GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team Handelsrecht Uitspraak : 28 augustus 2025 Zaaknummer : 200.307.976/01 Zaaknummer eerste aanleg : 9454058 \ AZ VERZ 21-136 in de zaak in hoger beroep van: [de werknemer] , wonende te [woonplaats] , Duitsland, appellant, hierna aan te duiden als [de werknemer] , advocaat: mr. J.B. Gubbels te Roermond, tegen 1 [geïntimeerde 1 / vennoot 1] ,
- [geïntimeerde 2 / vennoot 2] , beiden wonende te [woonplaats] ,
- V.O.F. [V.O.F.] , handelend onder de naam [V.O.F.] , gevestigd te [vestigingsplaats] , hierna afzonderlijk aan te duiden als [geïntimeerde 1 / vennoot 1] en [geïntimeerde 2 / vennoot 2] en (gezamenlijk) als vof [V.O.F.] , advocaat: mr. F.W. Amendt te Amsterdam, als vervolg op de tussenbeschikkingen van dit hof van 17 november 2022, 16 maart 2023 en 29 februari
- 11Het vervolg van de procedure in hoger beroep 11.
- Het vervolg van de procedure in hoger beroep blijkt uit: het proces-verbaal van enquête van 5 juni 2024; het proces-verbaal van contra-enquête van 22 oktober 2024; de memorie na enquête van vof [V.O.F.] , ingekomen ter griffie op 24 december 2024; de antwoordmemorie na enquête van [de werknemer] , ingekomen ter griffie op 20 januari
- 11.
- De zaak is aangehouden geweest omdat partijen in overleg zouden zijn over een minnelijke regeling. Op 28 maart 2025 heeft de griffie van het hof partijen verzocht om aan te geven of zij een uitspraak wensen. Op 2 april 2025 heeft het hof bericht van mr. Gubbels ontvangen dat [de werknemer] uitspraak wenst, waarna de uitspraak nader is bepaald op vandaag. 11.
- Omdat een van de raadsheren die de vorige beschikking heeft meegewezen inmiddels met pensioen is, is deze raadsheer (mr. Van de Rakt) vervangen door mr. Stienissen. De advocaten zijn hiervan voorafgaand aan de uitspraak op de hoogte gesteld. 11.
- Het hof heeft na afloop van de enquêtes partijen in de gelegenheid gesteld om nadere stukken in te dienen (de memories na enquête). Het procesreglement voorziet daarin in art. 1.2.3.4.
- [de werknemer] heeft aangevoerd dat de memorie na enquête van vof [V.O.F.] pas op 24 december 2024 is ingekomen op de griffie van het gerechtshof, terwijl een uitstel was verleend tot 19 december
- Hij refereert zich aan een mogelijk daarover te nemen beslissing. Het hof heeft aanleiding gezien om de memorie na enquête te accepteren. Gelet op de aard en inhoud van de memorie na enquête acht het hof het niet in strijd met de eisen van een goede procesorde om die in de beoordeling te betrekken. Bij dit oordeel is betrokken dat [de werknemer] zich onmiddellijk na ontvangst van de memorie na enquête niet heeft verzet tegen de toelaatbaarheid van die memorie en de gelegenheid heeft gekregen om een memorie van antwoord na enquête te nemen. Daarvan heeft [de werknemer] gebruik gemaakt. Het hof ziet geen aanleiding om de memorie na enquête thans buiten beschouwing te laten. 12De verdere beoordeling 12.
- Het hof herhaalt voor het overzicht kort de kern van het geschil en de beslissing in de tussenbeschikkingen van 17 november 2022, 16 maart 2023 en 29 februari
- Het hof merkt nog op dat de veroordeling onder 5.1 in de bestreden beschikking niet aan het oordeel van het hof is onderworpen. 12.
