GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH Team Handelsrecht Uitspraak: 21 augustus 2025 Zaaknummer: 200.357.223/01 Zaaknummer eerste aanleg: C/02/436105 FT RK 25/403Insolventienummer [insolventienummer] in de zaak in hoger beroep van: [appellant] , handelend onder de naam [naam] , wonende te [woonplaats] , appellant, hierna te noemen [appellant] , advocaat mr. G. Kaya te Roosendaal, tegen
- Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor het Schoonmaak- en Glazenwassersbedrijf , statutair gevestigd te [vestigingsplaats] ,
- Stichting Raad Arbeidsverhoudingen Schoonmaak- en Glazenwassersbranche ( RAS ), statutair gevestigd te [vestigingsplaats] , geïntimeerden, hierna te noemen: Bedrijfstakpensioenfonds en RAS , gezamenlijk: de Stichtingen, advocaat mr. S.K. Tuithof te Haarlem. 1Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst naar het vonnis van 24 juni 2025 van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (zittingsplaats Breda ), waarbij de rechtbank het faillissement van [appellant] heeft uitgesproken. 2Het geding in hoger beroep 2.
- Bij beroepschrift met producties 1 t/m 3, ontvangen op 30 juni 2025, heeft [appellant] verzocht de faillietverklaring te vernietigen. 2.
- Het hof heeft verder kennisgenomen van de inhoud van: het procesdossier in eerste aanleg, ontvangen op 30 juni 2025; een brief met drie bijlagen namens mr. S.C.H.M. Leijten, de curator in het faillissement van [appellant] (hierna te noemen: de curator), ontvangen op 8 augustus 2025; de zittingsaantekeningen van de zitting in eerste aanleg op 24 juni 2025, ontvangen op 12 augustus
- 2.
- De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 13 augustus
- Bij die gelegenheid zijn gehoord: de heer [appellant] , bijgestaan door mr. Kaya en vergezeld door mevrouw [ex-partner] , zijn ex-partner die op verzoek van [appellant] fungeert als zijn tolk; mr. Tuithof; de curator, vergezeld door mr. M. de Graauw. 3De beoordeling 3.
- Op 4 juni 2025 hebben Bedrijfstakpensioenfonds en RAS bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant een verzoek ingediend om [appellant] in staat van faillissement te verklaren. Zij hebben de volgende vorderingen ten grondslag gelegd aan hun verzoek. Allereerst voerde Bedrijfstakpensioenfonds aan € 2.396,12 van [appellant] te vorderen te hebben ter zake van opeisbaar verschuldigde pensioenpremies volgens rekeningen van 2 augustus 2023 t/m 12 maart 2025, exclusief verschenen rente en incassokosten. Daarnaast voerde RAS aan € 199,59 van [appellant] te vorderen te hebben ter zake van opeisbaar verschuldigde premies volgens rekeningen van 2 augustus 2023 t/m 12 maart 2025, exclusief verschenen rente en incassokosten. 3.
- De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft het verzoek van de Stichtingen om [appellant] in staat van faillissement te verklaren, na het horen van [appellant] , bij vonnis van 24 juni 2025 toegewezen. 3.
- [appellant] heeft in hoger beroep – kort weergegeven – aangevoerd dat nimmer facturen dan wel aanmaningen zijn ontvangen inzake pensioenachterstand(en) van de Stichtingen. [appellant] heeft in het beroepschrift aangegeven bereid te zijn om de hoofdsom van € 5.967,01 te voldoen. Hetzelfde geldt voor het honorarium van de curator. Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof heeft [appellant] naar voren gebracht dat hij heeft geprobeerd betalingsregelingen te treffen met de Stichtingen en met de curator, maar dat deze niet tot stand zijn gekomen, mede vanwege de opgelopen bedragen. De openstaande vorderingen zijn dus niet voldaan. 3.
- De Stichtingen hebben ter zitting in hoger beroep aangegeven te persisteren bij hun vordering tot faillietverklaring van [appellant] . 3.
