GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH Team familie- en jeugdrecht Uitspraak: 28 augustus 2025 Zaaknummer: 200.352.088/01 Zaaknummer eerste aanleg: C/02/425698 / FA RK 24-3795 in de zaak in hoger beroep van: [de vader] , wonende te [woonplaats] , verzoeker in hoger beroep, hierna te noemen: de vader, advocaat: mr. S. Klootwijk, tegen [de moeder] , wonende te [woonplaats] , verweerster in hoger beroep, hierna te noemen: de moeder, advocaat: mr. A. Koop-van Vliet. Deze zaak gaat over [minderjarige] (hierna: [minderjarige] ), geboren op [geboortedatum] 2022 te [geboorteplaats] . In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is in de procedure gekend: de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie [locatie] , hierna te noemen: de raad. 1Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 20 december 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. 2Het geding in hoger beroep 2.1. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 6 maart 2025, heeft de vader verzocht om, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voormelde beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het hoger beroep gegrond te verklaren en (naar het hof begrijpt:) het inleidend verzoek van de moeder tot beëindiging van het gezamenlijk gezag over [minderjarige] alsnog af te wijzen. 2.2. Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 23 april 2025, heeft de moeder verzocht bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad: het hoger beroep van de vader ongegrond te verklaren en zijn verzoek af te wijzen, dan wel een zodanige beslissing te geven die het hof juist acht, zo nodig onder verbetering en aanvulling van de feiten en de gronden; onder veroordeling van de vader in de proceskosten in hoger beroep. 2.3. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 8 juli 2025. Bij die gelegenheid zijn gehoord: de vader, bijgestaan door mr. Klootwijk; de moeder, bijgestaan door mr. Koop-van Vliet; de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] . 2.4. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van: - het procesdossier van de eerste aanleg, ingekomen ter griffie op 7 maart 2025. 3De beoordeling De feiten 3.1. Tijdens de inmiddels verbroken affectieve relatie tussen partijen is [minderjarige] geboren. De vader heeft [minderjarige] erkend. Partijen oefenden tot aan de datum van de bestreden beschikking gezamenlijk het ouderlijk gezag over [minderjarige] uit. [minderjarige] woont bij de moeder. 3.2. Het contact tussen de vader en [minderjarige] is sinds 11 januari 2023 stopgezet. De procedure in eerste aanleg 3.3. De moeder heeft de rechtbank verzocht bij beschikking, en voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat het gezamenlijk gezag over [minderjarige] wordt beëindigd onder toewijzing van het eenhoofdig gezag aan de moeder. 3.4. Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking heeft de rechtbank bepaald dat het gezag over [minderjarige] voortaan aan de moeder alleen toekomt. De procedure in hoger beroep 3.5. De vader kan zich met deze beslissing van de rechtbank niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen. De standpunten 3.6. De vader voert – samengevat – het volgende aan. De rechtbank heeft ten onrechte bepaald dat het gezag over [minderjarige] voortaan alleen aan de moeder toekomt. Het uitgangspunt is dat beide ouders gezamenlijk het gezag over [minderjarige] uitoefenen. Er wordt niet voldaan aan de criteria van artikel 1:251a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) juncto 1:253n lid 2 BW om het gezamenlijk gezag van partijen over [minderjarige] te beëindigen. Er is geen sprake van dat [minderjarige] klem of verloren zal raken tussen de ouders. De vader heeft nooit belangrijke gezagsbeslissingen gefrustreerd of de moeder geweigerd om zijn toestemming te verlenen. Hij staat er ook voor open om met de moeder over gezagsbeslissingen te communiceren. Daarnaast wenst de vader op korte termijn weer omgang met [minderjarige] te krijgen. De vader heeft inmiddels een procedure bij de rechtbank opgestart om een omgangsregeling en informatieregeling te laten vaststellen. Het is daarom voorzienbaar dat het contact tussen de vader en [minderjarige] op korte termijn zal worden hersteld. De vader is dan weer op de hoogte van wat er in het leven van [minderjarige] speelt. Dit is een gewijzigde omstandigheid sinds de bestreden beschikking. Verder