← Nederland

ECLI:NL:GHSHE:2025:2183

Parketnummer : 20-000741-23 Uitspraak : 8 juli 2025 TEGENSPRAAK (ex art. 279 Sv) Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof 's-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 28 februari 2023, in de strafzaak met parketnummer 02-096607-22, tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1973, wonende te [adres] . Hoger beroep Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van ‘opzettelijk en wederrechtelijk identificerende persoonsgegevens, niet zijnde biometrische persoonsgegevens, van een ander gebruiken met het oogmerk om zijn identiteit te verhelen/de identiteit van een ander te verhelen/de identiteit van een ander te misbruiken, waardoor uit dat gebruik enig nadeel kan ontstaan, meermalen gepleegd’ (feit 1) en ‘poging tot computervredebreuk, meermalen gepleegd’ (feit 2) veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 150 uren subsidiair 75 dagen hechtenis en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 week met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is de teruggave gelast van de onder de verdachte in beslag genomen voorwerpen en heeft de rechtbank beslist op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] . Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis tijdig hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte niet-ontvankelijk zal verklaren in het appel voor zover het is gericht tegen de beslissingen tot (partiële vrijspraak) door de rechtbank, inhoudende de onder 1 impliciet cumulatief tenlastegelegde feiten op 14 en 15 mei 2020 en de onder 2 impliciet cumulatief tenlastegelegde feiten op 27 april 2020 en op 9 en 11 mei 2020. De advocaat-generaal heeft voorts gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep voor het overige zal vernietigen wegens een wijziging van de tenlastelegging in hoger beroep, en de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde zal veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 150 uren subsidiair 75 dagen hechtenis. Ten slotte heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat het hof de vordering van de benadeelde partij zal toewijzen. De verdediging heeft primair vrijspraak bepleit. Subsidiair is een straftoemetingsverweer gevoerd. Ten slotte heeft de verdediging een standpunt ingenomen omtrent de vordering van de benadeelde partij en de onder de verdachte in beslag genomen voorwerpen. Ontvankelijkheid van het hoger beroep (feit 1 en feit 2) Het hoger beroep van de verdachte is onbeperkt ingesteld en richt zich aldus mede tegen de vrijspraak door de rechtbank van de onder 1 impliciet cumulatief tenlastegelegde feiten op 14 en 15 mei 2020 (gedachtestreepjes 2 en 3 van feit 1) en van de onder 2 impliciet cumulatief tenlastegelegde feiten op 27 april 2020 en 9 en 11 mei 2020 (gedachtestreepjes 1 en 3 van feit 2). Het hoger beroep is later niet beperkt door een partiële intrekking. Gelet op het bepaalde in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor een verdachte geen hoger beroep open tegen een vrijspraak. Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in zijn hoger beroep voor zover het hiertegen is gericht. Vonnis waarvan beroep Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen en opnieuw rechtdoen omdat in hoger beroep de tenlastelegging – en aldus de grondslag van het onderzoek – is gewijzigd. Dit laat onverlet dat het hof zich in belangrijke mate kan vinden in de beslissingen en motiveringen van de rechtbank, zodat het hof onderdelen van het vernietigde vonnis zal overnemen en tot de zijne zal maken. Tenlastelegging Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep en voor zover thans nog aan de orde – tenlastegelegd dat: 1. hij in of omstreeks de periode van 7 mei 2020 tot en met 9 oktober 2020 te Tilburg en/of Udenhout, althans in Nederland, (meermalen) opzettelijk en wederrechtelijk identificerende persoonsgegevens, niet zijnde biometrische persoonsgegevens, van een ander te weten [benadeelde] heeft gebruikt door - (op 7 mei 2020) een bestelling van, dan wel een bod op, een industrieel wandrek en/of een of meerdere (andere) goederen te plaatsen/te doen bij [website 1] , via de account van en/of op naam van [benadeelde] en/of - (op 9 oktober 2020) een bestelling van 99 loten van [stichting] te plaatsen, op naam van [benadeelde] en/of onder vermelding van/ten laste van de/het bankrekening(nummer) van [benadeelde] , met het oogmerk om zijn identiteit te verhelen en/of de identiteit van de ander te verhelen en/of te misbruiken, waardoor enig nadeel kon ontstaan. 2. hij in of omstreeks de periode van 27 april 2020 tot en met 12 mei 2020 te Tilburg en/of Udenhout, althans in Nederland, ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om opzettelijk en wederrechtelijk in een (gedeelte van een) geautomatiseerd werk, te weten - één of meer server(

  1. s)met daarop het account van [benadeelde] bij [bedrijf 1] en/of het (telecommunicatie)netwerk van [bedrijf 1] en/of - één of meer server(