- [de werknemer] is als winkelmedewerker/slager met ingang van 1 juli 2021 krachtens een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van 12 maanden met een arbeidsomvang van 40 uur per week gaan werken bij vof [V.O.F.] . Na een verschil van mening met [geïntimeerde 1 / vennoot 1] over te verrichten werkzaamheden op het eind van de werkdag op 20 of 21 juli 2021 heeft [de werknemer] geen werkzaamheden meer voor vof [V.O.F.] verricht. Partijen twisten over de financiële afwikkeling van de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. In hoger beroep verzoekt [de werknemer] (na eerdere afwijzing door de kantonrechter): - veroordeling van vof [V.O.F.] tot betaling van € 28.440,17 in verband met onregelmatige opzegging van de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd;- veroordeling van vof [V.O.F.] tot betaling van een billijke vergoeding van € 7.500,--;- veroordeling van vof [V.O.F.] tot betaling van een transitievergoeding van € 789,10 (door kantonrechter is (€ 48,10) toegewezen;- veroordeling van vof [V.O.F.] tot betaling van reiskostenvergoeding van € 487,35;- veroordeling van vof [V.O.F.] in de proceskosten in hoger beroep. De beslissing onder 5.
- in de bestreden beschikking (veroordeling tot betaling van € 500,--) is niet aan het oordeel van het hof onderworpen. 12.
- Het hof heeft in de eerste tussenbeschikking overwogen dat geen sprake is van een rechtsgeldige ontslagname door [de werknemer] , althans dat vof [V.O.F.] [de werknemer] daaraan niet kan houden. 12.
- Vervolgens heeft het hof, in het kader van de stellingname van vof [V.O.F.] dat sprake is van een schriftelijke arbeidsovereenkomst met een rechtsgeldig proeftijdbeding en dat sprake is van een proeftijdontslag, overwogen dat [de werknemer] gemotiveerd heeft betwist dat hij de arbeidsovereenkomst heeft ondertekend en dat het op de weg van vof [V.O.F.] ligt om de echtheid van de betwiste handtekening te bewijzen. Ook de echtheid van de handtekening van [de werknemer] onder de ‘ontslagbrief’, zo overwoog het hof, zal onderzocht moeten worden. Vof [V.O.F.] heeft aangevoerd dat [de werknemer] deze brief, waarin partijen overeenkomen dat het werk in de proeftijd per 31-07-2021 wordt beëindigd, ook heeft ondertekend. 12.
- Het hof heeft vof [V.O.F.] voorts opgedragen om de originele ondertekende arbeidsovereenkomst en de originele ‘ontslagbrief’ te deponeren ter griffie. 12.
- Vervolgens heeft het hof bij tussenbeschikking van 16 maart 2023 een deskundigenbericht gelast, uit te voeren door de handschriftkundige drs. P.L. Zevenbergen. 12.
- De deskundige heeft aanvankelijk aan de hand van het hem ter beschikking gestelde materiaal geconcludeerd dat beide betwiste handtekeningen geen echte handtekeningen zijn van [de werknemer] . De deskundige heeft daarna aan de advocaat van [de werknemer] gevraagd om een ID-bewijs aan het vergelijkingsmateriaal toe te voegen. De handtekening in het digitaal paspoort heeft volgens de deskundige een ander licht op de zaak geworpen. Daarom heeft hij bij partijen meerdere handtekeningen van dit andere ‘model’ opgevraagd en een ID-kaart van 25 oktober 2017 en een rijbewijs van 5 september 2017 ontvangen. De deskundige heeft uiteindelijk geconcludeerd dat het iets waarschijnlijker is dat de betwiste handtekening op de arbeidsovereenkomst en op de ‘ontslagbrief’ is geplaatst door [de werknemer] dan dat een willekeurig ander deze heeft geplaatst. 12.
- Het hof achtte die gradatie, te weten ‘iets waarschijnlijker dan’ te laag om enkel op grond van deze uitkomst van het deskundigenrapport met een redelijke mate van zekerheid uit te gaan van de echtheid van de handtekening van [de werknemer] op de arbeidsovereenkomst en de ‘ontslagbrief’. Het hof heeft vervolgens vof [V.O.F.] overeenkomstig haar uitdrukkelijk bewijsaanbod toegelaten feiten en omstandigheden te bewijzen die de conclusie rechtvaardigen dat de arbeidsovereenkomst en ‘ontslagbrief’ door [de werknemer] ondertekend zijn. 12.