is de vader zich bewust van zijn verleden. De moeder kan hulpverlening zoeken om haar verleden met de vader te verwerken. De vader is weer beschikbaar voor [minderjarige] en de moeder. Hij kampt niet langer meer met psychoses en er is geen sprake meer van een psychische stoornis bij de vader. De vader gebruikt geen medicatie meer. Hij heeft in zijn hulpverleningstrajecten geleerd hoe hij met zijn gedrag en gedachten om moet gaan. De vader heeft alleen kortdurende medicatie voor het geval dat vanwege spanningen nodig mocht zijn. Hij is op jonge leeftijd met ADHD gediagnosticeerd. De vader is daardoor nog wel steeds druk in zijn hoofd en in zijn bewegingen. Ook op andere vlakken heeft de vader inmiddels zijn leven weer op de rit. Zo beschikt de vader over een eigen woning middels een begeleid wonen traject en gaat hij meerdere keren per week met zijn vader naar de sportschool. De vader heeft ook al een lange tijd geen contact meer met de moeder gezocht. De casemanager Maatschappelijke Ondersteuning is niet langer betrokken. Voor eventuele hulpverlening kan de vader bij zijn huisarts terecht. De vader is op dit moment werkloos. Na een verschil van mening met zijn leidinggevende over een bonus heeft de vader ontslag genomen. Vanwege zijn strafblad is het voor de vader moeilijk om aan een nieuwe baan te komen. De vader kan zich niet verenigen met het door de raad tijdens de mondelinge behandeling gegeven advies. 3.7. De moeder voert – samengevat – het volgende aan. Primair dient de vader in zijn hoger beroep niet-ontvankelijk te worden verklaard. Een grief moet zodanig onderbouwd zijn dat aan de rechter en de wederpartij voldoende duidelijk is op welke gronden vernietiging wordt gewenst (vgl. HR 12 december 2003, ECLI:NL:HR:2003: AL8435). De grief van de vader voldoet niet aan die eisen. De grief is summier geformuleerd en in zijn geheel niet toegelicht, laat staan onderbouwd met (een) grond(
- en)en/of met enig(
- e)bewijsstuk(en). Het is daardoor voor de moeder allerminst duidelijk, althans onbegrijpelijk, wat de vader met zijn grief ter motivering van zijn hoger beroep wenst aan te voeren. Subsidiair dient de bestreden beschikking te worden bekrachtigd. Een deugdelijke medische objectieve onderbouwing van de stelling van de vader, inhoudende dat er geen sprake meer is van psychoses en/of psychische stoornissen, ontbreekt. De vader kampt al jaren met psychoses en/of psychische stoornissen. De vader heeft hiervoor diverse trajecten, waaronder begeleiding via [instantie] en het FACT, gevolgd en niet afgerond. Hij heeft daarbij tevens herhaaldelijk verklaard dat hij geen professionele hulp nodig heeft. Het gedrag van de vader wordt gekenmerkt door extreme stemmingswisselingen en wispelturigheid. Het patroon van inconsistentie en de (meerdere) terugvallen in het verleden bevestigen de vrees van de moeder dat de door de vader geschetste stabiliteit niet blijvend van aard is. Zowel in deze procedure als in de recent opgestarte procedure bij de rechtbank waarin de vader heeft verzocht om een omgangsregeling tussen hem en [minderjarige] vast te stellen, verstrekt de vader geen stukken omtrent zijn medische situatie. De enkele blote stellingen van de vader dat zijn psychische gesteldheid is verbeterd rechtvaardigt geenszins de conclusie dat er nu wel sprake kan zijn van een bestendige situatie die maakt dat partijen nu wel in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening. Bij de vader ontbreekt het nog steeds aan erkenning en zelfinzicht. Het heftige verleden tussen partijen wordt door de vader gebagatelliseerd, waardoor de onderlinge verhouding tussen partijen nog meer onder druk komt te staan. De omstandigheden ten opzichte van de mondelinge behandeling bij de rechtbank op 6 december 2024 zijn niet gewijzigd. Er is sinds januari 2023 geen contact meer tussen de vader en [minderjarige] geweest. Bovendien is het voor een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening noodzakelijk dat de ouders kunnen samenwerken en dat zij allebei over actuele informatie over [minderjarige] beschikken. Aan beide voorwaarden wordt op dit moment niet voldaan. Dat de vader in zijn beroepschrift heeft aangevoerd dat hij zijn leven thans op de rit heeft, doet hieraan niet af. Na de gezagsbeëindiging was er voor de moeder een situatie van relatieve rust ontstaan. Die is nu wederom verstoord. Doordat de vader hoger beroep heeft ingesteld en doordat hij bij de rechtbank een procedure is gestart om een omgangsregeling tussen hem en [minderjarige] vast te stellen, heeft de moeder opnieuw contact opgenomen met de praktijkondersteuner van de huisarts en gaat zij opnieuw onder behandeling bij een psycholoog. 