← Nederland

ECLI:NL:GHSHE:2025:2134

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team familie- en jeugdrecht zaaknummers : 200.351.096/01, 200.351.097/01 en 200.351.148/01 zaaknummer rechtbank : C/03/321554 / FA RK 23-3241 beschikking van de meervoudige kamer van 31 juli 2025 in de zaken in hoger beroep met zaaknummers 200.351.096/01 en 200.351.097/01 van: [de man] , wonende te [woonplaats] , verzoeker in hoger beroep, hierna te noemen: de man, advocaat mr. P.H.A. de Boer te Rotterdam, tegen [de vrouw] , wonende te [woonplaats] , verweerster in hoger beroep, hierna te noemen: de vrouw, advocaat mr. R. Engwegen te Echt, alsmede in de zaak in hoger beroep met zaaknummer 200.351.148/01 van: [de vrouw] , wonende te [woonplaats] , verzoekster in het principaal hoger beroep, verweerster in het incidenteel hoger beroep, hierna te noemen: de vrouw, advocaat mr. R. Engwegen te Echt, tegen [de man] , wonende te [woonplaats] , verweerder in het principaal hoger beroep, verzoeker in het incidenteel hoger beroep, hierna te noemen: de man, advocaat mr. P.H.A. de Boer te Rotterdam. Deze zaken gaan over de minderjarigen: - [minderjarige 1] (hierna: [minderjarige 1] ), geboren op [geboortedatum] 2011 te [geboorteplaats] ; - [minderjarige 2] (hierna: [minderjarige 2] ), geboren op [geboortedatum] 2014 te [geboorteplaats] . In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is in alle procedures gekend: de Raad voor de Kinderbescherming, regio Limburg, locatie [locatie] , hierna te noemen: de raad. 1Het verloop van het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 8 november 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. 2Het geding in hoger beroep In de zaken met zaaknummers 200.351.096/01 en 200.351.097/01: 2.

  1. De man is op 7 februari 2025 in hoger beroep gekomen van voornoemde beschikking van 8 november
  2. 2.
  3. De vrouw heeft op 8 april 2025 een verweerschrift in hoger beroep ingediend. In de zaak met zaaknummer 200.351.148/01: 2.
  4. De vrouw is op 7 februari 2025 afzonderlijk in hoger beroep gekomen van voornoemde beschikking van 8 november
  5. 2.
  6. De man heeft op 8 april 2025 een verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep ingediend. 2.
  7. De vrouw heeft op 2 juni 2025 een verweerschrift op het incidenteel hoger beroep ingediend. Samenhang zaken 200.351.096/01, 200.351.097/01 en 200.351.148/01: 2.
  8. Gelet op de samenhang in de drie bovengenoemde zaken heeft het hof alle zaken tegelijkertijd behandeld en beslist. 2.
  9. De mondelinge behandeling van alle zaken heeft op 19 juni 2025 plaatsgevonden. Bij die gelegenheid zijn gehoord: de man, bijgestaan door mr. De Boer; de vrouw, bijgestaan door mr. Engwegen; de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] . 2.
  10. Het hof heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in de gelegenheid gesteld om hun mening kenbaar te maken met betrekking tot de verzoeken van partijen over de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en het verzoek van de vader over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling). 2.8.
  11. [minderjarige 1] heeft van die mogelijkheid geen gebruik gemaakt. 2.8.
  12. [minderjarige 2] heeft van die mogelijkheid gebruik gemaakt. De voorzitter van het hof heeft op 12 juni 2025 buiten aanwezigheid van partijen en de raad met [minderjarige 2] gesproken. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de voorzitter de inhoud van dit gesprek zakelijk weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren. 2.
  13. Partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling ermee ingestemd dat alle door hen in het geding gebrachte nadere stukken geacht worden in alle zaken te zijn ingediend. 2.9.
  14. Het hof heeft derhalve in alle zaken kennisgenomen van de inhoud van: - het V6-formulier met bijlagen ingediend door de advocaat van de vrouw op 4 juni
  15. 2.
  16. Op 9 juni 2025 is ter griffie van het hof een reactie van de advocaat van de man met producties ingekomen. De advocaat van de vrouw heeft tijdens de mondeling in hoger beroep hiertegen bezwaar gemaakt. Na een korte schorsing van de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft het hof beslist dat deze stukken worden toegelaten. Naar het oordeel van het hof is geen sprake van strijd met de twee-conclusieregel en is evenmin sprake van strijd met de goede procesorde. De advocaat van de vrouw is tijdens de mondelinge behandeling in de gelegenheid gesteld om op de reactie van de advocaat van de man en de stukken te reageren. 3De feiten 3.
  17. Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast. 3.
  18. Partijen zijn op 8 augustus 2018 te [plaats] met elkaar gehuwd. 3.
  19. Partijen hebben de Nederlandse nationaliteit. Uit het overgelegde Filipijnse paspoort van de vrouw leidt het hof af dat de vrouw tevens de Filipijnse nationaliteit heeft. 3.
  20. Partijen zijn de ouders van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . 4De omvang van het geschil De procedure in eerste aanleg 4.
  21. De man heeft de rechtbank verzocht om de echtscheiding tussen partijen uit te spreken. Hij heeft gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. 4.
  22. De vrouw heeft de door de man gestelde duurzame ontwrichting niet betwist. Zij heeft verzocht om het verzoek van de man toe te wijzen. 4.
  23. Beide partijen hebben de rechtbank verzocht om nevenvoorzieningen te treffen. 4.
  24. Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank, voor zover in hoger beroep van belang: de echtscheiding tussen partijen uitgesproken; bepaald dat [minderjarige 1] in de BRP moet worden ingeschreven op het woonadres van de vrouw; bepaald dat [minderjarige 2] in de BRP moet worden ingeschreven op het woonadres van de man; een zorgregeling vastgesteld, waarbij:  de kinderen de ene week vanaf vrijdag 19.00 uur (even weken) bij de vrouw verblijven en de andere week vanaf 19.00 uur (oneven weken) bij de man verblijven;  de zomervakantie bij helfte wordt gedeeld, in die zin, dat in de even jaren de kinderen de eerste helft bij de man zullen verblijven en de tweede helft bij de vrouw en in de oneven jaren andersom;  de kinderen in de even jaren kerstavond en eerste kerstdag bij de man verblijven, en tweede kerstdag en oud en nieuw bij de vrouw, en in de oneven jaren andersom, de tijden in goed onderling overleg door de ouders te bepalen; bepaald dat de man aan de vrouw met ingang van de datum van de bestreden beschikking (8 november 2024) een bedrag van € 282,- per maand voor [minderjarige 1] en een bedrag van € 80,- per maand voor [minderjarige 2] als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding (hierna ook: kinderalimentatie) dient te betalen; partijen bevolen om over te gaan tot verdeling van hun gemeenschap van goederen ten overstaan van een notaris; voor het geval partijen het binnen veertien dagen na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking over de keuze van een notaris niet eens zijn, mr. [notaris] , notaris te [kantoorplaats] , of diens waarnemer of opvolger, benoemd; bepaald dat wanneer de vrouw niet meewerkt aan de verdeling mr. [advocaat] , advocaat te [kantoorplaats] , als haar vertegenwoordiger zal optreden; het verzoek van de vrouw om vaststelling van een door de man aan haar te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud (hierna ook: partneralimentatie), afgewezen; de beslissingen omtrent de inschrijving in de BRP, de zorgregeling, de kinderalimentatie en de verdeling uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De procedure in hoger beroep 4.
