← Nederland

ECLI:NL:GHSHE:2025:2083

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH Team familie- en jeugdrecht Uitspraak: 24 juli 2025 Zaaknummer: 200.350.510/01 Zaaknummer eerste aanleg: C/01/406843 / FA RK 24-3035 in de zaak in hoger beroep van: [de vader] , wonende te [woonplaats] , verzoeker in hoger beroep, hierna te noemen: de vader, advocaat: mr. S.M.P.T. Ruijs-Kreté, tegen [de moeder] , wonende te [woonplaats] , verweerster in hoger beroep, hierna te noemen: de moeder, advocaat: mr. A.M.B. Leerkotte. Deze zaak gaat over [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2019 te [geboorteplaats] . Hierna te noemen: [minderjarige] . In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend: de Raad voor de Kinderbescherming, hierna te noemen: de raad. 1Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 25 oktober 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. 2Het geding in hoger beroep 2.

  1. Bij beroepschrift met producties, ingekomen bij de griffie op 21 januari 2025, heeft de vader verzocht de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende de vader alsnog vervangende toestemming te verlenen om [minderjarige] te mogen inschrijven op de basisschool [basisschool 1] te [woonplaats vader] (hierna: [basisschool 1] ) zodat zij daar na de zomervakantie in groep 3 kan starten. Kosten rechtens. 2.
  2. Bij verweerschrift met producties, ingekomen bij de griffie op 3 maart 2025, heeft de moeder verzocht de grieven van de vader ongegrond te verklaren, zijn verzoek af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen. 2.
  3. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 1 juli
  4. Bij die gelegenheid zijn gehoord: - de vader, bijgestaan door zijn advocaat; -de moeder, bijgestaan door haar advocaat; - de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] . 2.
  5. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van: - het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 10 oktober 2024; - het V6-formulier met productie namens de moeder, ingekomen bij de griffie op 24 april 2025; - het V6-formulier met producties namens de vader, ingekomen bij de griffie op 4 juni 2025; - het V6-formulier met producties namens de moeder, ingekomen bij de griffie op 19 juni
  6. 3De beoordeling 3.
  7. De vader en de moeder hebben gezamenlijk het gezag over [minderjarige] . [minderjarige] heeft haar hoofdverblijfplaats bij de moeder. [minderjarige] is iedere maandag uit school tot en met woensdag voor school bij de vader, en om het weekend van vrijdag uit school tot maandag voor school. 3.
  8. [minderjarige] gaat sinds [maand] 2023 naar basisschool [basisschool 2] in [woonplaats moeder] (hierna: [basisschool 2] ). 3.
  9. [minderjarige] heeft een oudere (half)zus, [(half)zus 1] , die op [geboortedatum] 2015 is geboren uit een eerdere relatie van de moeder. [(half)zus 1] woont bij de moeder en gaat ook naar [basisschool 2] . 3.
  10. [minderjarige] heeft een jonger (half)zusje, [(half)zus 2] , geborenop [geboortedatum] 2024 uit het huwelijk van de vader en zijn vrouw. [(half)zus 2] woont bij de vader en zijn vrouw in [woonplaats vader] . Zij gaat naar de kinderopvang in het gebouw waar [basisschool 1] in [woonplaats vader] is gevestigd. Ook staat zij ingeschreven bij [basisschool 1] voor wanneer zij vier jaar oud wordt. 3.
  11. Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank afgewezen het verzoek van de vader tot vervangende toestemming om [minderjarige] in te mogen schrijven bij [basisschool 1] , zodat zij per januari 2025 (direct na de kerstvakantie) subsidiair per de start van het schooljaar dat [minderjarige] aan groep 3 begint, kan starten op [basisschool 1] . 3.