- Vervolgens heeft vof [V.O.F.] op 5 juni 2024 vier getuigen doen horen, waarna [de werknemer] op 22 oktober 2024 is gehoord in het tegenverhoor. 12.10 Het hof zal allereerst beoordelen of vof [V.O.F.] geslaagd is in het opgedragen bewijs, te weten dat de arbeidsovereenkomst en ontslagbrief zijn ondertekend door [de werknemer] . Staat voldoende vast dat de arbeidsovereenkomst is ondertekend door [de werknemer] ? 12.11 Het hof herhaalt dat de bewijslast op vof [V.O.F.] rust. Zij beroept zich op de rechtsgevolgen van het proeftijdbeding in het schriftelijk arbeidscontract, terwijl [de werknemer] de echtheid van de handtekening betwist. Vereist is dat met redelijke mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat [de werknemer] de arbeidsovereenkomst heeft ondertekend. Die redelijke mate van zekerheid ontbreekt. Het hof zal dit toelichten. 12.
- De door vof [V.O.F.] opgeroepen getuigen hebben met betrekking tot de arbeidsovereenkomst het volgende verklaard. [geïntimeerde 1 / vennoot 1] , vennoot van vof [V.O.F.] : Op enig moment, mijn medevennoot [geïntimeerde 2 / vennoot 2] was in Turkije, stuurde hij mij een whatsapp met de arbeidsovereenkomst met [de werknemer] . Hij had die gekregen van de boekhouder. Ik heb toen die arbeidsovereenkomst uitgeprint. [de werknemer] heeft de arbeidsovereenkomst vervolgens meegenomen en een of een paar dagen later ondertekend. Ik weet niet meer precies hoe het ondertekenen is gegaan, maar ik weet zeker dat hij zijn handtekening heeft gezet. Hij heeft de arbeidsovereenkomst ondertekend en aan mij gegeven. Ik heb die arbeidsovereenkomst toen bewaard voor mijn collega [geïntimeerde 2 / vennoot 2] . Ik had de arbeidsovereenkomst al ondertekend voordat ik hem aan [de werknemer] gaf. Toen heb ik de arbeidsovereenkomst bewaard voor [geïntimeerde 2 / vennoot 2] . Ik herinner me niet of ik toen al een exemplaar van de arbeidsovereenkomst aan [de werknemer] heb gegeven. Mijn exemplaar heb ik wel bewaard voor [geïntimeerde 2 / vennoot 2] . [geïntimeerde 2 / vennoot 2] , vennoot van vof [V.O.F.] :Ik ben vennoot van de V.O.F. [V.O.F.] . Voor mijn vakantie, op 1 juli 2021, heb ik met de heer [de werknemer] gesproken over de inhoud van de arbeidsovereenkomst. Op 14 juli, ik was toen met vakantie, kreeg ik een whatsapp bericht van de heer [de werknemer] . Hij schreef toen dat hij het contract gekregen had, dat hij het zou gaan lezen en ondertekenen. De volgende dag heb ik met de heer [geïntimeerde 1 / vennoot 1] gesproken. Ik belde hem. [geïntimeerde 1 / vennoot 1] zei toen dat alles in orde was met de arbeidsovereenkomst en dat zij getekend hadden. [geïntimeerde 1 / vennoot 1] en [de werknemer] hadden de arbeidsovereenkomst getekend. Hij zei dat [de werknemer] ook een ondertekend exemplaar van de arbeidsovereenkomst had gekregen. Ik heb de arbeidsovereenkomst na de vakantie ondertekend. Dat zal ongeveer de 27e zijn geweest. U houdt mij voor dat onder punt 28 in het verweerschrift van V.O.F. [V.O.F.] in eerste aanleg is vermeld dat er geen sprake is van een getekende arbeidsovereenkomst en u vraagt mij waarom dat er staat. Dat weet ik niet. [echtgenote van geïntimeerde 1 / vennoot 1] , echtgenote van [geïntimeerde 1 / vennoot 1] :U vraagt mij wat ik weet over het ondertekenen van de arbeidsovereenkomst door [de werknemer] . Allereerst het is al lang geleden, maar bij ons lopen dingen vaker samen en hebben we overleggen. Ik herinner mij dat ik in de keuken van de zaak aan het werken was. Die keuken wordt ook wel als kantoor