GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH Team familie- en jeugdrecht Uitspraak : 7 augustus 2025 Zaaknummer : 200.348.827/01 Zaaknummer eerste aanleg : C/02/419797 / FA RK 24-1023 in de zaak in hoger beroep van: [de vader] , wonende te [woonplaats] , verzoeker in principaal hoger beroep, verweerder in incidenteel hoger beroep, hierna te noemen: de vader, advocaat: mr. P.P.M. Hendrikx-Heeren, tegen [de moeder] , wonende te [woonplaats] , verweerster in principaal hoger beroep, verzoekster in incidenteel hoger beroep, hierna te noemen: de moeder, advocaat: mr. H.J.P.M. van Berckel-Van der Rijken. Deze zaak gaat over: [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2013 te [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] . In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend: de Raad voor de Kinderbescherming, hierna te noemen: de raad. 1Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda , van 10 oktober 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. 2Het geding in principaal en incidenteel hoger beroep 2.
- Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad, op basis van overeenstemming van partijen, bepaald dat de tweewekelijkse omgang tussen de vader en [minderjarige] van vrijdag tot maandagochtend, start op vrijdag uit school, met uitzondering van de vrijdag voor de zomervakantie waarbij als begintijdstip 17:00 uur blijft gelden. De verzoeken van de vader tot gezamenlijk gezag, wijziging van de omgangsregeling en de zomervakantieregeling en tot vervangende toestemming voor de aanvraag van een paspoort zijn afgewezen. Ook het verzoek van de moeder om te bepalen dat de vader niet aanwezig mag zijn bij voetbaltrainingen- of wedstrijden en andere vrijetijdsbesteding van [minderjarige] op de dagen dat [minderjarige] bij de moeder verblijft is afgewezen. 2.
- De vader kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in beroep gekomen. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 4 december 2024, heeft de vader verzocht voormelde beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende: de vader tezamen met de moeder te belasten met het ouderlijk gezag over [minderjarige] ; de zorg- en contactregeling en de regeling voor de zomervakanties zoals vastgesteld bij beschikking van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch d.d. 19 augustus 2021 te wijzigen naar een zorg- en contactregeling in dier voege dat: - [minderjarige] voortaan iedere week van maandag 9.00 uur tot woensdagochtend 9.00 uur bij de vader zal verblijven; - [minderjarige] voortaan iedere woensdag van 9.00 uur tot vrijdagochtend 9.00 uur bij de moeder zal verblijven; - [minderjarige] in de oneven weekenden van vrijdag 9.00 uur tot maandag 9.00 uur bij de vader zal verblijven; - [minderjarige] in de even weekenden van vrijdag 9.00 uur tot maandag 9.00 uur bij de moeder zal verblijven; en de huidige vakantieregeling voor de zomervakantie aan te passen in dier voege dat: - het ene jaar [minderjarige] de eerste drie weken vanaf maandag 9.00 uur bij de vader zal verblijven en de laatste drie weken vanaf maandag 9.00 uur bij de moeder (tot [minderjarige] maandag weer naar school gaat). Het andere jaar zal [minderjarige] de eerste drie weken vanaf maandag 9.00 uur bij de moeder verblijven en de laatste drie weken vanaf maandag 9.00 uur bij de vader (tot [minderjarige] maandag weer naar school gaat); een consultatieregeling te bepalen inhoudende dat de moeder vooraf tijdig (dat wil zeggen minimaal een week van te voren dan wel bij een spoedsituatie zo snel mogelijk) met de vader overleg zal plegen inzake belangrijke beslissingen voor [minderjarige] , zoals schoolkeuze, verhuizing, sport en vrijetijdsbesteding en medische ingrepen en behandelingen (waaronder dokter- en tandartsbezoeken); de vader voorwaardelijk (voor zover hij met het gezamenlijk gezag wordt belast) vervangende toestemming te verlenen voor de aanvraag van een paspoort. Kosten rechtens. 2.
