GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH Team familie- en jeugdrecht Uitspraak: 31 juli 2025 Zaaknummer: 200.352.411/01 en 200.352.411/02 Zaaknummer eerste aanleg: C/02/427539/ JE RK 24-1828 in de zaak in hoger beroep van: [de moeder] , wonende te [woonplaats] , verzoekster in hoger beroep, hierna te noemen: de moeder, advocaat: mr. N.P. Scholte, tegen Stichting Jeugdbescherming Brabant, statutair gevestigd te [vestigingsplaats] , vestiging [vestiging] , verweerster in hoger beroep, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI). Als belanghebbende is aangemerkt: [de vader] , wonende te [woonplaats] , hierna te noemen: de vader, advocaat: mr. J.A.N. Lap. In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend: de Raad voor de Kinderbescherming, hierna te noemen: de raad. In het kort: Deze zaak gaat over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, althans voor zover het betreft het halen en brengen en de door de rechtbank vastgestelde tijd. 1Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (locatie Breda) van 17 december 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. 2Het geding in hoger beroep 2.
- Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 14 maart 2025, heeft de moeder in de bodemzaak verzocht, zonodig onder verbetering en/of aanvulling van gronden, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voormelde beschikking te vernietigen ten aanzien van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en, opnieuw rechtdoende, te bepalen dat: de kinderen één weekend per maand gezamenlijk bij de moeder verblijven en dat de kinderen één weekend per maand gezamenlijk bij de vader verblijven, aldus dat de vader [minderjarige 1] met ingang van de datum van afgifte van de beschikking één weekend per maand op vrijdagavond om 19:00 uur bij de moeder brengt en op zondagavond om 19:00 uur bij de moeder ophaalt en dat de vader [minderjarige 2] één weekend per maand op vrijdagavond 19:00 uur bij de moeder ophaalt en op zondagavond om 19:00 uur bij de moeder terugbrengt; de vader de minderjarigen bij het wisselen in verband met de vakanties en feestdagen bij de moeder haalt en brengt; althans een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vast te stellen die het hof juist acht. Dit verzoek is ingeschreven onder zaaknummer 200.352.411/01 2.
- De moeder heeft tevens verzocht om bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat: I. de vader [minderjarige 1] in de ene maand op vrijdagavond om 19:00 uur bij de moeder brengt en op zondagavond om 19:00 uur bij de moeder ophaalt en dat hij [minderjarige 2] in de andere maand op vrijdagavond 19:00 uur bij de moeder ophaalt en op zondagavond om 19:00 uur bij de moeder terugbrengt; II. de vader de beslissing van de rechtbank zal nakomen dat de kinderen eenmaal per week op woensdagavond rond 19:00 uur bellen met de ouder waar ze niet verblijven. Dit verzoek is ingeschreven onder zaaknummer 200.352.411/02 2.2.
- De moeder heeft haar verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening tijdens de mondelinge behandeling ingetrokken. Het hof zal de moeder daarom niet-ontvankelijk verklaren in dat verzoek. 2.
- Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 22 april 2025, heeft de vader verzocht de verzoek van de moeder af te wijzen. 2.
- Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 24 april 2025, heeft de GI zich ten aanzien van het verzoek van de moeder gerefereerd aan het oordeel van het hof. 2.
- De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 9 mei
- Bij die gelegenheid zijn gehoord: de moeder, bijgestaan door mr. Scholte; mr. Lap namens de vader; de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] . 2.5.
- De raad is, met bericht van verhindering, niet tijdens de mondelinge behandeling verschenen. 2.5.
- Het hof heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken. Zij hebben hier geen gebruik van gemaakt. 2.
- Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van: het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 17 december 2024; het V6-formulier van de advocaat van de moeder d.d. 1 mei
- 2.
- Na de mondelinge behandeling in hoger beroep zijn nog ingekomen: het V9-formulier van de advocaat van de moeder d.d. 5 juni 2025; het V9-formulier van de advocaat van de vader d.d. 6 juni 2025; de brief van de GI d.d. 21 juli 2025 3De beoordeling 3.
- Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. Zij zijn de ouders van: - [minderjarige 1] (hierna: [minderjarige 1]), op [geboortedatum] 2011 te [geboorteplaats] ; - [minderjarige 2] (hierna: [minderjarige 2]), op [geboortedatum] 2013 te [geboorteplaats] . Partijen oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag over de kinderen uit. 3.
- Bij beschikking van 31 augustus 2018 zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld van de Stichting Jeugdbescherming Gelderland. De Stichting Jeugdbescherming Gelderland is, bij beschikking van 25 augustus 2022, vervangen door de Stichting Jeugdbescherming Brabant. Bij beschikking van 16 april 2025 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] verlengd tot 1 mei 2026 en is de Stichting Jeugdbescherming Brabant vervangen door Stichting Jeugdbescherming Gelderland. De ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] is laatstelijk verlengd op 30 april 2025 tot 1 november
- 3.
- Bij beschikking van 22 juni 2015 heeft de rechtbank bepaald dat de kinderen hun hoofdverblijfplaats hebben bij de vader. Bij beschikking van 26 januari 2024 heeft de rechtbank dit gewijzigd en bepaald dat de kinderen hun hoofdverblijfplaats bij de moeder hebben. 3.