  12. De vader kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen. 3.
  13. De vader voert samengevat het volgende aan. Ten onrechte heeft de rechtbank het verzoek tot vervangende toestemming voor de inschrijving van [minderjarige] op [basisschool 1] afgewezen. Aanvankelijk hebben partijen, ook omdat zus [(half)zus 1] al onderwijs genoot aan [basisschool 2] , er voor gekozen [minderjarige] in te schrijven op [basisschool 2] . De vader heeft er geen vertrouwen meer in dat [basisschool 2] de beste school is voor [minderjarige] . In het inspectierapport van 27 februari 2024 wordt de onderwijskwaliteit van [basisschool 2] als onvoldoende gekwalificeerd. Hoewel uit het herstelonderzoek van 2 juni 2025 blijkt dat de onderwijskwaliteit van [basisschool 2] inmiddels als voldoende wordt beoordeeld, zijn er nog meerdere herstelopdrachten waaraan [basisschool 2] moet werken. [basisschool 2] staat voor veel uitdagingen. Er is veel verloop onder het personeel en [basisschool 2] scoort onder het landelijke gemiddelde van het uitstroomniveau. Er is een enorme terugloop in het aantal leerlingen met als gevolg dat er combinatieklassen worden gemaakt en de kinderen meer dan een keer tijdens de gehele basisschoolperiode een andere klassamenstelling krijgen. Ook is er een plan voor een fusie met een andere school en een verhuizing naar een andere locatie, hetgeen eveneens een wijziging voor [minderjarige] met zich meebrengt. [minderjarige] verdient kwalitatief goed onderwijs dat bij haar past en [basisschool 1] is een geschiktere school. [basisschool 1] is de hoogst scorende school in de omgeving, heeft een goed landelijk gemiddeld uitstroomniveau, is juist groeiende en er is op [basisschool 1] weinig verloop onder het personeel. Er is geen sprake van combinatieklassen. [minderjarige] is niet zo weerbaar en heeft geen vast vriendinnengroepje. De vader maakt zich zorgen over de sociaal-emotionele ontwikkeling van [minderjarige] en wat het voor haar betekent als zij op [basisschool 2] blijft. Uit het schoolrapport volgt dat ze zich moeilijk laat troosten en het is de vraag of ze in de combinatieklas groep 3 en 4 voldoende aansluiting kan vinden bij kinderen van haar leeftijd nu zij vooral met jongere kinderen speelt. [minderjarige] heeft geen goed zelfbeeld en [basisschool 2] heeft te weinig oog voor de zorgen van de vader daarover. Bij [basisschool 1] zal dat anders zijn. [basisschool 1] is tegenover de woning van de vader en bevindt zich eveneens in een voor [minderjarige] vertrouwde omgeving. Dat een wijziging van de school uitdagingen en praktische bezwaren met zich meebrengt voor de ouders dat is een feit, maar dat geldt voor beide ouders, mede vanwege de samengestelde gezinnen en de co-ouderschapregeling. 3.
  14. De moeder voert samengevat het volgende aan. Het belang van [minderjarige] dient centraal te staan en het is niet in haar belang dat zij wijzigt van school. Het gaat goed met [minderjarige] op school; dat bevestigt de vader. [minderjarige] is een verlegen meisje, dan moet je juist de vaste basis niet wegnemen. [minderjarige] gaat al twee jaar naar [basisschool 2] , heeft een mooi rapport, ligt goed in de groep en gaat iedere dag met plezier naar school. Ook heeft [minderjarige] regelmatig speelafspraakjes. De school is dicht bij de woning van de moeder waardoor [minderjarige] met haar oudere zus [(half)zus 1] naar school kan lopen. [basisschool 2] is in de vertrouwde omgeving van [minderjarige] . Eerder hebben de ouders gezamenlijk afspraken gemaakt over deze schoolkeuze en dit ook vastgelegd in een ouderschapsplan. Anders dan de vader stelt scoort [basisschool 2] niet (meer) onder het landelijk gemiddelde. [basisschool 2] heeft een voldoende behaald op het inspectierapport van
  15. Ook [basisschool 1] behaalde een voldoende op het inspectierapport (en niet hoger). Daarmee scoren beide scholen hetzelfde. [basisschool 2] behaalt zelfs hogere resultaten op de groep 8 eindtoets, terwijl de kindpopulatie minder hoogopgeleide ouders heeft. De moeder ervaart [basisschool 2] als een stabiele en prettige school voor [minderjarige] . Het klopt dat in mei 2025 een bijeenkomst is geweest over de ontwikkelingen bij [basisschool 2] en het feit dat er steeds minder kinderen worden ingeschreven. Volgens de moeder valt het allemaal wel mee, de oudste dochter doet het ook goed in een combi-klas. De moeder weet niets van een fusie en de bouwplannen voor een nieuw pand liggen er al heel lang; dat pand zou ook bij de moeder om de hoek zijn. De moeder is bang dat [minderjarige] met een schoolwissel niet toekomt aan de hulp die ze nodig heeft, onder andere voor wat ze heeft meegemaakt met de ziekte van de moeder. De ouders komen er nu al niet uit om zorg voor [minderjarige] te regelen. School is juist de stabiele factor. In praktische zin is het voor de moeder ook niet haalbaar wanneer [minderjarige] van basisschool wisselt mede gelet op haar andere dochter [(half)zus 1] en het feit dat zij een alleenstaande ouder is. 3.
  16. De raad adviseert het hof als volgt. Het advies van de raad is hetzelfde als bij de rechtbank. De raad acht het niet in het belang van [minderjarige] om nu van school te wisselen. De sleutel ligt bij de ouders, niet bij de school. Als er al een schoolwisseling zou moeten plaatsvinden dan is de overgang naar groep 3 wel het beste moment om te wisselen. [minderjarige] lijkt met kinderen van verschillende leeftijden contacten te hebben en dat zou kunnen betekenen dat zij ook prima van school zou kunnen wisselen. Er bestaat tussen de ouders een verschil van visie over de scholen maar ook ten aanzien van andere gezagsbeslissingen. De raad maakt zich zorgen over wat dit met [minderjarige] doet en adviseert de ouders om naast eventuele mediation te starten met een hulpverleningstraject zoals Ouderschap na Scheiding. 3.