- Bij verweerschrift met productie, ingekomen ter griffie op 16 januari 2025, heeft de moeder verzocht voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad het hoger beroep van de vader niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel het beroep af te wijzen en daarmee de bestreden beschikking in stand te laten. Tevens heeft de moeder incidenteel hoger beroep ingesteld en verzocht de vader te veroordelen tot betaling van de werkelijke proceskosten van de moeder voor het voeren van verweer in dit geding, concreet te bepalen op een bedrag van € 4.083,75, dan wel een ander bedrag dat het hof in goede justitie redelijk acht. 2.
- De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 20 mei
- Bij die gelegenheid zijn gehoord: - de vader, bijgestaan door mr. Hendrikx-Heeren; - de moeder, bijgestaan door mr. Van Berckel-Van der Rijken; - de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] . 2.4.
- Het hof heeft [minderjarige] in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken. Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat de uitnodiging voor het kindgesprek [minderjarige] niet had bereikt. Het hof heeft [minderjarige] daarom nogmaals uitgenodigd. [minderjarige] heeft deze uitnodiging aanvaard en hij heeft op 10 juni 2025 buiten aanwezigheid van partijen en overige belanghebbenden met de voorzitter gesproken. Een korte weergave van dit gesprek is gezonden aan partijen, waarna zij de gelegenheid hebben gekregen hierop te reageren. 2.
- Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van: het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 12 september 2024; de reactie op het kindgesprek namens de moeder, ingekomen op 23 juni 2025; de reactie op het kindgesprek namens de vader, ingekomen op 24 juni
- 3De feiten in principaal en incidenteel hoger beroep 3.
- Partijen hebben een relatie met elkaar gehad. Tijdens de relatie van partijen is [minderjarige] geboren. De vader heeft [minderjarige] erkend. De moeder oefent van rechtswege het ouderlijk gezag over [minderjarige] uit. 3.
- Er zijn sinds 2014 meerdere procedures gevoerd over onder meer het gezag en de omgang- en de informatieregeling aangaande [minderjarige] . In de meest recente beschikking over de omgangsregeling, de beschikking van dit hof van 19 augustus 2021, is bepaald dat [minderjarige] en de vader omgang met elkaar hebben: iedere dinsdag na school tot woensdag aanvang school, waarbij de vader [minderjarige] op dinsdag op school ophaalt en hem woensdagochtend weer terugbrengt naar school. Mocht er op een van deze dagen een studiedag zijn of een andere reden (met uitzondering van de vakanties) waarom [minderjarige] op dinsdag en/of woensdag niet naar school hoeft/gaat, dan geldt dezelfde omgangsregeling met dezelfde tijden. Het enige verschil is dan dat de vader [minderjarige] niet ophaalt bij/terugbrengt naar school maar dat het wisselmoment zal plaatsvinden bij de moeder; eenmaal per twee weken van vrijdag tot maandagochtend, waarbij de vader [minderjarige] op vrijdag ophaalt om 18.30 uur. Op dat moment was [minderjarige] bij de judo, waarbij de vader hem daar om 18.30 uur kan ophalen. Ook wanneer er iets wijzigt bij de judo (bijvoorbeeld andere judotijden of [minderjarige] stopt met judo), start het omgangsweekend van de vader met [minderjarige] op vrijdag om 18.30 uur. [minderjarige] verblijft tot maandagochtend bij de vader. Indien [minderjarige] op maandag naar school moet, brengt de vader [minderjarige] naar school. Indien er op maandag geen school is, dan zorgt de vader ervoor dat [minderjarige] om 9.00 uur bij de moeder is. 3.
- In voornoemde beschikking van dit hof is ook bepaald dat [minderjarige] in de zomervakantie de eerste drie weken bij de vader verblijft en de laatste drie weken bij de moeder. Concreet houdt dit in dat de vader [minderjarige] op de laatste schooldag op vrijdag om 17.00 uur bij de moeder ophaalt, waarna [minderjarige] bij de vader verblijft en het wisselmoment plaatsvindt in de derde vakantieweek op zaterdag. De vader zorgt dat [minderjarige] om 16.00 uur bij de moeder is, waarna [minderjarige] bij de moeder verblijft tot maandagochtend aanvang eerste schooldag, waarna de reguliere omgangsregeling weer wordt gevolgd. 3.
- Bij de beschikking van dit hof is ook bepaald dat de moeder één keer per zes weken de vader dient te informeren over belangrijke aangelegenheden in het leven van [minderjarige] , zoals onder meer school, vrijetijdsbesteding en gezondheid. 4De beoordeling in principaal en incidenteel hoger beroep Gezag 4.