- Bij beschikking van 17 december 2024 heeft de rechtbank een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] bij de vader. De machtiging tot uithuisplaatsing is laatstelijk verlengd bij beschikking van 16 april 2025, tot 1 mei
- 3.
- Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking heeft de rechtbank, voor zover in hoger beroep van belang, op verzoek van de GI de volgende verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vastgesteld: - de kinderen verblijven één weekend in de maand gezamenlijk bij de vader en één weekend in de maand gezamenlijk bij de moeder. Het weekend zal zijn van vrijdagavond (tijd nader te bepalen) tot zondagavond (tijd nader te bepalen). Beide ouders zijn verantwoordelijk voor het halen en brengen van de kinderen. Hierin moet een gelijke verdeling gemaakt worden. Als een gezaghebbende ouder zelf niet kan rijden, kan in overleg, maar met goedkeuring van alle betrokkenen, gekeken worden naar een andere persoon om te halen/brengen. 3.
- De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen. 3.
- De advocaat van de moeder heeft het hof bij voormeld V9-formulier van 5 juni 2025 bericht dat de partijen, na de mondelinge behandeling in hoger beroep, overeenstemming hebben bereikt over hetgeen hen in het hoger beroep verdeeld hield. De advocaat van de vader heeft bij voormeld V9-formulier van 6 juni 2025 het hof gelijkluidend bericht. De vader en de moeder zijn het volgende overeengekomen: [minderjarige 2] zal éénmaal per maand door de vader worden opgehaald bij de moeder in [woonplaats moeder] om 19:00 uur. Op zondag om 18:00 uur brengt de vader [minderjarige 2] weer bij de moeder in [woonplaats moeder] . Wanneer [minderjarige 2] wat ouder is, kan reizen met het openbaar vervoer in samenspraak met [minderjarige 2] worden overwogen. De vader zorgt voor een slaapplaats voor [minderjarige 2] die niet is op de kamer van [minderjarige 1] . De verdere invulling van de slaapplaats is aan de vader. De eerste keer dat [minderjarige 2] weer naar de vader is gegaan, is 16 mei
- Dit zal vervolgens iedere drie weken worden herhaald; voor het opstarten van het fysiek contact tussen de moeder en [minderjarige 1] wordt de regie gegeven aan Jeugdbescherming Gelderland; voor [minderjarige 1] wordt een belmoment afgesproken op iedere woensdag om 18:00 uur. [minderjarige 1] belt dan naar zijn moeder. Eventueel kan dat ook via Teams of een andere digitale weg. 3.
- De vader en de moeder hebben het hof verzocht om deze afspraken vast te leggen in een beschikking. De GI heeft op 21 juli 2025 te kennen gegeven hiermee te kunnen instemmen. Het hof begrijpt uit de overeenstemming dat de moeder haar grieven en haar verzoek in het incident intrekt en dat zij haar verzoeken in hoger beroep wijzigt in het verzoek voormelde afspraak op te nemen. Het hof zal het gewijzigde verzoek toewijzen en beslissen zoals hierna in het dictum is opgenomen. 3.
- Het voorgaande brengt mee dat het hof de bestreden beschikking zal vernietigen, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en zal beslissen conform de door partijen gemaakte afspraken. 4De beslissing Het hof: In de zaak met nummer 200.352.411/01: vernietigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (locatie Breda) van 17 december 2024 en in zoverre opnieuw rechtdoende: stelt omtrent de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de vader en de moeder met betrekking tot [minderjarige 1] en [minderjarige 2] de volgende regeling vast: [minderjarige 2] zal éénmaal per maand door de vader worden opgehaald bij de moeder in [woonplaats moeder] om 19:00 uur. Op zondag om 18:00 uur brengt de vader [minderjarige 2] weer bij de moeder in [woonplaats moeder] . Wanneer [minderjarige 2] wat ouder is, kan reizen met het openbaar vervoer in samenspraak met [minderjarige 2] worden overwogen. De vader zorgt voor een slaapplaats voor [minderjarige 2] die niet is op de kamer van [minderjarige 1] . De verdere invulling van de slaapplaats is aan de vader. De eerste keer dat [minderjarige 2] weer naar de vader is gegaan, is 16 mei
- Dit zal vervolgens iedere drie weken worden herhaald; voor het opstarten van het fysiek contact tussen de moeder en [minderjarige 1] wordt de regie gegeven aan Jeugdbescherming Gelderland; voor [minderjarige 1] wordt een belmoment afgesproken op iedere woensdag om 18:00 uur. [minderjarige 1] belt dan naar zijn moeder. Eventueel kan dat ook via Teams of een andere digitale weg. verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad; compenseert de kosten van het geding in hoger beroep, in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt; wijst af het meer of anders verzochte. In de zaak met nummer 200.352.411/02: verklaart de moeder niet-ontvankelijk in haar verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening. Deze beschikking is gegeven door mrs. E.M.C. Dumoulin, C.M.J. Peters en M.I. Peereboom-van Drunick en is op 31 juli 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van mr. L. Beskers, griffier.