- De curator heeft per brief van 8 augustus 2025 en ter zitting in hoger beroep – zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd. De curator betwijfelt of gesteld kan worden dat [appellant] niet in staat van faillissement verkeert gelet op de ingediende vorderingen en de faillissementskosten. Nergens volgt uit dat [appellant] zijn openstaande schulden kan voldoen en/of dat sprake is van betalingsregelingen met schuldeisers of iets dergelijks. Het is voor de curator voorts van belang te benoemen dat er vooralsnog geen zekerheid is gesteld voor de kosten van de curator, ondanks dat de curator hier verschillende keren op heeft gewezen als vereiste voor het slagen van het hoger beroep. Daarnaast heeft de curator nog geen bevestiging gehad van mr. Kaya en/of de aanvrager van het faillissement dat de vordering van de aanvrager is of zal worden voldaan. ln totaal is er nu voor een bedrag van € 71.731,28 aan boedel-, preferente- en concurrente vorderingen ingediend. De faillissementskosten zijn op dit moment (afgerond) € 12.500 exclusief btw. Dat is inclusief een schatting van de kosten van de mondelinge behandeling van 13 augustus
- Op basis van de op dit moment bij de curator bekende informatie, meent de curator dat niet wordt voldaan aan de voorwaarden voor het slagen van het hoger beroep. 3.
- Het hof komt tot de volgende beoordeling. 3.6.
- Het hof stelt het volgende voorop. In een situatie zoals deze, waarin het faillissement wordt aangevraagd door schuldeisers, wordt op grond van artikel 6 lid 3 Fw het faillissement van een schuldenaar uitgesproken, indien summierlijk is gebleken van zowel
(1)ten tijde van de aanvraag van het faillissement bestaande vorderingsrechten van de verzoekende schuldeisers als
(2)de toestand dat de schuldenaar heeft opgehouden te betalen. Voor dit laatste is noodzakelijk (maar niet per definitie voldoende) dat de schuldenaar meerdere schuldeisers heeft (het zgn. pluraliteitsvereiste). Summierlijk blijken betekent dat zowel de bedoelde toestand als de (steun)vordering na een kort, eenvoudig onderzoek van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting voldoende aannemelijk moet worden geacht. 3.6.
- De Stichtingen hebben hun vorderingen op grond van verschuldigde (pensioen)premies bij het verzoekschrift in eerste aanleg met stukken onderbouwd. [appellant] heeft het bestaan van deze vorderingen niet betwist, en in eerste aanleg zelfs erkend. De vorderingen van de Stichtingen zijn hiermee (summierlijk) aannemelijk geworden. 3.6.
- Met de vorderingsrechten van het Bedrijfstakpensioenfonds en RAS is al sprake van meerdere schuldeisers en is dus voldaan aan het pluraliteitsvereiste. Overigens is uit de door de curator overgelegde stukken gebleken (en wordt dit ook niet door [appellant] betwist) dat [appellant] nog meer schulden heeft, waaronder een schuld ter hoogte van € 35.359,98 aan de ASN Bank N.V. en een schuld ter hoogte van € 1.728,00 aan het CJIB. Verder is niet gesteld of gebleken dat [appellant] over de middelen beschikt om deze vorderingen plus de inmiddels opgelopen faillissementskosten thans dan wel binnen afzienbare termijn te betalen (uit het door de curator overgelegde faillissementsverslag volgt eerder het tegendeel, ondanks – aldus mededeling van de curator ter zitting – enig positief saldo op een G-rekening dat mogelijk in de boedel zal vloeien), derhalve is ook summierlijk gebleken dat [appellant] verkeert in de toestand van te hebben opgehouden te betalen. 3.6.
- Het hof concludeert op basis van het voorgaande dat aan alle vereisten voor faillietverklaring is (en was) voldaan. 3.
- Het hoger beroep slaagt dus niet. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd. 4De beslissing Het hof: bekrachtigt het vonnis van 24 juni 2025 van de rechtbank Zeeland-West-Brabant; wijst hetgeen overigens is verzocht af. Dit arrest is gewezen door mrs. R.R.M. de Moor, J.I.M.W. Bartelds en R.L.G. Kraaijvanger en is in het openbaar uitgesproken op 21 augustus 2025.