- De vader voert – samengevat – het volgende aan. De rechtbank heeft ten onrechte het verzoek tot gezamenlijk gezag afgewezen. De vader heeft moeite met de negatieve wijze waarop hij wordt afgeschilderd. Als de vader geen procedures had gevoerd was er voor hem geen rol als vader weggelegd geweest. De moeder probeert in het contact met de vader aan te sturen op confrontaties. Zij reageert vaak niet of te laat op berichten van de vader over [minderjarige] , terwijl [minderjarige] inmiddels een aanzienlijk deel van de tijd bij de vader verblijft. Het is onbegrijpelijk dat de vader als zeer betrokken vader niet mag meebeslissen over belangrijke zaken die [minderjarige] aangaan. Hij wordt ten onrechte aan de zijlijn gezet, terwijl hij een gelijkwaardige rol in de verzorging en opvoeding van [minderjarige] wil die aansluit bij zijn feitelijke rol daarin. De vader moet via allerlei kunstgrepen aan informatie komen, omdat de moeder die niet rechtstreeks met hem deelt. [minderjarige] moet vaak zelf informatie doorgeven, terwijl de ouders prima kunnen communiceren. [minderjarige] wordt daar de dupe van. De moeder wordt beloond voor het eenzijdig slechthouden van de communicatie, omdat dit het gezamenlijk gezag tegenhoudt. Zo zijn de toestemmingsformulieren voor de vakantie niet in orde, worden er geen school- of voetbalspullen meegegeven, wordt [minderjarige] bij zijn halfzus gelaten als de moeder weg is en mag hij dan niet naar de vader toe, wordt er niet overlegd waardoor [minderjarige] bijna een vaccinatie had gekregen kort nadat hij een longontsteking had en wordt het schoolrapport niet meegegeven waardoor school een extra kopie aan [minderjarige] moet meegeven. Het enkele feit dat de moeder in haar zelfstandig verzoek in eerste aanleg probeerde de rol van de vader in te perken spreekt boekdelen. De vader zit in de schoolapp, klassenapp en krijgt rechtstreeks informatie over de voetbal. De moeder komt de informatieregeling weliswaar na, maar daarmee hoort de vader vaak pas achteraf dat er iets is gebeurd. Zo was de vader er niet van op de hoogte dat [minderjarige] inmiddels was ingeschreven op een middelbare school. De vader wil direct geïnformeerd worden over belangrijke zaken en meebeslissen. De vader betwist primair dat [minderjarige] klem of verloren zou raken bij toewijzing van het gezamenlijk gezag. Gezamenlijk gezag betekent een gelijkwaardige rol als ouder waardoor er juist minder contact tussen de ouders hoeft plaats te vinden. Nu laat de moeder alles via [minderjarige] lopen, wat onnodig belastend voor hem is. Hij krijgt hierdoor veel te veel verantwoordelijkheid op zijn schouders. Subsidiair verwijst de vader naar de uitspraak van de Hoge Raad van 27 maart 2020 (ECLI:NL:HR:2020:533) waarin is bepaald dat ook al zou een kind klem of verloren dreigen te raken tussen de ouders, dit niet automatisch betekent dat het verzoek tot gezamenlijk gezag dient te worden afgewezen. Er dient te worden gekeken naar het belang van het kind. Het is in het belang van [minderjarige] dat de vader met het gezamenlijk gezag wordt belast, te meer nu zich binnen afzienbare tijd een belangrijke nieuwe fase in het leven van [minderjarige] zal aandienen. De vader dient hem daarin goed te kunnen begeleiden door over alle informatie die relevant is te kunnen beschikken. De vader staat open voor hulpverlening maar heeft er geen vertrouwen in dat dit de verstandhouding tussen de ouders nog zal veranderen. 4.