3.8. De raad heeft tijdens de mondelinge behandeling – samengevat – geadviseerd om het eenhoofdig gezag van de moeder te handhaven. De raad ziet geen positieve ontwikkeling bij de vader. De vader zegt wel dat het nu een stuk beter met hem gaat maar dat wil niet zeggen dat de ouders dan daarmee een basis hebben om samen gezagsbeslissingen over [minderjarige] te kunnen gaan nemen. Zo hebben de ouders niet laten zien dat zij nu wel in staat zijn om samen te communiceren over de te nemen gezagsbeslissingen. Ook is er in het verleden (
- te)veel gebeurd tussen de ouders; dat is nog niet zo lang geleden. Dat het Openbaar Ministerie niet tot vervolging is overgegaan zegt nog niets over wat er zich tussen partijen heeft afgespeeld en hoe dat voor de moeder moet zijn geweest. De raad ziet aan de kant van de moeder veel stress over het verleden; dat heeft ook zijn weerslag op [minderjarige] . De motivering van de beslissing 3.9. Het hof overweegt het volgende. Rechtsmacht 3.9.1. Het internationale karakter van de zaak vraagt om een beoordeling van de rechtsmacht van de Nederlandse rechter. De rechtsmacht kan worden gebaseerd op artikel 7 lid 1 Brussel II-ter. Op grond van de hoofdregel van artikel 7 Brussel II-ter zijn in zaken van ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waar het kind zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig is gemaakt. [minderjarige] heeft haar gewone verblijfplaats in Nederland. Dit maakt dat de Nederlandse rechter in deze zaak rechtsmacht heeft. 3.9.2. Ingevolge het bepaalde in artikel 15 lid 1 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 (Trb. 1997, 299) is Nederlands recht van toepassing. De ontvankelijkheid in hoger beroep 3.9.3. In haar primaire verweer voert de moeder aan dat de vader in zijn hoger beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Het hof is, anders dan de moeder, van oordeel dat de vader tegen de bestreden beschikking een duidelijke grief met een duidelijke toelichting heeft geformuleerd. De vader betoogt in die grief namelijk waarom volgens hem niet aan de wettelijke criteria van artikel 1:253n BW – om te komen tot een beëindiging van het gezamenlijk gezag van partijen over [minderjarige] – wordt voldaan. Het hof gaat daarom aan dit primaire verweer van de moeder voorbij. Het wettelijk kader 3.9.4. Ingevolge artikel 1:253n BW kan de rechter op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of een van hen het gezamenlijk gezag beëindigen indien nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. De rechter bepaalt dat het gezag over een kind aan één ouder toekomt indien: a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of b. wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is. Wijziging van omstandigheden 3.9.5. Het hof dient allereerst te beoordelen of er sprake is van een rechtens relevante wijziging van omstandigheden. Partijen hebben het gezamenlijk gezag over [minderjarige] – kort na haar geboorte – geregeld toen zij nog een affectieve relatie met elkaar hadden. Deze affectieve relatie is inmiddels verbroken. Verder staat vast dat er sinds 11 januari 2023 geen enkel contact meer tussen de vader en [minderjarige] is geweest. Dit maakt dat er sprake is van een rechtens relevante wijziging van omstandigheden. De inhoudelijke beoordeling 3.9.6. Gezamenlijke uitoefening van het gezag vereist dat de ouders het mogelijk maken dat beslissingen over de verzorging en opvoeding van het kind tot stand komen op een wijze die niet belastend is voor het kind en zijn veiligheid niet in gevaar brengt. In het geval ouders niet (meer) samenleven en moeizaam of niet communiceren is het van belang dat, waar nodig, de verzorgende ouder die beslissingen kan nemen die voor het dagelijkse leven en de veiligheid van (spoedeisend) belang zijn voor het kind en dat de niet-verzorgende ouder deze beslissingen niet blokkeert. Ook is het van belang dat ouders die niet in staat zijn de strijd met elkaar te staken, tenminste in staat zijn het kind buiten die strijd te houden. Indien bovengenoemde omstandigheden aanwezig zijn, ligt gezamenlijk gezag in de rede, tenzij andere redenen eenhoofdig gezag noodzakelijk maken. 