← Nederland

ECLI:NL:GHSHE:2025:2099

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team Handelsrecht zaaknummer 200.323.612/01 arrest van 29 juli 2025 in de zaak van 1 Pattje Waterhuizen B.V., in liquidatie gevestigd te Waterhuizen, gemeente Midden-Groningen ,

  1. Shipyard Waterhuizen B.V., gevestigd te Waterhuizen, gemeente Midden-Groningen , appellanten in principaal hoger beroep, geïntimeerden in incidenteel hoger beroep, hierna te nomen: Pattje , respectievelijk Shipyard en gezamenlijk Pattje c.s. , advocaat: mr. H.G.D. Hoek te Rotterdam, tegen Veka Shipbuilding WT B.V., gevestigd te Werkendam, gemeente Altena , geïntimeerde in principaal hoger beroep, appellante in incidenteel hoger beroep, hierna te noemen: Veka, advocaat: mr. E.J. Heijnen te Rotterdam, als vervolg op het door het hof gewezen arrest van 14 mei
  2. 12Het verloop van de procedure Het verloop van de procedure blijkt uit: het tussenarrest van 14 mei 2024; de akte van Veka; de antwoordakte van Pattje c.s. ; het tussenarrest van 17 september 2024; de antwoordakte van Veka. Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg. 13Samenvatting 13.
  3. Partijen hebben een mantelovereenkomst getekend over de bouw van duwbakken. Veka stelt dat Pattje c.s. is tekortgeschoten in de nakoming van die overeenkomst, omdat Pattje c.s. geen duwbakken (voor Veka) heeft gebouwd. Zij vordert schadevergoeding. Pattje c.s. vordert in reconventie schadevergoeding omdat, volgens haar, Veka de overeenkomst niet goed is nagekomen. 13.
  4. Het hof dient de overeenkomst van partijen uit te leggen en komt tot het oordeel dat sprake is van een raamovereenkomst waarbinnen nog op veel punten concreet overeenstemming tussen partijen moet worden bereikt over voorwaarden voor de bouw van de duwbakken. Het hof is van oordeel dat partijen daarover geen overeenstemming hebben bereikt en ook niet zouden bereiken. De schadevergoedingsvorderingen over en weer stuiten daar op af. 14De feiten 14.
  5. [XXX] Beheer B.V. (hierna: [XXX] ) heeft op 9 juli 2019 met de aan Veka gerelateerde rechtspersoon Veka Scheepsbouw BV (hierna: Scheepsbouw) twee scheepsbouwovereenkomsten gesloten voor de bouw van twee duwbakken, voor een bouwprijs van € 1.173.000,00 ex btw per duwbak. 14.
  6. Op 22 oktober 2019 vond in het Van der Valk restaurant in [locatie] een bespreking plaats tussen [persoon A] (bestuurder van Veka), [persoon B] (indirect bestuurder van Pattje en Shipyard) en [persoon C] (bestuurder van Romaris Staal B.V.). 14.
  7. Tijdens diezelfde bespreking is een “Mantelovereenkomst Voor de bouw van 24 duwbakken” (hierna: de mantelovereenkomst) getekend. De tekst van de mantelovereenkomst luidt (voor zover hier van belang): “[…] VEKA Shipbuilding WT B.V. , […], hierna genoemd: OPDRACHTGEVER En Pattje Waterhuizen B.V., […] vertegenwoordigd door [persoon B] . En Shipyard Waterhuizen B.V., […] vertegenwoordigd door [persoon B] . En Joint Venture (Newco) Hierna tezamen genoemd het Consortium/leverancier. Overwegende: a. OPDRACHTGEVER geeft opdracht voor de bouw van 24 duwbakken met afmetingen 88,5 (of 90,0) x 11,45 x 4,50 m b. ODRACHTGEVER en de overige 4 bovenstaande partijen (incl. het consortium) hebben overeenstemming bereikt over de bouw en levering van deze 24 duwbakken c. OPDRACHTGEVER en de overige 4 bovenstaande partijen wensen de overkoepelende afspraken voor de bouw en levering van deze 24 duwbakken vast te leggen Komen overeen:
  8. De fysieke bouw van de 24 duwbakken zal plaats vinden op de locatie van Pattje Waterhuizen te Waterhuizen .
  9. Per eenheid zal een onderliggend contract gesloten worden, waarin de specifieke afspraken per eenheid worden vastgelegd welke in lijn is met deze mantelovereenkomst.
  10. Er is een huurcontract afgesloten tussen VEKA Shipbuilding WT B.V. en Shipyard Waterhuizen B.V. voor de gehele looptijd van alle 24 te bouwen duwbakken. Dit zal gebeuren volgens de overeengekomen planning van ca. 2 duwbak leveringen per maand ervan uitgaande te beginnen in januari
  11. Laatstgenoemde partij Shipyard Waterhuizen BV is huidig eigenaar van de complete scheepswerf gelegen te [adres 1] in [plaats] . De huurovereenkomst beslaat de gehele looptijd van de bouw van alle genoemde eenheden voor de prijs van €6.700.- per maand inclusief alle service kosten en inclusief gebruik van alle machinerieën gemeentelijke belastingen, gas, stroom ,water, verzekering etc…. alles in de ruimste zin des woords. Het huurcontract is bij ondertekening van deze mantelovereenkomst een feit en gaat direct in. De 1e huurtermijn qua betaling gaat in op het moment als de 1e kiel gelegd is op de genoemde verhuurde locatie. Het huurcontract is gemaximaliseerd op een totaalprijs van maximaal €120.000.- ,t.w. maximaal 18 maanden te betalen á €6.700.- per maand inclusief alle eerder genoemde onkosten en service.. Mochten de 24 genoemde duwbakken qua planning uitlopen dan zal de huurovereenkomst onherroepelijk door lopen zonder extra financiële verplichten door de opdrachtgever aan Shipyard Waterhuizen BV
  12. De vaste all-in prijs voor de 24 duwbakken bedraagt € 895.000,-- exclusief de btw, per duwbak, waarbij de volgende afspraken zullen gelden: a. OPDRACHTGEVER levert toe: door klasse goedgekeurde constructietekeningen, eventuele geprefabriceerde afbouwitems en te plaatsen equipment conform bijlage
  13. b. Het consortium maakt detailtekeningen, werkplaatstekeningen, nesting, snijfiles en al het overige engineerswerk benodigd voor de bouw van het project conform bijlage
  14. […]
  15. Nadat de bouw van de 24 duwbakken gereed is zullen opdrachtgever en het consortium exclusief verder gaan op basis van 50/50 in contracten voor de verkoop van meer Nederlandse duwbakken aan derden. Dit houdt in dat beide partijen volledige openheid geven over enerzijds bouwkasten en anderzijds verkoopprijs en orders en daarna de totaal gemaakte winst 50/50 met elkaar delen. Het gehele proces wordt hiermee transparant en hiermee profiteert Opdrachtgever van een lagere kostprijs en profiteert Het Consortium van de hogere verkoopprijs aan de eindklant. Zowel bestellingen bij Opdrachtgever voor Nederlandse bakken als bij Het Consortium zullen in openheid met elkaar gedeeld worden en samen opgepakt. […] Bestuurders van entiteiten van zowel Opdrachtgever als het Consortium geven aan ook niet in andere entiteiten samenwerkingen aan te gaan met betrekking tot de de bouw van Nederlandse duwbakken. Bekend is dat opdrachtgever wel orders heeft lopen in het buitenland qua duwbakken, dit verhoudt zich meestal tot de landen: Marokko, Turkije en China. […].” 14.