  2. s)met daarop het account van [benadeelde] en/of het (telecommunicatie)netwerk van [bedrijf 2] en/of [e-mailadres 1] ; binnen te dringen; a. door het doorbreken van een beveiliging, c. met behulp van valse signalen of een valse sleutel, te weten door onrechtmatig gebruik te maken van de inlognaam en/of het wachtwoord van [benadeelde] en/of een ander e-mailadres toe te voegen/te vermelden, en/of d. door het aannemen van een valse hoedanigheid; immers heeft hij, met dat opzet - (op 5 mei 2020) getracht in te loggen op één of meer server(
  3. s)met daarop het account van [benadeelde] bij [bedrijf 1] en/of het (telecommunicatie)netwerk van [bedrijf 1] door aldaar de inloggegevens van die [benadeelde] in te vullen en te verzenden en/of - (op 12 mei 2020) getracht in te loggen op één of meer server(
  4. s)met daarop het account van [benadeelde] en/of het (telecommunicatie)netwerk van [bedrijf 2] en/of [e-mailadres 1] door aldaar de inloggegevens van die [benadeelde] in te vullen en te verzenden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid. De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat: 1. hij in de periode van 7 mei 2020 tot en met 9 oktober 2020 te Tilburg, opzettelijk en wederrechtelijk identificerende persoonsgegevens, niet zijnde biometrische persoonsgegevens, van een ander te weten [benadeelde] heeft gebruikt door - op 7 mei 2020 een bestelling van, dan wel een bod op, een industrieel wandrek en meerdere (andere) goederen te plaatsen/te doen bij [website 1] , via de account van [benadeelde] en - op 9 oktober 2020 een bestelling van 99 loten van [stichting] te plaatsen, op naam van [benadeelde] en onder vermelding van het bankrekeningnummer van [benadeelde] , met het oogmerk om zijn identiteit te verhelen en de identiteit van de ander te misbruiken, waardoor enig nadeel kon ontstaan. 2. hij in de periode van 27 april 2020 tot en met 12 mei 2020 te Tilburg, ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om opzettelijk en wederrechtelijk in een (gedeelte van een) geautomatiseerd werk, te weten - één of meer server(
  5. s)met daarop het account van [benadeelde] bij [bedrijf 1] en het (telecommunicatie)netwerk van [bedrijf 1] en - één of meer server(
  6. s)met daarop het account van [benadeelde] en het (telecommunicatie)netwerk van [bedrijf 2] en [e-mailadres 1] ; binnen te dringen; c. met behulp van een valse sleutel, te weten door onrechtmatig gebruik te maken van de inlognaam en het wachtwoord van [benadeelde] en immers heeft hij, met dat opzet - op 5 mei 2020 getracht in te loggen op één of meer server(
  7. s)met daarop het account van [benadeelde] bij [bedrijf 1] en het (telecommunicatie)netwerk van [bedrijf 1] door aldaar de inloggegevens van die [benadeelde] in te vullen en te verzenden en - op 12 mei 2020 getracht in te loggen op één of meer server(
  8. s)met daarop het account van [benadeelde] en het (telecommunicatie)netwerk van [bedrijf 2] en [e-mailadres 1] door aldaar de inloggegevens van die [benadeelde] in te vullen en te verzenden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid. Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken. Bewijsmiddelen 1. Het proces-verbaal van aangifte door [benadeelde] d.d. 14 mei 2020, pagina’s 21 tot en met 23, inhoudende - zakelijk weergegeven: Op 7 mei 2020 zag ik dat ik een e-mail kreeg van [website 1] . In de e-mail stond dat ik de winnaar was van een bod op een goed. Het zou gaan om een industrieel wandrek. Ik heb nooit een bod gedaan op een industrieel wandrek op [website 1] . Verder las ik in de e-mail dat ik de veiling gewonnen had en dat ik kon betalen. In de bestelling stonden meerdere wandrekken en kastjes ter waarde van bijna 600 euro. Op 8 mei 2020 heb ik gebeld met [website 1] en het verhaal uitgelegd. Deze goederen waren besteld met mijn account [e-mailadres 2] . De medewerker die ik aan de lijn had kon wel een IP-adres achterhalen waarmee de bestelling was gedaan. Dit is [IP-adres] . [website 1] heeft de bestellingen geannuleerd en het account geblokkeerd. Ik en mijn partner hebben een adviesbedrijf. Dit adviesbureau heet [bedrijf 4] . Op 12 mei 2020 heeft [bedrijf 2] ontdekt dat er op die dag is getracht in te loggen op emailadres [e-mailadres 1] met IP-adres [IP-adres] . [bedrijf 2] heeft hiervan een logfile uitgedraaid. Dit zal ik toevoegen. Op 5 mei 2020 is er een inlogpoging gedaan in het onlineportaal wat wij gebruiken van het accountbedrijf [bedrijf 1] . Ook hier werd IP-adres [IP-adres] gebruikt. 2. Het geschrift, te weten een e-mail van [website 1] d.d. 7 mei 2020, pagina 24, inhoudende - zakelijk weergegeven: Beste [benadeelde] , Jij bent de winnaar! Met je bod van € 13,00 (excl. € 5,50 administratiekosten en eventuele verzendkosten) heb je de volgende veiling gewonnen: Industrieel wandrek (hoogte: 58
