GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team Handelsrecht Uitspraak : 24 juli 2025 Zaaknummer : 200.353.765/01 Zaaknummer eerste aanleg : [insolventienummer] in de zaak in hoger beroep van: [appellante] , wonende te [woonplaats] , appellante, hierna te noemen: [appellante] , advocaat: mr. R.P.V.W. Willems te 's-Hertogenbosch. 1Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst naar het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 16 april
- 2Het geding in hoger beroep 2.
- Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 23 april 2025, heeft [appellante] verzocht voormeld vonnis te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de schuldsaneringsregeling te beëindigen na verloop van de termijn met schone lei dan wel de schuldsaneringsregeling in duur te verlengen, althans een zodanige beslissing te nemen als het hof in goede justitie zal vernemen te behoren. 2.
- De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 16 juli
- Bij die gelegenheid zijn gehoord: - [appellante] , bijgestaan door mr. Willems. - mevrouw [waarnemend bewindvoerder] , als waarnemend bewindvoerder van de heer [bewindvoerder] , hierna te noemen: de bewindvoerder. 2.
- Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van: - het V8-formulier van mr. Willems, ontvangen op 6 mei 2025, met het verzoek tot aanhouding van de op 21 mei 2025 bepaalde mondelinge behandeling vanwege – toen – aanstaande bevalling, als gehonoreerd; - het Zivver-bericht van mevrouw [voormalige bewindvoerder] (voormalige bewindvoerder), ontvangen op 9 mei 2025, waarin zij aangeeft dat [bewindvoerder] bij beschikking van 7 mei 2025 als opvolgend bewindvoerder is aangewezen; - het V8-formulier van mr. Willems, ontvangen op 1 juli 2025 met producties; - het bericht van de bewindvoerder ter zake waarneming van 15 juli
- 3De beoordeling 3.
- Bij vonnis van 17 augustus 2023 is ten aanzien van [appellante] de toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken. 3.
- Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank op de voet van artikel 354 lid 1 Faillissementswet (Fw) bij wijze van eindoordeel in verband met het verstrijken van de looptijd van de schuldsaneringsregeling, geoordeeld dat [appellante] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen, te weten de afdrachtverplichting en het ontstaan van nieuwe bovenmatige schulden bij de Belastingdienst. Hoewel in eerste instantie door de bewindvoerder was gesteld dat niet geheel aan de informatieverplichting was voldaan was ter zitting gebleken dat op dat moment [appellante] wel aan deze verplichting had voldaan. De gestelde tekortkoming in de nakoming van de inspanningsverplichting heeft de rechtbank buiten beschouwing gelaten, aangezien hiervoor een medische keuring nodig is om de belastbaarheid van [appellante] vast te stellen. De rechter-commissaris heeft op 4 februari 2025 het verzoek om een medische keuring afgewezen, omdat [appellante] op dat moment zelf al had aangegeven uit de schuldsaneringsregeling te willen. De rechtbank heeft bij het oordeel dat [appellante] toerekenbaar is tekortgeschoten geen toepassing gegeven aan artikel 354 lid 2 Fw, zodat op grond van artikel 358 lid 2 Fw aan haar geen “schone lei” is verleend. De rechtbank heeft verstaan dat de toepassing van de schuldsaneringsregeling eindigt op het moment dat de slotuitdelingslijst verbindend is geworden, maar dat de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen van [appellante] zijn geëindigd op 17 februari
- 3.
- [appellante] kan zich met deze beslissing niet verenigen, zij is hiervan in hoger beroep gekomen en heeft vijf grieven opgeworpen. [appellante] heeft in het beroepschrift en ter zitting - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd. 3.3.
