← Nederland

ECLI:NL:GHSHE:2025:2137

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH Team familie- en jeugdrecht Uitspraak : 31 juli 2025 Zaaknummer : 200.353.106/01 Zaaknummer 1e aanleg : C/02/430496/JE RK 25-31 in de zaak in hoger beroep van: [de moeder] , wonende te [woonplaats] , verzoekster in hoger beroep, hierna te noemen: de moeder, advocaat: mr. P.K. de Blieck-Willemsen, tegen Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie [locatie] , verweerder in hoger beroep, hierna te noemen: de raad. Deze zaak gaat over de ondertoezichtstelling van de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2021 te [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] . Het hof merkt als belanghebbenden aan: [de vader] , wonende in [woonplaats] , hierna te noemen: de vader, advocaat: mr. M. Akça-Altun te Breda. Stichting Jeugdbescherming Brabant, gevestigd te [vestigingsplaats] , hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI). 1Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 14 februari 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. 2Het geding in hoger beroep 2.

  1. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 3 april 2025, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende het verzoek van de raad tot ondertoezichtstelling van de minderjarige [minderjarige] af te wijzen, dan wel de duur van de ondertoezichtstelling te beperken tot zes maanden. 2.
  2. Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 22 april 2025, heeft de raad verzocht voormelde beschikking te bekrachtigen. 2.
  3. Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 2 mei 2025, heeft de vader verzocht voormelde beschikking te bekrachtigen. 2.
  4. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 1 juli
  5. Bij die gelegenheid zijn gehoord: de moeder, bijgestaan door mr. de Blieck-Willemsen; de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] ; de vader, bijgestaan door mr. Akça-Altun; de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI 1] en [vertegenwoordiger van de GI 2] . 2.
  6. Het hof heeft verder kennisgenomen van de inhoud van: het V2-formulier van 16 april 2025, waarin mr. Akça-Altun zich stelt voor de vader; het V6-formulier van 20 mei 2025 van mr. de Blieck-Willemsen, met als bijlage het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij de rechtbank op 14 februari 2025; het V6-formulier van 19 juni 2025 van mr. de Blieck-Willemsen met producties 7-10; de door de raad op verzoek van het hof overgelegde raadsrapporten van 14 mei 2024 en 7 januari
  7. 3De beoordeling 3.
  8. Uit de inmiddels verbroken relatie van de moeder en de vader is de minderjarige [minderjarige] geboren. [minderjarige] is erkend door de vader. De moeder is belast met het ouderlijk gezag en [minderjarige] woont bij haar. 3.
  9. Bij beschikking van 28 februari 2025 heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda , het verzoek van de vader om te bepalen dat de ouders voortaan gezamenlijk belast zullen zijn met het ouderlijk gezag over [minderjarige] aangehouden, evenals de over en weer gedane verzoeken om een (voorlopige) omgangregeling tussen [minderjarige] en de vader vast te stellen. 3.
  10. Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 14 februari 2025 tot 14 februari
  11. 3.
  12. De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen. 3.
  13. De moeder voert – samengevat – het volgende aan. Er is geen sprake van een ernstig bedreigde ontwikkeling van [minderjarige] . De moeder begrijpt niet waarom de rechtbank een ondertoezichtstelling noodzakelijk acht. De ondertoezichtstelling heeft geen meerwaarde. De vader is door zijn verslaving niet in staat om voor [minderjarige] te zorgen en is vanaf de geboorte niet betrokken bij de opvoeding en verzorging van [minderjarige] . De moeder heeft ervoor gezorgd dat [minderjarige] niet wordt blootgesteld aan spanningen tussen de ouders. De moeder staat het contact van de vader met [minderjarige] niet in de weg en werkt mee aan begeleide omgang. Zij staat ook open voor onbegeleide omgang, mits de vader niet onder invloed is van alcohol en/of drugs. De vader erkent zijn verslaving niet. Hij heeft zich aangemeld bij de verslavingszorg, maar er is verder niets bekend over de (status van zijn) behandeling. De moeder vreest, onder verwijzing naar de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 25 januari 2021, ECLI:NL:RBROT:2021:1433, dat zij voor een zeer lange periode te maken zal hebben met de ondertoezichtstelling. 3.
  14. De raad voert – samengevat – het volgende aan. De raad handhaaft het standpunt dat een ondertoezichtstelling noodzakelijk is. De raad benadrukt dat [minderjarige] zich dankzij de inzet van de moeder goed ontwikkelt. Er is echter sprake van onderbrekingen in het contact met de vader en de raad vreest dat dit een negatief effect heeft op de identiteitsontwikkeling van [minderjarige] , evenals op haar sociaal emotionele ontwikkeling. Het contact met [minderjarige] en de vader moet in een veilige setting worden opgebouwd en begeleid, onder regie van de GI. De vader kan niet onder invloed zijn als hij contact heeft met [minderjarige] , maar de verantwoordelijkheid hiervoor moet niet bij de moeder liggen. De raad begrijpt de zorg van de moeder dat het inzetten van hulpverlening geen zin heeft zolang de vader verslaafd is, maar de raad is van mening dat juist door toezicht van de GI de kans groter is dat de vader meewerkt aan verbetering om het contact met [minderjarige] te herstellen. 3.