  16. De bijlage bij de overeenkomst bevat een lijst met 18 ‘uit te voeren werkzaamheden en leveringen door het consortium/leverancier’: “[…]
  17. Het realiseren en leveren van het bouwpakket van de duwbak op basis van door VEKA aangeleverde goedgekeurde Klassetekeningen (het maken van werkplaatstekeningen, productinformatie, snijfiles, etc. behoort tot levering van het Consortium/leverancier).
  18. Het samenstellen en aflassen van dit bouwpakket onder keur van het Klassebureau.
  19. Het organiseren van het surveywerk door het Klassebureau. De kosten van de survey worden 50-50 gedeeld tussen VEKA & het Consortium/leverancier.
  20. Het leveren, plaatsen en aflassen van de mangatringen, dokpluggen, en eventuele afbouwdelen (zoals o.a. toegangsluiken, diepgangsmerken, ladders, bolders, welding drops, sjorpunten, etc.) welke bij de cascobouw behoren.
  21. Het plaatsen en aflassen van door Veka toegeleverd equipment, te weten: 2 stuks ankerlieren, 4 stuks koppellieren met bijbehorende ankers, draden en kettingen.
  22. Het leveren van het voor de werkzaamheden van het Consortium/leverancier benodigde lasmateriaal.
  23. Het leveren van de voor de werkzaamheden van het Consortium/leverancier benodigde hulpmaterialen.
  24. Het afslijpen van de onderdelen (kantjes breken) daar waar nodig met R=
  25. Het verwijderen van lasspetters.
  26. Het afslijpen van resten van hulpplaatjes etc. en eventueel oplassen en weer afslijpen van beschadigingen.
  27. Het afpersen van de in duwbak opgenomen waterdichte ruimtes volgens BV.
  28. Het veegschoon opleveren van de duwbak.
  29. Het leveren van de verf voor de duwbak
  30. Het uitvoeren van het schilderwerk van de duwbak conform specificatie.
  31. Het tewaterlaten van de duwbak in [plaats] .
  32. Het opleveren van de duwbak voor de wal van Veka Shipyard [locatie] , [adres 2] te [plaats] .
  33. Afname van het casco door Klasse en opdrachtgever te [plaats] .
  34. Betaling vindt plaats via notaris na tewaterlating in [plaats] .” 14.
  35. Veka heeft het gesprek op 22 oktober 2019 waarin partijen de onder 14.3 vermelde overeenkomst zijn aangegaan (gedeeltelijk) opgenomen. De schriftelijke uitwerking daarvan is overgelegd. In de uitwerking zijn de sprekers niet onderscheiden of geïdentificeerd, maar steeds aangeduid als “SPM”. De uitwerking houdt (onder meer) in: “SPM: Ik mis het consortium. Jullie moeten, jullie moeten ook tekenen namens het consortium NewCo, hè? Die moet er wel bij. Dat is echt zo. [00:19:58] SPM: Kun je tekenen voor een niet-opgerichte organisatie? [00:20:00] SPM: Ja, als consortium wel. Dat is hetgeen wat je nu doet. Dat is een Newco. Daar moet je wel voor tekenen. Natuurlijk. Dat is logisch. [00:20:08] SPM: Oké. Die eh, maar goed, dat is het enige uit die overeenkomst. Dus dan schrijven de dat erbij. (…) SPM: Die moetje zelf erbij nog schrijven het consortium. [00:20:38] SPM: Hupsakee. [00:20:39] SPM: En een handtekening. [00:20:41] (…) SPM: En dan noemen we het consortium, is dan de joint venture NewCo? [00:20:51] [onverstaanbaar tot 00:21:08] SPM: Die heb je aan het begin gegeven. [00:21:12] SPM: Ja, die hebben we aan het begin gegeven. [00:21:13] SPM: O ja. Ja, ja. [00:21:13] SPM: Ja. [00:21:14]” 14.
  36. Op 25 november 2019 schreef [persoon A] , de bestuurder van Veka, aan [persoon B] en [persoon C] , de (indirect) bestuurders van Pattje , Shipyard en Romaris : “[…] Ik was benieuwd of er al ter vervanging van de gesloten overeenkomst van 22 oktober 2019j.l. voor de 24 duwbakken en de verhuur van de complete scheepswerf nieuwe contracten opgemaakt waren maar die waren er volgens [persoon B] nog niet. [persoon D] , van Veka, hof] zou er voor zorg dragen en heeft hier a.s. maandag met jullie een afspraak over. Ik zou dus graag zo snel mogelijk de 24 bouwovereenkomsten per stuk met jullie willen tekenen ter vervanging van de overeenkomst van 22 oktober
  37. Wat betreft de huurovereenkomst hoeft dat voor mij niet want de huurafspraken in de overeenkomst van 22 oktober 2019 jl zijn voor mij duidelijk echter zou het mischien voor iedereen beter zijn een standaard huurovereenkomst te tekenen ter vervanging van de reeds getekende huurafspraak van 22 oktober
  38. Zodra de nieuwe huurovereenkomst getekend is zal de oude overeenkomst afspraak van 22 oktober 2019 daarmee komen te vervallen. Ik wil [persoon B] alvast vragen de eerste 12 maandelijkse termijnen vanaf januari tm december 2020 aan ons te sturen €6.700, - zodat ik deze kan laten opnemen in onze administratie en automatisch iedere maand zal laten betalen. […] Ik heb ook zojuist een call gehad met Nesha en met [persoon E] en gevraagd naar de status van de tekeningen. Alle tekeningen zijn morgen geheel compleet in ons bezit en zullen wij direct aan klasse aanbeden. Ik heb dermate vertrouwen in het tekenwerk dat ik bereid bent het risico te nemen om alvast aan de eerste 2 duwbakken te kunnen starten zonder goedkeuring van Lloyds. Daarmee hebben we dan geen tijd verloren en kunnen we wat mij betreft direct starten met de bouw van de eerste duwbakken Mochten er nog wat zaken wijzigen volgens klasse dan neem ik die financiele risico m.b.t de tekeningen die achteraf niet goed bleken te zijn. Ik zou ook graag weten of [persoon B] en [persoon C] de newco al hebben opgericht. Is dat al gebeurd zoals jullie hebben aangegeven in de overeenkomst van 22 oktober 2019 jl. 7 Ik verneem graag van jullie als dat het geval is want dan moeten we sowieso daarvoor een overeenkomst maken en corrigeren van partijen. Nu zijn de partijen allemaal benoemd in de overeenkomst van 22 oktober 2019 en vinden wij prima. Zodra jullie de oprichting gedaan hebben met deze aandeelhouders erbij toegevoegd zullen wij dat in de vervangende overeenkomsten meenemen. Ik ben blij dat het allemaal voorspoedig verloopt en zie uit naar een nauwe goede en succesvolle samenwerking. De afspraken zijn verder allemala goed en helder gemaakt en kan niet wachten todat we de kieligging gaan meemaken op Pattje Waterhuizen en we de aantallen per maand gaan behalen. De eerste 10 duwbakken zijn verkocht. dus waar jullie bang voor waren of dat wel ging lukken is een feit. Daar zijn wij heel erg druk mee geweest de afgelopen tijd om jullie ieder geval daarin ook de rust te geven die jullie ons vroegen. Die rust kunnen we dus aangeven, echter hoop ik dat wij de rust krijgen dat we de klanten kunnen laten zien dat we gestart zijn en waarmaken wat we zijn afgesproken. […]” 14.