  25. Partijen kunnen zich met genoemde beslissingen van de rechtbank niet verenigen en zij zijn hiervan afzonderlijk in hoger beroep gekomen. De man heeft tevens in het hoger beroep van de vrouw incidenteel hoger beroep ingesteld. In de zaken met zaaknummers 200.351.096/01, 200.351.097/01 en 200.351.148/01: 4.
  26. De (incidentele) grieven van partijen betreffen – zakelijk weergegeven – : de nietigheid van het huwelijk (grief 1 man); de verdeling van de gemeenschap van goederen (grief 2 man); de hoofdverblijfplaats van de kinderen (grief 3 man en grief 1 vrouw); de door de rechtbank vastgestelde zorgregeling (incidentele grief man); de door de rechtbank vastgestelde kinderalimentatie (grief 4 man en grief 2 en 3 vrouw); het door de rechtbank afgewezen verzoek tot vaststelling van partneralimentatie (grief 4 tot en met 6 vrouw); de proceskosten (grief 5 man). In de zaken met zaaknummers 200.351.096/01 en 200.351.097/01: 4.
  27. De man verzoekt in hoger beroep de bestreden beschikking gedeeltelijk te vernietigen, voor zover daarbij de echtscheiding is uitgesproken en voor zover daarbij is bepaald dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] bij de vrouw is en voor zover de man aan de vrouw ten behoeve van [minderjarige 1] kinderalimentatie dient te voldoen en voor zover het betreft de beslissingen onder 3.
  28. tot en met 3.
  29. in het dictum en, opnieuw rechtdoende: de man alsnog niet-ontvankelijk te verklaren in zijn inleidend verzoek, voor zover hij daarbij heeft verzocht om de echtscheiding uit te spreken en om de boedelverdeling heeft verzocht; de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] bij de man te bepalen; bij de mondelinge behandeling verzoekt de man subsidiair, indien het hof de zorgregeling niet zou wijzigen, de inschrijving van [minderjarige 1] in de BRP op zijn adres te bepalen; te bepalen dat de vrouw aan de man te behoeve van [minderjarige 1] een bedrag van € 300,33 per maand aan kinderalimentatie dient te voldoen; de overige beslissingen in de bestreden beschikking te bekrachtigen (behoudens de compensatie van de proceskosten); de vrouw te veroordelen in de proceskosten in beide instanties. 4.
  30. De vrouw concludeert in hoger beroep, bij beschikking, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de man in zijn hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, althans hem dit hoger beroep als ongegrond en onbewezen te ontzeggen. In zaaknummer 200.351.148/01: 4.
  31. De vrouw verzoekt in (het principaal) hoger beroep de bestreden beschikking gedeeltelijk te vernietigen, voor zover deze betrekking heeft op het inschrijfadres van de kinderen, de kinderalimentatie en de partneralimentatie en, opnieuw rechtdoende: (na wijziging van haar verzoek ter mondelinge behandeling) te bepalen dat beide kinderen op het adres van de vrouw in de BRP worden ingeschreven; de man te veroordelen om met ingang van 8 november 2024, althans met ingang van een datum die het hof juist acht, een bedrag van € 421,- per kind per maand aan kinderalimentatie te betalen, althans een bedrag van € 422,- per maand voor [minderjarige 1] en € 220,- per maand voor [minderjarige 2] , althans een bijdrage te bepalen die het hof juist acht; de man te veroordelen om met ingang van de datum van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand een bijdrage van € 629,- per maand, althans een bedrag dat het hof juist acht, aan partneralimentatie aan de vrouw te betalen. Kosten rechtens. 4.
  32. De man concludeert in (het principaal) hoger beroep de grieven van de vrouw af te wijzen en de bestreden beschikking in zoverre te bekrachtigen, behoudens voor zover de man daartegen geappelleerd heeft. 4.
  33. De man verzoekt in (het incidenteel) hoger beroep de bestreden beschikking voor wat betreft de beslissing onder 3.
  34. in het dictum te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, een zorgregeling vast te stellen waarbij de kinderen gedurende de week bij hem verblijven en om de andere week het weekend bij de vrouw verblijven. 4.
  35. De vrouw concludeert in (het incidenteel) hoger beroep bij beschikking, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de man in zijn incidenteel hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, althans hem dit hoger beroep als ongegrond en onbewezen te ontzeggen. Kosten rechtens. 5De motivering van de beslissing In alle zaken: 5.
  36. Het hof zal de grieven per onderwerp bespreken. Geldigheid huwelijk (grief 1 man), bevel tot verdeling (grief 2 man) en partneralimentatie (grief 4 tot en met 6 vrouw) en proceskostenveroordeling (grief 5 man) Rechtsmacht 5.
  37. Omdat beide echtgenoten hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben, heeft de Nederlandse rechter op grond van artikel 3 lid 1 sub a onder 1 Brussel II-ter rechtsmacht ter zake de echtscheiding en de eventuele nietigverklaring van het huwelijk. 5.
  38. Ingevolge artikel 4 lid 3 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) brengt rechtsmacht in de echtscheidingszaak ook rechtsmacht met betrekking tot het thans voorliggende verdelingsverzoek mee. 5.
  39. Omdat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het echtscheidings- verzoek, heeft hij op grond van artikel 3 sub c van de Alimentatieverordening (Verordening (EG) nr. 4/2009 Raad van 18 december 2008) tevens rechtsmacht met betrekking tot het alimentatieverzoek. Toepasselijk recht 5.
  40. . De rechtbank heeft Nederlands recht toegepast. Hiertegen hebben partijen geen grieven gericht. Ook het hof zal daarom uitgaan van toepasselijkheid van Nederlands recht (vgl. HR 10 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:200). Aanhouding inhoudelijke beoordeling 5.
  41. Vast staat dat de man op 6 november 2024 bij de rechtbank een verzoekschrift heeft ingediend strekkende tot de nietigverklaring van het huwelijk van partijen. De rechtbank heeft in die procedure nog geen uitspraak gedaan. Verder is tijdens de mondelinge behandeling gebleken dat de man aangifte tegen de vrouw heeft gedaan van bigamie. Het Openbaar Ministerie heeft besloten om niet tot vervolging van de vrouw over te gaan. De man heeft daarop een artikel 12 Sv-procedure bij het hof aanhangig gemaakt. 5.
  42. Gelet op de hiervoor genoemde ontwikkelingen na de bestreden beschikking heeft het hof de mondelinge behandeling in hoger beroep voor een korte tijd geschorst. Partijen hebben na de schorsing het hof medegedeeld dat er in augustus 2025 een viergesprek tussen partijen en hun advocaten gaat plaatsvinden om te komen tot afspraken over het huwelijk en de echtscheiding, het bevel tot verdeling, over de door de vrouw verzochte partneralimentatie en de proceskosten. Partijen verzoeken het hof daarom iedere verdere beslissing over deze onderwerpen aan te houden. Partijen hebben het hof wel verzocht om een beslissing te nemen over de inschrijving in de BRP/hoofdverblijfplaats van de kinderen, de zorgregeling en de kinderalimentatie. Het hof zal aan dit verzoek gevolg geven. 5.
  43. Het hof verzoekt partijen, gelet op het voorgaande, om het hof uiterlijk 15 september 2025 te berichten over de uitkomsten van genoemd viergesprek, waarna het hof zal beslissen over de te nemen vervolgstap. Het hof zal derhalve iedere verdere beslissing met betrekking tot geldigheid van het huwelijk, het daaruit voortvloeiende bevel tot verdeling, de partneralimentatie en de proceskosten aanhouden tot 15 september 2025 pro forma. Zorgregeling (incidentele grief man) De standpunten 5.