gebruikt. Mijn man kwam met de heer [de werknemer] binnen en zei iets in de trant van de slager gaat zijn contract tekenen of wij gaan het contract tekenen. Ik werk er niet elke dag. Ik herinner me wel dat het toen een drukkere tijd was, in verband met het offerfeest. Dan ben ik er vaker. U vraagt mij of [de werknemer] er al werkte of nog moest beginnen met werken. Volgens mij moest hij nog beginnen met werken. U vraagt mij nader of het contract werd ondertekend voordat of nadat hij in dienst was gekomen. Volgens mij werd het contract ondertekend nadat hij al in dienst was gekomen, want ik had hem wel al een paar keer gezien. Maar ik weet niet of hij al in dienst was of in de proeftijd werkte. [de werknemer] heeft het contract ook daadwerkelijk ondertekend, want ik vroeg hem dat en toen zei hij ‘ja’ en daarmee heb ik hem gefeliciteerd. Ik heb toen ook iets gezegd in de trant van welkom. [dochter] , dochter van de getuigen [geïntimeerde 1 / vennoot 1] en [echtgenote van geïntimeerde 1 / vennoot 1] :Ik werk soms achter de balie, in de verkoop of het bijvullen bij V.O.F. [V.O.F.] . Op een dag werd mij gezegd dat iemand een arbeidscontract zou komen tekenen en dat ik hem dan kon doorsturen naar de keuken. Toen ik keek zag ik wel dat er iets getekend werd. Dat was door de heer [de werknemer] die hier aanwezig is. Ik kan me niet herinneren dat ik hem voor die dag al had gezien. U vraagt mij of ik [de werknemer] niet eerder kende als de slager bij V.O.F. [V.O.F.] . Nee dat kan ik zeker niet met zekerheid zeggen. Ik zie daar zoveel mensen als ik daar werk. Daartegenover staat de verklaring van [de werknemer] , die hierover verklaart:Omstreeks 15 of 16 juli 2021 heb ik van [geïntimeerde 1 / vennoot 1] een arbeidsovereenkomst gekregen. Ik kan best goed Nederlands spreken, maar lezen gaat moeilijker. Enkele dagen daarna, ik denk op een maandag, was de winkel maar een halve dag open in verband met het offerfeest. Ik ben toen met de arbeidsovereenkomst naar mijn boekhouder gegaan. Mijn boekhouder heeft gezegd dat de reiskosten niet goed geregeld waren en mij ook erop gewezen dat ik binnen 30 kilometer niet mocht gaan werken. Ik meen dat er nog iets was, maar dat ben ik nu vergeten, nu u dit dicteert herinner ik mij dat de boekhouder sprak over proeftijd. Ik heb toen niet getekend en ik wilde wachten tot [geïntimeerde 2 / vennoot 2] terug kwam van vakantie. Het loon stond ook niet correct in het contract. [geïntimeerde 1 / vennoot 1] zei tegen mij dat ik het met [geïntimeerde 2 / vennoot 2] moest regelen. Ik herinner me niet heel goed wat ik heb gezegd tegen [geïntimeerde 1 / vennoot 1] of [geïntimeerde 2 / vennoot 2] kort nadat ik bij de boekhouder ben geweest. U vraagt mij of ik met de arbeidsovereenkomst nog naar de gemeente ben geweest in verband met de huurtoeslag. Dat is niet zo, want de arbeidsovereenkomst was ook nog niet getekend door mij en [geïntimeerde 2 / vennoot 2] . Ook [geïntimeerde 1 / vennoot 1] had nog geen handtekening gezet. Ik ben bij mijn boekhouder geweest op de dag dat ik naar de moskee ben geweest. Eerst de moskee en daarna de boekhouder en daarna ben ik gaan werken. Dat was voor de ruzie met [geïntimeerde 1 / vennoot 1] over de drukke dag. De getuigenverklaringen aan de zijde van vof [V.O.F.] acht het hof, ook in het licht van alle overige feiten en omstandigheden in deze zaak, onvoldoende om het bewijs geleverd te achten. Weliswaar verklaren [geïntimeerde 1 / vennoot 1] , diens echtgenote [echtgenote van geïntimeerde 1 / vennoot 1] en