  39. Op 5 december 2019 schreef de bestuurder van Veka, [persoon A] , aan de (indirect) bestuurders van Pattje , Shipyard en Romaris : “[…] Ik heb van jullie (wel via de andere )geen enkele mail of reactie gekregen op mijn onderstaande e-mail, Ik weet dat jullie iedere dag druk bezig zijn met [persoon E] en [persoon D] maar wil Ook graag antwoorden hebben en de stukken ontvangen waar ik om vraag en nodig zijn aan onze kant. Zoals jullie wenste en inmiddels is gebeurd hebben we de eerste 10 duwbakken van de bestelde 24 duwbakken verkocht en gaan wij er vanuit dat we echt direct in Januari 2020 gaan starten Ik heb een verplichting en daarom wil ik jullie hier ook duidelijk bij maken Dat we echt willen en moeten starten. De financieringen van mijn klanten zijn rond en de desbetreffende garanties of LCs zijn getekend en gesteld. Nu zijn wij aan zet. Het is natuurlijk zo dat we al een getekende huur en bouw overeenkomst hebben maar er moeten nog wel zaken geregeld worden. Ik ben liever enige vertraging voor en daarom wijs ik er nogmaals op dat we echt in januari moeten starten a.s Ik sprak [persoon B] eergisteren nog en gaf aan dat dit wel ging lukken maar wil er toch nog een keer op benadrukken dat we een start in Januari 2020 verwachten. Zoals jullie weten zijn alle tekeningen klaar en voldoen aan de wens van de geplande bouw wijze. We hebben de nieuwbouw aangemeld van de 24 duwbakken bij Lloyds register en we verwachten binnenkort de goedkeuring op de bouw en constructie tekeningen Ik heb ook al eerder aangegeven dat wij de tekeningen ook allemaal hebben bekeken en zien er goed uit. Daarom gaf ik aan officieel dat wij als opdrachtgever het risico willen nemen om alvast van deze tekeningen af te gaan houwen en geen verder tijdsverlies willen voorkomen indien Lloyds er iets langer over doet dan dat we verwachten. Mochten er nog opmerkingen van lloyds register tijdens de bouw van de eerste 2 duwbakken komen en deze hebben consquenties op de bouw van deze twee duwbakken zullen wij de extra uren hiervoor betalen Zoals ik al zei is dat geheel tegen de verwachtingen in en daarom durven wij op de huidige nieuw gemaakte tekeningen te bouwen Tot zover en ben tevreden dat we uiteindelijk kinnen starten en wij datgene hebben aangeleverd. Ik zie jullie stukken zoals overeengekomen graag tegemoet […]” 14.
  40. Op 28 januari 2020 schreef de bestuurder van Veka, [persoon A] , aan de (indirect) bestuurders van Pattje , Shipyard en Romaris : “[…] Ik denk dat het erg goed en belangrijk was dat we donderdag (23-01) met elkaar aan de tafel zijn gegaan m.b.t. de bouw van de 24 duwbakken welke contractueel gesloten zijn in de overeenkomst van d.d. 22-10-
  41. Er is een enorme druk ontstaan bij de kopers van VEKA van de eerste 12 duwbakken omdat we in diverse beloftes zijn tekortgeschoten o.a. willen de klanten zien dat we aanvangen met de eerste duwbakken en dat wij beschikken over de bouwlocatie. Er zijn door mij voorheen 2 belangrijke e-mails verstuurd op 25 november 2019 en op 5 december
  42. Op beide mails is geen antwoord gegeven. […] Uiteindelijk zijn we donderdag (23-01) eindelijk bij elkaar gekomen en heeft veel duidelijkheid gegeven. Acties zijn echt zeer noodzakelijk en de tijd dringt. De kopers van de duwbakken (kopers van VeKa) hebben kennis genomen dat wij de werf speciaal huren van Pattje Waterhuizen BV en Shipyard Waterhuizen BV (hierna te roemen Pattie ) voor de bouw van de gesloten 24 duwbakken. Ze vragen al enige tijd naar de beloofde huurfacturen van Pattje over het gehele jaar
  43. [persoon B] van Pattje had deze facturen al vanaf december 2019 beloofd ons die te doet toekomen maar bleven steeds uit. In ons gesprek van 24-01 werd beloofd dat de fakturen nu echt daadwerkelijk zouden worden gemaakt door [persoon B] van Patije en naar VeKa Shipbuilding WT (Hierna te noemen: VeKa) zouden worden qemaild. Inmiddels mochten we de faktuur voor het gehele huurjaar 2020 dan toch op 24 januari j.l. ontvangen. Zoals ik ook eerder al schreef, hebben wij daarop enig commentaar gegeven met het verzoek voor aanpassing, maar we zullen de op 24-01 gestuurde faktuur wel boekhoudkundig bij ons verwerken zoals ze moet zijn conform de getekende overeenkomst. De faktuur hadden we ook dringend nodig om de daaropvolgende dag in onze meeting met 1 van de klanten te laten zien dat er daadwerkelijk facturen ten grondslag liggen Wij zullen iedere maand netjes het vervallen maandelijkse huurbedrag zoals afgesproken aan u voldoen. [persoon C] van Romaris Staal (hierna te noemen Romaris ) en [persoon B] van Pattje Waterhuizen BV en Shipyard BV (hierna te noemen Pattje ) hebben gezamenlijk een afspraak lopen om een gezamenlijke Newco op richten (hierna te noemen JV) Hier hebben beide heren op 22-10-2019 gezamenlijk als joint venture / Newco voor getekend op 22-10-2019 aangezien dit voor VeKa erg belangrijk was. Zoals jullie weten eiste jullie voor verkoop van minimaal 12 duwbakken en die zijn ook door VeKa uitgevoerd VeKa heeft een leveringsverplichting aan haar kopers en heeft dit gedaan op verzoek van jullie om hiermee meer zekerheid zou ontstaan. Woensdag werden er verschillende vragen beantwoord en acties besproken en werd het volgende afgesproken: 1 Pattje vroeg additionele zekerheid op de bouw van de duwbakken. VeKa is bereid om voor gedurende de bouw iedere keer voor maximaal 2 duwbakken een LC te stellen voor de vaste bouwprijs van € 895.000.- excl. btw welke komt te vervallen bij deelbetalingen onder dezelfde duwbak in aanbouw of bij levering van de duwbak. Er zal in geen enkel geval nooit meer dan 2 L/C's van ieder € 895.000,-- euro per stuk aan Pattje door VeKa gesteld gaan worden aangezien het een eis is die achteraf komt en behoorlijke onkosten met zich mee brengt. Zal VEKA de door haar verkregen LC van haar klant doorzetten aan Pattje of aan de JV van [persoon B] en [persoon C] gezamenlijk. […]” 14.
  44. Op 30 januari 2020 schreef schreef de bestuurder van Veka, [persoon A] , aan de (indirect) bestuurders van Pattje , Shipyard en Romaris : “[…] We hadden een planning die we hebben doorgenomen maar als dit zo blijft doorgaan ben ik bang dat we in mei of juni as nog geen duwbakken hebben. Zoals ik zei begint de geloofwaardigheid echt zijn rol te eisen bij de klanten en nu inmiddels ook bij ons. Dat neemt niet weg dat we een harde overeenkomst hebben en dat we toch nu echt stappen moeten gaan nemen en moeten beginnen met elkaars afspraken na te komen anders gaat dit een fiasco worden en zullen de klanten echt een giga probleem op ons bord liggen. Als er geen enkele actie wordt ondernomen en geen afspraken worden nageleefd conform de overeenkomst die we gesloten hebben voor de bouw van de 24 duwbakken en de verhuur van de werf zullen wij (zonder dat ik dat wil want ik wil maar 1 ding en dat is met jullie de bestelde 24 duwbakken bouwen) de claims en bijbehorende kosten toch echt moeten verhalen. Dit is echt de laatste waarschuwing anders moet ik jullie in gebreken gaan stellen en de schade moeten verhalen. Ik vertrouw er nog steeds op dat dit niet de bedoeling is en dat dit niet onze of mijn wens is maar zo kunnen we niet blijven werken. Ik raak erg onzeker en heb gedaan wat jullie gevraagd hebben ik heb bakken verkocht en ben zelfs zo ver gegaan dat ik mee wilde gaan in het stellen van LCs of garanties voor iedere keer twee bakken zonder dat we daarover een overeenstemming hadden. Ik heb een goed verslag geschreven mbt de bespreking van vorige week donderdag en daaraan moeten we nu echt gehoor geven. Tevens nogmaals kom de afspraak na van gisteren [persoon B] en stuur de spullen op vergezeld met een planning van de bouw […]” 14.