  44. De man voert hieromtrent – samengevat – het volgende aan. De door de rechtbank vastgestelde zorgregeling wordt door partijen uitgevoerd. Met name [minderjarige 2] vindt dat moeilijk. Hij geeft aan zich niet veilig bij de vrouw te voelen; de vrouw heeft haar emoties niet altijd onder controle. Verder heeft de man de afgelopen jaren aantoonbaar de belangrijkste opvoedkundige taken verricht. Hij was en is actief betrokken bij het dagelijks leven van de kinderen. Zo heeft de man de verantwoordelijkheid genomen voor de sportactiviteiten van de kinderen en heeft hij gezorgd voor een stabiele, ondersteunende en gestructureerde omgeving. De vrouw heeft – naarmate de kinderen ouder werden – zich steeds verder teruggetrokken. Bovendien zijn er structureel problemen wanneer de kinderen bij de vrouw verblijven. Bij [minderjarige 1] is sprake van ongeoorloofd schoolverzuim. De man heeft actief contact met de klassendocent om het schoolverzuim op te lossen. Ook heeft de vrouw nooit controle kunnen uitoefenen over het gedrag van de kinderen. De man moest steeds de kinderen corrigeren en sturen. Verder laat de vrouw zich structureel negatief uit over de man, waarbij zij hem de schuld geeft van verschillende zaken. Het contact tussen partijen is ernstig verstoord, wat grote gevolgen heeft voor de verzorging en opvoeding en het welzijn van de kinderen. Het is daarom in het belang van de kinderen om de zorgregeling te wijzigen. De man verzoekt een zorgregeling vast te stellen waarbij de kinderen één keer in de twee weken een weekend bij de vrouw verblijven. 5.
  45. De vrouw heeft hiertegen – samengevat – het navolgende verweer gevoerd. Het is niet in het belang van de kinderen om de co-ouderschapsregeling terug te brengen naar een weekendregeling. Er wordt al geruime tijd uitvoering aan de co-ouderschapsregeling gegeven. De kinderen zijn gewend aan deze regeling en zij gedijen hier goed bij. De vrouw herkent zich niet in het beeld dat van haar wordt geschetst. De man diskwalificeert de vrouw ten onrechte. De ‘rode draad’ is dat de man zich superieur voelt. Dat is ook de reden dat de man een grote hoeveelheid WhatsApp-berichten heeft overgelegd. Hij wil hiermee aantonen wat er allemaal niet goed gaat bij de vrouw. De door de man overgelegde bewijsstukken, waarmee de man meent aan te tonen dat de vrouw niet betrokken is bij de kinderen – wat zij uitdrukkelijk betwist –, zijn inmiddels sterk verouderd. Reeds in de voorlopige voorzieningenprocedure is uitgebreid verweer gevoerd tegen de stellingen van de man. Ook heeft de vrouw in die procedure uitgebreid gemotiveerd dat het verzorgen en opvoeden van de kinderen niet alleen maar het begeleiden van de kinderen naar sporten en hobby’s, het helpen met het huiswerk en het zorgen voor de materiële zaken inhoudt. Dit houdt ook in het tonen van liefde, affectie en geborgenheid. De vrouw heeft dat altijd gedaan en zij doet dat nog steeds. Het zwaartepunt van de zorg voor de kinderen lag en ligt nog steeds bij de vrouw. De vrouw betwist dat [minderjarige 2] het moeilijk vindt om bij de vrouw te verblijven. Dat het niet goed gaat met [minderjarige 1] wanneer zij bij de vrouw verblijft, blijkt nergens uit. [minderjarige 1] verzuimt ook van school op de momenten dat zij bij de man verblijft. Inmiddels is er via Team Jeugd hulp voor [minderjarige 1] ingeschakeld. Indien de kinderen bepaalde uitspraken zouden doen, dan komt dit voort uit een loyaliteitsconflict. De kinderen zitten klem omdat er veel strijd tussen partijen is. 5.
  46. De raad heeft tijdens de mondelinge behandeling – samengevat – verklaard dat het onderliggende probleem tussen de ouders niet wordt opgelost door een andere zorgregeling vast te stellen. De raad zou ook niet weten op welke manier de zorgregeling dan dient te worden gewijzigd. Er is sprake van een forse strijd tussen de ouders. De kinderen gaan klem raken wanneer deze strijd niet stopt. Ook bestaat het gevaar dat wanneer de spanning voor de kinderen te hoog wordt dat zij zelf voor één ouder gaan kiezen. De raad vindt hulpverlening via het Uniform Hulpaanbod (UHA) in deze zaak niet passend. De ouders hebben hulpverlening in het vrijwillig kader nodig. Zij moeten leren om iets te veranderen in de wijze waarop zij op elkaar reageren. De raad denkt daarbij aan een traject Kind na Scheiding of een ouderschapsreorganisatie. De motivering van de beslissing 5.
  47. Het hof overweegt het volgende. Rechtsmacht 5.12.
  48. De rechtsmacht kan worden gebaseerd op artikel 7 lid 1 Brussel II-ter. Op grond van de hoofdregel van artikel 7 Brussel II-ter zijn in zaken van ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waar het kind zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig is gemaakt. Beide kinderen hebben hun gewone verblijfplaats in Nederland. Toepasselijk recht 5.12.
  49. Ingevolge het bepaalde in artikel 15 lid 1 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 (Trb. 1997, 299) is Nederlands recht van toepassing. Inhoudelijke beoordeling 5.12.
  50. Bij beschikking van 22 december 2023 betreffende de voorlopige voorzieningen heeft de rechtbank voor het eerst een (voorlopige) zorgregeling vastgesteld in de vorm van een co-ouderschapsregeling. De rechtbank heeft die co-ouderschapsregeling in de bestreden beschikking definitief vastgelegd. Het hof stelt vast dat partijen genoemde week- om- weekregeling sinds de uitspraak in de voorlopige voorzieningen procedure uitvoeren. Op grond van de stukken en het besprokene tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep ziet het hof geen aanleiding om deze co-ouderschapsregeling te wijzigen naar de door de man verzochte weekendregeling. Dee co-ouderschapsregeling wordt inmiddels geruime tijd uitgevoerd. Het hof constateert, evenals de raad, dat er in deze zaak sprake is van onderliggende problematiek, namelijk grote spanningen tussen de ouders. De zorgen over de kinderen lijken met name te worden ingegeven en te worden versterkt door een verschil in opvoedvisie tussen partijen. Zo vindt de man het bijvoorbeeld erg belangrijk dat de kinderen een veelheid aan sporten en hobby’s beoefenen. De vrouw vindt echter het tonen van liefde, affectie en geborgenheid het belangrijkste in de opvoeding. Partijen zijn door hun slechte onderlinge verstandhouding niet in staat om op een constructieve wijze het gesprek hierover met elkaar aan te gaan. Het onbegrip tussen partijen neemt daardoor alleen maar verder toe. Het hof is, met de raad, van oordeel dat deze onderliggende problematiek niet wordt opgelost door de zorgregeling te wijzigen; ook in dat geval zal de verschillende opvoedvisie van partijen en de slechte communicatie tussen partijen een probleem blijven. Het hof acht daarom de inzet van hulpverlening binnen het vrijwillig kader noodzakelijk. Partijen moeten leren dat er verschillende vormen van opvoeden bestaan, die elkaar ook kunnen aanvullen, en leren ‘los te laten’ wanneer de kinderen bij de andere ouder zijn. Partijen hebben, na een korte schorsing van de mondelinge behandeling, verklaard dat zij – in het belang van de kinderen – voor hulpverlening in het vrijwillig kader open staan en dat zij zich hiervoor tot de gemeente zullen wenden. Genoemde feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang bezien maken dat het hof de in de bestreden beschikking vastgelegde co-ouderschapsregeling nog steeds in het belang van de kinderen te acht. De incidentele grief van de man faalt. 5.12.