hun dochter [dochter] allen over de ondertekening van de arbeidsovereenkomst door [de werknemer] , maar hun verklaringen verschillen op wezenlijke onderdelen van elkaar. Zo verklaart [geïntimeerde 1 / vennoot 1] dat hij niet meer weet of [de werknemer] de overeenkomst ondertekend teruggaf of dat hij die ondertekende in het kantoor van vof [V.O.F.] . Zijn echtgenote verklaart echter dat [geïntimeerde 1 / vennoot 1] met [de werknemer] het kantoor/de keuken binnenkwam en iets zei in de trant van de slager gaat zijn contract tekenen of wij gaan het contract tekenen. De dochter verklaart dan weer dat tegen haar werd gezegd dat iemand zou komen om het arbeidscontract te tekenen en dat zij hem dan moest doorsturen naar de keuken. Zij verklaart ook gezien te hebben dat [de werknemer] iets tekende. Hoewel afwijkende verklaringen op detailpunten ook kunnen bijdragen aan de geloofwaardigheid van verklaringen, acht het hof het opmerkelijk dat [geïntimeerde 1 / vennoot 1] zich niet meer herinnert dat het contract getekend werd door [de werknemer] in het kantoor van de vof, terwijl dat volgens diens echtgenote en dochter wel het geval was en [geïntimeerde 1 / vennoot 1] dat ook nog uitdrukkelijk zou hebben meegedeeld aan diens echtgenote. Ten slotte past de verklaring van de dochter niet goed in het verhaal dat [de werknemer] de arbeidsovereenkomst had meegenomen. Als hij akkoord zou zijn geweest met de arbeidsovereenkomst ligt het veeleer in de rede dat hij die zou hebben ondertekend zonder daarvoor speciaal naar het kantoor te hoeven gaan of toe te laten komen. In dat kader wijst het hof ook nog naar het volgende Whatsappbericht van [de werknemer] aan [geïntimeerde 2 / vennoot 2] waarin [de werknemer] schrijft dat hij de overeenkomst gaat pakken, lezen en dan ondertekenen (dus niet daarvoor speciaal naar kantoor/keuken van vof [V.O.F.] hoefde te komen).: “Is goed [geïntimeerde 2 / vennoot 2] [kennelijk [geïntimeerde 2 / vennoot 2] , hof], ik vraag vandaag aan hem ik ga die pakken. Ik ga die lezen vanavond en ik ook tekenen.”. Voorts weegt het hof mee dat [geïntimeerde 2 / vennoot 2] en [geïntimeerde 1 / vennoot 1] als vennoten van vof [V.O.F.] een relatief groot financieel belang hebben bij de uitkomst van de zaak en dat hun verklaringen met enige behoedzaamheid moeten worden gewogen, evenals die van [echtgenote van geïntimeerde 1 / vennoot 1] als echtgenote van [geïntimeerde 1 / vennoot 1] . Daar komt bij dat de verklaring van [de werknemer] dat hij de overeenkomst niet tekende omdat volgens hem mondelinge afspraken niet correct waren weergegeven in de schriftelijke overeenkomst geloofwaardig overkomt. Evenals zijn mededeling dat hij daarover na ommekomst van de vakantie met [geïntimeerde 2 / vennoot 2] zelf wilde spreken, omdat hij met [geïntimeerde 2 / vennoot 2] die mondelinge afspraken had gemaakt. Ten slotte weegt het hof mee dat vof [V.O.F.] bij conclusie van antwoord in eerste aanleg zelf heeft vermeld dat geen sprake is van een ondertekende arbeidsovereenkomst. [geïntimeerde 2 / vennoot 2] kon voor die omstandigheid geen redengevende verklaring geven toen hij als getuige daarnaar werd gevraagd. Dit alles leidt ertoe dat bij het hof zodanige twijfel bestaat dat niet met redelijke mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat de arbeidsovereenkomst door [de werknemer] is ondertekend. Dat betekent dat het proeftijdbeding nietig is aangezien het niet schriftelijk is overeengekomen. Is het ontslagbriefje door [de werknemer] ondertekend? 12.