- De moeder voert – samengevat – het volgende aan. Zoals de rechtbank, het hof en de raad bij herhaling hebben overwogen zal het gezamenlijk gezag zorgen voor extra discussies tussen de ouders en zal [minderjarige] hier de dupe van zijn. De communicatie is altijd slecht geweest en daarin is niets veranderd. Alles wat de moeder benoemt wordt door de vader uitvoerig ter discussie gesteld. Het is voor de moeder niet mogelijk om op een constructieve wijze communicatie met de vader te voeren over het leven van [minderjarige] . Ten aanzien van alle opvoedkundige zaken die spelen rondom [minderjarige] verschillen partijen van mening. Als de vader een formele positie krijgt zal hij nog meer dan nu gaan dwarsliggen en worden beslissingen gefrustreerd. De vader zal niet schromen om artikel 1:253a-procedures te starten over onderwerpen waarover partijen geen overeenstemming bereiken. De vader is feitelijk reeds jaren lang in praktische zin betrokken bij het leven van [minderjarige] terwijl hij geen gezag heeft. De vader wordt betrokken bij de voetbal en school. Er is dus praktisch geen reden om deze positie te formaliseren. Het toekennen van gezamenlijk gezag zal in de feitelijke gang van zaken geen verandering brengen en zal tot vele formele discussies leiden. [minderjarige] heeft inmiddels een middelbare school gekozen. De moeder heeft de keuze bij [minderjarige] gelaten en hij heeft de schoolkeuze van de vader gevolgd. Het klopt dat de moeder de vader niet heeft geïnformeerd over de inschrijving. De moeder heeft bij de inschrijving de contactgegevens van de vader doorgegeven, dus zij ging ervan uit dat de vader rechtstreeks door school geïnformeerd zou worden of dat [minderjarige] het aan de vader zou vertellen. De moeder vindt het geen probleem als de vader toegang krijgt tot Magister. Ten aanzien van de voetbal merkt de moeder op dat [minderjarige] het hele seizoen al niet meer naar trainingen of wedstrijden gaat. De moeder heeft begrepen dat de vader niet meer welkom is op het terrein van de voetbalclub of bij uitwedstrijden, ook niet als trainer, omdat hij zich had misdragen jegens een kind uit het team en een andere ouder. Hierdoor mag [minderjarige] ook met bepaalde kinderen uit zijn omgeving niet meer spelen omdat hun ouders dat onwenselijk vinden. Het negatieve gedrag van de vader heeft nog steeds veel invloed op het leven van [minderjarige] . De moeder maakt zich daar zorgen over. Dit toont aan dat [minderjarige] juist wel klem en verloren raakt tussen de ouders. Met gezamenlijk gezag zal deze situatie alleen maar erger worden. De moeder vindt het zorgelijk dat de vader [minderjarige] bij alles betrekt. Zo praat de vader hem bijvoorbeeld uitvoerig bij over de lopende procedures. De moeder staat niet open voor hulpverlening omdat de ouders het al vaak hebben geprobeerd en het alleen maar tijd kost. 4.
- De raad adviseert – samengevat – het volgende. Gelet op de houding van de ouders ten opzichte van hulpverlening adviseert de raad om de bestreden beschikking voor wat betreft het gezag in stand te laten. De manier waarop de moeder de vader informeert verloopt niet op een juiste manier, maar de moeder nuanceert de verwijten van de vader wel. De raad moet constateren dat er al veel is ingezet tussen de ouders en dat er niet meer veel mogelijkheden zijn voor de ouders om er samen uit te komen. De raad vreest dat er meer belasting komt voor [minderjarige] indien de ouders belast worden met het gezamenlijk gezag. De moeder kan nu gezagsbeslissingen nemen. Er is niet gesteld dat dat nu mis gaat. De raad is bezorgd dat als beide ouders een handtekening moeten zetten dat wel mis zal gaan. Dat zal onrust meebrengen en daar zal [minderjarige] last van hebben. De raad kan zich voorstellen dat de vader het gevoel heeft dat de partij die niet doet wat moet, beloond wordt. De raad schat echter in dat de druk op de ouders vergroot wordt als de moeder niet meer zelf beslissingen kan nemen. Er geldt een uitgebreide omgangsregeling met de vader waardoor de vader niet volledig afhankelijk is van de moeder om zich een beeld te vormen over [minderjarige] . De raad is van mening dat de moeder de vader beter moet informeren over [minderjarige] , maar dat weegt niet op tegen de onrust en de strijd die gezamenlijk gezag met zich zal meebrengen. Partijen hebben al vijftien procedures gevoerd en de raad verwacht dat dit er meer zullen worden als er gezamenlijk gezag is. [minderjarige] zal hiermee worden belast. 4.