  51. Het hof zal de bestreden beschikking, voor wat betreft de daarbij vastgestelde zorgregeling, bekrachtigen. Hoofdverblijfplaats en inschrijving van de kinderen (grief 3 man en grief 1 vrouw) De standpunten 5.
  52. De man heeft hieromtrent – samengevat – het volgende aangevoerd. De rechtbank heeft ten onrechte bepaald dat [minderjarige 1] wordt ingeschreven bij de vrouw. Het is beter als beide kinderen bij hem staan ingeschreven. Dan is er duidelijkheid over de financiële verantwoordelijkheid, zoals zakgeld en kleedgeld en over praktische zaken die geregeld moeten worden. De man betwist dat de vrouw tijdens het huwelijk het grootste gedeelte van de zorg- en opvoedingstaken voor haar rekening heeft genomen en dat zij ook altijd zorg heeft gedragen voor de betaling van alle kosten van de kinderen. Zo houdt de man zich intensiever bezig met de regelzaken en betalingen rondom de sporten van de kinderen. De vrouw vergeet dingen of stuurt rekeningen naar de man. De communicatieproblemen tussen partijen vloeien voort uit de structurele weigering van de vrouw om haar verantwoordelijkheid voor essentiële zaken te nemen. Dit legt een extra last op de kinderen. Zij bevinden zich hierdoor in een ongemakkelijke positie tussen beide ouders. Blijkens de jurisprudentie komen verblijfsoverstijgende kosten voor rekening van de ouder waar het kind zijn hoofdverblijf-plaats heeft. De vrouw weigert echter alle verblijfsoverstijgende kosten van [minderjarige 1] voor haar rekening te nemen. Hierdoor benadeelt de vrouw [minderjarige 1] . Het is daardoor in het belang van [minderjarige 1] dat haar hoofdverblijfplaats bij de man wordt bepaald en dat de vrouw aan hem kinderalimentatie voldoet. Alle kosten van [minderjarige 1] zullen dan tijdig worden voldaan. 5.
  53. De vrouw heeft hieromtrent – samengevat – het volgende aangevoerd. De vrouw heeft aanvankelijk ook verzocht om de hoofdverblijfplaats van beide kinderen bij haar te laten zijn Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft de vrouw haar verzoek gewijzigd, in die zin, dat zij thans verzoekt om te bepalen dat beide kinderen op het adres van de vrouw in de BRP worden ingeschreven. De rechtbank heeft ten onrechte bepaald dat [minderjarige 2] op het BRP-adres van de man dient te worden ingeschreven. Beide kinderen dienen op het BRP-adres van de vrouw te worden ingeschreven. De vrouw moet dan alle verblijfsoverstijgende kosten voor de kinderen betalen. Dit doet ook het meeste recht aan de situatie van partijen tijdens het huwelijk. De vrouw heeft tijdens het huwelijk het grootste deel van de zorg- en opvoedtaken voor haar rekening genomen en altijd zorg gedragen voor de betaling van de kosten van de kinderen. De vrouw vindt de overweging van de rechtbank dat de beslissing over de BRP-inschrijving van de kinderen zoveel mogelijk spanningen en onrust bij partijen zal wegnemen, onbegrijpelijk. Deze beslissing heeft juist voor de nodige spanningen, onrust en discussies tussen partijen gezorgd, omdat sprake is van slechte communicatie. Partijen kunnen hierdoor geen afspraken maken over de verblijfsoverstijgende kosten. De vrouw neemt daardoor nu alle verblijfsoverstijgende kosten van beide kinderen voor haar rekening. Ook geeft de man na de echtscheiding de vrouw niet de kans om zaken voor de kinderen te regelen. De inschrijving van zowel [minderjarige 2] als [minderjarige 1] op het BRP-adres van de vrouw zal voor de kinderen de meeste rust brengen. De huidige situatie is niet aan de kinderen uit te leggen. 5.
  54. De raad heeft tijdens de mondelinge behandeling – samengevat – verklaard zich niet uit te laten over de BRP-inschrijving van de kinderen. Wel constateert de raad dat er veel ruis tussen de ouders bestaat. De ouders zijn verschillend en die verschillen worden na de echtscheiding extra uitvergroot. Enerzijds kan een wijziging van de BRP-inschrijving van de kinderen een bepaalde rust geven; anderzijds heeft dit ook weer financiële consequenties voor partijen. De motivering van de beslissing 5.
  55. Het hof overweegt hieromtrent het volgende. Rechtsmacht 5.16.
  56. De rechtsmacht kan worden gebaseerd op artikel 7 lid 1 Brussel II-ter. Op grond van de hoofdregel van artikel 7 Brussel II-ter zijn in zaken van ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waar het kind zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig is gemaakt. Beide kinderen hebben hun gewone verblijfplaats in Nederland. Toepasselijk recht 5.16.
  57. Ingevolge het bepaalde in artikel 15 lid 1 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 (Trb. 1997, 299) is Nederlands recht van toepassing. De inhoudelijke beoordeling 5.16.
  58. Het hof zal zoals hierboven overwogen de co-ouderschapsregeling in stand laten. Dit maakt dat de kinderen bij beide ouders evenveel verblijven. Het hof acht het daarom, evenals de rechtbank, niet passend om de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij één van partijen te bepalen. Het hof dient wel een beslissing te nemen over de inschrijving van de kinderen in de BRP. De kinderen kunnen slechts op één adres in de BRP worden ingeschreven. Omdat partijen hierover van mening verschillen (beide ouders zijn van mening dat allebei de kinderen bij hen moeten worden ingeschreven), dient het hof op grond van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW) een beslissing te nemen die het hof in het belang van de kinderen wenselijk voorkomt. Het hof overweegt hieromtrent het volgende. 5.16.
  59. Uit de stukken en het besprokene tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep is gebleken dat partijen het erover eens zijn dat de huidige situatie waarbij [minderjarige 2] staat ingeschreven op het BRP-adres van de man en [minderjarige 1] staat ingeschreven op het BRP-adres van de vrouw voor veel extra spanning en onrust tussen partijen en voor de kinderen zorgt. Zo is gebleken dat er tussen partijen voortdurend discussies bestaan over wie verantwoordelijk is voor het voldoen van de verblijfsoverstijgende kosten van de kinderen en daarmee samenhangende regelzaken. . Deze situatie acht het hof niet in het belang van de kinderen. Dit maakt dat het hof van oordeel is dat beide kinderen bij dezelfde ouder op het BRP-adres dienen te worden inschreven. Op die manier bestaat er niet langer discussie over de verblijfsoverstijgende kosten. De volgende vraag is dan bij welke ouder de kinderen dan het beste kunnen worden ingeschreven. 5.16.
  60. Het hof stelt in dat kader vast dat de man duidelijke ideeën heeft over de zaken rondom de kinderen (zoals hobby’s en sporten) en graag praktische zaken hierover regelt. Verder blijkt dat hij zijn standpunten over hoe een en ander geregeld moet worden moeilijk kan loslaten en/of bijstellen en hij hier graag de controle over heeft. Dit blijkt onder meer uit het feit dat de vrouw onweersproken heeft gesteld dat de man haar na de echtscheiding niet de kans geeft om zaken voor de kinderen te regelen. Ook stelt het hof vast dat de vrouw – beter dan de man – lijkt te kunnen accepteren dat de andere ouder verantwoordelijk is voor bepaalde zaken en een andere opvoedvisie heeft. Deze feiten en omstandigheden maken dat het hof, anders dan de rechtbank, van oordeel is dat het in het belang van de kinderen is dat zij allebei op het BRP-adres van de man ingeschreven staan. Grief 3 van de man slaagt en grief 1 van de vrouw faalt. 5.16.