  9. cm)Direct betalen € 25,45 op 07-05-2020 Ordernummer: 30179362 Betaal direct, zodat je snel kunt genieten van je winst! Vergeet niet na betaling je waardebon of e-ticket te downloaden en op tijd te reserveren als dat nodig is. Veel plezier met je gewonnen veiling! 3. De geschriften, te weten een email van [website 1] d.d. 20 mei 2020, pagina 26, inhoudende - zakelijk weergegeven: Beste [benadeelde] , Bijgevoegd tref je het overzicht van ordernummer 30179362. Met vriendelijke groet. [naam] [website 1] 4. Het geschrift, te weten een factuur van [website 1] d.d. 7 mei 2020, pagina 27, inhoudende – zakelijk weergegeven: Factuur [benadeelde] Datum 07-05-2020 Factuurnummer: 30179362 Betreft: gewonnen veiling/aankoop Omschrijving: - Industrieel wandrek - Moderne wandtafel - Wandkast - Set zwarte hanglampen - Moderne wandtafel 5 . Het geschrift, te weten een melding inlogpoging, pagina 30, inhoudende – zakelijk weergegeven : Melding inlogpoging Portal [bedrijf 1] : Dinsdag 5 mei 2020 om 23.05 uur. Inloggen via [website 2] met gebruikersnaam en wachtwoord, waarna een verificatiecode via sms volgt. In deze portal bevinden zich onze zakelijke en privé zaken aangaande IB en jaarrekeningen. Hieronder de sms-code die ontvangen is: Dinsdag 5 mei 2020 om 23.05 uur [bedrijf 1] bevestigingscode: 18217. Deze code is geldig tot 23:20. [bedrijf 1] 6. Het geschrift, te weten een mail van [betrokkene 1] van [bedrijf 3] aan [betrokkene 2] van [bedrijf 1] , pagina 33, inhoudende - zakelijk weergegeven: Ik heb in de logfiles gezien dat er op 05-05-2020 om 23:05:53u een inlogpoging is geweest van IP-adres [IP-adres] met de gebruikersnaam [benadeelde] . 7. Het geschrift, te weten een email van [benadeelde] van [bedrijf 4] van 11 mei 2020 aan [betrokkene 3] van [bedrijf 1] , pagina 34, inhoudende - zakelijk weergegeven: Er is geprobeerd om in te loggen in jullie website via [website 2] . Ik kreeg daarvoor een verificatiecode via sms. Dat sms’je heb ik op 5 mei [het hof begrijpt: 2020] om 23:05 uur ontvangen. Kunnen jullie me s.v.p. helpen door na te gaan welk IP-adres op dat moment heeft getracht in te loggen in mijn account bij jullie? 8. Het geschrift, te weten een overzicht van [bedrijf 2] , pagina 42, inhoudende - zakelijk weergegeven: Datum 12-5-2020, 12:43:21 Gebruiker Facturatie | [bedrijf 4] Status Fout IP-adres [IP-adres] Locatie Tilburg, Noord-Brabant 9. Het geschrift, te weten een overzicht van [bedrijf 2] , pagina 43, inhoudende - zakelijk weergegeven: Datum 12-5-2020 12:43:21 Status Fout Reden van fout Invalid username or password or Invalid on­premise username or password. Gebruiker Facturatie [bedrijf 4] Gebruikersnaam [e-mailadres 1] Gebruikers-id [gebruiker-id] 10. Het proces-verbaal van verhoor aangeefster d.d. 16 oktober 2020, pagina 57 en 58, inhoudende - zakelijk weergegeven: Op 15 oktober 2020 keek ik op mijn bankrekening en ik zag tot mijn grote verbazing dat er een bedrag van € 297,- was afgeschreven. Bij de afschrijving stond de volgende omschrijving: [stichting] . In totaal zijn er 99 loten aangekocht. Ik had vervolgens telefonisch contact opgenomen met [stichting] . Ik had contact met Annemiek de Bont. Zij bevestigde dat de eerdergenoemde loten aangekocht zijn op 9 oktober 2020. Dat de loten aangekocht zijn met een eenmalige machtiging. Ik hoorde van haar dat de loten waren gekocht met het e-mailadres [e-mailadres 3] . Dit emailadres is niet van ons. Ik heb geen loten gekocht bij [stichting] . [betrokkene 4] van [stichting] heeft uitgezocht welk IP-adres achter de aankoop van de loten zit. Vandaag kreeg ik een e-mail van [betrokkene 4] terug met daarin de gegevens. Ik zag dat het volgende IP-adres is gebruikt: [IP-adres] . 11. Het geschrift, te weten een email van [betrokkene 4] van clubactie aan [benadeelde] d.d. 16 oktober 2020, pagina 63 en 65, inhoudende - zakelijk weergegeven: Beste [benadeelde] , Hieronder en in de bijlage zoals beloofd alle data en stappen die tot de aankoop van de 99 loten op naam van [benadeelde] (met jullie IBAN) heeft geleid. Hopelijk helpt dit het politieonderzoek verder en kan dit voor jullie in de toekomst worden voorkomen! Uit de logbestanden van de loadbalancer en de Webserver hebben we kunnen achterhalen van de gebruiker welke deze bestelling heeft geplaatst, dit is: [IP-adres] . Vanaf dit IP-adres is op vrijdagavond [het hof begrijpt: 9 oktober 2020] rond 23:20 uur een bestelling geplaatst voor [vereniging] . Hieronder meer details: We zien dat de bezoeker om 23:17 [het hof begrijpt: op 9 oktober 2020] binnenkomt op het online verkoopboekje op de ‘lot kopen’-pagina: [IP-adres] [het hof begrijpt: het IP-adres van de bezoeker]. Met vriendelijke groet, [betrokkene 4] [stichting] 12. Het geschrift, te weten de aanvraag ID, pagina 82, inhoudende - zakelijk weergegeven: Aanvraag ID Uitslag Ziggo IP adres: [IP-adres] [verdachte] , [adres] E-mailadres: [e-mailadres 4] . 13. Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 95, inhoudende - zakelijk weergegeven: Op 28 oktober 2020 is het IP-adres [IP-adres] nogmaals bevraagd en staat het nog steeds geregistreerd op: [verdachte] , [adres] . 