← Nederland

ECLI:NL:GHSHE:2025:2132

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH Team familie- en jeugdrecht Uitspraak: 31 juli 2025 Zaaknummer: 200.348.655/01 Zaaknummer eerste aanleg: C/02/390649 FA RK 21-4788 in de zaak in hoger beroep van: [de vader] , wonende te [woonplaats] , verzoeker in hoger beroep, hierna te noemen: de vader, advocaat: mr. T.A.M. Drubbel, tegen [de moeder] , wonende te [woonplaats] , verweerster in hoger beroep, hierna te noemen: de moeder, advocaat: mr. G.A.P. Avontuur. Deze zaak gaat over de minderjarige: - [minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum]

  1. In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend: de Raad voor de Kinderbescherming, hierna te noemen: de raad. De zaak in het kort: Het verzoek van de vader om mede met de moeder te worden belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] heeft de rechtbank afgewezen. De vader komt hiertegen in hoger beroep. Ook is de vader het niet eens met de beslissing van de rechtbank over de omgangsregeling en de informatieregeling. 1Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda , van 3 september 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. 2Het geding in hoger beroep 2.
  2. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 28 november 2024, heeft de vader verzocht voormelde beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende hem alsnog te belasten met het ouderlijk gezag, alsnog een uitgebreidere omgangsregeling met [minderjarige] vast te stellen dan slechts één zondagochtend in de veertien dagen en voorts te bevestigen dat de moeder een schriftelijke informatieplicht heeft en daaraan zal moeten voldoen op straffe van dwangsommen. Kosten rechtens. 2.
  3. Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 20 februari 2025, heeft de moeder verzocht het hoger beroep van de vader ongegrond te verklaren en de bestreden beschikking te bekrachtigen. Kosten rechtens. 2.
  4. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 12 juni
  5. Bij die gelegenheid zijn gehoord: de vader, bijgestaan door mr. Drubbel; de moeder, bijgestaan door mr. Avontuur; de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad]. 2.
  6. Het hof heeft verder kennisgenomen van de inhoud van: het V6-formulier van mr. Drubbel van 9 januari 2025 met als bijlage het (ontbrekende deel van het) procesdossier in eerste aanleg; de tijdens de mondelinge behandeling door mr. Drubbel overgelegde spreekaantekeningen. 3De beoordeling 3.
  7. Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. Uit de relatie van partijen is de minderjarige [minderjarige] geboren. De vader heeft [minderjarige] erkend. De moeder oefent van rechtswege het gezag over [minderjarige] uit. [minderjarige] heeft zijn hoofdverblijf bij de moeder. 3.
  8. Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank het verzoek van de vader om hem mede te belasten met het ouderlijk gezag afgewezen. De rechtbank heeft – uitvoerbaar bij voorraad – bepaald dat de vader en [minderjarige] één zondagochtend per veertien dagen omgang hebben met elkaar. Ook heeft de rechtbank een informatieregeling vastgesteld, inhoudende dat de moeder de vader één keer per maand schriftelijk informeert over belangrijke gebeurtenissen met betrekking tot [minderjarige]. Het meer of anders verzochte is afgewezen. 3.
  9. De vader kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen. 3.
  10. De vader voert – samengevat – het volgende aan. Het wettelijk uitgangspunt is gezamenlijk gezag, tenzij er zwaarwegende redenen zijn om hiervan af te zien. In het raadsrapport van 30 augustus 2023 heeft de raad enkel aangegeven bezorgd te zijn dat [minderjarige] bij gezamenlijk gezag klem of verloren zal raken tussen de ouders. Het “bezorgd zijn” is geen zwaarwegende reden om af te wijken van het wettelijk uitgangspunt. Er is geen sprake van een gebrekkige communicatie tussen de ouders. Ook is de vader belast met het ouderlijk gezag over de halfbroer van [minderjarige] ([halfbroer]) en heeft hij aangetoond dat hij op een verantwoordelijke manier met het gezag kan omgaan. Het belang van [minderjarige] bij de hechting aan zijn vader (en aan zijn halfbroer [halfbroer]) brengt mee dat er een ruimere omgangsregeling moet zijn dan één zondagochtend per veertien dagen. De vader werkt in de maritieme branche en is soms wekenlang van huis. Zijn werk is onvoorspelbaar, maar hij had deze baan al ten tijde van de relatie van partijen. Met deze baan draagt hij bij in de kosten van [minderjarige]. Binnen de beperkingen die zijn baan meebrengen, stelt de vader zich soepel op. Hij is altijd bereid om de zorg voor [minderjarige] ad hoc op zich te nemen, maar de moeder laat liever een oppas komen. Hij vraagt niet uit zichzelf aan de moeder of hij [minderjarige] extra kan zien, want hij kent het schema van de moeder en van [minderjarige] niet. De moeder komt verder de informatieregeling nauwelijks tot niet na. De vader weet niet naar welke basisschool [minderjarige] gaat, hoe zijn juf op school heet of naar welke huisarts [minderjarige] gaat. In de bestreden beschikking is opgenomen dat de moeder hierover informatie moet verstrekken aan de vader, maar hier houdt zij zich niet aan. De vader heeft uit eigen beweging niet naar deze informatie gevraagd, want in de bestreden beschikking staat dat de moeder deze informatie moet verstrekken. Omdat de moeder haar verplichtingen niet nakomt, heeft de vader verzocht om hieraan dwangsommen te verbinden. 3.
