GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team Handelsrecht zaaknummer 200.340.253/01 arrest van 26 augustus 2025 in de zaak van [de B.V.] , gevestigd te [vestigingsplaats] , appellante, hierna aan te duiden als [appellante] , advocaat: mr. J.E. van Nuland te Maastricht, tegen 1 [geïntimeerde 1] ,wonende te [woonplaats] , 2. [geïntimeerde 2] ,wonende te [woonplaats] , geïntimeerden, hierna gezamenlijk aan te duiden als [geïntimeerden] , terwijl zij, waar aan de orde, afzonderlijk zullen worden aangeduid als [geïntimeerde 1] respectievelijk [geïntimeerde 2] , advocaat: mr. P.H.L. Dankers te Heerlen, op het bij exploot van dagvaarding van 15 april 2024 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 21 februari 2024 (hierna: het bestreden vonnis), door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, gewezen tussen [appellante] als eiseres en [geïntimeerden] als gedaagden. 1Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/01/387503/ HA ZA 22-615) Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar het bestreden vonnis. 2Het geding in hoger beroep 2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding in hoger beroep; - de memorie van grieven; - de memorie van antwoord; - de akte uitlaten met productie 13 zijdens [appellante] ; - de antwoordakte zijdens [geïntimeerden] , door hen ook akte uitlaten genoemd. 2.2. Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg. 3. De beoordeling Waar deze zaak in essentie over gaat 3.0. Deze zaak gaat over een borgstelling door [geïntimeerde 1] tegenover [appellante] . Zij maakt deel uit van een overeenkomst tot koop en verkoop van activa die in 2016 is gesloten tussen [appellante] als koper, de vader van [geïntimeerde 1] als verkoper en [geïntimeerde 1] als garant (borg). [geïntimeerde 2] heeft, als echtgenote van [geïntimeerde 1] , de overeenkomst medeondertekend. In de kern vordert [appellante] in deze procedure de nakoming door [geïntimeerde 1] van de borgstelling. Partijen strijden onder meer over de aan de borgstelling te geven uitleg. De rechtbank heeft de uitleg van [geïntimeerden] gevolgd en op die basis de vordering van [appellante] afgewezen. Daartegen is [appellante] in hoger beroep gekomen. Het hoger beroep van [appellante] slaagt niet. Hierna zal het hof uiteenzetten waarom dat zo is. De feiten 3.1. Geen grief is gericht tegen de feiten zoals deze door de rechtbank zijn vastgesteld in het bestreden vonnis. Het hof zal die feiten in dit hoger beroep daarom ook tot uitgangspunt nemen, zij het met een enkele aanvulling. a. [appellante] (koper) en [persoon A] (verkoper) hebben op 8 juli 2016 een overeenkomst tot koop en verkoop van activa gesloten (hierna: de overeenkomst). [persoon A] (hierna: vader [geïntimeerde 1] ) was de vader van [geïntimeerde 1] en de schoonvader van [geïntimeerde 2] . b. Met de overeenkomst heeft vader [geïntimeerde 1] zijn onderneming verkocht aan [appellante] . De koopprijs wordt in artikel 3 van de overeenkomst gerelateerd aan de jaarlijkse omzet over 4 afzonderlijke jaren, gerekend vanaf 1 juli 2016. De koopprijs is dan telkens een percentage van die jaarlijkse omzet, met een maximum. De overeenkomst bevat daarover het volgende: “ Artikel 3 Koopprijs 3.1 De grondslag van de koopprijs van de Activa van de Onderneming (de “koopprijs”) betreft de thans bestaande omzet van Verkoper, welke omzet door partijen wordt ingeschat op een bedrag van minimaal € 400.000,- per jaar. Partijen gaan ervan uit dat de omvang van de omzet de komende vier jaren tenminste op hetzelfde niveau zal blijven. De maximale Koopprijs bedraagt volgens Partijen de helft van de hiervoor bedoelde omzet en derhalve een bedrag van € 200.000,-. De Koopprijs zal in vier tranches worden uitgekeerd aan Verkoper, zoals hierna nader bepaald wordt. 