- Het hof overweegt als volgt. 4.4.
- Ingevolge artikel 1:253c lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de tot het gezag bevoegde ouder van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder uit wie het kind is geboren heeft uitgeoefend, de rechter verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag over het kind te belasten. Indien de andere ouder niet met het verzoek instemt, wordt het verzoek ingevolge artikel 1:253c lid 2 BW slechts afgewezen indien: er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is. 4.4.
- Er is sprake van een uitgebreide omgangsregeling tussen [minderjarige] en de vader die reeds langdurig en structureel wordt nageleefd. Het gaat goed met [minderjarige] en hij ontwikkelt zich naar behoren, ondanks dat de ouders al langdurig met elkaar in conflict zijn. De verstandhouding en de communicatie tussen de ouders is moeizaam. Vast staat dat de moeder de vader conform de huidige informatieregeling een keer per zes weken informeert. Informatie over recente relevante gebeurtenissen wordt echter niet direct of rechtstreeks door de moeder aan de vader medegedeeld. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep is naar voren gekomen dat de moeder ervan uitgaat dat [minderjarige] de vader over bepaalde aangelegenheden informeert. [minderjarige] wordt hiermee ingezet als boodschapper tussen de ouders. Het hof acht dit niet in zijn belang, te meer nu [minderjarige] tijdens het kindgesprek ook heeft aangegeven dit niet fijn te vinden. [minderjarige] wordt hiermee klem gezet tussen de ouders. Het uitgangspunt van de wetgever is dat het gezag over een minderjarige bij beide ouders berust. Er zijn – naar het oordeel van het hof en in afwijking van het advies van de raad – onvoldoende aanwijzingen dat de klempositie van [minderjarige] (enkel) verder zal verergeren of in negatieve zin zal veranderen wanneer de vader mede wordt belast met het gezag. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat, ondanks de reeds lang bestaande slechte communicatie tussen de ouders, [minderjarige] een gezonde jongen is, dat hij zich goed ontwikkelt en er de komende jaren naar verwachting weinig gezagsbeslissingen genomen hoeven te worden. Er zullen derhalve niet veel momenten zijn waarop de ouders met elkaar in overleg zouden moeten. Het hof acht het in het belang van [minderjarige] dat de vader mede wordt belast met het gezag. De vader is betrokken in [minderjarige] leven, er geldt een uitgebreide omgangs- en vakantieregeling. De vader doet zijn best om zoveel als mogelijk op de hoogte te blijven van het leven van [minderjarige] en de gezagsbeslissingen die daarin genomen worden. De vader wordt hierin door de moeder bemoeilijkt omdat zij hem niet altijd direct, rechtstreeks of tijdig informeert over zaken aangaande [minderjarige] , terwijl de vader mede gelet op de uitgebreide regeling hiervan wel op de hoogte dient te zijn. Wanneer de vader mede wordt belast met het gezag kan hij zelf informatie opvragen bij derden, zodat discussies hierover niet meer nodig en [minderjarige] niet meer als boodschapper hoeft op te treden. Bovendien kan de vader dan zelf handelen in spoedsituaties. 4.4.
- Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat de klempositie van [minderjarige] (enkel) zal verergeren of in negatieve zin veranderen of dat het anderszins in het belang van [minderjarige] is om het verzoek van de vader af te wijzen. Het hof zal de bestreden beschikking wat betreft de beslissing over het gezag vernietigen en het verzoek van de vader om de ouders gezamenlijk met het gezag te belasten alsnog toewijzen. Zorg- en contactregeling 4.
- De vader voert – samengevat – het volgende aan. Ten onrechte heeft de rechtbank het verzoek tot wijziging van de reguliere zorgregeling en de regeling voor de zomervakantie afgewezen. De vader heeft deze wijziging verzocht omwille van de wens van [minderjarige] . [minderjarige] wil meer tijd met de vader doorbrengen. Ook zijn er dan minder wisselmomenten. Er zou alsdan sprake zijn van een co-ouderschapsregeling. Het verzoek over de zomervakantie heeft de vader gedaan omwille van zijn werkrooster. 4.
