← Nederland

ECLI:NL:GHSHE:2025:2133

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team familie- en jeugdrecht zaaknummer : 200.350.281/01 zaaknummer rechtbank : C/02/423091 FA RK 24-2553 beschikking van de meervoudige kamer van 31 juli 2025 inzake [de man], wonende op een voor het hof bekend adres, verzoeker in het principaal hoger beroep, verweerder in het incidenteel hoger beroep, hierna te noemen: de man, advocaat mr. A.M.C.J. Dekkers-de Jong te Tilburg, tegen [de vrouw], wonende te [woonplaats], verweerster in het principaal hoger beroep, verzoekster in het incidenteel hoger beroep, hierna te noemen: de vrouw, advocaat mr. M.P.J. Brouwers te Tilburg. 1Het verloop van het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 15 november 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. 2Het geding in het principaal en het incidenteel hoger beroep 2.

  1. De man is op 20 januari 2025 in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking van 15 november
  2. 2.
  3. De vrouw heeft op 5 maart 2025 een verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep ingediend. 2.
  4. De man heeft op 9 april 2025 een verweerschrift op het incidenteel hoger beroep ingediend. 2.
  5. Bij het hof zijn verder de volgende stukken ingekomen: het V8-formulier van mr. Dekkers-de Jong van 22 mei 2025, met als bijlage het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij de rechtbank op 8 november 2024; het V6-formulier van mr. Dekkers-de Jong van 27 mei 2025 met producties 5 en 6; het V6-formulier van mr. Brouwers van 28 mei 2025 met producties 2-4; het V6-formulier van mr. Dekkers-de Jong van 2 juni 2025 met productie
  6. 2.
  7. De mondelinge behandeling heeft op 12 juni 2025 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. 3De feiten 3.
  8. Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast. 3.
  9. Partijen hebben van 2011 tot en met 2014 een relatie met elkaar gehad. 3.
  10. Partijen zijn de ouders van de minderjarige: - [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2013 te [geboorteplaats]. 3.
  11. De man heeft [minderjarige] erkend. Partijen hebben gezamenlijk het ouderlijk gezag. [minderjarige] heeft zijn hoofdverblijf bij de vrouw. 4De omvang van het geschil in het principaal en het incidenteel hoger beroep 4.
  12. Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking van 15 november 2024 is, voor zover in hoger beroep van belang, een door de vrouw aan de man te betalen kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige] bepaald van € 39,- per maand, met ingang van de datum van de beschikking. De rechtbank heeft het meer of anders verzochte wat betreft de kinderalimentatie afgewezen. 4.
  13. In het beroepschrift verzoekt de man in het principaal hoger beroep voormelde beschikking te vernietigen en de door de vrouw aan hem te betalen kinderalimentatie voor [minderjarige] vast te stellen op € 137,- per maand met ingang van 5 juni 2024, dan wel een door het hof te bepalen hoger bedrag dan het door de rechtbank vastgestelde bedrag. 4.
  14. De vrouw verzoekt in het principaal hoger beroep de verzoeken van de man af te wijzen. 4.
  15. In het incidenteel hoger beroep verzoekt de vrouw voormelde beschikking te vernietigen en de door haar aan de man te betalen kinderalimentatie voor [minderjarige] vast te stellen op nihil, dan wel een door het hof te bepalen lager bedrag dan het door de rechtbank vastgestelde bedrag. 4.
  16. De man verzoekt in het incidenteel hoger beroep de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar grieven, dan wel haar grieven af te wijzen. De man heeft in het verweerschrift op het incidenteel hoger beroep zijn verzoek in het principaal hoger beroep vermeerderd en verzoekt de door de vrouw aan hem te betalen kinderalimentatie voor [minderjarige] vast te stellen op € 262,50 per maand dan wel een door het hof in redelijkheid vast te stellen kinderalimentatie.
  17. De motivering van de beslissing in het principaal en het incidenteel hoger beroep 5.
  18. Het hof zal de grieven in principaal en incidenteel hoger beroep per onderwerp bespreken. 5.
  19. Het hof heeft, voor zover hierna bedragen zijn genoemd, deze telkens afgerond, tenzij anders vermeld. Behoefte 5.
  20. De vrouw voert in incidenteel hoger beroep aan dat voor het berekenen van de behoefte van [minderjarige] moet worden uitgegaan van de gegevens over
  21. De vrouw berekent de behoefte van [minderjarige] in 2014 op € 334,- per maand en (geïndexeerd) op € 425,- per maand in
  22. De man voert hiertegen verweer. 5.
  23. Het hof overweegt als volgt. 5.4.
  24. Tussen partijen is niet in geschil dat voor de vaststelling van de behoefte van [minderjarige] in beginsel moet worden uitgegaan van peiljaar
  25. Omdat de rechtbank niet beschikte over financiële gegevens over het jaar 2014 en wel over de gegevens over het jaar 2015, is de rechtbank in de bestreden beschikking uitgegaan van een netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) van partijen in 2015 van € 2.483,- per maand. 5.4.