14. Het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg d.d. 14 februari 2023, voor zover inhoudende, als verklaring van de verdachte - zakelijk weergegeven: Ik heb gewerkt bij [bedrijf 4] als veiligheidskundig adviseur, trainer en opleidingscoördinator. In 2019 is het dienstverband geëindigd met een vaststellingsovereenkomst. Ik ben niet van internetprovider gewijzigd. Bewijsoverwegingen Algemene bewijsoverwegingen De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd. Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft. Feiten Aangeefster [benadeelde] en haar partner hebben een adviesbureau, genaamd [bedrijf 4] . De verdachte is in loondienst geweest bij dit adviesbureau en aldaar werkzaam geweest als veiligheidsadviseur, trainer en opleidingscoördinator. Eind 2019 is hij uit dienst getreden nadat zijn dienstverband middels een vaststellingsovereenkomst werd beëindigd. Het hof stelt verder het volgende vast: Op 5 mei 2020 is geprobeerd in te loggen op een server met het onlineportaal van het slachtoffer bij het accountantsbedrijf [bedrijf 1] en belastingadviseurs. Op 7 mei 2020 is met het account van het slachtoffer bij [website 1] een bod uitgebracht op een industrieel wandrek en een bestelling geplaatst voor meerdere wandrekken en kastjes. Op 12 mei 2020 is geprobeerd in te loggen op een server met daarop het account met het e-mailadres [e-mailadres 1] van het slachtoffer bij [bedrijf 2] . Op 9 oktober 2020 zijn bij [stichting] 99 loten gekocht op naam van het slachtoffer en onder vermelding van haar bankrekeningnummer. Bij deze bestellingen en inlogpogingen is telkens gebruik gemaakt van het IP-adres [IP-adres] . Dit IP-adres staat geregistreerd op de naam- en adresgegevens van verdachte. Verweren van de verdediging De verdediging heeft vrijspraak bepleit. Daartoe is – kort weergegeven – bepleit dat de enkele koppeling met het IP-adres dat aan de verdachte wordt toegeschreven nog niet met zich brengt dat het ook de verdachte is geweest die zich schuldig heeft gemaakt aan de tenlastegelegde feiten. Immers meerdere personen binnen het huishouden hadden toegang tot voormeld IP-adres. Bovendien is geen nader onderzoek gedaan naar het IP-adres en blijken de feiten slechts uit de aangifte. Voorts is het enkele feit dat de verdachte een motief zou hebben niet voldoende, en is op de apparaten van de verdachte geen steunbewijs aangetroffen voor de tenlastegelegde feiten. Dit is een contra-indicatie voor verdachtes betrokkenheid. Bespreking verweren Het verweer van de verdediging, inhoudende dat het IP-adres van degene die op 7 mei 2020 het bod heeft uitgebracht en de bestelling heeft geplaatst slechts volgt uit de aangifte en een onderbouwing van [website 1] ontbreekt, wordt verworpen. Uit de aangifte leidt het hof af dat het slachtoffer op 8 mei 2020 zelf telefonisch contact heeft gehad met [website 1] , waarbij door [website 1] het IP-adres is medegedeeld. Het hof heeft geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van deze verklaring. Ten tijde van de aangifte waren de gegevens van de gebruiker van het IP-adres dat door [website 1] aan aangeefster is doorgegeven nog niet bekend. De vordering van de politie om de gebruiker van het IP-adres op te vragen dateert immers van 19 mei 2020. Het hof ziet de informatie van [website 1] als steunbewijs afkomstig uit een andere bron dan aangeefster. Wat betreft de aankoop van de loten van [stichting] bevindt zich in het dossier nog een e-mailbericht van [stichting] van 16 oktober 2020 waarin het IP-adres dat gelinkt kan worden aan verdachte wordt genoemd. Ook daarvoor is derhalve voldoende wettig en overtuigend bewijs. Ook verwerpt het hof het verweer van de verdediging, dat de koppeling tussen het IP-adres en verdachte onvoldoende is voor de vaststelling dat verdachte ook daadwerkelijk de bestellingen en inlogpogingen heeft gedaan. De verdediging heeft ter onderbouwing van dit verweer verwezen naar een uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 22 januari 2021 (ECLI:NL:GHAMS:2021:103), maar deze verwijzing treft geen doel. Het hof is van oordeel dat deze casus wezenlijk van elkaar verschillen. Anders dan in deze zaak, waren in de zaak bij het Amsterdamse hof IP-adressen gebruikt die niet konden worden herleid tot de verdachte, waaronder een IP-adres in een geheel andere plaats dan waar de verdachte woonde. Ook was in die zaak, anders dan in deze zaak, sprake van een getuige die bevestigde dat er veel vrienden bij verdachte over de vloer kwamen die over het wifi-wachtwoord beschikten. Van de verdachte mag – aldus de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2018:1767) – worden verwacht dat hij een verklaring geeft die voldoende concreet en betrouwbaar is en die een geloofwaardig alternatief vormt voor de bewijsmiddelen. Bij de politie heeft de verdachte zich op zijn zwijgrecht beroepen. Ter zitting heeft de verdachte zijn betrokkenheid ontkend en aangevoerd dat veel mensen zijn wifi-wachtwoord weten en veel mensen gebruik kunnen hebben gemaakt van zijn draadloze netwerk. Nu verdachte