- Ook ten aanzien van het ontslagbriefje geldt dat het hof niet met redelijke mate van zekerheid kan vaststellen dat het ondertekend is door [de werknemer] . In de tussenbeschikking heeft het hof reeds gemotiveerd dat de conclusie van de deskundige in het handschriftonderzoek ontoereikend is voor dat bewijs. Tegenover de gemotiveerde betwisting van de echtheid van de handtekening door [de werknemer] zijn de afgelegde getuigenverklaringen onvoldoende. Zo verklaart [geïntimeerde 2 / vennoot 2] als getuige: Toen ik terug kwam van vakantie heb ik met [de werknemer] over de telefoon gesproken. Ik zei hem dat wij nog steeds een slager nodig hadden, maar hij wilde niet terug komen. Op 30 juli, het kan ook de 31e zijn geweest, is hij in de winkel geweest en heb ik met hem proberen te praten. Hij wilde echter niet terug komen. Hij wilde niet met [geïntimeerde 1 / vennoot 1] samenwerken. Ik zei nog tegen hem: ‘maar ik ben nu hier’. Hij wilde toch niet terug komen. Na het telefoongesprek op 28 juli had ik de boekhouder, de heer [boekhouder] , die ook de arbeidsovereenkomst heeft gemaakt gevraagd om het ontslagbriefje te maken. Die heb ik ontvangen voor het gesprek op 30 juli met de heer [de werknemer] . Hij heeft toen op 30 of 31 juli het ontslagbriefje ondertekend. Na de ondertekening vroeg hij nog om reiskosten. Ik heb toen gezegd dat hij in de proeftijd volgens mij geen recht heeft op reiskosten. Toen heeft hij zijn papieren gepakt en wilde boos weglopen. Hij zei iets in de trant van ‘dan ga ik naar de politie’. Ik zei toen iets in de trant van ‘dan ga maar’. De heer [geïntimeerde 1 / vennoot 1] heeft dat ontslagbriefje dezelfde dag ondertekend. De heer [de werknemer] heeft ook een exemplaar van het ontslagbriefje meegenomen. Daarop stonden zijn handtekening en die van mij en van de heer [geïntimeerde 1 / vennoot 1] . [geïntimeerde 1 / vennoot 1] heeft niet deelgenomen aan het gesprek maar is wel gekomen om de handtekening te zetten. [geïntimeerde 1 / vennoot 1] verklaart hierover:Over het ontslagbriefje kan ik het volgende verklaren. Het zal niet lang na de tijd dat [geïntimeerde 2 / vennoot 2] terug was van vakantie zijn geweest. De precieze datum weet ik niet. Toen de heer [de werknemer] kwam ben ik niet bij hem geweest. Ik luisterde van buiten. [de werknemer] was boos op mij en wilde eigenlijk niet met mij praten en ik ook niet. Nadat [de werknemer] was vertrokken zei [geïntimeerde 2 / vennoot 2] tegen mij dat [de werknemer] het ontslagbriefje had getekend. Ik heb gezien dat [de werknemer] getekend had, want toen [de werknemer] weg was heb ik het ontslagbriefje ook getekend. Ik zag toen dat [de werknemer] getekend had. Op vragen van mr. Amendt antwoord ik als volgt: Ik herhaal dat [de werknemer] al vertrokken was toen ik het ontslagbriefje ondertekende. [de werknemer] heeft een ontslagbriefje mee gekregen, maar dat was nog niet door mij ondertekend. Nader verklaar ik dat [de werknemer] naar buiten is gelopen, dat ik toen heb ondertekend en dat daarna [geïntimeerde 2 / vennoot 2] met het briefje naar [de werknemer] is gelopen en dat mijn handtekening dus ook op het briefje staat. U houdt mij voor dat ik eerst iets anders heb verklaard. Het is al een paar jaar geleden, ik probeer het mij zo goed mogelijk te herinneren en volgens mij is het zo gegaan als ik nu verklaar, namelijk dat [de werknemer] naar buiten is gegaan, dat ik toen nog mijn handtekening heb gezet en dat [geïntimeerde 2 / vennoot 2] toen ook naar buiten is gelopen met het ontslagbriefje met onze handtekeningen. Op vragen van mr. Gubbels antwoord ik als volgt: Mr. Gubbels houdt mij voor dat [de werknemer] stelt dat het gedoe over het ontslagbriefje pas