- De moeder voert – samengevat – het volgende aan. Omdat er geen sprake is van een gewijzigde omstandigheid is de vader terecht niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek. Bovendien heeft de rechtbank terecht overwogen dat er zelfs sprake is van een contra-indicatie om te komen tot wijziging van de omgangsregeling omdat de regeling door het hof in de beschikking van 19 augustus 2021 tot in detail is vastgelegd met als doel om discussie te voorkomen. De regeling wordt al die tijd op deze wijze uitgevoerd en dit biedt duidelijkheid aan alle betrokken. De vader wil een co-ouderschap, hier is geen grond voor en zo’n regeling is ook niet in het belang van [minderjarige] . Ook de huidige vakantieregeling dient gehandhaafd te blijven nu deze goed verloopt en duidelijk is. De moeder reist in de zomervakantie altijd naar haar familie in Polen en heeft er daarom belang bij dat de regeling start op vrijdag uit school en niet op maandag na het weekend. In de huidige regeling is het voor haar mogelijk om op zondag te reizen als er geen vrachtverkeer is. 4.
- De raad adviseert – samengevat – het volgende. Voor een jongen van twaalf jaar zijn er in de huidige omgangsregeling veel wisselmomenten, zeker wanneer [minderjarige] naar de middelbare school gaat en bijvoorbeeld boeken mee moet nemen. De door vader voorgestelde regeling zal rustiger zijn voor [minderjarige] . Het is belangrijk om hierin [minderjarige] wens te volgen. 4.
- Het hof overweegt als volgt. 4.8.
- Omdat het hof partijen belast met het gezamenlijk gezag over [minderjarige] is artikel 1:253a BW van toepassing. Ingevolge artikel 1:253a lid 1 BW kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag aan de rechter worden voorgelegd. In het geval van een geschil omtrent de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken kan de rechter, gelet op artikel 1:377e BW in samenhang met artikel 1:253a lid 4 BW, een eerdere beslissing dienaangaande wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd. De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt. 4.8.
- Er is sprake van een gewijzigde omstandigheid sinds de beschikking van het hof van 19 augustus 2021, in die zin dat [minderjarige] ouder is geworden en na de zomer zal starten op de middelbare school. Het hof ziet hierin reden voor een (her)beoordeling van de omgangsregeling. 4.8.
- In lijn met het advies van de raad en gelet op wat [minderjarige] tijdens het kindgesprek heeft verteld acht het hof het in het belang van [minderjarige] wenselijk om minder wisselmomenten te realiseren in de reguliere zorgregeling. De moeder heeft in haar reactie op het kindgesprek te kennen gegeven er geen bezwaar tegen te hebben dat [minderjarige] voortaan om de week op maandag bij de vader zal zijn. De door de vader verzochte regeling, waarbij [minderjarige] voortaan iedere week op maandag bij de vader zal zijn, zal meer regelmaat en structuur bieden. Gelet hierop zal het hof de bestreden beschikking voor wat betreft de omgangsregeling vernietigen en – onder wijziging van de beschikking van dit hof van 19 augustus 2021 – een reguliere zorgregeling vaststellen waarbij: [minderjarige] van maandag 9.00 uur tot woensdagochtend 9.00 uur bij de vader verblijft; [minderjarige] van woensdag 9.00 uur tot vrijdagochtend 9.00 uur bij de moeder verblijft; [minderjarige] in de oneven weekenden van vrijdag 9.00 uur tot maandag 9.00 uur bij de vader verblijft; [minderjarige] in de even weekenden van vrijdag 9.00 uur tot maandag 9.00 uur bij de moeder verblijft. 4.8.