3.2 De eerste tranche van de Koopprijs bedraagt 20% van de gefactureerde en betaalde omzet gemeten per 1 juli 2017 over de periode 1 juli 2016 tot en met 30 juni 2017 met een maximum van € 80.000,-. De eerste tranche van de Koopprijs zal ultimo augustus 2017 door Partijen gezamenlijk worden vastgesteld en aansluitend door Koper aan Verkoper worden voldaan op een door Verkoper aan Koper aan te geven bankrekening. Een en ander met inachtneming van hetgeen hierna is bepaald in artikel 9.1. 3.3 De tweede tranche van de koopprijs bedraagt 10% van de gefactureerde en betaalde omzet per 1 juli 2018 gemeten over de periode 1 juli 2017 tot en met 30 juni 2018 met een maximum van € 40.000,-. De tweede tranche van de Koopprijs zal ultimo augustus 2018 door Partijen gezamenlijk worden vastgesteld en aansluitend door Koper aan Verkoper worden voldaan. Een en ander met inachtneming van hetgeen hierna is bepaald in artikel 9.1. 3.4. De derde tranche van de Koopprijs bedraagt 10% van de gefactureerde en betaalde omzet per 1 juli 2019 gemeten over de periode 1 juli 2018 tot en met 30 juni 2019 met een maximum van € 40.000,-. De derde tranche van de Koopprijs zal ultimo augustus 2019 door Partijen gezamenlijk worden vastgesteld en aansluitend door Koper aan Verkoper worden voldaan. Een en ander met inachtneming van hetgeen hierna is bepaald in artikel 9.1. 3.5 De vierde en laatste tranche van de Koopprijs bedraagt 10% van de gefactureerde en betaalde omzet per 1 juli 2020 gemeten over de periode 1 juli 2019 tot en met 30 juni 2020 met een maximum van € 40.000,-. De vierde tranche van de Koopprijs zal ultimo augustus 2020 door Partijen gezamenlijk worden vastgesteld en aansluitend door Koper aan Verkoper worden voldaan. Een en ander met inachtneming van hetgeen hierna is bepaald in artikel 9.1.” c. In de hiervoor vermelde bepalingen 3.2-3.5 betreffende de koopprijs wordt telkens verwezen naar artikel 9.1 van de overeenkomst. Dat artikel luidt als volgt: “ Artikel 9 Betaling openstaande posten en garantstelling 9.1 Koper heeft uit hoofde van voor Verkoper verrichte diensten een vordering op Verkoper ter hoogte van een bedrag van € 72,596,52, zoals blijkt uit Bijlage 5. Verkoper zal zich inspannen om deze schuld zo spoedig mogelijk af te lossen. Partijen komen overeen dat indien de hiervoor bedoelde schuld nog niet volledig is afgelost op de betaalmomenten van de tranches van de Koopprijs zoals genoemd in artikelen 3.2 tot en met 3.5, de door Koper te betalen Koopprijs verrekend zal worden met de hiervoor bedoelde vordering van Koper op Verkoper.” d. [geïntimeerde 1] heeft zich in de overeenkomst van 8 juli 2016 borg gesteld voor de nakoming van de in artikel 9.1 genoemde betalingsverplichting van zijn vader tegenover [appellante] ten bedrage van € 72.596,52 en is met het oog daarop partij geworden bij de overeenkomst. Ook [geïntimeerde 2] heeft, als echtgenote van [geïntimeerde 1] , de overeenkomst medeondertekend. De borgstelling is vastgelegd in artikel 9.2 van de overeenkomst (hierna: de borgstelling). Artikel 9.2 luidt: “Garant stelt zich tegenover Koper bij wijze van zelfstandige verbintenis onherroepelijk garant voor de nakoming van de hiervoor bedoelde betalingsverplichting van Verkoper jegens Koper. Garant stelt voorts al zijn bestaande en toekomstige vorderingen op Verkoper achter bij de vordering van Koper op Verkoper.” e. Tussen [appellante] en vader [geïntimeerde 1] is een geschil ontstaan over de hoogte/berekening van de koopprijs en (onder meer) de aanspraak van [appellante] op schadevergoeding uit hoofde van onrechtmatige concurrentie door vader [geïntimeerde 1] . Dat geschil is inzet geweest van een procedure tussen [appellante] en vader [geïntimeerde 1] bij de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, onder zaak- en