← Nederland

ECLI:NL:GHSHE:2025:2207

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH Team familie- en jeugdrecht Uitspraak: 7 augustus 2025 Zaaknummer: 200.351.942/01 Zaaknummer eerste aanleg: C/03/325619 / FA RK / 23-4843 in de zaak in hoger beroep van: [de moeder] , wonende op een voor het hof bekend adres, verzoekster in hoger beroep, hierna te noemen: de moeder, advocaat: mr. P. Kramer-Ograjensek, In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend: de Raad voor de Kinderbescherming, hierna te noemen: de raad. In het kort: De moeder is het er niet mee eens dat de rechtbank de griffier geen opdracht heeft gegeven tot inschrijving van de van rechtswege ontstane gezagssituatie in de gezagsregisters. 1Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg (locatie Roermond) van 12 december 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. 2Het geding in hoger beroep 2.

  1. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 26 februari 2025, heeft de moeder verzocht, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voormelde beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, te bepalen dat in het gezagsregister opgenomen dient te worden dat de moeder het eenhoofdig ouderlijk gezag over haar zoon [minderjarige] uitoefent, althans een beslissing te nemen die het hof juist acht. 2.1.
  2. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de moeder haar verzoek aangevuld en (subsidiair) verzocht voor recht te verklaren dat de moeder het eenhoofdig gezag over [minderjarige] uitoefent. 2.
  3. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 3 juli
  4. Bij die gelegenheid zijn gehoord: - de moeder, bijgestaan door mr. Kramer-Ograjensek; 2.2.
  5. De raad is, met bericht van verhindering, niet tijdens de mondelinge behandeling verschenen. 2.
  6. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van: - het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 25 april 2024; - het V6-formulier van de advocaat van de moeder d.d. 17 maart 2025 met bijlagen. 3De beoordeling 3.
  7. De moeder en de heer [de vader] (hierna: de vader) hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. Uit deze relatie is geboren: - [minderjarige] (hierna: [minderjarige]), op [geboortedatum] 2019 te [geboorteplaats] . De vader heeft [minderjarige] erkend. De moeder oefent alleen het gezag over [minderjarige] uit. Bij de rechtbank 3.
  8. De moeder heeft de rechtbank verzocht om bij beschikking vast te stellen dat zij het eenhoofdig ouderlijk gezag over de minderjarige [minderjarige] uitoefent en dit aan te tekenen in het gezagsregister. 3.
  9. De vader heeft hiertegen verweer gevoerd en daarbij een aantal zelfstandige verzoeken gedaan, namelijk om mede met het ouderlijk gezag over [minderjarige] belast te worden, een omgangsregeling vast te stellen en de raad te gelasten advies uit te brengen. 3.
  10. Bij beschikking van 23 mei 2024 heeft de rechtbank het verzoek van de moeder afgewezen, een voorlopige omgangsregeling tussen de vader en [minderjarige] bepaald, de raad verzocht een onderzoek te doen en rapport en advies uit te brengen, en alle overige beslissingen aangehouden. 3.
  11. De vader heeft vervolgens zijn verzoeken ingetrokken. 3.
  12. Bij de bestreden beschikking van 12 december 2024 heeft de rechtbank de verzoeken van de vader afgewezen. Bij het hof 3.
  13. De moeder kan zich met de beslissing van de rechtbank niet verenigen voor zover haar verzoek om vast te stellen dat zij alleen het gezag over [minderjarige] heeft en dit aan te tekenen in het gezagsregister is afgewezen. In haar beroepschrift, zoals aangevuld op de mondelinge behandeling, voert zij – samengevat – het volgende aan. Het is in het belang van [minderjarige] dat in het gezagsregister wordt bijgeschreven dat de moeder het eenhoofdig ouderlijk gezag over hem uitoefent. De rechtbank motiveert niet waarom het Besluit Gezagsregisters niet in deze mogelijkheid zou voorzien. Uit artikel 2 onder f Besluit Gezagsregisters volgt immers dat in het register aantekening wordt gehouden van de verklaring dat het gezag alleen door de moeder wordt uitgeoefend. Een uittreksel uit het gezagsregister dat door de moeder wordt opgevraagd geeft derden in het geheel geen duidelijkheid over wie er gezag heeft over [minderjarige] en of er al dan niet toestemming van een ander noodzakelijk is. Dat is juist wat in de praktijk tot problemen leidt. Ook doordat [minderjarige] de achternaam van zijn vader draagt, wordt eerder verondersteld dat er