dit op geen enkele wijze heeft geconcretiseerd en geen aannemelijke, verifieerbare onderbouwing heeft gegeven voor een eventueel alternatief scenario of mogelijk motief van anderen, betrekt het hof dit in de weging van de overige bewijsmiddelen en concludeert het hof dat het de verdachte is geweest die de bestellingen op 7 mei 2020 en 9 oktober 2020 heeft geplaatst en de inlogpogingen op 5 en 12 mei 2020 heeft gedaan. Anders dan de verdediging, is het hof voorts van oordeel dat de enkele omstandigheid dat bij onderzoek door de politie op de gegevensdragers van de verdachte geen belastende informatie jegens hem is aangetroffen, geen contra-indicatie oplevert voor de betrokkenheid van verdachte, te meer nu dit onderzoek medio november 2020 heeft plaatsgevonden. Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde overweegt het hof ten slotte dat, nu de online-omgevingen van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] worden gehost op servers, welke zijn aan te merken als een ‘geautomatiseerd werk’, sprake is van een poging tot computervredebreuk door middel van een valse sleutel, nu de inloggegevens waarmee de verdachte probeerde in te loggen niet waren afgegeven/bestemd voor gebruik door de verdachte. Gebruik van de verklaring van aangeefster [benadeelde] Het bewijs voor de verschillende bewezenverklaarde feiten berust mede op de verklaring van aangeefster [benadeelde] , zoals neergelegd in het proces-verbaal van aangifte en het proces-verbaal van haar nader verhoor. Het hof ziet zich voor de vraag gesteld of de verklaring van [benadeelde] voor het bewijs mag worden gebruikt, nu vaststaat dat de verdediging niet in staat is geweest om [benadeelde] effectief te ondervragen en haar verklaring – in zekere zin – wel een belastende strekking heeft. Blijkens bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad – en indachtig de uitspraken hierover van het EHRM – dient het hof in een situatie als de onderhavige, wanneer de verdediging een verzoek doet tot het horen van een getuige ten aanzien van wie de verdediging het ondervragingsrecht nog niet heeft kunnen uitoefenen, terwijl deze getuige al – in het vooronderzoek of anderszins – een verklaring heeft afgelegd met een belastende strekking, na te gaan of de procedure in haar geheel voldoet aan het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces. Het hof stelt vast dat de verklaring van [benadeelde] in zekere zin een belastende strekking heeft en de verdediging geen effectieve ondervragingsgelegenheid heeft gehad. Het hof is van oordeel dat sprake is van een goede reden om [benadeelde] niet te horen als getuige, nu de punten waarop de verdediging haar wenste te horen (gelet op de door de verdediging aan het verzoek ten grondslag gelegde motivering, mede blijkens het verhandelde ter terechtzitting van 8 en 15 februari 2024) voor de bewijsvoering van geen belang zullen zijn of geen toegevoegde waarde zullen hebben. Haar ondervraging is daarmee onmiskenbaar irrelevant of overbodig. Immers, de door aangeefster [benadeelde] afgelegde verklaring heeft betrekking op feiten en omstandigheden die door de verdachte niet worden betwist. Zij heeft zelf de verdachte niet genoemd, doch slechts verklaard over de feiten waarmee zij zich geconfronteerd zag en de informatie die zij daarop zelf heeft uitgevraagd bij derden. Van de zijde van de verdediging is bovendien niet bepleit dat aangeefster onbetrouwbaar of ongeloofwaardig zou hebben verklaard. Ook is bij de inhoudelijke behandeling van de zaak niet opnieuw om het horen van aangeefster als getuige verzocht. Bij die stand van zaken is de verdachte niet in enig belang geschaad door het niet horen van aangeefster als getuige en is het hof dan ook van oordeel dat – ook bij het gebruik van haar verklaring voor het bewijs – de procedure in haar geheel voldoet aan het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het onder 1 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd: opzettelijk en wederrechtelijk identificerende persoonsgegevens, niet zijnde biometrische persoonsgegevens, van een ander gebruiken met het oogmerk om zijn identiteit te verhelen en de identiteit van een ander te misbruiken, waardoor uit dat gebruik enig nadeel kan ontstaan, meermalen gepleegd. Het onder 2 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd: poging tot computervredebreuk, meermalen gepleegd. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar. Strafbaarheid van de verdachte Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde. Op te leggen straf De verdediging heeft bepleit dat het hof bij een bewezenverklaring geen – zo begrijpt het hof – vrijheidsstraf aan de verdachte zal opleggen maar zal volstaan met een taakstraf, al dan niet in combinatie met een voorwaardelijke vrijheidsstraf. Daartoe is – kort weergegeven – aangevoerd dat de verdachte al bijna zes jaar gebukt gaat onder de onderhavige strafzaak, dat hij first offender is, en dat sprake is van een korte periode waarin de feiten zijn begaan, aldus de verdediging. Het hof overweegt als volgt. Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straffen gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Ten laste van de verdachte is in de eerste plaats bewezenverklaard dat hij zich meermalen schuldig heeft gemaakt aan het misbruiken van identificerende persoonsgegevens van slachtoffer [benadeelde] (feit 1). Dergelijke feiten kunnen een verregaande impact hebben op slachtoffers, zoals ook blijkt uit de toelichting bij de vordering tot schadevergoeding die door [benadeelde] is ingediend. Niet alleen wordt hun identiteit misbruikt maar zij worden ook geconfronteerd met de gevolgen daarvan. Zo moest [benadeelde] zelf de bestellingen/biedingen annuleren. Daarnaast is ten laste van de verdachte meermalen een poging tot computervredebreuk (feit 2) bewezenverklaard. Daarmee heeft hij gepoogd de integriteit van die systemen aan te tasten. Het hof rekent het de verdachte dan ook aan dat hij heeft gehandeld zoals is bewezenverklaard. Het hof heeft bij de strafoplegging acht geslagen op de inhoud van het uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 3 april 2025, betreffende het justitiële verleden van de verdachte. Hieruit blijkt dat hij niet eerder onherroepelijk is veroordeeld ter zake van soortgelijke strafbare feiten. Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting gebleken. Redelijke termijn Ten slotte heeft het hof geconstateerd dat de redelijke termijn niet is overschreden in eerste aanleg, maar wel is overschreden in hoger beroep. De redelijke termijn in hoger beroep is aangevangen op 14 maart 2023 met het instellen van hoger beroep, en eindigt heden, op 8 juli 2025, met het wijzen het onderhavige arrest, zodat de totale duur van de procedure in hoger beroep bijna 28 maanden bedraagt. Nu het onderzoek in de onderhavige strafzaak laatstelijk op 15 november 2024 is geschorst op verzoek van de verdediging wegens ziekte van de raadsvrouw, zal het hof – rekening houdend met de dagvaardings-/oproepingstermijn van het Openbaar Ministerie van ongeveer 12 weken (3 maanden) – een periode van 3 maanden hiervan voor rekening van de verdediging laten. Daarmee resteert een overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep van ongeveer 3 weken. Van bijzondere omstandigheden die deze overschrijding kunnen rechtvaardigen is niet gebleken. Het hof zal echter, gelet op deze beperkte overschrijding, volstaan met de enkele constatering dat de redelijke termijn is overschreden. Met de oplegging van een deels voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde] De benadeelde partij [benadeelde] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 11.309,38. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 1.250,00 ter zake van immateriële schade, en voor het overige niet-ontvankelijk verklaard, waarbij is bepaald dat de benadeelde partij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering. De vordering valt uiteen in de volgende posten. Materieel € 4.489,41 ter zake van medische kosten; € 654,82 ter zake van reiskosten in verband met therapie; € 860,61 aan automatiseringskosten; € 217,80 aan job, reclame en internet; € 235,04 aan automatiseringskosten; € 2.351,70 aan kosten camerasysteem en alarm. Immaterieel € 2.500,00 ter zake van smartengeld. Posten i. en ii. Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof genoegzaam gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde] als gevolg van verdachtes onder 1 en 2 bewezenverklaarde handelen rechtstreeks de onder i. en ii. vermelde schade heeft geleden. Het hof zal daarom een bedrag van (€ 4.489,41 + € 654,82 =) € 5.144,23 toewijzen. Dat de medische kosten – zoals door de verdediging bepleit – niet meteen na het door de verdediging gestelde zwaartepunt van de feiten zijn gemaakt, brengt nog niet met zich dat deze niet het rechtstreekse gevolg kunnen zijn van verdachtes bewezenverklaarde handelen. Gelet op de onderbouwing van de vordering en gelet op het feit dat de kosten zijn gemaakt met ingang van een moment kort na het laatste bewezenverklaarde feit, is het hof van oordeel dat voldoende verband bestaat tussen het bewezenverklaarde handelen van de verdachte en de door de benadeelde partij gevorderde schade om te kunnen aannemen dat de benadeelde partij door dit handelen rechtstreeks schade heeft geleden. Dat daarbij ook andere oorzaken mede kunnen hebben bijgedragen aan het ontstaan van deze schade, doet daaraan niet af. De gevorderde taxikosten zijn gelet op de onderbouwing van het verzoek gemaakt als reiskosten om de noodzakelijke medische behandelingen tot herstel van de door het strafbare feit opgelopen geestelijk letsel te ondergaan. Deze kosten komen daarom – zoals uit artikel 6:107, eerste lid en onder a, van het Burgerlijk Wetboek kan worden afgeleid – voor vergoeding als vermogensschade in aanmerking. Het betreffen dan ook kosten ter beperking of voorkoming van (verdere) schade als bedoeld in artikel 6:96, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek. Dat