rolnummer C/01/334505 / HA ZA 18-353 (hierna: de eerdere procedure). Vader [geïntimeerde 1] is lopende de eerdere procedure overleden. f. Bij brief van 21 januari 2020 hebben [geïntimeerden] primair de nietigheid van de borgstelling ingeroepen, subsidiair hebben zij de borgstelling vernietigd en meer subsidiair hebben zij de borgstelling met onmiddellijke ingang opgezegd dan wel ingetrokken. g. Bij brief van 24 januari 2020 heeft [appellante] aan [geïntimeerden] bericht dat zij zich met de stellingname van [geïntimeerden] in de brief van 21 januari 2020 niet verenigt. h. Bij vonnis van 21 september 2022 heeft de rechtbank in de eerdere procedure, zakelijk weergegeven voor zover hier van belang, de overeenkomst geldig geoordeeld, vader [geïntimeerde 1] schadeplichtig geoordeeld wegens onrechtmatige concurrentie en de vereffenaars van de nalatenschap van vader [geïntimeerde 1] veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 259.536,27. De rechtbank is tot dat bedrag gekomen door vast te stellen dat vader [geïntimeerde 1] aan [appellante] een schadevergoeding verschuldigd was van € 354.000,27, en daarmee een bedrag van € 94.464,00 te verrekenen. Laatstgenoemd bedrag was volgens de rechtbank de koopsom die [appellante] nog verschuldigd was aan vader [geïntimeerde 1] uit hoofde van de overeenkomst. Daarbij baseerde de rechtbank zich op de berekeningen van de in de eerdere procedure door de rechtbank als deskundige benoemde [persoon B] (hierna: de deskundige), zoals opgenomen in de brief van de deskundige aan de rechtbank van 22 maart 2022. i. Bij dagvaarding van 23 november 2022 heeft [appellante] het onderhavige geding aanhangig gemaakt. De procedure bij de rechtbank 3.2. In de procedure bij de rechtbank heeft [appellante] gevorderd (enigszins verkort weergegeven): 1. voor recht te verklaren dat [geïntimeerden] de overeenkomst, waarin [geïntimeerde 1] zich tot borg gesteld heeft jegens [appellante] voor de nakoming van de betalingsverplichtingen van vader [geïntimeerde 1] , niet rechtsgeldig hebben vernietigd; 2. [geïntimeerden] te veroordelen tot betaling aan [appellante] van € 72.596,52, met rente; 3. [geïntimeerden] te veroordelen in de proceskosten, met rente. 3.3. [geïntimeerden] hebben verweer gevoerd. Op dat verweer zal hierna worden ingegaan, voor zover het in hoger beroep van belang is. 3.4. In het bestreden vonnis heeft de rechtbank de vorderingen van [appellante] afgewezen en [appellante] veroordeeld in de proceskosten, met rente. Het hoger beroep 3.5. [appellante] heeft in hoger beroep drie grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis en het alsnog toewijzen van de vorderingen van [appellante] met veroordeling van [appellante] in de proceskosten, met rente. 3.6. [geïntimeerden] hebben de grieven van [appellante] bestreden en geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van [appellante] in het hoger beroep respectievelijk bekrachtiging van het bestreden vonnis, eventueel onder aanvulling dan wel verbetering van gronden, met veroordeling van [appellante] in de kosten van de beide instanties, met inbegrip van nakosten. 3.7. De grieven van [appellante] slagen niet. Het hof zal hierna uiteenzetten waarom dat zo is. De uitkomst zal zijn dat het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd en dat [appellante] zal worden veroordeeld in de proceskosten op de wijze zoals opgenomen in het laatste deel van dit arrest, het zogenoemde dictum. De bespreking van de grieven 3.8. In de kern richten de grieven van [appellante] zich alle tegen de uitleg die de rechtbank heeft gegeven aan de hiervoor in rechtsoverweging 3.1 onder c en onder d weergegeven artikelen 9.1 en 9.2 van de overeenkomst, en de gevolgen die de rechtbank aan die uitleg verbindt. De grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Het hof overweegt als volgt. 