  61. Het hof zal de bestreden beschikking – voor zover de rechtbank daarbij heeft bepaald dat [minderjarige 1] op het BRP-adres van de vrouw dient te worden ingeschreven – vernietigen en bepalen dat ook zij op het adres van de man moet worden ingeschreven. Kinderalimentatie (grief 4 man en grief 2 en 3 vrouw) Rechtsmacht 5.
  62. Gelet op het bepaalde in artikel 3 van de ten deze toepasselijke Verordening (EG) nr. 4/2009 van de Raad van 18 december 2008 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen, en de samenwerking op het gebied van onderhoudsverplichtingen (de Alimentatieverordening) komt de Nederlandse rechter ten aanzien van de verzoeken in hoger beroep rechtsmacht toe reeds omdat de onderhoudsgerechtigde, in de onderhavige zaak de vrouw, thans in Nederland haar gewone verblijfplaats heeft. Toepasselijk recht 5.
  63. Aangezien de rechtbank Nederlands recht toepasselijk heeft geoordeeld en daartegen geen grief is gericht, wordt ook in hoger beroep van de toepasselijkheid van Nederlands recht uitgegaan. Ingangsdatum 5.
  64. De door rechtbank vastgestelde ingangsdatum van de kinderalimentatie, zijnde de datum van de bestreden beschikking (8 november 2024), is tussen partijen niet in geschil zodat ook het hof deze datum als uitgangspunt neemt. Behoefte kinderen 5.
  65. De bij de bestreden beschikking vastgestelde behoefte van de kinderen in 2023 van € 1.266,- per maand ( € 633,- per kind per maand) is in hoger beroep niet in geschil en staat daarmee vast. De naar analogie van artikel 1:402a lid 1 BW geïndexeerde behoefte van de kinderen bedraagt per 1 januari 2024 € 1.344,- per maand ofwel € 672,- per kind per maand en per 1 januari 2025 € 1.432,- per maand ofwel € 716,- per kind per maand. Draagkracht 5.
  66. Bij het bepalen van het eigen aandeel van partijen in de behoefte van de kinderen dient de draagkracht van partijen in de beoordeling te worden betrokken. 5.
  67. Het hof neemt bij de bepaling van de draagkracht van partijen het netto besteedbaar inkomen (NBI) tot uitgangspunt. Dit inkomen wordt vastgesteld door het bruto inkomen en de werkelijke inkomsten uit vermogen, te verminderen met de belastingen en premies die daarover verschuldigd zijn. In navolging van de uitspraak van de Hoge Raad van 9 oktober 2015 (ECLI:NL:HR:2015:3011) wordt het NBI verhoogd met het kindgebonden budget (KGB). Draagkracht man 5.
  68. De rechtbank heeft de draagkracht van de man berekend aan de hand van de jaaropgave 2023; de man had toen een fiscaal jaarinkomen van € 122.451,-. Dit leidt volgens de rechtbank – de tarieven 2024-2 in aanmerking nemende – tot een NBI van € 6.201,- per maand en een beschikbare draagkracht van € 2.150,- per maand. 5.
  69. De man heeft in zijn beroepschrift (in zaaknummer 200.351.096/01) één grief (grief 4) tegen de door de rechtbank vastgestelde kinderalimentatie gericht. In die grief betoogt de man dat – wanneer [minderjarige 1] ook op zijn BRP-adres wordt ingeschreven – de vrouw aan hem kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige 1] verschuldigd wordt en dat daardoor zijn aandeel in de behoefte van de kinderen verandert. In het incidenteel hoger beroep (in zaaknummer 200.351.148/01) heeft de man enkel een grief gericht tegen de door de rechtbank vastgestelde zorgregeling. De man stelt voor het eerst in de nagekomen stukken van 9 juni 2025 dat zijn inkomen in 2025 lager is dan het door de rechtbank in de bestreden beschikking in aanmerking genomen inkomen. Hij voert daartoe aan dat uit de overgelegde loonstroken over 2025 blijkt dat de door hem ontvangen bonus in maart 2025 veel lager is dan in maart 2024 en dat er in 2025 geen aandelenpakket aan hem is toegekend. Door de ziekmelding van de man valt hij terug naar een basisinkomen. In juli 2025 zal de man in de WIA terecht komen. Er dient uit te worden gegaan van een (geëxtrapoleerd) inkomen in 2025 van € 101.957,
  70. 5.
  71. De vrouw heeft in haar beroepschrift (in zaaknummer 200.351.148/01) twee grieven tegen de door de rechtbank vastgestelde kinderalimentatie gericht. In grief 2 betoogt de vrouw dat de rechtbank bij de bepaling van haar draagkracht ten onrechte uit is gegaan van een fictief inkomen. Grief 3 van de vrouw richt zich tegen de draagkracht van de man in het geval beide kinderen op haar adres zouden worden ingeschreven: in dat geval kan de man niet langer aanspraak maken op het KGB en de inkomensafhankelijke combinatiekorting en is zijn draagkracht lager. De vrouw betwist dat er met een lager inkomen aan de zijde van de man rekening moet worden gehouden. Ook het hof dient rekening te houden met een fiscaal jaarinkomen van € 122.451,-. Het inkomen volgens de jaaropgave 2024 was uiteindelijk hoger dan het inkomen waarmee de rechtbank in de bestreden beschikking heeft gerekend, terwijl de man ook bij de rechtbank heeft aangevoerd dat zijn inkomen vanaf juni 2024 zou dalen. Uit de door de man overgelegde stukken volgt weliswaar dat het inkomen van de man tot en met maart 2025 lager is, maar een werkgeversverklaring omtrent de bonussen en het aandelenpakket van de man ontbreekt. Ook dient er niet op dit moment al rekening te worden gehouden met een eventuele WIA-uitkering van de man. De man heeft geen stukken overgelegd over het verloop van zijn re-integratietraject, over hoeveel uren de man op dit moment werkt en wat de verwachtingen hieromtrent zijn, en ook niet over de WIA-aanvraag. 5.