- Ten aanzien van de zomervakantieregeling ziet het hof ook aanleiding voor een wijziging. [minderjarige] heeft verteld dat het voor hem niet nodig is dat hij in de zomervakantie steeds dezelfde weken bij zijn vader/moeder is en dat afwisseling hem fijn lijkt. De vader heeft aangevoerd dat een wisselende regeling in verband met zijn werk beter uitvoerbaar is, terwijl de moeder gemotiveerd heeft toegelicht waarom de vakantieregeling zou moeten ingaan op vrijdagmiddag, in plaats van op maandagochtend. Het hof zal bij afweging van voormelde betrokken belangen de bestreden beschikking voor wat betreft de zomervakantieregeling vernietigen en – onder wijziging van de beschikking van dit hof van 19 augustus 2021 – bepalen dat [minderjarige] in het ene jaar tijdens de zomervakantie de eerste drie weken bij de vader verblijft en de laatste drie weken bij de moeder en in het andere jaar de eerste drie weken bij de moeder verblijft en de laatste drie weken bij de vader verblijft, waarbij de regeling start op vrijdag om 17.00 uur en het wisselmoment plaatsvindt in de derde vakantieweek op zaterdag om 16.00 uur waarbij de ouder waar [minderjarige] heeft verbleven [minderjarige] bij de andere ouder thuisbrengt. De zomervakantieregeling loopt tot maandagochtend aanvang eerste schooldag, waarna de reguliere zorgregeling weer wordt vervolgd. Consultatieregeling 4.
- Ingevolge artikel 1:377b lid 1 BW is de ouder die met het gezag is belast, gehouden de niet met het gezag belaste ouder op de hoogte te stellen omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van het kind en deze te raadplegen – zo nodig door tussenkomst van derden – over daaromtrent te nemen beslissingen. Op verzoek van een ouder kan de rechter ter zake een regeling vaststellen. Op grond van lid 2 kan de rechter, indien het belang van het kind zulks vereist zowel op verzoek van de met het gezag belaste ouder als ambtshalve bepalen dat het eerste lid van dit artikel buiten toepassing blijft. 4.9.
- Omdat het hof partijen gezamenlijk belast met het gezag over [minderjarige] wordt niet voldaan aan de vereisten van artikel 1:377b BW. Het hof zal de vader niet-ontvankelijk verklaren in dit verzoek. Vervangende toestemming paspoort 4.
- De vader voert – samengevat – het volgende aan. De vader heeft in eerste aanleg uitgebreid uitgelegd waar hij tegen aan is gelopen met de vakanties, te weten dat met regelmaat de benodigde toestemmingsformulieren niet op orde waren. Dit bracht onnodig gedoe mee. Het is belangrijk dat de vader ook een geldig identiteitsbewijs voor [minderjarige] heeft omdat de ouders daar dan niet meer over hoeven te overleggen en onnodige discussies kunnen worden voorkomen. 4.
- De moeder voert – samengevat – het volgende aan. Omdat de vader geen gezag heeft is de rechtbank terecht niet toegekomen aan het verzoek tot het aanvragen van een paspoort. Bovendien heeft de vader in algemene zin geen belang bij dit verzoek nu hij op momenten dat daartoe noodzaak bestaat het identiteitsbewijs van [minderjarige] zal krijgen. 4.
- Het hof overweegt als volgt. 4.12.
- Ingevolge artikel 34 lid 1 van de Paspoortwet wordt bij een aanvraag van een reisdocument door of ten behoeve van een minderjarige een verklaring van toestemming overgelegd van iedere persoon die het gezag over die minderjarige uitoefent. Ingevolge lid 2 van dit artikel kan, indien bij gezamenlijke gezagsuitoefening een van de personen die het gezag uitoefent weigert een verklaring van toestemming af te geven, die toestemming op verzoek van de andere persoon die het gezag uitoefent worden vervangen door een verklaring van de bevoegde rechter. Ingevolge lid 5 van dit artikel geeft de rechter in een geschil als het onderhavige een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt. 4.12.
- Omdat het hof partijen belast met het gezamenlijk gezag komt het hof toe aan de beoordeling van het voorwaardelijk verzoek van de vader. Er is sprake van een uitgebreide zorgregeling tussen [minderjarige] en de vader. Het hof acht het in het onderhavige geval wenselijk dat er zoveel mogelijk discussiepunten tussen de ouders worden weggenomen, te meer omdat de moeder geen concrete bezwaren of zorgen heeft geuit over het aanvragen van een paspoort voor [minderjarige] . Op het moment dat beide ouders in bezit zijn van een identiteitsbewijs van [minderjarige] zal hierover rust ontstaan zodat het hof de vader vervangende toestemming zal verlenen voor de aanvraag van een paspoort voor [minderjarige] . Het hof merkt op dat een ouder, daargelaten dat beide ouders straks in bezit zijn van een identiteitsbewijs voor [minderjarige] , in geval hij/zij naar het buitenland reist toestemming nodig heeft van de andere ouder. Proceskosten 4.