  45. Op 12 februari 2020 schreef de (indirect) bestuurder van Pattje en Shipyard, [persoon B] , aan Veka: “[…] Hierbij de huurfactuur zoals jullie dit graag willen. Eerlijkheid gebied te zeggen, dat deze factuur voor ons geen waarde heeft en er ook geen rechten aan kunnen worden verbonden. De echte huurfacturen worden pas gestuurd als we daadwerkelijk beginnen met bouwen. We gaan pas beginnen met bouwen als;
  46. Alle tekeningen gereed zijn.
  47. Alle tekeningen en constructies goedgekeurd zijn door Lros.
  48. Als duidelijk is welke onderdelen er door VEKA worden aangeleverd incl. tekeningen.
  49. De planning tussen partijen akkoord is.
  50. De Joint Venture tussen Romaris Staal en Pattje Waterhuizen met de daarbij horende overeenkomsten opgericht en akkoord is.
  51. Als de bedragen en betalingscondities tussen alle partijen akkoord zijn.
  52. Als de huurfactuur betaald is.
  53. Als de bank toestemming geeft/ akkoord is. […]” 14.
  54. Op 28 februari 2020 heeft [XXX] met Scheepsbouw een scheepsbouwovereenkomst gesloten voor de bouw van een derde duwbak met een bouwprijs van € 1.328.000.00 ex btw. 14.
  55. Op 26 november 2020 heeft [XXX] aan Pattje opdracht gegeven om 10 duwbakken te bouwen voor een all-in prijs van € 1.000.000,
  56. 14.
  57. In juni 2021 heeft [XXX] haar contractuele wederpartij Scheepsbouw gedagvaard. Die procedure is geëindigd in een vaststellingsprocedure. 14.
  58. Op 9 en 14 september 2021 heeft Veka verzocht om conservatoir verhaalsbeslag en bewijsbeslag te mogen leggen onder en ten laste van [XXX] , Romaris , Pattje en Shipyard. 14.
  59. Op 20 september 2021 schreef Pattje aan een Haveruy B.V. (een dochtervennootschap van [XXX] ): “[…] De rode lijn in het onderstaande verhaal is dat VEKA niet op tijd met tekeningen over de brug kwam, geen duidelijkheid gaf over planningen, betalingscondities, bouwovereenkomsten, staalleveringen etc. Daarbij kwam ook nog het feit dat wij van een ander project wat wij gebouwd en geleverd hadden aan VEKA nog een betaling kregen (zie bijlage). Deze betaling hebben wij tot op de dag van vandaag nooit ontvangen. Bij elkaar opgeteld hadden wij, maar ook ROMARIS STAAL niet zoveel trek meer in een samenwerking met VEKA. Dit is de reden waarom we vaak niet reageerde op [ [persoon A] , hof] […] Pas maanden later, omstreeks november 2020, kwamen we met Haveruy / de familie [persoon A] rechtstreeks in contact. […].” 14.
  60. Op 24 september 2021 heeft Veka [XXX] , Romaris , Pattje en Shipyard gedagvaard. De procedure tegen [XXX] is doorgehaald op 20 april
  61. Romaris is gefailleerd op 15 november
  62. 14.
  63. Bij vonnis van 11 januari 2023 heeft de rechtbank Pattje en Shipyard hoofdelijk veroordeeld tot betaling van € 2.040.500,00 te vermeerderen met de wettelijke rente en de proceskosten in conventie en in reconventie. De incidentele vordering van Veka op grond van artikel 843a Rv heeft de rechtbank afgewezen. Pattje c.s. is in hoger beroep gekomen van het vonnis. Veka is in incidenteel hoger beroep gekomen tegen de gedeeltelijke afwijzing van de gevorderde schadevergoeding en tegen de afwijzing van de vordering in incident. 15De verdere beoordeling 15.
  64. Het hof verwijst voor de vorderingen in hoger beroep naar het tussenarrest van 14 mei
  65. In het principaal hoger beroep 15.
  66. De kern van het geschil gaat over de uitleg van de op 22 oktober 2019 gesloten mantelovereenkomst tussen partijen. Bij beantwoording van de vraag wat partijen precies zijn overeengekomen komt het primair aan op de vraag welke zin partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan gegeven verklaringen en gedragingen mochten toekennen en aan de vraag wat zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Dat betekent dat het hof aan de hand van deze zogenoemde Haviltex-maatstaf de inhoud van hetgeen tussen partijen is overeengekomen zal moeten vaststellen. Dat brengt mee dat het niet alleen gaat om de bewoordingen van de mantelovereenkomst (waar partijen zich over en weer op beroepen), maar ook om wat partijen in de onderhandelingen voor en bij de totstandkoming van de mantelovereenkomst en nadien over en weer hebben verklaard en wat zij daaruit redelijkerwijs hebben mogen afleiden. 15.
  67. In het tussenarrest heeft het hof partijen in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over de vraag wat de bedoeling van partijen is geweest bij het sluiten van de mantelovereenkomst, de uitleg van het exclusiviteitsbeding en hoe de onderlinge rechten en verplichtingen van partijen op grond van de mantelovereenkomst dienen te worden begrepen, mede gelet op het beroep dat Veka doet op hoofdelijke aansprakelijkheid van Pattje , Shipyard en Romaris . Partijen dienden daarbij vooral ook heel precies aan te geven op grond van welke concreet te duiden verklaringen en/of gedragingen van de wederpartij zij de verwachtingen mochten koesteren zoals zij thans voorstaan. Partijen hebben vervolgens beiden een akte genomen. Uitleg overeenkomst 15.
  68. Veka stelt dat de mantelovereenkomst een overeenkomst van opdracht is, op grond waarvan Pattje , Shipyard en Romaris zich hoofdelijk verbonden hebben tot de bouw van 24 duwbakken. Pattje c.s. betwist dat en voert aan dat er sprake is van een intentie-overeenkomst, waar nog geen verbintenissen, laat staan hoofdelijke verbintenissen uit voortvloeien. Geen hoofdelijkheid 15.