- [appellante] erkent in grief 1 dat zij niet heeft voldaan aan de afdrachtverplichting waardoor een boedelachterstand is ontstaan van € 4.790,-. Zij stelt dat deze achterstand is ontstaan door toedoen van haar ex-partner met wie zij een gemeenschappelijke huishouding voert/heeft gevoerd. De ex-partner woont nu nog bij haar in, maar is in afwachting van een urgentieverklaring voor een nieuwe woning. De ex-partner heeft geweigerd om zijn inkomen met haar te delen of de kosten van de gezamenlijke huishouding voor zijn rekening te nemen waardoor deze kosten volledig voor rekening van [appellante] kwamen. Omdat zij in het verleden de nodige dingen heeft meegemaakt die haar hebben gevormd tot de persoon wie zij nu is, is zij niet in staat om weerstand te bieden tegen haar ex-partner. [appellante] erkent dat er een tekortkoming is in de nakoming van de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen, maar stelt dat deze tekortkoming haar in de gegeven omstandigheden niet kan worden toegerekend. 3.3.
- Over de schuld aan de Belastingdienst (oorspronkelijk groot € 1.140,-) stelt [appellante] in grief 2 dat deze schuld is ontstaan door het feit dat zij toeslagen moest terugbetalen aan de Belastingdienst omdat zij is gaan samenwonen met haar ex-partner (toeslagenpartner) en op voorhand voor de hoogte van de toeslagen hier geen rekening mee is gehouden. Deze verplichting is niet ontstaan door overbesteding dan wel verkeerde keuzes in omgang met geld. [appellante] stelt dat wat betreft deze schuld niet kan worden geoordeeld dat sprake is van een tekortkoming die aan haar kan worden toegerekend. 3.3.
- [appellante] stelt verder in grief 3 (en 5) dat de door de rechtbank geconstateerde tekortkomingen niet aan haar kunnen worden toegerekend omdat gezien haar beperkingen sprake is van onmacht en niet van onwil. Daarnaast is zij inmiddels wel bereid om haar medewerking te verlenen aan verlenging van het traject. Zij beraadt zich nu op de vraag of zij haar partner in rechte kan betrekken om hem ertoe te bewegen alsnog een bedrag te voldoen ter zake achterstallige bijdrage in de kosten van de gezamenlijke huishouding. 3.3.
- De rechtbank heeft overwogen dat de eventuele tekortkoming in nakoming van de inspanningsverplichting buiten beschouwing wordt gelaten, omdat een medische keuring nodig is om de belastbaarheid van [appellante] vast te kunnen stellen. Ingeval de inspanningsverplichting in hoger beroep aandacht behoeft, stelt [appellante] dat zij niet in staat kan worden geacht om een voltijds dienstverband aan te gaan en legt ter onderbouwing daarvan een bericht van de arbeidsdeskundige over waaruit dit blijkt. 3.
- Het hof komt tot de volgende beoordeling. 3.4.
- Bij het einde van de termijn gedurende welke de toepassing van de schuldsaneringsregeling van kracht is, dient op de voet van artikel 354 lid 1 Fw te worden vastgesteld of de schuldenaar toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van één of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen. Bij deze vaststelling geldt als maatstaf of een tekortkoming, in het licht van alle omstandigheden van het geval, een duidelijke aanwijzing vormt dat het bij de schuldenaar aan de van hem te vergen medewerking aan een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling heeft ontbroken. Ingevolge artikel 354 lid 2 Fw dient de rechter voorts na te gaan of er aanleiding bestaat om te bepalen dat een tekortkoming gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis buiten beschouwing blijft. 3.4.
- Totdat [appellante] in maart 2024 is gaan samenwonen met haar ex-partner verliep de schuldsanering naar behoren. Vanaf het moment van samenwoning heeft [appellante] niet voldaan aan haar afdrachtverplichting waardoor een boedelachterstand is ontstaan, wat zij ook heeft erkend. Deze achterstand is ontstaan omdat de ex-partner, die gokverslaafd is, niet wilde/kon meebetalen aan de kosten van de gemeenschappelijke huishouding en het inkomen van de ex-partner vanaf het moment van samenwonen wordt meegenomen in de berekening van het vrij te laten bedrag voor [appellante] . Door het samenwonen is ook bij de Belastingdienst een schuld ontstaan vanwege onterecht ontvangen toeslagen. Deze tekortkomingen zijn ook door [appellante] erkend. 3.4.
- Door het niet voldoen aan de afdrachtverplichting en het laten ontstaan van bovenmatige schulden is het hof van oordeel dat [appellante] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van meerdere uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen. 3.4.