later in augustus heeft plaatsgevonden, ook omdat ik aansluitend aan de vakantie van [geïntimeerde 2 / vennoot 2] zelf op vakantie ben geweest. Ik weet dat het ontslagbriefje aan de orde is geweest voordat ik op vakantie ben gegaan. Het is maximaal een week geweest nadat [geïntimeerde 2 / vennoot 2] terug is gekomen van vakantie. Ik weet niet precies wanneer ik op vakantie ben gegaan, maar ik weet zeker dat het ontslagbriefje speelde voordat ik op vakantie ging. De getuige [echtgenote van geïntimeerde 1 / vennoot 1] verklaart hierover: Over de gang van zaken met betrekking tot het ontslagbriefje kan ik het volgende zeggen. Ik heb [geïntimeerde 2 / vennoot 2] na zijn vakantie gevraagd wat gaan we met de slager doen. [geïntimeerde 2 / vennoot 2] zei toen tegen ons ‘hij wil toch weg en gaat zijn ontslag tekenen’. Dat was een paar dagen voordat de heer [de werknemer] kwam. Toen hij kwam was ik de keuken in en uit aan het lopen. Ik herinner mij dat hij kort binnen was en snel weer boos weg liep. Hij heeft snel getekend en was gauw weg. Ik heb toen het briefje op kantoor lag gezien dat het een ondertekend ontslagbriefje was. De getuige [dochter] verklaart hierover: Over het ontslagbriefje kan ik het volgende verklaren. Op die dag werkte ik ook bij V.O.F. [V.O.F.] . Er werd van tevoren gezegd dat [de werknemer] zijn ontslag zou komen tekenen. Ik weet niet of de heer [geïntimeerde 2 / vennoot 2] of mijn vader dat zei. Ik herkende de heer [de werknemer] toen wel, toen hij binnenkwam. Ook nu had ik van waaruit ik werkte een goed zicht op waar [de werknemer] was. Ik kon zien dat hij in het kantoortje/keukentje was en iets tekende. Voor zover ik mij herinner was de heer [geïntimeerde 2 / vennoot 2] daar ook bij. U houdt mij voor dat u het opmerkelijk vindt dat ik wel met zekerheid zeg dat ik [de werknemer] iets zag tekenen terwijl ik niet met zekerheid weet te zeggen wie er precies verder aanwezig waren. Ik weet gewoon niet meer zeker of mijn vader of [geïntimeerde 2 / vennoot 2] daarbij waren. Ik dacht [geïntimeerde 2 / vennoot 2] . 12.
- De verklaring van [geïntimeerde 1 / vennoot 1] roept bij het hof een aantal vragen op die ook de geloofwaardigheid van onderdelen van de andere getuigenverklaringen in twijfel trekken. Zo verklaart [geïntimeerde 1 / vennoot 1] eerst dat hij zag dat [de werknemer] het ontslagbriefje had ondertekend omdat hij het briefje ondertekende nadat [de werknemer] was weggegaan. Die verklaring strookt niet met de verklaring van [geïntimeerde 2 / vennoot 2] dat [de werknemer] een exemplaar van het ontslagbriefje heeft meegenomen met daarop de handtekeningen van [geïntimeerde 2 / vennoot 2] , [geïntimeerde 1 / vennoot 1] en [de werknemer] . [geïntimeerde 1 / vennoot 1] heeft vervolgens op vragen van de raadsman van vof [V.O.F.] nader verklaard dat hij zijn handtekening heeft gezet nadat [de werknemer] naar buiten was gelopen, dat [geïntimeerde 2 / vennoot 2] met het door iedereen ondertekende briefje ook naar buiten is gelopen en vervolgens dat briefje aan [de werknemer] heeft gegeven. Die verklaring staat weer op gespannen voet met de verklaring van [echtgenote van geïntimeerde 1 / vennoot 1] , die verklaart dat [de werknemer] snel zijn handtekening heeft gezet en vervolgens vertrokken is. Zij maakt geen melding van hetgeen direct daarna is gebeurd. Hetzelfde geldt voor de getuige [dochter] die daar ook geen melding van maakt. [de werknemer] heeft gemotiveerd betwist dat hij het ontslagbriefje heeft ondertekend. De conclusie is dat het hof niet met redelijke zekerheid kan vaststellen dat [de werknemer] het ontslagbriefje heeft ondertekend. Gevolgen van deze bewijswaardering voor de beslissing. 12.