  72. Het hof stelt op grond van het voorgaande vast dat partijen geen grief hebben gericht tegen het door de rechtbank in aanmerking genomen fiscaal jaarinkomen van de man in 2024 van € 122.451,- en het op grond daarvan becijferde NBI van de man van € 6.201,-. Dit maakt dat het hof niet toekomt aan een herbeoordeling van het inkomen van de man over
  73. Voor zover de man in de nagekomen stukken van 9 juni 2025 en tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep nog heeft betoogd dat er in 2025 sprake is van een wijziging van omstandigheden die maakt dat zijn draagkracht door het hof opnieuw dient te worden berekend aan de hand van actuele inkomensgegevens, is het hof van oordeel dat de man die stelling onvoldoende met onderliggende stukken heeft onderbouwd. Het hof beschikt niet over alle noodzakelijke gegevens om de draagkracht van de man in 2025 opnieuw te kunnen berekenen. De door de man overgelegde loonstroken over de periode maart 2025 tot en met mei 2025 zijn daartoe onvoldoende. Zo heeft de man nagelaten om een werkgeversverklaring in het geding te brengen waaruit de afspraken over zijn jaarinkomen inclusief eventuele bonussen, aandelenpakketten en/of andere emolumenten blijken. Dit had wel op de weg van de man gelegen omdat de vrouw de door de man gestelde inkomensdaling gemotiveerd heeft betwist. Dat uit de loonstroken over de maanden maart 2025 en april 2025 blijkt dat de man een lagere bonus heeft ontvangen dan het jaar ervoor en geen aandelenpakket heeft ontvangen is onvoldoende. Het valt immers niet uit te sluiten dat de man alsnog op een later moment in 2025 een bonus, aandelen en/of andere emolumenten zal ontvangen. Ook overigens is onduidelijk in hoeverre de door de man gestelde ziekmelding zijn inkomen zal beïnvloeden. Een werkgeversverklaring had hier inzicht in kunnen geven. Het hof neemt hierbij verder in aanmerking dat de man ook bij de rechtbank heeft aangevoerd dat zijn salaris – vanwege ziekte – lager zou worden. Uit de overgelegde jaaropgave 2024 is echter gebleken dat deze stelling onjuist is en dat het inkomen van de man in 2024 uiteindelijk zelfs nog hoger was dan het inkomen waarvan de rechtbank in de bestreden beschikking is uitgegaan, te weten € 127.939,
  74. Ook heeft de man geen stukken in het geding gebracht omtrent zijn re-integratietraject en de aanvraag van een WIA-uitkering. Het hof, zal op grond van het voorgaande – evenals de rechtbank – uitgaan van een fiscaal jaarinkomen van € 122.451,-. Tot 1 september 2025 zal het hof rekening houden met de door de rechtbank – op grond van dit inkomen – becijferde draagkracht van € 2.150,- per maand. Het hof zal per die datum, zoals hieronder nader zal worden toegelicht, een knip maken. 5.
  75. Omdat het hof zal bepalen dat beide kinderen op het BRP-adres van de man worden ingeschreven, heeft dit gevolgen voor het KGB waarop de man aanspraak kan maken: dat kan nu voor twee kinderen. Met die omstandigheid zal het hof voor het eerst per 1 september 2025 rekening houden. De man heeft per die datum – gelet op zijn inkomen en de tarieven 2025-2 in aanmerkende nemende – recht op een kindgebonden budget van € 2.437,- op jaarbasis (inclusief alleenstaande ouderkop, AOK). Dat betekent wel dat de vrouw zo nodig haar medewerking aan de man dient te verlenen voor het aanvragen van de kinderbijslag voor [minderjarige 1] . Pas dan kan de man ook voor [minderjarige 1] het KGB aanvragen. Om die reden zal het hof voor het eerst per 1 september 2025 een knip in de draagkracht van de man maken, teneinde partijen in de gelegenheid te stellen om de wijzigingen in de aanvraag van het KGB te realiseren. Het hof houdt verder rekening met de arbeidskorting en de inkomensafhankelijke combinatiekorting. De man heeft geen recht op de algemene heffingskorting. Het voorgaande leidt tot een NBI van € 6.464,- per maand. 5.
  76. De draagkracht van de man per 1 september 2025 dient vervolgens te worden vastgesteld aan de hand van de formule 70% [NBI – 0,3 x NBI + € 1.310,-)], omdat het netto besteedbaar inkomen van de man hoger is dan € 2.125,- per maand. De draagkracht van de man bedraagt € 2.250,- per maand. Draagkracht vrouw 5.
  77. De rechtbank heeft in de bestreden beschikking het NBI van de vrouw (inclusief KGB en AOK) op € 3.130,- per maand becijferd en de draagkracht van de vrouw op € 645,- per maand vastgesteld. 5.
  78. De vrouw kan zich hiermee niet verenigen. De rechtbank heeft ten onrechte gerekend met een fictief inkomen en is daarbij enkel uitgegaan van haar opleidingsniveau. Zij heeft internationaal recht gestudeerd, maar komt hier in Nederland niet op dat niveau aan het werk. Zij heeft op functies op haar eigen opleidingsniveau gesolliciteerd. De vrouw werd bij sollicitaties voornamelijk afgewezen wegens haar gebrek aan werkervaring. Zij is vanwege de traditionele rolverdeling binnen het huwelijk van partijen een lange tijd niet op de arbeidsmarkt actief geweest. De rechtbank heeft verder geen rekening gehouden met de medische klachten van de vrouw. De vrouw kampt met rugklachten waar zij dagelijks last van ondervindt. Deze rugklachten zijn tijdens haar zwangerschappen ontstaan. Desondanks heeft de vrouw veelvuldig gesolliciteerd en getracht om een hoger inkomen te verwerven, maar dit is niet mogelijk gebleken. De vrouw is niet in staat om het door de rechtbank bepaalde fictieve inkomen te verwerven. Zij heeft echter wel aan haar inspanningsverplichting voldaan. Daarom dient het hof bij de bepaling van de draagkracht van de vrouw van haar werkelijke inkomen uit te gaan. Zij doet nu laaggeschoold werk, als ADL-assistent in de zorg. Het NBI van de vrouw bedraagt blijkens de overgelegde salarisspecificaties, te vermeerderen met het KGB en AOK, € 1.465,- per maand. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft de vrouw nog aanvullend verklaard dat zij per 1 mei 2025 in dienst is getreden bij haar werkgever; voorheen was zij daar werkzaam via een uitzendbureau. De vrouw werkt gemiddeld 20 uur per week. Het aantal uren dat de vrouw per week werkt is variabel; dit is onder meer afhankelijk van haar rugklachten. De vrouw werkt maximaal 28 uur per week. Zij berekent haar NBI op € 2.003,- en de draagkracht op € 109,- per maand, als beide kinderen bij haar staan ingeschreven. De vrouw betwist dat de gronden op haar naam in de Filipijnen veel geld waard zijn. Zij ontvangt hieruit geen inkomen, zodat de gronden bij de bepaling van haar draagkracht buiten beschouwing dienen te worden gelaten. 5.
  79. De man erkent dat de vrouw ten gevolge van haar zwangerschappen kampt met rugklachten. De door de vrouw overgelegde medische gegevens vormen echter geen bewijs dat deze klachten de vrouw volledig arbeidsongeschikt maken. Licht administratief werk blijft een haalbare optie, aangezien dit werk fysiek niet belastend is. De vrouw heeft niet aan haar inspanningsverplichting voldaan. Vanaf oktober 2021 wist de vrouw dat zij verantwoordelijk zou worden voor het genereren van haar eigen inkomen. Vanaf dat moment mag van de vrouw worden verwacht dat zij op een consistente en strategische manier hard zou werken aan haar financiële zelfstandigheid. De overgelegde sollicitaties van de vrouw zijn sterk geconcentreerd in korte periodes. Het hoge aantal sollicitaties per dag roept vragen op over de kwaliteit van de inspanningen van de vrouw. Ook werkte de vrouw in 2022 parttime bij een advocatenkantoor. Het betrof een functie die aansloot bij haar opleidingsniveau, waarmee zij naar eigen zeggen € 2.400,- bruto per maand verdiende. De vrouw heeft na slechts drie weken vrijwillig ontslag genomen. Zij had nu inmiddels drie jaar relevante werkervaring op haar opleidingsniveau kunnen hebben. Ook bezit de vrouw grond in de Filipijnen met een totale oppervlakte van 100 hectare. Volgens recente taxaties heeft deze grond een minimale waarde van € 700.000,-. De vrouw kan de grond verkopen en met de opbrengst daarvan in haar eigen levensonderhoud voorzien. Het fictieve inkomen waarvan de rechtbank in de bestreden beschikking is uitgegaan is nog steeds reëel. 5.
