikel 1:253c lid 2 aanhef en sub a en b BW is voldaan. De communicatie tussen partijen is dermate ernstig verstoord dat het niet mogelijk is om gezamenlijk het ouderlijk gezag uit te oefenen. De vader is daarnaast niet in staat om aan de verplichtingen, die het ouderlijk gezag ex artikel 1:247 BW met zich meebrengt, te voldoen, althans niet samen met de moeder. De zorgen van de moeder in eerste aanleg, die zij toen nog niet kon concretiseren, werden bevestigd toen haar bleek dat de vader ter gelegenheid van de erkenning van [minderjarige 2] zonder voorafgaand overleg met de moeder tevens heeft verzocht om de geslachtsnaam van [minderjarige 2] te wijzigen in [de geslachtsnaam van vader] , de geslachtsnaam van vader. Ook heeft de vader zonder overleg tegen [minderjarige 2] verteld dat zijn geslachtsnaam is gewijzigd. [minderjarige 2] vroeg de moeder wat zijn geslachtsnaam was en hij zei daarbij dat de vader tegen hem heeft gezegd dat zijn geslachtsnaam [de geslachtsnaam van vader] is. Voor [minderjarige 2] heeft een geslachtsnaamwijziging grote gevolgen. De moeder staat hier dan ook niet achter. De moeder vindt deze situatie illustratief voor de communicatieproblemen tussen de ouders. De ouders kunnen ook niet tot afspraken komen om deze wijziging ongedaan te maken. De vader heeft zelfs geëist dat [minderjarige 2] al een nieuw paspoort zou krijgen met de gewijzigde geslachtsnaam. De moeder vindt het ook illustratief dat de vader zonder overleg in contact is getreden met de school en de huisarts van de kinderen. Het is in het belang van [minderjarige 2] dat de moeder weer met het eenhoofdig gezag belast wordt, zodat dit soort problemen tussen de ouders geminimaliseerd wordt. De communicatie tussen de ouders is minimaal. De begeleiding van de GI is daarbij nog nodig, zoals bij het verkrijgen van toestemming voor de vakantie van de moeder met de kinderen. De enige keer dat de ouders langer met elkaar hebben gesproken, hadden zij een discussie over een kwestie rondom [minderjarige 1] . Dat was geen constructief gesprek. 3.
  21. De vader voert - samengevat - het volgende aan. De zorgen van de moeder vormen geen reden om af te zien van gezamenlijk gezag. Hoewel de communicatie tussen partijen niet altijd vlekkeloos verloopt, vergt het belang van [minderjarige 2] niet dat de moeder alleen met het gezag belast blijft. De vader wil betrokken zijn bij de opvoeding van [minderjarige 2] en beslissingen nemen in zijn belang. De vader wil een gelijkwaardige positie hebben ten opzichte van de moeder, ook in het kader van de ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] . Gezamenlijk gezag is volgens de vader nodig om te voorkomen dat hij bij [minderjarige 2] uit beeld raakt. Het contact tussen [minderjarige 2] en de vader wordt uitgebreid onder regie van de GI. Dat loopt goed. [minderjarige 2] en de vader leren elkaar steeds beter kennen. Volgens de hulpverlening is het nog slechts een formaliteit dat de begeleiding erbij aanwezig is. De vader heeft het verbeteren van de communicatie met de moeder proberen op te pakken. De vader heeft ook geprobeerd zijn eigen communicatie (nog verder te) verbeteren en heeft daarom een onlinetraining communicatie van [organisatie] gevolgd. De ouders zijn aangemeld voor een traject bij [instantie] om het ouderschapsplan ten behoeve van [minderjarige 2] op te stellen. Het traject is gestagneerd door de lopende juridische procedure. De vader heeft, sinds hij mede met het gezag over [minderjarige 2] belast is, geen enkele beslissing tegengewerkt, zoals hij dat ook nimmer in het kader van zijn gezag over [minderjarige 1] heeft gedaan. De vader heeft samen met de moeder een nieuw paspoort voor [minderjarige 2] geregeld. De vader voorzag problemen aan de grens als de moeder met [minderjarige 2] op vakantie zou gaan en de geslachtsnaam van [minderjarige 2] in het systeem niet overeen zou komen met de geslachtsnaam op zijn paspoort. Hij had daar veel zorgen over. Toen dat geregeld was en toen een aantal vragen die de vader had, beantwoord waren (met hulp van de GI) heeft de vader toestemming gegeven voor de vakantie van moeder met de kinderen. De ouders weten elkaar verder te vinden via e-mail, met de gezinsvoogd “in cc”. De vader betwist dat hij de gemeente heeft verzocht de geslachtsnaam van [minderjarige 2] te wijzigen. Hij werd daar later mee geconfronteerd. De vader vermoedt dat de gemeente de wijziging heeft doorgevoerd op grond van het beginsel van eenheid van naam. [minderjarige 1] droeg immers al de geslachtsnaam van de vader. Uit het wettelijk systeem volgt dat [minderjarige 2] dan ook de geslachtsnaam van de vader krijgt. Hoewel de vader de wijziging niet heeft geïnitieerd, is hij er wel trots op dat [minderjarige 2] zijn naam draagt. De vader betwist ook dat hij [minderjarige 2] heeft ingelicht over de naamswijziging. De vader heeft wel een gesprek gehad met [minderjarige 2] over de geslachtsnaam van de vader, nadat [minderjarige 2] hem daarover vragen stelde. Misschien heeft hij daaruit afgeleid dat zijn geslachtsnaam ook [de geslachtsnaam van vader] is. De vader heeft contact opgenomen met de school en de huisarts van [minderjarige 2] . Dat mag hij doen als ouder met gezag. Zodoende kan hij ook goed geïnformeerd worden over [minderjarige 2] . 3.