- De moeder voert – samengevat – het volgende aan. De moeder wordt met het opstarten van de procedure, die geheel tegen beter weten in wordt gevoerd, ten onrechte wederom geconfronteerd met proceskosten. Dit is de vijftiende procedure tussen de ouders die allemaal algemeen gezegd gaan over de invulling van het vaderschap. De vader kent geen nee en gaat oneindig door met procedures. Zelfs als er in de procedures door de rechtbank en het hof wordt gesteld dat het goed zou zijn als het voeren van procedure stopt, gaat de vader door. Dit leidt tot veel stress en onduidelijkheid bij de moeder en indirect bij [minderjarige] . Bovendien moet de moeder steeds vrij nemen voor gesprekken met haar advocaat en de aanwezigheid bij zittingen. De moeder verzoekt dan ook dat de vader thans wordt veroordeeld in de werkelijke kosten van de procedure in hoger beroep, in de hoop dat de vader dan misschien stopt met het voeren van procedures. 4.
- De vader voert – samengevat – het volgende aan. De vader heeft procedures moeten voeren om betrokken te blijven in het leven van [minderjarige] . Er is geen reden voor een proceskostenveroordeling. 4.
- Het hof overweegt als volgt. 4.15.
- Alleen al omdat de verzoeken van de vader overwegend zijn toegewezen is er geen grond voor veroordeling van de vader in de kosten van de procedure laat staan in de werkelijke kosten van de procedure. Het hof zal de kosten van de procedure in hoger beroep compenseren omdat partijen ex-partners zijn. Samenvattend 4.
- Op grond van het vorenstaande zal het hof de beschikking waarvan beroep vernietigen voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en beslissen als volgt. 5De beslissing Het hof: in principaal en incidenteel hoger beroep: vernietigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda , van 10 oktober 2024, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen; en in zoverre opnieuw rechtdoende; belast de moeder en de vader gezamenlijk met het gezag over [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2013 te [geboorteplaats] ; stelt vast een (reguliere) zorgregeling vast – onder wijziging van de beschikking van het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch van 19 augustus 2021 – waarbij: [minderjarige] van maandag 9.00 uur tot woensdagochtend 9.00 uur bij de vader verblijft; [minderjarige] van woensdag 9.00 uur tot vrijdagochtend 9.00 uur bij de moeder verblijft; [minderjarige] in de oneven weekenden van vrijdag 9.00 uur tot maandag 9.00 uur bij de vader verblijft; [minderjarige] in de even weekenden van vrijdag 9.00 uur tot maandag 9.00 uur bij de moeder verblijft. stelt vast een vakantieregeling voor de zomervakanties – onder wijziging van de beschikking van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 19 augustus 2021 – waarbij [minderjarige] het ene jaar de eerste drie weken bij de vader verblijft en de laatste drie weken bij de moeder en het andere jaar [minderjarige] de eerste drie weken bij de moeder verblijft en de laatste drie weken bij de vader verblijft, waarbij de regeling start op vrijdag om 17.00 uur en het wisselmoment plaatsvindt in de derde vakantieweek op zaterdag om 16.00 uur waarbij de ouder waar [minderjarige] heeft verbleven [minderjarige] bij de andere ouder thuisbrengt. De vakantieregeling loopt tot maandagochtend aanvang eerste schooldag, waarna de reguliere zorgregeling weer wordt vervolgd; verleent aan de vader – ter vervanging van de ontbrekende toestemming van de moeder – toestemming om voor [minderjarige] een paspoort aan te vragen; verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad; verklaart de vader niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot het vaststellen van een consultatieregeling; compenseert de proceskosten in hoger beroep, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt; verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht ter attentie van het centraal gezagsregister; wijst af het meer of anders verzochte. Deze beschikking is gegeven door mrs. C.M.J. Peters, C.N.M. Antens en M.I. Peereboom-van Drunick en is op 7 augustus 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van mr. C.A.M. Smolders, griffier.