3.9. Op grond van hetgeen aan de orde is gekomen tijdens de mondelinge behandeling in de procedure bij de rechtbank (proces-verbaal van de mondelinge behandeling op 6 februari 2024, pagina 2) staat tussen partijen vast dat op grond van het bepaalde in artikel 9.2 van de overeenkomst [geïntimeerde 1] zich tegenover [appellante] tot borg heeft gesteld voor de verplichting van (de nalatenschap van) vader [geïntimeerde 1] tegenover [appellante] tot betaling van het in artikel 9.1 van de overeenkomst genoemde bedrag van € 72.569,52 wegens voor vader [geïntimeerde 1] verrichte diensten (zie ook hiervoor rechtsoverweging 3.1 onder d). Tussen partijen is in geschil of [appellante] , onder de omstandigheden die in deze zaak aan de orde zijn en de uitleg die aan de contractuele borgstellingsregeling moet worden gegeven, tegenover [geïntimeerde 1] nog een beroep toekomt op de borgstelling van artikel 9.2 van de overeenkomst. Volgens [appellante] is dat het geval. [geïntimeerden] bestrijden dat. 3.10. Ter onderbouwing van haar standpunt betoogt [appellante] , zakelijk samengevat, het volgende. De rechtbank heeft zich bij de uitleg van artikel 9.2 ten onrechte gebaseerd op de stelling van [geïntimeerden] dat [geïntimeerde 1] slechts een beperkt risico zou lopen. De contractueel vastgelegde betrokkenheid van [geïntimeerde 1] als borg was juist een uitvloeisel van het risico dat vader [geïntimeerde 1] de schuld die hij had aan [appellante] als bedoeld in artikel 9.1 van de overeenkomst, niet zou voldoen. De afspraak die [appellante] en [geïntimeerde 1] met elkaar hebben gemaakt, is dat [geïntimeerde 1] garant zou staan voor de betalingsverplichting van vader [geïntimeerde 1] , en niet dat de borgstelling pas aan de orde zou zijn als verrekening niet meer aan de orde was. Daartoe wijst [appellante] ook op de titel van artikel 9 van de overeenkomst: ‘betaling openstaande posten en garantstelling’. De borgstelling - een zelfstandige verbintenis met een eigen inhoud - kan niet anders worden uitgelegd dan dat [geïntimeerde 1] de schuld van vader [geïntimeerde 1] zou voldoen als deze niet door vader [geïntimeerde 1] bevrijdend werd betaald of werd verrekend met de uit de overeenkomst voortvloeiende koopsom, zo voert [appellante] verder aan. De borgstelling van artikel 9.2 is niet gekoppeld aan de verrekening die is opgenomen in artikel 9.1 zodat de borgstelling ook aan de orde kan zijn voor zover er geen verrekening heeft plaatsgevonden dan wel verrekening op andere wijze dan is overeengekomen in artikel 9.1. De uit de overeenkomst voortvloeiende koopsom, zoals bepaald op basis van het deskundigenbericht in de eerdere procedure, is niet hoger dan de schuld; zij is nog nihil. Voor zover op [appellante] uit hoofde van de koopsom een betalingsverplichting rust tegenover (de nalatenschap van) vader [geïntimeerde 1] is deze tenietgegaan door verrekening met de door (de nalatenschap van) vader [geïntimeerde 1] aan [appellante] te betalen schadevergoeding wegens de door vader [geïntimeerde 1] jegens [appellante] gepleegde onrechtmatige concurrentie. De rechtbank is bovendien buiten de rechtsstrijd van partijen getreden voor zover haar oordeel zo moet worden begrepen dat het in strijd is met de redelijkheid en billijkheid om [geïntimeerde 1] aan te spreken nu de door [appellante] aan vader [geïntimeerde 1] verschuldigde koopsom op andere wijze is verrekend dan hetgeen volgt uit het bepaalde in artikel 9.1 van de overeenkomst. 3.11. Het hof volgt het betoog van [appellante] niet. De redenen daarvoor zijn de volgende. De toepasselijke uitlegmaatstaf 3.12. Het hof stelt voorop dat volgens vaste rechtspraak de vraag wat partijen met (een) bepaald(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.