  22. De GI heeft tijdens de mondelinge behandeling, samengevat, het volgende naar voren gebracht. De GI heeft het voortouw genomen in het regelen van de vakanties. De vader had vragen over de duur van de vakantie van de moeder en de kinderen en over of hij contact met [minderjarige 2] kon houden via videobellen. Toen die vragen waren beantwoord, kon er een verdeling worden vastgesteld en gaf de vader zijn toestemming. De vakantieregeling en de overnachtingen in het kader van de reguliere zorgregeling kunnen nog niet ten uitvoer worden gebracht, omdat de vader in een studio verblijft, waar geen aparte slaapkamer is voor [minderjarige 2] . Er kunnen dus nog geen overnachtingen plaatsvinden. De GI laat zich niet uit over het gezag. 3.
  23. De raad heeft tijdens de mondelinge behandeling, samengevat, het volgende naar voren gebracht. In eerste aanleg heeft de raad geadviseerd dat het in het belang van [minderjarige 2] is dat de vader mede met het gezag wordt belast, om de vader een plek te geven in zijn leven. Ook binnen de ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] heeft de vader nu een gelijkwaardige positie. De raad heeft geen contra-indicaties voor gezamenlijk gezag gezien. De geslachtsnaamwijziging van [minderjarige 2] is een ingewikkelde kwestie en een gevoelig onderwerp, met gevolgen voor de toekomst. Dit zijn onderwerpen waarover de ouders met elkaar in gesprek moeten gaan. Dit zou niet het breekpunt moeten zijn voor het gezamenlijk gezag. De situatie dient op een neutrale manier aan [minderjarige 2] te worden uitgelegd en beide ouders dienen dezelfde boodschap uit te dragen. Er moeten stappen worden gezet en de ouders dienen een vorm van communicatie te vinden die bij de situatie past. Ook dient er oog te zijn voor de positie van [minderjarige 1] . Daar is begeleiding bij nodig. De ouders verdienen verder een compliment voor het feit dat de omgang tussen [minderjarige 2] en de vader loopt en dat dit verder wordt uitgebreid. Het oordeel van het hof 3.
  24. Het hof overweegt het volgende. 3.13.
  25. Ingevolge artikel 1:253c lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de tot het gezag bevoegde ouder van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder uit wie het kind is geboren heeft uitgeoefend, de rechter verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag over het kind te belasten.Indien de andere ouder niet met het verzoek instemt, wordt het verzoek ingevolge artikel 1:253c lid 2 BW slechts afgewezen indien:a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, ofb. afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is. 3.13.
  26. De uitoefening van het gezag vereist dat de ouders het mogelijk maken dat beslissingen over de verzorging en opvoeding van het kind tot stand komen op een wijze die niet belastend is voor het kind en zijn veiligheid niet in gevaar brengt. In het geval ouders niet (meer) samenleven en moeizaam of niet communiceren is het van belang dat, waar nodig, de verzorgende ouder die beslissingen kan nemen die voor het dagelijkse leven en de veiligheid van (spoedeisend) belang zijn voor het kind en dat de niet-verzorgende ouder deze beslissingen niet blokkeert. Ook is het van belang dat ouders die niet in staat zijn de strijd met elkaar te staken, ten minste in staat zijn het kind buiten die strijd te houden. Indien bovengenoemde omstandigheden aanwezig zijn, ligt gezamenlijk gezag in de rede, tenzij andere redenen eenhoofdig gezag noodzakelijk maken. 3.13.