  69. Veka stelt dat de verbintenis ondeelbaar is en dat de mantelovereenkomst is gesloten met één entiteit “het consortium”. Volgens Veka volgt daaruit dat alle rechtspersonen hoofdelijk verbonden zijn. Het hof volgt Veka daarin niet. Uit de tekst van de overeenkomst volgt niet dat de drie wederpartijen van Veka: Pattje , Shipyard en Romaris hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de nakoming van de mantelovereenkomst. De redactionele keuze voor een “consortium” in de tekst voor de overeenkomst – zo voert Pattje c.s. onweersproken aan – is ook een keuze van Veka en niet een voorstel van Pattje en Romaris geweest. Uit Veka’s eigen gespreksverslag (zie onder 14.5 hiervoor) blijkt dat het voor de betrokkenen onduidelijk is geweest wat met “het consortium” wordt bedoeld: de niet opgerichte rechtspersoon “NewCo” of het samenverwerkingsverband tussen Pattje , Romaris , de Joint Venture en, volgens Veka, Shipyard. Uit de tekst van het gespreksverslag blijkt geenszins dat gesproken is over een hoofdelijke aansprakelijkheid, en wat dat precies voor partijen zou betekenen. De luchtigheid die uit het gespreksverslag opdoemt wanneer over het consortium wordt gesproken ( “Hupsakee, en een handtekening”) geeft niet de indruk dat serieus tussen partijen van gedachten is gewisseld over een eventuele hoofdelijkheid en de daaraan te verbinden gevolgen. Dat partijen over de hoofdelijke aansprakelijkheid gesproken hebben, stelt Veka overigens ook niet. Dat alles betekent naar het oordeel van het hof dat Pattje , Shipyard en Romaris redelijkerwijs niet hoefden te begrijpen dat nu zij tot het Çonsortium’ behoorden – een term zonder enige wettelijke betekenis – zij daarmee in de verhouding tot Veka hoofdelijk aansprakelijk zouden zijn voor de nakoming van elkaars contractuele verbintenissen uit de mantelovereenkomst. Dat bij Veka die redelijke verwachting bestond is door haar niet voldoende concreet onderbouwd. Als zij dat had bedoeld, dan had het op haar weg gelegen dat in de bespreking uitdrukkelijk aan de orde te stellen, maar dat dit is gebeurd is gesteld noch gebleken. 15.
  70. De definitie als “consortium” doet niet af aan de omstandigheid dat alle partijen over en weer begrepen dat de bestaande rechtspersonen in het consortium ieder een eigen taak hadden. Dat volgt al uit de stellingen van Veka in de inleidende dagvaarding: “Romanis zou fungeren als de staalverwerker (toeleverancier van de bouwpaketten), Pattie als opdrachtnemer voor de bouw van de duwbakken en Shipyard zou de scheepswerf middels een huurovereenkomst aan Veka WT ter beschikking stellen […]”. Hoofdelijke aansprakelijkheid volgt dus niet uit de wet, omdat de prestatie niet ondeelbaar is, maar iedere partij eigen verplichtingen op zich zou nemen, en volgt ook niet uit de overeenkomst, gelet op wat partijen bespraken en over en weer bespraken en redelijkerwijs mochten begrijpen bij het tekenen van de overeenkomst. De conclusie op dit punt is dat van hoofdelijkheid geen sprake is. Geen overeenkomst van opdracht, maar een intentieovereenkomst 15.
  71. Veka stelt dat er sprake is van een overeenkomst van opdracht, voor de bouw van 24 duwbakken. Pattje betoogt dat zij de mantelovereenkomst zag als een intentieovereenkomst: Verschillende onderwerpen, met name het (voor)financieren van de bouw van de duwbakken, het stellen van zekerheid daarvoor en een betaalschema, moest nog worden geregeld in een afzonderlijk onderliggend contract, voor iedere duwbak, aldus Pattje c.s. . Veka betwist dat die punten niet geregeld zijn, zij stelt dat uit de mantelovereenkomst volgt dat Pattje en Romaris het staal zouden leveren en (dus) zouden moeten voorfinancieren en dat niet overeengekomen is dat Veka zekerheid zou stellen of staal zou voorfinancieren. 15.
  72. Het hof overweegt als volgt. Veka heeft de tekst van de mantelovereenkomst opgesteld, maar zij legt niet uit hoe zij de bepaling in artikel 2 dat een “onderliggend contract” gesloten zal worden, heeft bedoeld. Als – zoals zij stelt – de mantelovereenkomst de volledige opdracht zou omvatten, is die bepaling zinledig. Veka betwist niet dat het gebruikelijk is bij opdrachten in de scheepsbouw dat een opdrachtgever zekerheid stelt (zo bedingt zij ook zelf zekerheden bij haar afnemers), maar Veka stelt dat partijen daarover in de mantelovereenkomst andersluidende afspraken hebben gemaakt, doordat zij niet zijn overeengekomen dat Veka zekerheid zou stellen en dat partijen als betalingsschema zijn overeengekomen: “Betaling vindt plaats via notaris na tewaterlating in [plaats] .” Veka stelt echter niet dat dat tussen partijen besproken is dat Veka geen zekerheid zou stellen en dat Veka geen deelbetalingen zou doen. Het hof is van oordeel dat in de gegeven omstandigheden, gelet op de gebruiken in de scheepsbouw, Pattje de bepaling dat nog een onderliggend contract zou worden gesloten, redelijkerwijs zo heeft mogen begrijpen, dat tussen partijen pas volledige overeenstemming zou bestaan als er een akkoord zou zijn over onder meer de (betalings)voorwaarden voor de bouw van 24 duwbakken. Het gaat hier niet om een ondergeschikt punt: maar om de omvang en verdeling tussen partijen van de financiële risico’s van het door Veka voorgestelde project. En zo heeft Pattje c.s. de mantelovereenkomst ook daadwerkelijk begrepen, zo blijkt uit haar email van 12 februari 2020 (zie 14.10 hiervoor) waarin zij schrijft dat zij pas met de bouw van de duwbakken begint, als er een akkoord bereikt is over alle acht door haar genoemde punten, waaronder de planning en de betalingscondities. Op dat mailbericht heeft Veka niet meer gereageerd. 15.
  73. Het hof stelt daarnaast vast dat van de mantelovereenkomst deel uitmaakt een lijst met 18 ‘uit te voeren werkzaamheden en leveringen door het consortium/leverancier’ (zie r.ov 14.4), maar volkomen onduidelijk is wie van de leden van het consortium exact welke werkzaamheid of levering op zich zou moeten nemen. De mantelovereenkomst geeft daarover geen helderheid en gesteld noch gebleken is dat daarover op een later moment concrete afspraken zijn gemaakt. Anders dan Veka meent, is bovendien de bijlage bij de mantelovereenkomst niet voldoende concreet. Bijvoorbeeld welke afbouwdelen exact (zie no. 4 in de bijlage), welke soort/kleur verf (nr. 13/14 van de bijlage) gebruikt zouden moeten worden, is niet bepaald. Veka heeft daarover geen enkele opheldering gegeven. Met andere woorden: er diende na het sluiten van de mantelovereenkomst nog veel te worden geregeld door middel van heldere aanvullende afspraken zoals nieuwe ‘onderliggende’ overeenkomsten per te bouwen duwbak, planning, betalingscondities, en wie en wanneer de op de lijst genoemde werkzaamheden en/of leveranties zou moeten verrichten. Tegen deze achtergrond dient de mantelovereenkomst tussen partijen zo te worden uitgelegd, dat tussen partijen een intentie bestond tot de bouw van 24 duwbakken door de ‘leden van het consortium’ maar dat alvorens voor ieder van de betrokken partijen concrete verplichtingen zouden ontstaan waarvan zo nodig in rechte de nakoming kan worden gevorderd nog concrete invulling moest worden gegeven – door middel van aanvullende afspraken – aan talloze onderwerpen die in de mantelovereenkomst ongeregeld zijn gebleven. Daaruit volgt dat de enkele mantelovereenkomst zoals het hof deze uitlegt, geen voldoende grondslag vormt voor een vordering tot vergoeding van schade wegens een toerekenbare tekortkoming in de nakoming daarvan zoals partijen die over en weer tegen elkaar hebben ingesteld, eenvoudigweg omdat de overeenkomst als intentieovereenkomst te algemeen is om daaruit, zonder dat partijen zelf nadere invulling aan hun intenties hebben gegeven, concreet afdwingbare verplichtingen te kunnen destilleren. Partijen hebben althans niet de redelijke verwachting mogen koesteren dat reeds de mantelovereenkomst voldoende concreet omlijnd was om te kwalificeren als een overeenkomst van opdracht zoals door Veka gesteld. Voor zover de vorderingen over en weer daarop zijn gegrond, falen zij. Causaal verband 15.