een andere ouder is met gezag, terwijl dit niet het geval is. [minderjarige] is vijf jaar oud en heeft psychische klachten waarvoor hij behandeld wordt. Hij was erg bang toen hij met de moeder op vliegveld [plaats] werd opgehouden door de Koninklijke Marechaussee. De moeder heeft bij de douane de beschikking van 23 mei 2024 overgelegd. In deze beschikking was immers opgenomen dat de moeder alleen met het ouderlijk gezag over [minderjarige] belast is. De douane interpreteerde de beschikking echter verkeerd, en het heeft een lange tijd geduurd voordat [minderjarige] en de moeder hun reis konden vervolgen. De moeder durft niet meer met [minderjarige] te reizen uit angst dat dit weer gebeurt en het effect dat een dergelijke situatie heeft op [minderjarige] . Op grond van artikel 3 Verdrag inzake de Rechten van het Kind vormen bij alle maatregelen betreffende kinderen, ongeacht of deze worden genomen door openbare of particuliere instellingen voor maatschappelijk welzijn of door rechterlijke instanties, bestuurlijke autoriteiten of wetgevende lichamen, de belangen van het kind de eerste overweging. Uit de beschikking van de rechtbank volgt niet dat de rechtbank de belangen van [minderjarige] de eerste overweging heeft laten zijn. Gezien het feit dat [minderjarige] op diverse vlakken ernstige hinder ondervindt van het feit dat niet geregistreerd staat dat zijn moeder het eenhoofdig ouderlijk gezag heeft, had dit leidend moeten zijn. Ten onrechte is dit door de rechtbank niet onderkend. In het belang van zowel de moeder als [minderjarige] dient in het gezagsregister opgenomen te worden dat de moeder het eenhoofdig ouderlijk gezag over [minderjarige] uitoefent. 3.
  14. Het hof overweegt het volgende. Ontvankelijkheid van het hoger beroep 3.
  15. Bij de bestreden beschikking zijn de verzoeken van de vader afgewezen. Er is in de bestreden beslissing niet (meer) beslist op het onderhavige verzoek van de moeder. Dat had de rechtbank namelijk al gedaan bij beschikking van 23 mei
  16. Bij die beschikking heeft de rechtbank het verzoek van de moeder om in het gezagsregister aan te tekenen dat zij het eenhoofdig ouderlijk gezag over [minderjarige] uitoefent, afgewezen. De moeder heeft vervolgens in haar brief bij het F9- formulier van 31 oktober 2024 nogmaals de rechtbank verzocht om in het gezagsregister op te nemen dat zij het eenhoofdig gezag heeft over [minderjarige] . Bij F9-formulier van 9 december 2024 heeft zij dit verzoek weer herhaald: “Het verzoek van moeder wordt hierbij dan ook gehandhaafd, dan wel nogmaals voorgelegd aan uw rechtbank, met dringend verzoek dit toe te wijzen en het gezagsregister te laten aanpassen.” Het hof is van oordeel dat de beschikking van 23 mei 2024 een eindbeschikking is op het verzoek van de moeder. Hiertegen had zij, gelet op art. 358 lid 2 Rv, binnen drie maanden beroep kunnen instellen. Gelet op het gesloten stelsel van rechtsmiddelen is het niet mogelijk om na de eindbeschikking van 23 mei 2024 hetzelfde verzoek opnieuw aan de rechtbank voor te leggen. Nu de moeder pas op 26 februari 2025 het hoger beroepschrift heeft ingediend, is de termijn waartegen zij hoger beroep kon instellen tegen de beschikking van 23 mei 2024 ruimschoots verstreken. Concrete feiten of omstandigheden op grond waarvan moet worden aangenomen dat deze termijnoverschrijding verschoonbaar is, zijn gesteld noch gebleken. Het hof zal de moeder daarom niet-ontvankelijk verklaren in haar primaire verzoek in hoger beroep. Aanvullend verzoek 3.10.
  17. Op de mondelinge behandeling heeft de moeder aanvullend verzocht om een verklaring voor recht dat zij het eenhoofdig gezag over [minderjarige] uitoefent. Nu het hoger beroep van de moeder te laat is ingesteld en daarom niet-ontvankelijk is, kan zij evenmin een aanvullend verzoek doen. Dat is immers ook te laat en derhalve niet- ontvankelijk. 3.10.
  18. Het hof overweegt ten overvloede dat wanneer een uittreksel uit het gezagsregister betreffende [minderjarige] vermeldt: “verklaring niet voorkomen in gezagsregister”, dit betekent dat de moeder de enige persoon is die het gezag over [minderjarige] heeft. 4De beslissing Het hof: verklaart de moeder niet-ontvankelijk in haar verzoeken in hoger beroep; Deze beschikking is gegeven door mrs. J.C.E. Ackermans-Wijn, G.M. Goes, M.E.M. Beijersbergen en is in het openbaar uitgesproken op 7 augustus 2025 door mr. C.M.J. Peters in tegenwoordigheid van mr. L. Beskers, griffier.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.