  26. In hoger beroep heeft de vrouw haar inkomen over 2014 onderbouwd met een door haar opgevraagde ‘verklaring geregistreerd inkomen 2014’ van de belastingdienst. De vrouw becijfert haar netto besteedbaar inkomen (NBI), uitgaande van een uitkering op grond van de Participatiewet van € 16.545,- per jaar, op € 1.057,- per maand. Het kindgebondenbudget bedroeg volgens de vrouw in 2014 € 318,- per maand. Aan de zijde van man gaat de vrouw uit van een bijstandsuitkering op basis van de alleenstaande norm van € 948,- per maand (tot juli 2014) en € 952,- per maand (vanaf juli 2014). Het NBI van de man is alsdan € 940,- per maand. Dit inkomen is volgens de man niet juist, maar hij laat na zijn standpunt concreet te onderbouwen. Tussen partijen is niet in geschil dat de man zowel in 2014 als in 2015 een uitkering op grond van de Participatiewet genoot. In het verweerschrift in hoger beroep stelt de vrouw voor dat de man – indien hij het inkomen betwist – eveneens een ‘verklaring geregistreerd inkomen 2014’ bij de belastingdienst opvraagt. Dit heeft de man niet gedaan. Naar het oordeel van het hof heeft de man de berekening van de vrouw onvoldoende weersproken, zodat het hof hiervan uitgaat. Het hof is niet gebleken dat de berekening van de vrouw niet juist is. Het hof stelt de behoefte van [minderjarige] overeenkomstig de berekening van de vrouw vast op € 334,- per maand in 2014, geïndexeerd € 425,- per maand in
  27. Draagkracht vrouw 5.
  28. De vrouw werkt als verzorgende IG (contract 24 uur per week) en heeft in hoger beroep haar jaaropgave over 2024 overgelegd, waaruit een inkomen volgt van € 27.627,- bruto per jaar. Rekening houdende met de algemene heffingskorting, de arbeidskorting, de inkomensafhankelijke combinatiekorting en een kindgebondenbudget van € 5.862,- per jaar, heeft de vrouw heeft een draagkracht van € 479,- per maand. De berekening van de draagkracht van de vrouw is aangehecht. Draagkracht man 5.
  29. De vrouw voert in incidenteel hoger beroep aan dat de man niet heeft aangetoond dat hij arbeidsongeschikt is en niet in staat is om meer uren te werken. De man verwijst tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep naar rapportages van het UWV waaruit zou blijken dat hij niet meer kan werken dan 20 uur per week, maar deze stukken zijn (wederom) niet overgelegd. De vrouw verdenkt de man ervan ook zwart te werken. Er is door de man niet met objectieve gegevens onderbouwd dat hij niet in staat is om meer inkomen te genereren. Bij de bepaling van de draagkracht van de man moet daarom rekening worden gehouden met een verdiencapaciteit gelijk aan het wettelijk minimumloon voor 40 uur per week. 5.
  30. De man voert hiertegen verweer. De man betwist dat er sprake was/is van zwarte inkomsten. Hij heeft een gesubsidieerde baan en door het UWV is vastgesteld dat de man als gevolg van knieklachten niet meer dan 20 uur per week kan werken. De man werkt vier uur per dag, vijf dagen per week, als stratenmaker via een detacheringsbureau. Op de dagen dat [minderjarige] bij hem is, kan hij [minderjarige] naar school brengen en ophalen. De man werkt dan tijdens de schooltijd. De man wijst erop dat de vrouw ook niet fulltime werkt. 5.