het – gelet ook op de overige gevorderde reiskosten – in de rede had gelegen om deze kosten te vorderen onder post ii., doet daaraan niet af. Ook de kosten voor fysiotherapie komen voor toewijzing in aanmerking, nu uit de onderbouwing van het verzoek blijkt dat deze zijn gemaakt wegens stressklachten. Het hof verwerpt ten slotte het verweer van de verdediging, voor zover inhoudende dat de benadeelde partij haar schadebeperkingsplicht zou hebben geschonden door zich door middel van een alternatieve geneeswijze te laten behandelen, te meer nu er – zoals ter zitting door de benadeelde partij naar voren gebracht – er vanwege wachtlijsten geen ruimte was voor behandeling door een psycholoog. Om de redenen als hiervoor vermeld ziet het hof evenmin aanleiding om (een gedeelte van) de gevorderde reiskosten af te wijzen. Posten iii., iv. en v. Het hof zal de vordering van de benadeelde partij voor wat betreft de posten iii., iv. en v. niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht. Naar het oordeel van het hof staat namelijk onvoldoende vast welke bedragen c.q. uren – op de aan deze schadeposten ten grondslag gelegde facturen en/of urenspecificaties – betrekking hebben op werkzaamheden die het rechtstreekse gevolg zijn van verdachtes bewezenverklaarde handelen. Nader onderzoek daarnaar zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. Post vi. Het hof zal de vordering van de benadeelde partij voor wat betreft de posten vi. eveneens niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht. Naar het oordeel van het hof staat namelijk onvoldoende vast dat de aanschaf van dit camerasysteem en alarm het rechtstreekse gevolg zijn van verdachtes bewezenverklaarde handelen, te meer nu niet is gebleken van enige persoonlijke confrontatie met de verdachte. Nader onderzoek daarnaar zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. Post vii. Het hof zal toewijzen de gevorderde immateriële schadevergoeding. Naar het oordeel van het hof is sprake immers sprake van een aantasting in de persoon op andere wijze (volgens artikel 6:106, onder b, van het Burgerlijk Wetboek), nu naar objectieve maatstaven geestelijk letsel kan worden vastgesteld bij de benadeelde partij. Psychiater J.J.D. Tilanus vermeldt in een brief d.d. 26 juli 2021 dat de benadeelde in behandeling is geweest in verband met een angststoornis met depressieve klachten in vervolg op identiteitsfraude. Na behandeling kwamen de klachten in remissie en heeft de benadeelde een EMDR-behandeling ondergaan. Ook door I. Leppers, arts in opleiding tot psychiater, werd bij brief d.d. 12 februari 2021 al vermeld dat er diagnostisch sprake is van een ongespecificeerde angststoornis en dat de identiteitsfraude daarvan de luxerende factor is. Het hof stelt de hoogte van deze schade naar billijkheid vast op een bedrag van € 2.500,00. Resumé Het hof zal de vordering aldus toewijzen het verzoek tot schadevergoeding tot een totaalbedrag van € 7.644,23, bestaande uit: € 5.144,23 ter zake van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 juli 2020 tot aan de dag der algehele voldoening, welke rentedatum door het hof – in verband met de verschillende tijdstippen waarop de materiële schade is ontstaan – bij wijze van moderatie is bepaald op een datum gelegen (ongeveer) in het midden van de periode waarin de materiële schade is ontstaan; € 2.500,00 ter zake van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 oktober 2020 tot aan de dag der algehele voldoening. Het hof zal de vordering voor het overige niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht. Proceskosten Ingevolge artikel 532 van het Wetboek van Strafvordering dient de rechter in zijn uitspraak te beslissen over de proceskosten. Een redelijke uitleg van dat artikel brengt met zich dat bij de begroting van de daar bedoelde kosten dezelfde maatstaf wordt gehanteerd als in civiele procedures. In civiele procedures wordt doorgaans bij de begroting van de proceskosten het zogenoemde liquidatietarief gehanteerd, zoals neergelegd in het ‘liquidatietarief kanton’ of het ‘liquidatietarief rechtbanken en gerechtshoven’. Deze tarieven zijn geen recht in de zin van artikel 79 van de Wet op de rechtelijke organisatie, maar slechts een de rechter niet bindende richtlijn. Het hof zal daarom de proceskosten begroten volgens het liquidatietarief. Het hof is van oordeel dat gelet op de hoogte van de vordering, die onder de competentiegrens van de kantonrechter (€ 25.000,00) blijft, voor de procedure in eerste aanleg aansluiting moet worden gezocht bij het ‘liquidatietarief kanton’ en voor de procedure in hoger beroep bij het ‘liquidatietarief rechtbanken en gerechtshoven’. Voor de procedure in eerste aanleg wordt – bij een vordering met een geldswaarde van meer dan € 10.000,00 tot maximaal € 20.000,00 – elk punt gewaardeerd op een bedrag van € 396,00. De benadeelde partij komt in dit verband twee punten toe voor de rechtsgang in eerste aanleg: één punt voor het door haar