- [appellante] stelt dat deze tekortkomingen haar niet toegerekend kunnen worden vanwege haar samenwoonsituatie met haar ex-partner en het niet meebetalen aan de kosten van de gemeenschappelijke huishouding door haar ex-partner. Het hof ziet echter geen aanleiding om op de voet van artikel 354 lid 2 Fw te bepalen dat deze tekortkoming gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis buiten beschouwing blijft. Het hof is van oordeel dat de geconstateerde tekortkomingen in de risiciosfeer vallen van [appellante] aangezien zij zelf ervoor heeft gekozen om met de ex-partner samen te gaan wonen. Dat zij door de samenwoning met haar ex-partner niet aan haar uit de schuldsanering voortvloeiende verplichtingen kan voldoen mag niet ten laste van de crediteuren komen. Op grond hiervan is het hof van oordeel dat de rechtbank de toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [appellante] terecht heeft beëindigd zonder toekenning van de “schone lei”. 3.5.
- [appellante] heeft nog (subsidiair) verzocht om wel de schuldsaneringsregeling in duur te verlengen. Op zich is ingevolge HR 10 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2935 verlenging van de termijn van schuldsanering ook mogelijk na afloop van de looptijd als in het toelatingsvonnis vermeld. Het hof acht echter geen termen aanwezig om de termijn van de wettelijke schuldsaneringsregeling te verlengen. Het hof overweegt hiertoe dat [appellante] in hoger beroep weliswaar wel een verlenging wenst, maar zij heeft geen concreet plan overgelegd waaruit volgt dat, of hoeveel zij uit haar inkomen, dat zij naar eigen zeggen als krap ervaart, bij een maximale verlenging kan inlopen op haar boedelachterstand. Dit terwijl bij een maximale verlenging van 18 maanden met uitsluitend een verplichting tot afdracht van het bewindvoerderssalaris naar een voorlopige schatting van het hof [appellante] ruim meer dan € 300,= per maand zou moeten afdragen om de boedelachterstand rekenkundig in te lopen. Ook heeft [appellante] niet weersproken dat zij, zoals de bewindvoerder in eerste aanleg heeft aangegeven, de toeslagen van de Belastingdienst nodig heeft om de vaste lasten te kunnen betalen en deze dus niet kan verrekenen met de schuld bij de Belastingdienst. 3.5.
- [appellante] heeft voorgesteld dat haar moeder een bedrag schenkt aan haar ex-partner zodat hij een deel van de boedelachterstand kan betalen. Het hof wijst [appellante] erop dat de ontstane nieuwe schulden en de boedelachterstand in beginsel niet door middel van een schenking van derden kunnen worden ingelopen. Schenkingen voor inlossing van nieuwe schulden en een boedelachterstand verdragen zich in principe niet met de in artikel 295 lid 2 Fw opgenomen verplichting van [appellante] zelf van haar inkomen maandelijks afdrachten te doen tot de grens van het in deze te bepalen vrij te laten bedrag. Deze verplichting kan naar het oordeel van het hof in beginsel niet worden “afgekocht” door derden, daargelaten nog, dat zodoende in de schuldsaneringsregeling een ongewenste tweedeling zou ontstaan doordat de ene saniet wél maar de andere saniet niét op schenkingen kan rekenen. 3.5.
- Het hof is van oordeel dat de verwachting gerechtvaardigd is dat na een verlenging van de termijn de kans bestaat dat [appellante] alsnog geen schone lei toekomt, althans heeft er onvoldoende vertrouwen in dat zij na een verlenging wel volledig aan alle uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiend verplichtingen zal hebben voldaan. 3.
- Het vonnis waarvan beroep zal - onder aanvulling van de gronden - worden bekrachtigd. 4De uitspraak Het hof: bekrachtigt het vonnis waarvan beroep. wijst af het meer of anders verzochte. Dit arrest is gewezen door mrs. J.B. Smits, R.R.M. de Moor en M.W.M. Souren en in het openbaar uitgesproken op 24 juli 2025.