3.9.7. Het hof is op grond van de stukken en het besprokene tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep van oordeel dat partijen niet tot een behoorlijke uitoefening van het gezamenlijk gezag over [minderjarige] in staat zijn. De vader heeft weliswaar naar voren gebracht dat zijn situatie en zijn psychische gesteldheid sinds de bestreden beschikking zijn gewijzigd, maar hij heeft nagelaten om dit met onderliggende stukken te onderbouwen. De vader heeft onder meer geen stukken overgelegd waaruit blijkt welke hulpverleningstrajecten hij heeft gevolgd en/of deze trajecten, al dan niet, succesvol zijn afgerond. Dit had wel op zijn weg gelegen. Bovendien is tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep gebleken dat een aantal van de door de vader naar voren gebracht gewijzigde (positieve) omstandigheden inmiddels is achterhaald. Zo heeft de vader verklaard thans geen werk meer te hebben, geen (depot)medicatie meer te gebruiken en geen begeleiding meer van de casemanager Maatschappelijke Ondersteuning te hebben, althans dat hij daar geen gebruik meer van maakt. Verder is tijdens de mondelinge behandeling gebleken dat de door de vader opgestarte procedure ter zake van onder meer de vaststelling van een omgangsregeling tussen hem en [minderjarige] op dit moment nog niet tot contactherstel met [minderjarige] heeft geleid. Dit maakt dat de vader thans nog steeds niet in staat is om op een verantwoorde wijze beslissingen van enig belang over [minderjarige] te nemen die aansluiten bij haar ontwikkeling(sfase). Daarbij komt dat vaststaat dat tussen partijen in het verleden het nodige is voorgevallen (de moeder is onder meer gestalkt en bedreigd door de vader), wat door de vader niet wordt betwist. Dit volgt ook uit de overgelegde processen-verbaal van aangifte en de overgelegde melding bij Veilig Thuis. De moeder heeft – ter verwerking van het verleden met de vader – onder behandeling gestaan bij een psycholoog. Hoewel die behandeling eerder was afgerond, is tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep gebleken dat de moeder zich vanwege de stress die zij door de onderhavige procedure bij het hof en de door de vader bij de rechtbank gestarte procedure ervaart, opnieuw heeft moeten wenden tot psychische hulpverlening. Deze stress van de moeder heeft ook zijn weerslag op [minderjarige] , omdat [minderjarige] volledig bij de moeder verblijft en zij – gelet op haar jonge leeftijd – nog volledig van de moeder afhankelijk is. Genoemde feiten en omstandigheden maken naar het oordeel van het hof dat de wijziging van het gezag anderszins in het belang van [minderjarige] noodzakelijk is. De rechtbank heeft terecht het gezamenlijk gezag van partijen over [minderjarige] beëindigd. De grief van de vader faalt derhalve. De slotsom 3.10. Op grond van het voorgaande zal het hof de beschikking waarvan beroep bekrachtigen. Proceskosten 3.11. De moeder heeft verzocht om de vader in de proceskosten te veroordelen. De vader procedeert nodeloos omdat een deugdelijke medische onderbouwing van zijn vermeende verbetering van zijn psychische gesteldheid, zijnde de grondslag van het beroep, ontbreekt. De vader heeft hiertegen verweer gevoerd. De vader heeft het recht om tegen de bestreden beschikking hoger beroep in te stellen. Er is geen sprake van een nodeloze procedure. 3.12. Het hof ziet in hetgeen de moeder heeft aangevoerd geen aanleiding om af te wijken van de gebruikelijke regel, inhoudende dat de proceskosten tussen partijen die een affectieve relatie met elkaar hebben gehad worden gecompenseerd. De vader heeft het recht om tegen de bestreden beschikking hoger beroep in te stellen. Dat de vader zijn hoger beroep vervolgens onvoldoende met stukken heeft onderbouwd, is – naar het oordeel van het hof – niet aan te merken als misbruik van procesrecht. Het hof wijst daarom het verzoek van de moeder af. 4De beslissing Het hof: bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 20 december 2024; verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, team familie- en jeugdrecht, ter attentie van het Centraal Gezagsregister; compenseert de proceskosten in hoger beroep, in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt; wijst af het meer of anders verzochte. Deze beschikking is gegeven door mrs. A.M. Bossink, G.M. Goes en K.A. Boshouwers en is op 28 augustus 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.