GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team familie- en jeugdrecht zaaknummer : 200.351.774/01 zaaknummer rechtbank : C/02/426456 FA RK 24-4187 beschikking van de meervoudige kamer van 31 juli 2025 inzake [de man] , wonende te [woonplaats] , verzoeker in hoger beroep, hierna te noemen: de man, advocaat mr. E.M.A. Leijser te Tilburg, tegen [de vrouw] , wonende te [woonplaats] , verweerster in hoger beroep, hierna te noemen: de vrouw, advocaat mr. J.C. Hissink te Tilburg. 1Het verloop van het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 25 november 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. 2Het geding in hoger beroep 2.
- Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking heeft de rechtbank bepaald dat de man met ingang van 1 januari 2024 ten behoeve van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] aan de vrouw voor de toekomst bij vooruitbetaling moet voldoen een bedrag van € 350,- per maand. 2.
- De man kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan op 21 februari 2025 in hoger beroep gekomen. De man verzoekt om, bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat: I. het beroep gegrond wordt verklaard; II. de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, te bepalen dat de man met ingang van de datum indiening van het beroepschrift dan wel datum afgifte beschikking d.d. 25 november 2024 dan wel een andere datum welke het hof juist acht, een bedrag van € 155,- aan de vrouw moet voldoen ten behoeve van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] . 2.
- De vrouw heeft op 26 maart 2025 verweer gevoerd en verzocht de man in zijn hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, althans dat af te wijzen als ongegrond en de bestreden beschikking zo nodig onder aanvulling van en/of verbetering van gronden te bekrachtigen. 2.
- Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen: - het V6-formulier van 18 maart 2025 met bijlage namens de man ingekomen op 2 april 2025; - het V6-formulier d.d. 19 juni 2025 met bijlagen namens de man; - het V6-formulier d.d. 20 juni 2025 met bijlagen namens de vrouw. 2.
- De mondelinge behandeling heeft op 25 juni 2025 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. 2.
- Nadien zijn, zoals ter zitting afgesproken, de volgende stukken ingekomen: - het V9-formulier d.d. 9 juli 2025 met bijlage namens de man; - het V9-formulier d.d. 10 juli namens de vrouw. 3De feiten 3.
- Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast. 3.
- Partijen hebben een relatie met elkaar gehad. Tijdens deze relatie is geboren: [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2020 te [geboorteplaats] . 3.
- De man heeft [minderjarige] erkend en partijen hebben laten aantekenen dat zij gezamenlijk zijn belast met het gezag over [minderjarige] . 4De beoordeling 4.
- Uit de V-formulieren van 9 en 10 juli 2025 blijkt dat partijen na de mondelinge behandeling alsnog overeenstemming hebben bereikt over het bedrag dat de man ten behoeve van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] aan de vrouw dient te voldoen. 4.
- Partijen zijn overeengekomen dat de man aan de vrouw met ingang van 1 januari 2025 als bijdrage in de kosten van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] zal voldoen een bedrag van € 275,- per maand, voor wat betreft de nog niet verschenen termijnen te voldoen bij vooruitbetaling, welk bedrag per 1 januari 2026 zal worden geïndexeerd. Voor de reeds verschenen termijnen betreft heeft de man reeds een bedrag van € 310,- voldaan, zodat nog een bedrag resteert van € 1.615,- welk bedrag de man uiterlijk op 15 juli 2025 aan de vrouw zal voldoen. Partijen hebben het hof verzocht om zich uit te laten over de behoefte van [minderjarige] . 4.
- Nu partijen overeenstemming hebben bereikt en niet is gebleken dat de overeengekomen kinderalimentatie niet in overeenstemming is met de wettelijke maatstaven, zal het hof overeenkomstig hun afspraak beslissen. Het hof overweegt wat betreft de behoefte van [minderjarige] als volgt. 4.3.
- De man heeft aangevoerd dat de behoefte van [minderjarige] dient te worden vastgesteld op basis van het inkomen van de ouders in 2022 omdat partijen in 2023 uit elkaar zijn gegaan. De vrouw heeft aangevoerd dat het inkomen van 2023 in aanmerking moet worden genomen omdat de financiële banden tussen partijen pas eind 2023 dan wel begin 2024 zijn verbroken. 4.3.
- Het hof gaat uit van de inkomens in 2023 voor de berekening van de behoefte van [minderjarige] . Partijen zijn tot na de zomer van dat jaar feitelijk bij elkaar geweest en pas in december 2023 is de voormalige echtelijke woning verkocht, waarvoor de kosten door beide partijen werden gedragen. De financiële verwevenheid tussen partijen heeft derhalve nog heel 2023 voortgeduurd, waardoor [minderjarige] kon profiteren van het ten behoeve van het gezin in dat jaar gegenereerde inkomen. Het inkomen van de man bedroeg in 2023 volgens de jaaropgave € 33.782,- en dat van de vrouw volgens de jaaropgave € 28.255,-. Dit levert een netto besteedbaar gezinsinkomen op van € 4.117,- en een behoefte van € 569,- per maand van [minderjarige] in 2023, € 644,- in
- Daarbij is, anders dan door partijen, bij de man geen rekening gehouden met arbeidskorting omdat hij een WIA-uitkering ontvangt en bij de vrouw geen rekening gehouden met de combinatiekorting omdat de situatie voor het feitelijk uiteengaan maatgevend is. Het hof merkt op dat er geen verhoging van de behoefte zal plaatsvinden in verband met eventuele opvangkosten. Voor zover dit standpunt al werd ingenomen namens de vrouw is dit tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep ingetrokken omdat de opvangkosten na aftrek van de kinderopvangtoeslag niet zodanig hoog zijn dat deze niet elders kunnen worden gecompenseerd en dus behoefteverhogend werken. 4.
- Gelet op het voorgaande beslist het hof als volgt. Het hof heeft een berekening van de behoefte van [minderjarige] gemaakt. Een gewaarmerkt exemplaar van deze berekening is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit. 7De beslissing Het hof: vernietigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 25 november 2024 en opnieuw beschikkende: bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van 1 januari 2025 als bijdrage in de kosten van de verzorging en opvoeding van [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2020 te [geboorteplaats] , zal voldoen een bedrag van € 275,- per maand, voor wat betreft de nog niet verschenen termijnen te voldoen bij vooruitbetaling, welk bedrag per 1 januari 2026 zal worden geïndexeerd; bepaalt dat de man voor de reeds verschenen termijnen een bedrag van € 310,- heeft voldaan, zodat nog een bedrag resteert van € 1.615,- welk bedrag de man uiterlijk op 15 juli 2025 aan de vrouw zal voldoen; verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad; wijst af het meer of anders verzochte. Deze beschikking is gegeven door mrs. M.J.C. van Leeuwen, E.M.C. Dumoulin en E.P. de Beij en is op 31 juli 2025 uitgesproken in het openbaar door mr. E.M.C. Dumoulin in tegenwoordigheid van mr. C.A.M. Smolders, griffier.