  80. Het hof overweegt dat bij de bepaling van de draagkracht van een onderhoudsplichtige ouder niet alleen het huidige inkomen in aanmerking dient te worden genomen maar ook het inkomen dat die onderhoudsplichtige ouder redelijkerwijs zou kunnen verdienen. Het hof ziet aanleiding om de draagkracht van de vrouw te berekenen over de drie navolgende periodes: de periode met ingang van 8 november 2024 tot 1 september 2025; de periode met ingang van 1 mei 2025 tot 1 september 2025; de periode met ingang van 1 september
  81. * de periode met ingang van 8 november 2024 tot 1 mei 2025 5.
  82. Het hof stelt voorop dat bij de vaststelling van kinderalimentatie – anders dan bij partneralimentatie – enige voorzichtigheid moet worden betracht bij het toekennen van een fictief inkomen aan een onderhoudsplichtige ouder. Dit omdat wanneer het fictieve inkomen niet door de onderhoudsplichtige ouder kan worden gerealiseerd, de onderhoudsgerechtigde minderjarige hiervan de dupe is. De rechtbank heeft het fictieve inkomen van de vrouw gebaseerd op het startsalaris van juristen/hoogopgeleiden. Ook heeft de rechtbank daarbij overwogen dat zij meer uren kan werken in de week omdat zij – vanwege het co-ouderschap – niet de volledige zorg voor de kinderen heeft. Het hof is op grond van de stukken en het besprokene tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep echter van oordeel dat de door de rechtbank in aanmerking genomen verdiencapaciteit van de vrouw niet reëel is. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat blijkens de overgelegde stukken de vrouw veelvuldig – tevergeefs – heeft gesolliciteerd. Dat de vrouw – zoals de man stelt in clusters heeft gesolliciteerd – maakt dat niet anders. Daarbij komt dat niet in geschil is dat de vrouw met rugklachten kampt die haar beperken, zoals de man tijdens de mondelinge behandeling heeft erkend. Tot slot heeft het hof – ook uit eigen waarneming tijdens de mondelinge behandeling – kunnen vaststellen dat de vrouw de Nederlandse taal niet volledig machtig is, hetgeen het vinden van een baan op haar eigen opleidingsniveau bemoeilijkt. Het hof zal de (waarde van de) grond van de vrouw in de Filipijnen buiten beschouwing laten, nu partijen het hof daarover onvoldoende hebben geïnformeerd, niet duidelijk is of dit in de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap betrokken zal worden en partijen onder meer hierover een viergesprek aangaan. Genoemde feiten en omstandigheden maken dat het hof in deze periode uit zal gaan van het werkelijke inkomen van de vrouw. 5.
  83. Uit de door de vrouw als productie 20 overgelegde jaaropgave 2024 volgt dat de vrouw een fiscaal jaarinkomen had van € 12.964,-. Dit jaarloon is gebaseerd op een 20-urige werkweek. Het hof houdt rekening met de algemene heffingskorting en de arbeidskorting. Omdat in deze hele periode [minderjarige 1] op het BRP-adres van de vrouw stond ingeschreven, zal het hof genoemd inkomen verhogen met het KGB en AOK waarop de vrouw – gelet op haar inkomen – aanspraak kon maken. Het voorgaande leidt tot een NBI van de vrouw van € 1.631,- per maand. 5.
  84. Omdat het NBI van de vrouw in deze periode lager is dan € 1.815,- per maand, houdt het hof – conform het Rapport Alimentatienormen (Tremarapport) rekening met de minimumdraagkracht van € 50,- per maand. * de periode met ingang van 1 mei 2025 tot 1 september 2025 5.
  85. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep is gebleken dat de vrouw per 1 mei 2025 in dienst is getreden bij haar huidige werkgever; voorheen was zij daar werkzaam via een uitzendbureau. Ook heeft de vrouw verklaard dat zij in sommige weken 28 uur werkt. Dit maakt dat het hof van oordeel is dat de vrouw op dit moment in staat is en dat van haar – vanwege haar zwaarwegende onderhoudsverplichting jegens de kinderen – kan worden verwacht dat zij haar arbeidsuren structureel uitbreidt naar 28 uur per week. Het hof zal met ingang van 1 mei 2025 het inkomen van de vrouw extrapoleren naar een 28-urige werkweek. Het hof begroot het fiscaal jaarloon van de vrouw bij een 28-urige werkweek op: € 12.964,- : 20 x 28 = € 18.150,-. Omdat ook in deze hele periode [minderjarige 1] op het BRP-adres van de vrouw stond ingeschreven, zal het hof genoemd inkomen verhogen met het KGB en AOK waarop de vrouw – gelet op haar inkomen – aanspraak kon maken. Dit komt neer op een bedrag van € 6.603,-. Dit leidt tot een NBI van de vrouw, de tarieven 2025-1 in aanmerking nemende, van € 2.008,- per maand. 5.
  86. De draagkracht van de vrouw wordt vastgesteld aan de hand van de toepasselijke draagkrachttabel

(2025)omdat het NBI van de vrouw lager is dan € 2.125,- per maand. Uitgaande van die tabel leidt genoemd NBI van de vrouw tot een beschikbare draagkracht van € 98,- per maand. * de periode met ingang van 1 september 2025 5.
  1. Ook in deze periode zal het hof uitgaan van een fiscaal jaarloon van € 18.150,-, gebaseerd op een 28-urige werkweek. 5.
  2. Omdat het hof onder rechtsoverweging 5.16.
  3. van deze beschikking heeft bepaald dat allebei de kinderen bij de man ingeschreven staan, kan de vrouw niet langer aanspraak maken op het KGB en AOK. Het hof zal enkel rekening houden met de algemene heffingskorting en de arbeidskorting. Dit leidt tot een NBI van de vrouw van € 1.458,- per maand. 5.
  4. Omdat het NBI van de vrouw in deze periode lager is dan € 1.875,- per maand, houdt het hof – conform het Tremarapport – rekening met de minimumdraagkracht van € 50,- per maand. Draagkrachtvergelijking 5.
  5. De draagkracht van partijen is hoger dan de behoefte van de kinderen. Dit maakt dat het hof een draagkrachtvergelijking dient te maken. * de periode met ingang van 8 november 2024 tot 1 mei 2025 5.
  6. De verdeling van de behoefte van de kinderen over de vrouw en de man wordt berekend door ieders draagkracht ten behoeve van de kinderen (voor de vrouw vastgesteld op € 50,- per maand en voor de man vastgesteld op € 2.150,- per maand) te delen door de totale draagkracht (€ 50,- + € 2.150,- = € 2.200,- per maand), vermenigvuldigd met de behoefte van de kinderen in 2024 van in totaal afgerond € 1.344,- per maand, wat resulteert in de volgende berekening: het eigen aandeel van de vrouw in de behoefte van de kinderen bedraagt: € 50,- / € 2.200,- x € 1.344,- = € 31,- per maand, ofwel € 15,50 per kind per maand; het eigen aandeel van de man in de behoefte van de kinderen bedraagt: € 2.150,- / € 2.200,- x € 1.344,- = € 1.313,- per maand, ofwel € 656,50 per kind per maand. * de periode met ingang van 1 mei 2025 tot 1 september 2025 5.
  7. De verdeling van de behoefte van de kinderen over de vrouw en de man wordt berekend door ieders draagkracht ten behoeve van de kinderen (voor de vrouw vastgesteld op € 98,- per maand en voor de man vastgesteld op € 2.150,- per maand) te delen door de totale draagkracht (€ 98,- + € 2.150,- = € 2.248,- per maand), vermenigvuldigd met de behoefte van de kinderen in 2025 van in totaal afgerond € 1.432,- per maand, wat resulteert in de volgende berekening: het eigen aandeel van de vrouw in de behoefte van de kinderen bedraagt: € 98,- / € 2.248,- x € 1.432,- = € 62,- per maand, ofwel € 31,- per kind per maand; het eigen aandeel van de man in de behoefte van de kinderen bedraagt: € 2.150,- / € 2.248,- x € 1.432,- = € 1.370,- per maand, ofwel € 685,- per kind per maand. * de periode met ingang van 1 september 2025 5.