  74. Voor de vorderingen tot schadevergoeding op grond van een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de mantelovereenkomst omdat de 24 duwbakken niet gebouwd zijn, is doorslaggevend of partijen, overeenstemming zouden hebben bereikt en de nadere overeenkomsten zouden hebben gesloten. Als dat niet zo is, ontbreekt immers causaal verband met de schade waarvan partijen over en weer vergoeding vorderen. Ook een eventuele tekortkoming weggedacht, zouden de overeenkomsten niet tot stand zijn gekomen en zou geen verbintenis tot het bouwen van de duwbakken zijn ontstaan. 15.
  75. Het hof oordeelt op basis van het partijdebat dat over en weer onvoldoende is aangevoerd op grond waarvan vastgesteld kan worden dat partijen die overeenstemming zouden hebben bereikt. Over de voorwaarden en verdeling van de financiële risico’s lagen de standpunten van partijen daarvoor te ver uit elkaar. Daarvoor overweegt het hof dat Pattje de juistheid betwist van wat Veka haar mailde over gesloten verkoopovereenkomsten met derden, zij betwist dat Veka verhaal zou bieden voor de risico’s die Veka schreef op zich te willen nemen en zij betwist dat Veka ook werkelijk bereid of in staat zou zijn om bankgaranties of Letters of Credit te stellen. Veka onderbouwt op deze punten haar relevante stellingen niet voldoende concreet. Veka beroept zich op een overeenkomst tussen Veka en Scheepsbouw, maar die overeenkomst houdt in dat Scheepsbouw klanten verwijst naar Veka. Onduidelijk is hoe dat zich verhoudt tot het feit dat [XXX] haar overeenkomst met Scheepsbouw heeft gesloten en niet met Veka. Ook blijkt hier niet dat Veka verhaal zou bieden of zekerheid zou kunnen stellen voor de risico’s die zij stelt te willen dragen in haar verhouding met Pattje . Op die punten heeft Veka ook geen concrete invulling gegeven aan haar toezeggingen. Tegelijkertijd stelde Veka zich op het standpunt, en stelt zij ook in deze procedure in het kader van de schadebegroting, dat de gestegen staalprijzen zonder meer voor rekening zouden moeten komen van Pattje en Romaris , waarbij die partijen bovendien het staal dienden voor te financieren. Redelijkheid en billijkheid 15.13 Dit neemt overigens niet weg dat de schriftelijke overeenkomst op grond van artikel 6:248 lid 1 BW ook andere rechtsgevolgen kan hebben dan partijen zijn overeengekomen. Immers de rechten en verplichtingen van partijen wordt niet alleen bepaald door wat zij uitdrukkelijk zijn overeengekomen, maar ook door de redelijkheid en billijkheid die hun rechtsverhouding beheerst. Op grond daarvan moeten zij hun gedrag mede laten bepalen door de gerechtvaardigde belangen van de wederpartij (zie bijvoorbeeld HR 19 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007: BA 7024, NJ 2007/565). Gelet op de hiervoor weergegeven standpunten over en weer ziet het hof evenmin voldoende concrete omstandigheden – voor zover partijen hebben bedoeld dat aan te voeren – om te kunnen vaststellen dat een van beide partijen zodanig in strijd heeft gehandeld met de eisen van redelijkheid en billijkheid dat de wederpartij daardoor ) toerekenbaar tekortgeschoten is in de nakoming van de mantelovereenkomst. 15.
  76. De vorderingen van Veka die zien op schadevergoeding op de grond dat Pattje c.s. toerekenbaar tekortgeschoten zou zijn in de nakoming van de mantelovereenkomst door de duwbakken niet te bouwen, zijn niet toewijsbaar. Grieven 1,4 5 en 6 van Pattje slagen. Overige grondslagen 15.
  77. Doordat er grieven van Pattje c.s. slagen tegen de hoofdelijke veroordeling van Pattje c.s. op grond van een toerekenbare tekortkoming van Pattje c.s. , komt het hof devolutief toe aan de vraag of de vorderingen van Veka op basis van een andere grondslag toewijsbaar zijn. Veka beroept zich in dat verband op schending van het exclusiviteitsbeding en op onrechtmatig handelen van Pattje en Shipyard. Geen schending exclusiviteitsbeding 15.
  78. Artikel 5 van de mantelovereenkomst bevat het exclusiviteitsbeding. Pattje voert als verweer dat met het Consortium alleen de nooit opgerichte vennootschap NewCo is bedoeld, dat exclusiviteit alleen zou ontstaan na de bouw 24 duwbakken en dat de bouw van duwbakken door Pattje geen “samenwerking in andere entiteit” is. In hoger beroep, in reactie op het betoog van Veka, voert Pattje aan dat nu de samenwerking tussen Pattje en Veka niet van de grond is gekomen, ook aan het exclusiviteitsbeding geen werking toe zou moeten komen. 15.
  79. Veka voert aan dat de exclusiviteit voor de periode tijdens de bouw van de 24 duwbakken bedongen was om te voorkomen dat Pattje als opdrachtnemer tegelijkertijd andere grote opdrachten zou moeten uitvoeren. Veka stelt daarover: “Gedurende de bouw van de eerste 24 duwbakken door (bestuurders en/of entiteiten van) het consortium/de leverancier zullen er geen andere (grote) opdrachten worden aangenomen [...]. Er zou zeker geen nieuwe/andere opdracht worden aangenomen als dat zou gaan om de bouw van duwbakken aangezien de werf van Pattje niet de snelle “flow” zou gaan worden ingericht voor de bouw van de 24 duwbakken voor Veka.”. De exclusiviteit na de bouw van de 24 duwbakken zag op verdere samenwerking, waar partijen de winst op 50/50 basis zouden verdelen, aldus Veka. 15.
  80. Uit de stellingen van Veka volgt dat zij het exclusiviteitsbeding bedoelde om te gelden tijdens de samenwerking: eerst om te voorkomen dat Pattje niet beschikbaar zou zijn voor de samenwerking en daarna om die samenwerking exclusief voort te kunnen zetten. Gelet daarop en in aanmerking genomen dat dat hier gaat om een mantelovereenkomst die de intentie belichaamt voor de bouw van 24 duwboten maar die verder met aanvullende afspraken tussen partijen diende te worden geconcretiseerd, is het hof van oordeel dat Pattje c.s. het exclusiviteitsbeding redelijkerwijs ook zo mocht begrijpen dat dit beding zou gaan gelden als de samenwerking daadwerkelijk van de grond zou komen. Het exclusiviteitsbeding is zo uitgelegd niet bedoeld voor de situatie dat de samenwerking niet van de grond komt. Het standpunt van Veka dat het Pattje zonder meer verboden zou zijn om duwbakken te bouwen (voor of in samenwerking met derden) en aansprakelijk zou zijn voor het positieve contractsbelang van Veka, ook als geen samenwerking tot stand zou komen en zonder dat daar enige prestatie van Veka tegenover zou staan, is een uitleg die niet kan zijn bedoeld en waarop partijen niet hoefden te rekenen. Huurovereenkomst met Shipyard? 15.