  15. De vader voert – samengevat – het volgende aan. De vader staat achter de ondertoezichtstelling. De doelen kunnen niet bereikt worden in het vrijwillig kader. Het is belangrijk dat het traject onder regie van de GI wordt uitgevoerd. De vader mist zijn dochter. Hij heeft nu geen contact met haar en dit is niet in het belang van [minderjarige] . Hij is bereid om alcohol- en drugstesten af te nemen voorafgaand aan het contact met [minderjarige] . De vader is onder behandeling bij [instantie] en voert wekelijks gesprekken met zijn begeleider. Hij betwist dat er naast zijn drugsverslaving ook sprake is van een alcoholverslaving. Hij is weliswaar dronken bij de moeder aan de deur geweest, maar dit kwam door een ruzie als gevolg van zijn emotionele toestand en de hormonen bij de moeder. 3.
  16. Het hof overweegt het volgende. 3.8.
  17. Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en: de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en; de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen. 3.8.
  18. Het hof is op grond van de beschikbare informatie van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat er sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging voor [minderjarige] en dat een ondertoezichtstelling gerechtvaardigd is. Er is niet voldaan aan de wettelijke vereisten van artikel 1:255 lid 1 BW. Het hof overweegt daartoe als volgt. 3.8.
  19. De concrete bedreigingen in de ontwikkeling van [minderjarige] zijn volgens de raad gelegen in de al jarenlang durende ex-partnerstrijd en het middelengebruik van de vader. Als gevolg daarvan is er op dit moment geen contact tussen [minderjarige] en de vader. Het hof acht het zorgelijk dat [minderjarige] geen contact heeft met haar vader, maar acht deze zorgen niet zodanig dat er sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging. Het hof ziet dat het contactverlies met name door de verslavingsproblematiek bij de vader komt en niet zozeer is gelegen in de ex-partnerproblematiek. De moeder is door haar geschiedenis met de vader en zijn verslaving wantrouwend richting hem, maar zij is niet onwelwillend, zo is gebleken, om [minderjarige] in contact te brengen met de vader. Daarvoor is het echter wel nodig dat de vader niet onder invloed is tijdens het contact met [minderjarige] . De raad bevestigt tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep dat de vader niet onder invloed kan zijn op het moment dat hij contact heeft met [minderjarige] . De vader heeft zich blijkens de door hem overgelegde behandelovereenkomst, gedateerd 20 december 2024, aangemeld bij [instantie] voor hulp bij het stoppen met blowen. Er zijn bij het hof geen verdere gegevens bekend over de vorm, status en behaalde of nog te behalen doelen van de behandeling. Ook de GI is hiervan niet op de hoogte. Verder is niet gebleken dat de vader naast het blowen ook hulp ontvangt voor het alcoholgebruik en/of het gebruik van harddrugs. Uit het dossier volgt dat ook deze kwesties een rol spelen in het leven van de vader. In de bestreden beschikking merkt de kinderrechter op dat het voornaamste doel (in het begin) is het herstellen van contact tussen de vader en [minderjarige] . Zoals het hof hiervoor heeft overwogen, ligt de sleutel daarvoor binnen de invloedsfeer van de vader. Er is een instantie nodig om dit te monitoren, maar begeleide omgang met bepaalde voorwaarden kan ook buiten het gedwongen kader worden aangegaan, bijvoorbeeld in de nog lopende gezag- en omgangzaak. Daarvoor is een ondertoezichtstelling niet noodzakelijk, te meer nu de GI de vader zonder gezag geen schriftelijke aanwijzingen kan geven. 3.8.
  20. Een ondertoezichtstelling is naar het oordeel van het hof een te zwaar middel. Over de opvoedcapaciteiten van de moeder bestaan geen zorgen en het gaat goed met [minderjarige] . Ook heeft de moeder laten zien dat zij bereid is om mee te werken aan begeleide omgang tussen [minderjarige] en de vader binnen het vrijwillig kader (mits de vader aantoonbaar niet onder invloed is). Het hof ziet dan ook onvoldoende grond om een ondertoezichtstelling te rechtvaardigen. 3.8.
  21. Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking dient te worden vernietigd en dat het verzoek van de raad alsnog moet worden afgewezen. 4De beslissing Het hof: vernietigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda , van 14 februari 2025; en opnieuw recht doende: wijst alsnog af het inleidend verzoek van de raad tot ondertoezichtstelling van de minderjarige [minderjarige] ; verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht ter attentie van het centraal gezagsregister; wijst af het meer of anders verzochte. Deze beschikking is gegeven door mrs. E.P. de Beij, E.M.C. Dumoulin en M.J.C. van Leeuwen en is op 31 juli 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.