  27. Het hof stelt vast dat de moeder haar standpunt in hoger beroep hoofdzakelijk heeft onderbouwd door te verwijzen naar het in haar ogen eigenmachtig handelen van de vader rondom de erkenning van [minderjarige 2] en de daarop volgende geslachtsnaamwijziging. Het hof overweegt echter dat op grond van het uit artikel 1:5 lid 8 BW voortvloeiende beginsel van eenheid van naam de volgende kinderen van dezelfde ouders dezelfde geslachtsnaam hebben als het eerste kind. Het is bij het hof ambtshalve bekend dat de ambtenaar van de burgerlijke stand die de erkenning verwerkt, ambtshalve overgaat tot wijziging van de geslachtsnaam van het te erkennen kind indien het beginsel van eenheid van naam dat vergt, aangezien artikel 1:5 lid 8 BW een dwingendrechtelijke bepaling is. De erkennende ouder hoeft daartoe derhalve geen verzoek te doen. Gezien het voorgaande acht het hof het aannemelijk dat de vader, zoals hij heeft verklaard, slechts tot erkenning van [minderjarige 2] is overgegaan, met de ambtshalve geslachtsnaamswijziging tot gevolg. Het hof volgt de moeder dan ook niet in haar stelling dat de vader ter zake de situatie rondom de geslachtsnaamswijziging van [minderjarige 2] verwijtbaar heeft gehandeld, in die zin dat hij eigenmachtig heeft gehandeld zonder hierover eerst overleg te hebben met de moeder. Zodra de geslachtsnaamswijziging van [minderjarige 2] bekend werd, had het op de weg van beide ouders gelegen om (zo nodig met hulp van de GI) afspraken te maken over de wijze waarom hierover met [minderjarige 2] zou worden gecommuniceerd. 3.13.
  28. Gezien de geslachtsnaamswijziging van [minderjarige 2] lag het voor de hand dat er voor hem een nieuw paspoort werd aangevraagd, zodat [minderjarige 2] zonder problemen met vakantie kon gaan. Dat de vader zorgen had over problemen aan de grens, acht het hof invoelbaar. De ouders hebben in onderling overleg een nieuw paspoort voor [minderjarige 2] geregeld en de vader heeft het nieuwe paspoort betaald. 3.13.
  29. Het hof overweegt verder dat het de vader als ouder met gezag vrijstond om contact op te nemen met de school om toegang te krijgen tot het leerlingvolgsysteem en met de huisarts van [minderjarige 2] om over hem geïnformeerd te worden. Dat de vader zich daarin proactief heeft opgesteld kan hem niet worden verweten. De vader wil immers een actieve rol spelen in het leven van [minderjarige 2] en daarbij past dat hij in beeld is bij deze instanties en dat hij van hen rechtstreeks relevante informatie rondom [minderjarige 2] ontvangt. 3.13.
  30. Tot slot overweegt het hof dat de vader al geruime tijd belast is met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] . Hoewel [minderjarige 1] en de vader een complexe relatie hebben en de vader op dit moment geen contact heeft met [minderjarige 1] , zijn er nimmer problemen ontstaan in de gezagsuitoefening en heeft de vader ook nimmer van zijn gezag misbruik gemaakt, hetgeen naar het oordeel van het hof een indicatie is dat de vader ook op een verantwoorde manier invulling zal geven aan het gezag over [minderjarige 2] . Met [minderjarige 2] heeft de vader bovendien juist wel contact, dat goed verloopt en stapsgewijs wordt uitgebreid. Bij de actieve rol die de vader in het leven van [minderjarige 2] beoogt en verwacht te vervullen, past dat hij mede met het ouderlijk gezag wordt belast. 3.13.
  31. Gezien het feit dat de ouders zich hebben gecommitteerd om aan de ouderrelatie te werken in het kader van een ouderschapstraject van [instantie] , gaat het hof er van uit dat de ouders hun communicatieproblemen gaan oplossen in het belang van [minderjarige 2] . 3.13.
  32. Op grond van al hetgeen hiervoor is overwogen is het hof niet gebleken dat sprake is van een situatie waarin [minderjarige 2] klem of verloren dreigt te raken tussen de ouders, dan wel dat het anderszins in het belang van [minderjarige 2] is dat het verzoek van de vader (alsnog) wordt afgewezen. 3.13.
  33. Op grond van het vorenstaande zal het hof de beschikking waarvan beroep bekrachtigen. 4De beslissing Het hof: bekrachtigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 20 november 2024; verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, team familie- en jeugdrecht, ter attentie van het centraal gezagsregister; wijst af het meer of anders verzochte. Deze beschikking is gegeven door mrs. E.M.D.M. van der Linden, J.C.E. Ackermans-Wijn en K.A. Boshouwers en is op 24 juli 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.