  31. Het hof overweegt als volgt. 5.8.
  32. Niet in geschil is dat de man sinds 2024 20 uur per week bij het bestratingsbedrijf van zijn broer werkt via detacheringsbureau [detacheringsbureau]. Tot die tijd ontving de man een uitkering op grond van de Participatiewet. Volgens de man is door het UWV vastgesteld dat hij als gevolg van knieklachten niet meer dan 20 uur per week kan werken, maar hiervan zijn geen stukken overgelegd. Het ligt op de weg van de man om met stukken aan te tonen wat zijn medische situatie is én wat de invloed hiervan is op zijn verdiencapaciteit. Ondanks het incidenteel hoger beroep van de vrouw met betrekking tot zijn draagkracht, heeft de man geen medische gegevens en geen gegevens van het UWV aangaande zijn mate van arbeidsongeschiktheid overgelegd. Op de man rust een inspanningsverplichting en bij de bepaling van de draagkracht wordt niet alleen gekeken naar het inkomen dat iemand daadwerkelijk verwerft, maar daarbij kan ook rekening worden gehouden met het inkomen dat hij geacht kan worden redelijkerwijs te verwerven. Het hof is van oordeel dat de man niet met verifieerbare stukken heeft aangetoond dat hij niet meer inkomen kan generen, zodat het hof het redelijk acht om bij de man uit te gaan van een verdiencapaciteit. Het hof is alles afwegende van oordeel dat het in deze situatie, waarbij beide partijen de gelijke zorg dragen (co-ouderschap) voor [minderjarige], redelijk is om de werksituatie van de man gelijk te trekken met die van de moeder en aan de zijde van de man uit te gaan van een werkweek van 24 uur. 5.8.
  33. Over 2025 heeft de man als productie 4 en 7 een aantal loonstroken over de periodes 1, 3, 4 en 5 overgelegd. Hieruit volgt dat de man het volgende bruto inkomen heeft genoten: - periode 1: € 1.206; - periode 3: € 1.321; - periode 4: € 1.321; - periode 5: € 1.422 (excl. uitbetaald vakantiegeld). Over deze vier perioden heeft de man een gemiddeld inkomen gehad van € 1.318,-. Dit is het loon per vier weken; dit correspondeert met een maandbedrag van € 1.428,-. Vermeerderd met de vakantietoeslag bedraagt het inkomen van de man in 2025 gemiddeld € 1.542,- bruto per maand, zijnde € 18.504,- bruto per jaar. Dit is het inkomen op basis van 20 uur per week. Uitgaande van een werkweek van 24 uur leidt dit tot inkomen van € 22.205,- bruto per jaar. Het NBI van de man bedraagt € 1.808,- per maand en de draagkracht € 25,- per maand. De berekening van de draagkracht van de man is aangehecht. Zorgkorting 5.
  34. Er is geen grief gericht tegen de toegepaste zorgkorting van 35%. Gelet op de behoefte van [minderjarige] van € 425,- per maand, bedraagt de zorgkorting € 149,- per maand. Verblijfsoverstijgende kosten 5.
  35. De man voert aan dat hij bepaalde verblijfsoverstijgende kosten voor [minderjarige] vanuit de kinderalimentatie wil kunnen voldoen, zodat het door de vrouw te betalen bedrag moet worden verhoogd met de helft van de verblijfsoverstijgende kosten. [minderjarige] neemt geen kleren mee als hij bij de man verblijft. Ook voelt de man zich genoodzaakt om nieuwe voetbalschoenen voor [minderjarige] aan te schaffen en met hem naar de kapper te gaan, omdat de vrouw dat niet doet. 5.
  36. De vrouw voert hiertegen verweer. [minderjarige] heeft zijn hoofdverblijf bij de vrouw en zij voldoet daarom de verblijfsoverstijgende kosten. Het is niet nodig dat de man kleding koopt voor [minderjarige], maar hij vindt de kleding die de vrouw voor [minderjarige] koopt niet goed genoeg. Als beide ouders verantwoordelijk worden voor de verblijfsoverstijgende kosten, vreest de vrouw dat er meer ruzie wordt gemaakt over welke uitgaven wel (hadden) mogen worden gedaan en welke uitgaven niet. Dit is niet in het belang van [minderjarige]. 5.
  37. Het hof is, alles overziende, van oordeel dat het in het belang is van [minderjarige] dat de ouder op wiens adres het kind staat ingeschreven, de verblijfsoverstijgende kosten voldoet. Dit betekent dat de vrouw de verblijfsoverstijgende kosten voldoet. Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling in hoger blijkt dat de ouders nu al discussiëren over welke kleding er gekocht moet worden of wanneer [minderjarige] naar de kapper gaat. Partijen zitten niet op één lijn voor wat betreft de verblijfsoverstijgende kosten en uitgaven. Het hof schat in dat partijen op dit moment niet in staat zijn om hierover goede afspraken met elkaar te maken en de strijd tussen de ouders hierover acht het hof niet in het belang [minderjarige]. Verdeling van de kosten van [minderjarige] 5.