  11. De moeder voert – samengevat – het volgende aan. Het verzoek van de vader tot gezamenlijk gezag is door de rechtbank afgewezen, omdat dit anderszins in het belang van [minderjarige] is vanwege een gebrek aan betrokkenheid van de vader bij [minderjarige]. De rechtbank heeft vastgesteld dat het werk van de vader en andere vormen van tijdsbesteding de hoogste prioriteit hebben. De houding van de vader is na de bestreden beschikking niet veranderd. De vader is in verband met zijn werk regelmatig voor langere periodes in het buitenland en kan dan geen invulling geven aan een omgangsregeling. Als de vader thuis is, kan er volgens hem een ruime weekendregeling plaatsvinden. Dit werkt voor [minderjarige] echter niet. [minderjarige] is nog jong en een frequent (kort) contact is geïndiceerd. Dat er langdurig geen contact is helpt niet mee bij het opbouwen van een band met een jong kind. Er is door de rechtbank een minimale omgangsregeling vastgesteld, omdat de vader een uitgebreidere structurele regeling niet kan nakomen. De minimale omgangsregeling kan in overleg worden uitgebreid met extra omgangsmomenten wanneer de vader beschikbaar is. De moeder verwacht van de vader niet dat hij zijn baan opzegt, maar zij verwacht wel dat hij zijn beschikbare tijd aan [minderjarige] wil besteden. De moeder staat achter een uitbreiding van het contact tussen [minderjarige] en de vader, maar de vader neemt hiertoe geen initiatief. De moeder heeft bijvoorbeeld aangegeven dat [minderjarige] op zondag langer bij de vader kan blijven omdat hij geen middagdutje meer doet, maar daar maakt de vader geen gebruik van. Tijdens de kerstvakantie - naar achteraf bleek - was de vader vrij, maar heeft hij de moeder niet gevraagd om extra omgang met [minderjarige]. Ook heeft hij zijn plannen voor de komende zomervakantie nog niet aan haar doorgegeven. De moeder voldoet wel degelijk aan haar informatieplicht. Zij heeft een map gemaakt, waarin zij het wel en weer van [minderjarige] beschrijft, met foto’s en knutselwerkjes van school. Deze map gaat eens per maand met [minderjarige] mee naar de vader. De vader heeft de moeder niet verzocht om meer informatie en geeft haar geen terugkoppeling over zijn omgang met [minderjarige]. 3.
  12. De raad adviseert het hof de bestreden beschikking in stand te laten. De raad ziet op dit moment te veel risico’s bij gezamenlijk gezag. De vader moet meer betrokkenheid tonen bij [minderjarige] en meer initiatief nemen. Er is door de raad destijds een uitgebreidere omgangsregeling van [minderjarige] met de vader geadviseerd, maar tijdens de mondelinge behandeling bij de rechtbank kwamen er allerlei praktische problemen aan de zijde van de vader aan de orde. Daarom is er door de rechtbank een minimale omgangsregeling vastgesteld, die door de ouders in onderling overleg kan worden uitgebreid. [minderjarige] is nog jong en heeft nimmer in gezinsverband samengewoond. Het contact moet worden opgebouwd, zeker als er - bijvoorbeeld door het werk van de vader - een langere periode geen contact is geweest. 3.
  13. Het hof overweegt het volgende. Gezag 3.7.
  14. In artikel 1:253c lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is bepaald dat de tot het gezag bevoegde ouder van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder uit wie het kind is geboren heeft uitgeoefend, de rechter kan verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag over het kind te belasten. Indien de andere ouder niet met het verzoek instemt, wordt het verzoek ingevolge artikel 1:253c lid 2 BW slechts afgewezen indien: er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is. 3.7.