  81. Veka stelt dat Shipyard tegenover haar aansprakelijk is, omdat Shipyard tekortgeschoten is in de nakoming van de mantelovereenkomst, althans in de huurovereenkomst die daarvan deelt uitmaakt. In de mantelovereenkomst staat: “Er is een huurcontract afgesloten tussen VEKA Shipbuilding WT B.V. en Shipyard Waterhuizen B.V. voor de gehele looptijd van alle 24 te bouwen duwbakken. Dit zal gebeuren volgens de overeengekomen planning van ca. 2 duwbak leveringen per maand ervan uitgaande te beginnen in januari
  82. Laatstgenoemde partij Shipyard Waterhuizen BV is huidig eigenaar van de complete scheepswerf gelegen te [adres 1] in [plaats] . De huurovereenkomst beslaat de gehele looptijd van de bouw van alle genoemde eenheden voor de prijs van €6.700.- per maand inclusief alle service kosten en inclusief gebruik van alle machinerieën gemeentelijke belastingen, gas, stroom, water, verzekering etc… alles in de ruimste zin des woords. Het huurcontract is bij ondertekening van deze mantelovereenkomst een feit en gaat direct in. De 1e huurtermijn qua betaling gaat in op het moment als de 1e kiel gelegd is op de genoemde verhuurde locatie. Het huurcontract is gemaximaliseerd op een totaalprijs van maximaal €120.000.- ,t.w. maximaal 18 maanden te betalen á €6.700.- per maand inclusief alle eerder genoemde onkosten en service.. Mochten de 24 genoemde duwbakken qua planning uitlopen dan zal de huurovereenkomst onherroepelijk door lopen zonder extra financiële verplichten door de opdrachtgever aan Shipyard Waterhuizen BV” 15.
  83. Op grond van de wettelijke definitie is sprake van een huurovereenkomst als de verhuurder zich verbindt om een zaak of een gedeelte daarvan in gebruik te verstrekken en de huurder zich verbindt tot een tegenprestatie (artikel 7:201 BW). Daarvan is in dit geval geen sprake, omdat Shipyard de werf niet in gebruik zou verstrekken aan Veka. Veka zou immers niet zelf de duwbakken gaan bouwen op de werf, maar Pattje zou dat gaan doen. Voor het vrijhouden van de werf, is ook geen huurovereenkomst vereist. Partijen hebben ook expliciet een koppeling besproken tussen de maximale “huurprijs” van € 120.000,00 en de prijs van de 24 duwbakken die niet € 900.000,00 maar € 895.000,00 per duwbak zou zijn, zoals blijkt uit door Veka overgelegde uitwerking van het gesprek: “SPM: Ja, maar je gaat hem, je gaat zometeen het bedrag aftrekken van die 9 ton. [00:33:27] SPM: Ja. [00:33:28] SPM: En wat trek je er dan af? 5.000? (…) SPM: (…) Maar het zou wel mooi zijn als het gekoppeld wordt. Anders betaal ik 120.000 huur in 12 maanden terwijl de bakken nog... [00:33:53] SPM: Ja, maar je moet het ook niet koppelen aan een vast bedrag per maand. Je moet het koppelen aan eh... [00:33:56] SPM: 10.000 euro per maand. [00:33:57] SPM: ...aan, aan eh 5.000 per bak. [00:34:01]” 15.
  84. Daaruit volgt dat het hier niet gaat om een tegenprestatie van Veka voor gebruik van de werf, maar dat het de bedoeling van partijen was dat steeds € 5.000,00 van de prijs van een duwbak niet aan Pattje en Romaris zou worden betaald, maar zou worden betaald aan Shipyard. Van een huurovereenkomst is dus geen sprake. Ook hebben partijen in hun schriftelijke overeenkomst neergelegd dat de huurovereenkomst de looptijd van de bouw zou duren. Nu er geen sprake is van een bouwperiode, is ook om die reden, geen tekortkoming. Veka onderbouwt onvoldoende dat partijen een andere verbintenis van Shipyard overeengekomen zijn. Op dit punt kan Shipyard dus ook niet tekort geschoten zijn. De vraag of Shipyard partij is bij de mantelovereenkomst, kan daarom in het midden blijven Geen onrechtmatige daad 15.
  85. Veka stelt dat Pattje c.s. jegens haar onrechtmatig heeft gehandeld door, zonder toestemming van Veka, gebruik te maken van de werkplaatstekeningen en snijfiles van Veka en van de door Veka ontwikkelde bouwwijze van duwbakken. 15.
  86. Veka stelt niet voldoende welk concreet gedrag de rechtspersoon Shipyard verweten kan worden en waarom dat gedrag tegenover Veka onrechtmatig zou zijn, met name gelet op het feit dat er tussen Veka en Shipyard geen huurovereenkomst bestaat. 15.
  87. Pattje betwist dat zij onrechtmatig gehandeld heeft. Tegenover de betwisting van Pattje onderbouwt Veka onvoldoende dat het (gestelde) gebruik van de werkplaatstekeningen en snijfiles jegens Veka onrechtmatig is. Uit bijlage 1 bij de mantelovereenkomst volgt immers dat het de verplichting is van het consortium om zorg te dragen voor “het maken van werkplaatstekeningen, productinformatie, snijfiles, etc. ” en Romaris heeft ook opdracht gegeven aan een derde (Seacon) om de werkplaatstekeningen en snijfiles op te stellen (zie ook rechtsoverweging 3.9 van het bestreden vonnis). Zonder nadere toelichting die ontbreekt, ziet het hof niet in hoe het (gestelde) gebruik van die stukken door Pattje , jegens Veka onrechtmatig is. 15.
  88. Ook onderbouwt Veka niet dat Veka een eigen bouwwijze voor de bouw van duwbakken ontwikkeld heeft, laat staan dat Pattje daarvan gebruik zou hebben gemaakt. Dat betekent dat de vorderingen van Veka op Pattje ook niet op deze grond toewijsbaar zijn. 15.
  89. In het kader van haar onderbouwing van de vordering gebaseerd op artikel 843a Rv, stelt Veka dat Pattje c.s. onrechtmatig jegens haar handelt doordat Pattje c.s. exclusief voor Veka duwbakken zou bouwen, en – zo begrijpt het hof – dat niet gedaan heeft. Het hof is van oordeel dat Veka onvoldoende onderbouwt dat en waarop op dit punt sprake is van onrechtmatig handelen van Pattje of Shipyard, mede gelet op het afwijzen van de vordering uit hoofde van het exclusiviteitsbeding en het tijdsverloop tussen het laatste contact tussen Pattje en Veka (op 12 februari 2020, zie 14.10 hiervoor) en het sluiten van de overeenkomst tussen [XXX] en Pattje (op 26 november 2020). Conclusie in principaal hoger beroep 15.
  90. Doordat de grieven 1,4, 5 en 6 van Pattje slagen, zal het bestreden vonnis worden vernietigd en dient het hof, opnieuw recht doende, de vorderingen van Veka tegen Pattje alsnog af te wijzen. De grieven 2 (over de feiten) en 3 (schadebeperking Veka) behoeven geen bespreking wegens gebrek aan belang. Dat geldt bij deze uitkomst ook voor het verweer van Pattje c.s. dat de mantelovereenkomst nietig of vernietigbaar zou zijn. 15.