  17. Het hof overweegt het volgende. 3.10.
  18. Ingevolge artikel 1:253a lid 1 BW kunnen geschillen over de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag aan de rechter worden voorgelegd. De gezamenlijke gezagsuitoefening van partijen brengt met zich dat beide ouders het eens dienen te zijn over welke school de minderjarige bezoekt. Indien de ouders het hierover niet eens worden zal de rechter hierover een beslissing nemen. 3.10.
  19. Beide partijen hebben diverse praktische bezwaren tegen het al dan niet wijzigen van de basisschool en oplossingen voor de andere ouder bedacht. Voor het hof is het duidelijk dat het voor de moeder in praktische zin fijner is als [minderjarige] op [basisschool 2] blijft en dat het voor de vader in praktische zin fijner is als [minderjarige] naar [basisschool 1] gaat. Het hof komt echter pas aan de afweging van de praktische belangen toe als vaststaat dat er een aanleiding is om van school te wijzigen. 3.10.
  20. De aanleiding dat de vader wil dat [minderjarige] naar een andere school gaat, is gelegen in het feit dat de huidige school in zijn ogen niet goed genoeg is: [basisschool 2] heeft onvoldoende gescoord bij een risico-kwaliteitsonderzoek van de Onderwijsinspectie in 2024 en staat voor een uitdaging gelet op de krimp van het aantal leerlingen, het vertrek van personeel en een mogelijke fusie. De vader maakt zich zorgen over de gevolgen hiervan voor [minderjarige] ; [basisschool 2] heeft onvoldoende oog voor haar welzijn. Dat de kwaliteit onvoldoende is, wordt betwist door de moeder nu uit het herstelonderzoek van de Onderwijsinspectie van 2 juni 2025 volgt dat de onderwijskwaliteit van [basisschool 2] voldoende is. Het hof stelt vast dat [basisschool 2] inmiddels dezelfde kwaliteitsscore heeft als de door de vader beoogde school [basisschool 1] , te weten een voldoende. Het is het hof daarmee niet gebleken dat [basisschool 2] zodanig tekort schiet in de onderwijskwaliteit dat om die reden een wijziging van de basisschool noodzakelijk is. Evenmin is gebleken dat [minderjarige] last heeft van de krimp van het leerlingenaantal en het vertrek van personeel. Duidelijk is wel dat [basisschool 2] in het kader van de krimp van het aantal leerlingen maatregelen neemt door het vormen van combinatieklassen. De vader heeft zorgen of [minderjarige] zich staande houdt in een combinatieklas en of dit bij haar past. De moeder heeft de zorgen van de vader hierover gemotiveerd betwist. Voor het hof staat niet vast dat een combinatieklas groep 3 en 4 ten opzichte van een reguliere groep 3 een zodanig negatief effect zal hebben op (de ontwikkeling van) [minderjarige] dat dat aanleiding zou moeten zijn voor een wijziging van school. Dat er een fusie en/of verhuizing van de school zal plaatsvinden, staat nog niet vast. Dit is mogelijk iets in toekomst en vormt voor het hof nu ook geen aanleiding tot wijziging van de school. Dat de vader zorgen heeft over de onrust op [basisschool 2] is invoelbaar, maar er zijn aan die onrust geen concrete gevolgen te verbinden die grond zijn voor een dergelijke toch ingrijpende wijziging. Daarbij merkt het hof op dat een wijziging van school in beginsel niet heel ingrijpend hoeft te zijn voor een kind, maar dat het feit dat de ouders het er niet over eens zijn het voor [minderjarige] extra ingewikkeld zou maken. Het hof acht een wijziging van de school ook anderszins niet noodzakelijk voor [minderjarige] . Inmiddels gaat [minderjarige] al twee jaar naar [basisschool 2] . Ze is op deze school gewend en heeft hier haar vriendjes. De ouders waren het destijds samen eens over deze schoolkeuze en hebben er voor gekozen [minderjarige] in te schrijven op [basisschool 2] . Hierbij speelde een rol dat ook [(half)zus 1] naar [basisschool 2] gaat. Dat is nog steeds zo, zij gaat nu naar groep
  21. Uit het schoolrapport blijkt dat het goed met gaat met [minderjarige] en dit is door beide ouders bevestigd. [minderjarige] zit lekker in haar vel en gaat graag naar school. De zorgen die beide ouders hebben over het gedrag van [minderjarige] komen, aldus de verklaringen van beide ouders tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep, vermoedelijk voor een deel voort uit de voortdurende strijd tussen de ouders. Een wijziging van de school zal hier voor [minderjarige] geen verandering in brengen. Hulpverlening voor de ouders en [minderjarige] mogelijk wél. Het hof vindt het goed om te zien dat beide ouders hebben uitgesproken in te zien dat [minderjarige] met name last heeft van de strijd tussen hen beiden en dat zij hier samen aan willen werken. 3.
  22. Op grond van het vorenstaande zal het hof de beschikking waarvan beroep bekrachtigen. 3.
  23. Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen een relatie hebben gehad. 4De beslissing Het hof: bekrachtigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 25 oktober 2024; compenseert de proceskosten in hoger beroep, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. Deze beschikking is gegeven door mrs. E.M.C. Dumoulin, E.P. de Beij en M.J.C. van Leeuwen is op 24 juli 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.