  8. De verdeling van de behoefte van de kinderen over de vrouw en de man wordt berekend door ieders draagkracht ten behoeve van de kinderen (voor de vrouw vastgesteld op € 50,- per maand en voor de man vastgesteld op € 2.250,- per maand) te delen door de totale draagkracht (€ 50,- + € 2.250,- = € 2.300,- per maand), vermenigvuldigd met de behoefte van de kinderen in 2025 van in totaal afgerond € 1.432,- per maand, wat resulteert in de volgende berekening: het eigen aandeel van de vrouw in de behoefte van de kinderen bedraagt: € 50,- / € 2.300,- x € 1.432,- = € 31,- per maand, ofwel € 15,50 per kind per maand; het eigen aandeel van de man in de behoefte van de kinderen bedraagt: € 2.250,- / € 2.300,- x € 1.432,- = € 1.401,- per maand, ofwel € 700,50 per kind per maand. 5.
  9. Tussen partijen is in hoger beroep niet in geschil dat partijen vanwege de co-ouderschapsregeling aanspraak kunnen maken op een zorgkorting van 35%. De zorgkorting in 2024 is 35% van € 672,- = € 235,- per kind per maand. De zorgkorting in 2025 is 35% van € 716,- = € 250,50 per kind per maand. Vaststelling van de kinderalimentatie * de periode met ingang van 8 november 2024 tot 1 mei 2025 Kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige 1] 5.
  10. Uit de draagkrachtvergelijking volgt dat het aandeel van de man in de behoefte van [minderjarige 1] € 656,50 bedraagt. Na aftrek van de zorgkorting van € 235,- per maand, dient de man aan de vrouw nog een bedrag van € 421,50 aan kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige 1] te voldoen, afgerond € 422,- per maand. De man heeft hier ook de draagkracht voor. Kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige 2] 5.
  11. Voor wat betreft [minderjarige 2] ziet het hof in de draagkrachtvergelijking aanleiding om een door de man ten behoeve van [minderjarige 2] te betalen kinderalimentatie vast te stellen als bijdrage in de zorgkosten van de vrouw. De zorgkosten van de vrouw voor [minderjarige 2] bedragen 35% van de behoefte, derhalve een bedrag van € 235,- per maand. Daarop brengt het hof de draagkracht van de vrouw ten behoeve van [minderjarige 2] van € 15,50 per maand in mindering. Dit leidt ertoe dat de man aan de vrouw ten behoeve van [minderjarige 2] een bedrag van € 219,50 aan kinderalimentatie dient te voldoen De man heeft hier ook de draagkracht voor. * de periode met ingang van 1 mei 2025 tot 1 september 2025 Kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige 1] 5.
  12. Uit de draagkrachtvergelijking volgt dat het aandeel van de man in de behoefte van [minderjarige 1] € 685,- bedraagt. Na aftrek van de zorgkorting van € 250,50,- per maand, zou de bijdrage van de man € 434,50 zijn. Gelet op de grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep, is de door de man te betalen kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige 1] gemaximeerd op de door de vrouw verzochte bijdrage van € 422,- per maand. De verschuldigde bijdrage wijzigt dus niet per 1 mei
  13. Kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige 2] 5.
  14. Op de zorgkosten van de vrouw voor [minderjarige 2] van € 250,50,- per maand brengt het hof de draagkracht van de vrouw ten behoeve van [minderjarige 2] van € 31,- per maand in mindering. Dit leidt ertoe dat de man aan de vrouw ten behoeve van [minderjarige 2] een bedrag van € 219,50 aan kinderalimentatie dient te voldoen. De man heeft hier ook de draagkracht voor. Dit is dezelfde uitkomst als berekend over de eerste periode; het bedrag wijzigt dus niet per 1 mei
  15. * de periode met ingang van 1 september 2025 5.
  16. Het hof gaat ervan uit dat met ingang van 1 september 2025 beide kinderen op het BRP-adres van de man staan ingeschreven. Omdat de vrouw onvoldoende draagkracht heeft om haar deel van de kosten voor de kinderen (de 35% van de behoefte als verblijfskosten) te voldoen, zal het hof een door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie vast stellen De kosten zijn in 2025 € 250,50 per kind per maand. Daarop brengt het hof het aandeel van de vrouw in de kosten van de kinderen van € 15,50 per kind per maand in mindering. Dit leidt ertoe dat de man aan de vrouw ten behoeve van de kinderen een bedrag van, ofwel € 235,- per kind per maand aan kinderalimentatie dient te voldoen. De man heeft hier ook de draagkracht voor. Terugbetaling 5.
  17. Omdat het hof tot een hogere door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie komt dan de rechtbank, is van een terugbetalingsverplichting aan de zijde van de vrouw geen sprake. 6De slotsom 6.
  18. Het hof zal beslissen als hierna onder 7 vermeld. 6.
  19. Omdat het hof een aantal aan het hof voorliggende beslispunten heeft aangehouden zal het hof nog geen beslissing nemen over de proceskosten in hoger beroep. Het hof heeft een berekening van de draagkracht van de man met ingang van 1 september 2025 en een drie berekeningen van de draagkracht van de vrouw gemaakt in de door het hof onderscheiden rekenperiodes. Een gewaarmerkt exemplaar van deze berekeningen is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
  20. De beslissing Het hof: In de zaken met zaaknummers 200.351.096/01, 200.351.097/01 en 200.351.148/01: vernietigt de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 8 november 2024, alleen voor wat betreft de BRP-inschrijving van de minderjarige [minderjarige 1] en de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie, en in zoverre opnieuw rechtdoende: bepaalt dat de minderjarige [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2011 te [geboorteplaats] in de BRP moet worden ingeschreven op het woonadres van de man; bepaalt dat de man aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] 2011 te [geboorteplaats] dient te voldoen: € 422,- per maand over de periode van 8 november 2024 tot 1 september 2025; € 235,- per maand over de periode met ingang van 1 september 2025, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen; bepaalt dat de man aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2014 te [geboorteplaats] , dient te voldoen: € 219,50 per maand over de periode van 8 november 2024 tot 1 september 2025; € 235,- per maand over de periode met ingang van 1 september 2025, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen; verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad; bekrachtigt de beschikking van de rechtbank voor wat betreft de inschrijving van [minderjarige 2] in de BRP op het woonadres van de man en de door de rechtbank vastgestelde zorgregeling; wijst het meer of anders verzochte ten aanzien van de kinderalimentatie, de zorgregeling, de hoofdverblijfplaats van de kinderen en de inschrijving van de kinderen op het BRP-adres van partijen, af. verzoekt partijen het hof uiterlijk 15 september 2025 te berichten over de uitkomsten van het viergesprek ter zake de geldigheid van het huwelijk, het daaruit voortvloeiende bevel tot verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap en de door de vrouw verzochte partneralimentatie; houdt iedere verdere beslissing met betrekking tot geldigheid van het huwelijk, het daaruit voortvloeiende bevel tot verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap en de partneralimentatie, als ook de proceskosten aan tot 15 september 2025 pro forma. Deze beschikking is gegeven door mrs. E.M.C. Dumoulin, S.P.A. Wensink-Vergunst en E.F.M. van Swaaij en is in het openbaar uitgesproken op 31 juli 2025 in tegenwoordigheid van de griffier.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.