  91. In hoger beroep vordert Pattje c.s. ook dat de vordering “in conventie” wordt toegewezen. Het hof begrijpt dat Pattje c.s. bedoelt dat haar vordering in reconventie in eerste aanleg alsnog toegewezen zou moeten worden. Een concrete grief tegen de afwijzing van haar vorderingen, die zien op schadevergoeding wegens gederfde winst en opheffing van de conservatoire beslagen, heeft zij echter niet geformuleerd. De afwijzing van de vordering in reconventie in eerste aanleg, is daarom niet kenbaar – ook niet voor Veka – met een grief bestreden en Pattje c.s. is op dit punt niet ontvankelijk in haar vordering in hoger beroep. Dat betekent dat de afwijzing van haar vordering in reconventie en de proceskosten veroordeling in stand blijven: het hof zal dat deel van het vonnis in eerste aanleg bekrachtigen. In het incidenteel hoger beroep 843a-vordering 15.
  92. Op grond van artikel 843a lid 1 Rv kan een partij die daarbij rechtmatig belang heeft op zijn kosten inzage, afschrift of uittreksel vorderen van bepaalde bescheiden aangaande een rechtsbetrekking waarin zij partij is, van degene die de bescheiden te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft. Op deze grondslag vordert Veka dat Pattje c.s. wordt veroordeeld “toe te staan en te gedogen dat de deurwaarder die het bewijsbeslag heeft gelegd enlof DigiJuris B.V. aan Eiseres inzage en afschrift verstrekt van de relevante bescheiden”. 15.
  93. De rechtbank heeft die vordering van Veka afgewezen. Het (incidenteel) hoger beroep daartegen slaagt niet. Aan Veka is verlof verleend bewijsbeslag te leggen op bescheiden die zien op overeenkomsten met [persoon A] over de bouw van duwbakken. Omdat de vorderingen van Veka die zien op het bouwen van duwbakken voor [XXX] door Pattje c.s. worden afgewezen, bestaat er op dat punt geen rechtsbetrekking waarbij Veka partij is. 15.
  94. Voor zover het verlof is gelegd op (email)correspondentie en gespreksverslagen of aantekeningen die zien op het bouwen van duwbakken voor [XXX] door Pattje c.s. , gaat het ook niet om “bepaalde bescheiden” zoals artikel 843a Rv vereist. Het gaat hier om een fishing expedition waarvoor artikel 843a Rv geen wettelijke grondslag biedt. Eisvermeerdering 15.
  95. Als oorspronkelijk eiseres is Veka bevoegd haar eis te vermeerderen in hoger beroep. De vermeerdering van eis ziet op de hoogte van de schadevergoeding, de proceskosten veroordeling in het 843a Rv incident en de beslagkosten. Het hof ziet geen grond om die eisvermeerdering buiten beschouwing te laten. Het hof zal daarom op de vermeerderde eis beslissen. Uit de beslissing op de 843a Rv vordering en de beslissingen in het principaal hoger beroep volgt dat die vorderingen niet toewijsbaar zijn, zodat ook de vermeerderde eis niet toewijsbaar is. Conclusie en proceskosten in principaal en incidenteel hoger beroep 15.
  96. Het (principaal) hoger beroep van Pattje c.s. slaagt. Grieven 1, 4, 5 en 6 zijn terecht voorgesteld en het hof zal het bestreden vonnis vernietigen, voor zover in conventie de vorderingen van Veka zijn toegewezen. De afwijzing van de vordering in reconventie van Pattje c.s. wordt bekrachtigd. Het (incidenteel) hoger beroep van Veka slaagt niet. De art. 843a Rv vordering is niet toewijsbaar en het hof komt niet toe aan een beslissing over de hoogte van de gevorderde schadevergoeding. 15.
  97. Het hof komt in hoger beroep niet toe aan (nadere) bewijslevering, omdat beide partijen geen voldoende concrete feiten stellen die – indien bewezen – tot een andere beslissing zouden kunnen leiden. 15.
  98. Als de (overwegend) in het ongelijk te stellen partij zal het hof Veka in de kosten van het principaal en incidenteel hoger beroep veroordelen. Het hof zal Veka ook veroordelen in de kosten van de procedure in conventie in eerste aanleg. Pattje c.s. is in reconventie in het ongelijk gesteld en het hof zal daarom de veroordeling van Pattje c.s. in de kosten van de procedure in eerste aanleg in reconventie bekrachtigen. 15.
  99. De kosten voor de procedure in eerste aanleg in conventie aan de zijde van Pattje c.s. worden vastgesteld op: - griffierecht € 8.519,00 - salaris advocaat € 7.998,00 (2 punten × tarief VIII(oud)) - salaris advocaat (incident 843a) € 563,00 (1 punt × tarief II(oud)) - totaal: € 17.080,00 15.
  100. De kosten voor de procedure in (principaal) hoger beroep aan de zijde van Pattje c.s. worden vastgesteld op: - explootkosten € 104,02 - griffierecht € 11.379,00 - salaris advocaat € 9.325,50 (1,5 punten × appeltarief VIII) - nakosten € 178,00 (plus de verhoging zoals in de beslissing vermeld) - totaal: € 20.986,02 15.
  101. De kosten voor de procedure in incidenteel hoger beroep aan de zijde van Pattje c.s. worden vastgesteld op: - salaris advocaat € 4.662,75 (1,5 punten × appeltarief VIII × 0,5) 15.
  102. Het hof heeft in het tussenarrest van 16 mei 2023 de beslissing over de proceskosten in het incident (ex 351 Rv) aangehouden. Het hof is van oordeel dat Pattje c.s. als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het incident moet worden veroordeeld. De kosten voor de procedure in het incident in hoger beroep aan de zijde van Veka worden vastgesteld op: - salaris advocaat € 1.214,00 (1 punt × appeltarief II) - nakosten € 178,00 (plus de verhoging zoals in de beslissing vermeld) - totaal: € 1.392,00, 15.
  103. Als niet weersproken zal het hof ook de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten toewijzen zoals hierna vermeld. 16De uitspraak Het hof: in het principaal en incidenteel hoger beroep 16.
  104. vernietigt het bestreden vonnis van 11 januari 2023 van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, voor zover de vordering in conventie van Veka is toegewezen; 16.
  105. bekrachtigt het bestreden vonnis van 11 januari 2023 van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, voor zover de vordering in reconventie is afgewezen en Pattje Waterhuizen BV en Shipyard Waterhuizen BV zijn veroordeeld in de kosten van de procedure in reconventie; en opnieuw rechtdoende: 16.
  106. wijst de vorderingen van Veka af; 16.
  107. veroordeelt Pattje Waterhuizen BV en Shipyard Waterhuizen BV hoofdelijk in de kosten van het incident in hoger beroep vastgesteld op € 1.392,00 te betalen binnen veertien dagen na de datum van dit arrest en, als Pattje Waterhuizen BV en Shipyard Waterhuizen BV niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het arrest daarna wordt betekend, te vermeerderen met € 92,00 en de kosten van betekening; 16.
  108. veroordeelt Veka Shipbuilding WT BV in de kosten van beide instanties aan de zijde van Pattje Waterhuizen BV en Shipyard Waterhuizen BV in eerste aanleg vastgesteld op € 17.080,00 (in conventie), en in het hoger beroep vastgesteld op € 20.986,02 (in principaal hoger beroep) en € 4.662,75 (in incidenteel hoger beroep), te betalen binnen veertien dagen na de datum van dit arrest en, als Veka Shipbuilding WT BV niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het arrest daarna wordt betekend, te vermeerderen met € 92,00 en de kosten van betekening; 16.
  109. veroordeelt Veka Shipbuilding WT BV in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten (als bedoeld in 16.6) als deze proceskosten niet binnen veertien dagen na het verschuldigd worden daarvan zijn voldaan, 16.
  110. verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad, 16.
  111. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit arrest is gewezen door mrs. R.A. van der Pol, O.G.H. Milar en J.N. de Blécourt en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 29 juli
  112. griffier rolraadsheer

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.