  15. Het hof is evenals de rechtbank en op dezelfde gronden als de rechtbank, die het hof na eigen onderzoek en weging overneemt en tot de zijne maakt, van oordeel dat het anderszins in het belang van [minderjarige] noodzakelijk is dat het verzoek van de vader tot gezamenlijk gezag wordt afgewezen. In het raadsrapport van 30 augustus 2023 heeft de raad geadviseerd het verzoek van de vader tot gezamenlijk gezag af te wijzen. Door de raad is beschreven dat de vader in de afgelopen jaren weinig initiatief heeft genomen om betrokkenheid te tonen in het leven van [minderjarige], buiten de omgangsmomenten om. De vader is bijvoorbeeld niet bij het kinderdagverblijf van [minderjarige] gaan kijken en stelt uit zichzelf geen alternatief voor wanneer een omgangsmoment geen doorgang kan hebben. Er moet volgens de raad eerst gewerkt worden aan een uitbreiding van het contact en er moet duidelijkheid worden verkregen hoe de betrokkenheid van de vader er uitziet, alvorens er sprake kan zijn van gezamenlijk gezag. Het hof stelt vast dat de situatie sindsdien niet is veranderd. De vader spreekt de wens uit om [minderjarige] meer te zien, maar onderneemt daartoe geen concrete stappen. Hij stelt uit zichzelf geen concrete momenten voor waarop hij [minderjarige] (extra) kan zien, hij geeft uit zichzelf niet bij de moeder aan wanneer hij (extra) beschikbaar is voor [minderjarige] en hij neemt geen initiatief om betrokken te raken bij de school en/of buitenschoolse opvang. Het hof is van oordeel dat de vader ook na de bestreden beschikking weinig tot geen initiatief heeft genomen om zijn betrokkenheid bij [minderjarige] te vergroten, terwijl betrokkenheid en interesse nodig is om gezagsbeslissingen te kunnen nemen. Het voorgaande leidt ertoe dat het verzoek van de vader in hoger beroep met betrekking tot het gezag wordt afgewezen. Omgang 3.7.
  16. In artikel 1:377a, lid 1 BW is bepaald dat het kind recht heeft op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. De niet met het gezag belaste ouder heeft het recht op en de verplichting tot omgang met zijn kind. Ingevolge het tweede lid van deze bepaling stelt de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast dan wel ontzegt, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang. 3.7.
  17. In de bestreden beschikking heeft de rechtbank overwogen dat er uitgebreid met alle betrokkenen is gesproken over een omgangsregeling. Er is afgesproken dat er een minimale regeling wordt vastgesteld die de vader kan nakomen, zodat [minderjarige] en de moeder weten waar zij aan toe zijn en dat partijen het voor de rest aanzien. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep is door de moeder benadrukt dat zij achter een uitbreiding van het contact tussen [minderjarige] en de vader staat, maar dat het door de vader zelf komt dat het contact beperkt blijft. In hoger beroep verzoekt de vader een uitgebreidere omgangsregeling, maar hij doet daartoe geen concreet voorstel. Ook tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep laat de vader na om met een concreet voorstel te komen. Het hof is van oordeel dat het door de vader gedane verzoek in hoger beroep te onbepaald is en reeds hierom niet op het verzoek kan worden beslist. Het hof ziet daarom aanleiding het verzoek in hoger beroep af te wijzen. Het voorgaande laat overigens onverlet dat het hof hoopt dat het de ouders lukt om – in het belang van [minderjarige] – in overleg te blijven over het uitbreiden van het contact tussen [minderjarige] en de vader daar waar mogelijk. Dwangsommen 3.7.
  18. De vader stelt dat de vrouw tot op heden niet aan haar verplichtingen uit de beschikking heeft voldaan. Niet ten aanzien van de informatieplicht, maar ook niet of nauwelijks aan de omgangsregeling, zoals in de bestreden beschikking is bepaald. 3.7.
  19. Het hof wijst het verzoek van de vader dat naar het hof begrijpt ziet op zowel de omgangsregeling als de informatieregeling af. Nog daargelaten dat hij in zijn verzoek geen concreet bedrag en ook geen maximumbedrag heeft opgenomen is het hof niet gebleken dat de moeder niet voldoet aan de omgangsregeling en/of informatieregeling. Het hof verwijst voor wat betreft de omgang naar rechtsoverweging 3.7.
  20. Ter zake van de informatieregeling geldt dat de moeder onweersproken naar voren heeft gebracht dat zij [minderjarige] elke maand een map meegeeft met informatie, foto’s en knutselwerkjes. Wanneer de vader specifieke informatie mist, kan hij de moeder daarnaar vragen. Niet gebleken is dat de moeder informatie voor de vader achterhoudt. Zij heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep benadrukt dat zij te allen tijde bereid is om meer (specifieke) informatie over [minderjarige] te verschaffen aan de vader. 3.
  21. Op grond van het vorenstaande zal het hof de beschikking waarvan beroep bekrachtigen. 3.
  22. Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, omdat partijen een relatie hebben gehad. 4De beslissing Het hof: bekrachtigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda , van 3 september 2024; verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, team familie- en jeugdrecht, ter attentie van het centraal gezagsregister; compenseert de proceskosten in hoger beroep, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt; wijst af het meer of anders verzochte. Deze beschikking is gegeven door mrs. G.M. Goes, C.M.J. Peters en M.A. Ossentjuk en is op 31 juli 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.