advocaat indienen van de vordering en één punt voor de aanwezigheid van haar advocaat ter terechtzitting in eerste aanleg, hetgeen neerkomt op een bedrag van (2 punten x € 396,00 =) € 792,00. Voor de procedure in hoger beroep wordt – bij een vordering met een geldswaarde van € 10.000,00 tot € 20.000,00 – elk punt (per 1 februari 2024) gewaardeerd op een bedrag van € 1.214,00 (tarief II). Voor de rechtsgang in hoger beroep komt aan de benadeelde één punt toe, te weten voor de aanwezigheid van zijn advocaat ter terechtzitting in hoger beroep (1 punt) hetgeen neerkomt op een bedrag van (1 punt x € 1214,00 =) € 1214,00. Het hof zal aldus de verdachte, die als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij kan worden aangemerkt, veroordelen in de proceskosten aan de zijde van de benadeelde partij, begroot op een totaalbedrag van (€ 792,00 + € 1214,00 =) € 2.006,00. Schadevergoedingsmaatregel Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [benadeelde] is toegebracht tot een bedrag van € 7.644,23. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk. Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de hierna te melden data tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft. Beslag Het hof zal bepalen dat de hierna te melden in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen zullen worden teruggegeven aan de verdachte voor zover dat nog niet is gebeurd, nu er geen strafvorderlijk belang meer mee is gediend om het beslag op deze voorwerpen te laten voortduren. Toepasselijke wettelijke voorschriften De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 45, 57, 138ab en 231b van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden. BESLISSING Het hof: verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover het is gericht tegen de beslissing tot vrijspraak ten aanzien van de onder 1 impliciet cumulatief tenlastegelegde feiten op 14 en 15 mei 2020 (gedachtestreepjes 2 en 3 van feit 1) en van de onder 2 impliciet cumulatief tenlastegelegde feiten op 27 april 2020 en 9 en 11 mei 2020 (gedachtestreepjes 1 en 3 van feit 2); vernietigt het vonnis waarvan beroep voor het overige en doet in zoverre opnieuw recht: verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan; verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij; verklaart het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar; veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 150 (honderdvijftig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 75 (vijfenzeventig) dagen hechtenis; veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) week; bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt; gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten: een witte laptop, merk Packard Bell, met goednummer G2263690; een grijze computer, merk HP, met goednummer G2263675; een grijze computer, merk HP, met goednummer G2263680. wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 7.644,23 (zevenduizend zeshonderdvierenveertig euro en drieëntwintig eurocent) bestaande uit € 5.144,23 (vijfduizend honderdvierenveertig euro en drieëntwintig eurocent) materiële schade en € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der algehele voldoening; verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen; veroordeelt de verdachte in de gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging te maken kosten, aan de zijde van de benadeelde partij, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 2.006,00 (tweeduizend en zes euro); legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde] , ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 7.644,23 (zevenduizend zeshonderdvierenveertig euro en drieëntwintig eurocent) bestaande uit € 5.144,23 (vijfduizend honderdvierenveertig euro en drieëntwintig eurocent) materiële schade en € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der algehele voldoening; bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 73 (drieënzeventig) dagen, en waarbij toepassing daarvan de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft; bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt; bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 1 juli 2020 en voor de immateriële schade op 9 oktober 2020. Aldus gewezen door: mr. A.C. Bosch, voorzitter, mr. F. van Es en mr. K.J. van Dijk, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. J.A.A. Vulto, griffier, en op 8 juli 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken. Tenzij anders vermeld wordt hierna verwezen naar pagina’s van het dossier van de politie, District Hart van Brabant, VVC Team Groene Beemden, dossiernummer 2020121594, gesloten d.d. 20 februari 2022 door verbalisant [verbalisant] van politie Eenheid Zeeland-West-Brabant (doorgenummerde pagina’s 1 tot en met 115). Alle tot het bewijs gebezigde processen-verbaal zijn, voor zover niet anders vermeld, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten en alle verklaringen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.