  38. De verdeling van de kosten van de kinderen over de onderhoudsplichtigen wordt berekend volgens de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte van de kinderen, oftewel: het aandeel van de man bedraagt: € 25,- / € 504,- x € 425,- = € 21,- het aandeel van de vrouw bedraagt: € 479,- / € 504,- x € 425,- = € 404,- 5.
  39. Zoals het hof hiervoor heeft overwogen, voldoet de vrouw de verblijfsoverstijgende kosten. De zorgkosten voor de man zijn gelijk aan het bedrag van de berekende zorgkorting en bedragen € 149,- per maand. De man komt een bedrag van € 128,- per maand tekort aan draagkracht om in de zorgkosten van [minderjarige] te voorzien (€ 149,- minus € 21,-). 5.
  40. De vrouw neemt naast de zorgkosten (35%) ook de verblijfsoverstijgende kosten (30%) van [minderjarige] voor haar rekening. Dit bedraagt in totaal € 276,- per maand (65% van € 425,-). De vrouw heeft nog een bedrag van € 128,- per maand aan draagkracht beschikbaar (€ 404,- minus € 276,-). De vrouw kan daarom bijdragen aan het tekort van de man om in de zorgkosten van [minderjarige] te voorzien. Ingangsdatum: 5.
  41. De man kan zich niet verenigen met de door de rechtbank gehanteerde ingangsdatum, te weten de datum van de beschikking. Partijen hebben tot de ingangsdatum gezamenlijk de kosten voor [minderjarige] voor hun rekening genomen, wat betekent dat de man – gelet op het verschil in draagkracht – teveel heeft betaald. De man voert aan dat als ingangsdatum moet worden aangehouden de datum van indiening van het verzoekschrift bij de rechtbank, te weten 5 juni
  42. 5.
  43. De vrouw voert hiertegen verweer. De stelling van de man dat hij teveel heeft bijgedragen in de kosten van [minderjarige] tot aan de ingangsdatum van de kinderalimentatie, is door hem niet nader onderbouwd. Ook brengt het wijzigen van de ingangsdatum de vrouw in financiële problemen en verslechtert het de verstandhouding tussen partijen, hetgeen niet in het in belang is van [minderjarige]. 5.
  44. Het hof overweegt als volgt. 5.18.
  45. Artikel 1:402 van het Burgerlijk Wetboek laat de rechter grote vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van de alimentatieverplichting. Drie data liggen als ingangsdatum het meest voor de hand: de datum waarop de omstandigheden zijn ingetreden die voor de onderhoudsverplichting bepalend zijn, de datum van het inleidend processtuk en de datum waarop de rechter beslist. 5.18.
  46. Het hof gaat evenals de rechtbank uit van de datum van de (bestreden) beschikking, te weten 15 november
  47. Het hof ziet in hetgeen door de man is aangevoerd onvoldoende reden om hiervan af te wijken. Tussen partijen is niet in geschil dat de kosten van [minderjarige] tot dat moment door beide partijen voor hun rekening zijn genomen. Niet gebleken is dat één van partijen daarvoor een schuld of lening heeft moeten aangaan. Er is discussie tussen partijen over welke uitgaven wel hadden mogen worden gedaan en welke uitgaven niet en hoe deze kosten hadden moeten worden gedeeld, maar een eerdere ingangsdatum van de kinderalimentatie biedt hiervoor geen eenduidige oplossing. De grief van de man slaagt niet. 6De slotsom in het principaal en het incidenteel hoger beroep Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikking voor wat betreft de kinderalimentatie vernietigen en beslissen als volgt. Het hof heeft berekeningen van de draagkracht van de man en de vrouw gemaakt. Een gewaarmerkt exemplaar van deze berekeningen is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit. 7De beslissing Het hof: vernietigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 15 november 2024, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en in zoverre opnieuw beschikkende: bepaalt dat de vrouw aan de man met ingang van 15 november 2024 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] € 128,- per maand zal betalen, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen; verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad; bekrachtigt de beschikking van de rechtbank voor het overige; wijst af het meer of anders verzochte. Deze beschikking is gegeven door mrs. C.M.J. Peters, G.M. Goes en M.A. Ossentjuk en is op 31 juli 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.