- Het hof heeft in de tussenbeschikking van 17 november 2022 al overwogen dat geen sprake is van een rechtsgeldige opzegging van de arbeidsovereenkomst door [de werknemer] en dat de daarop gerichte grief III slaagt. Met de grieven I en II betoogt [de werknemer] dat geen sprake is van een ondertekende arbeidsovereenkomst. Ook dat betoog treft doel, zoals hiervoor is overwogen. Daarmee staat vast dat geen sprake is van een rechtsgeldig proeftijdbeding. Het hof heeft onder 3.8.7 van de tussenbeschikking van 17 november 2022 al overwogen dat in dat geval sprake is van een onregelmatige opzegging. Anders dan [de werknemer] stelt geldt voor de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd in dit geval niet de regeling van art. 7:672 lid 11 BW maar dient de regeling van art. 7:677 lid 4 BW ten grondslag te worden gelegd aan het onderhavige verzoek tot schadevergoeding (zie hof ’s-Hertogenbosch 16 februari 2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:537) . Artikel 7:677 lid 4 BW bepaalt:De partij die een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd die niet tussentijds kan worden opgezegd, in strijd met lid 1 opzegt, is aan de wederpartij een vergoeding verschuldigd gelijk aan het bedrag van het in geld vastgestelde loon over de termijn dat de arbeidsovereenkomst geduurd zou hebben indien deze van rechtswege zou zijn geëindigd. De kantonrechter kan de vergoeding, bedoeld in dit lid, matigen indien hem dit met het oog op de omstandigheden billijk voorkomt, maar tot niet minder dan het in geld vastgestelde loon voor drie maanden. De werknemer kan de kantonrechter verzoeken de opzegging te vernietigen. 12.
- [de werknemer] heeft deze vergoeding over de periode van 22 juli 2021 t/m 30 juni 2022 en uitgaande van een bruto maandloon van € 2.325,75 plus 8% vakantietoeslag becijfert op € 28.440,
- Vof [V.O.F.] heeft die berekening niet betwist. Het hof ziet echter aanleiding om deze gefixeerde schadevergoeding ambtshalve te matigen en overweegt daartoe het volgende. Vof [V.O.F.] is een kleine onderneming. [de werknemer] heeft slechts enkele weken bij vof [V.O.F.] gewerkt en heeft verder ter zitting in hoger beroep verklaard dat hij uiteindelijk met terugwerkende kracht een uitkering heeft ontvangen en dat hij vanaf oktober 2021 eerst drie maanden parttime en daarna fulltime werkt als slager in [plaats] . [de werknemer] heeft geen inzage in zijn inkomsten gegeven. Het hof ziet daarin voldoende aanleiding om de gefixeerde schadevergoeding te matigen tot 3 maanden, te weten de periode van 22 juli 2021 tot 22 oktober
- Het hof becijfert die vergoeding op een bedrag van € 7.535,45 bruto. In zoverre slagen de grieven van [de werknemer] gericht tegen de afwijzing van de gefixeerde schadevergoeding wegens onregelmatige opzegging. 12.
- Met grief IV komt [de werknemer] op tegen de door de kantonrechter toegewezen transitievergoeding van € 48,
- [de werknemer] voert aan dat bij onregelmatige opzegging van een arbeidsovereenkomst het recht op en de hoogte van de wettelijke transitievergoeding moet worden bepaald aan de hand van het tijdstip waarop die arbeidsovereenkomst zou zijn opgezegd als de werkgever deze regelmatig zou hebben beëindigd. Het dienstverband was overeengekomen voor de duur van een jaar zonder mogelijkheid van tussentijdse opzegging. Derhalve bedraagt de transitievergoeding uitgaande van 1/3 van € 2.325,75 bruto (plus 8% vakantietoeslag): € 837,27 bruto, aldus [de werknemer] . Het hof deelt deze opvatting van [de werknemer] en zal de nog verschuldigde transitievergoeding rekening houdend met het reeds in eerste aanleg toegewezen bedrag van € 48,17 vaststellen op € 789,10 bruto. Billijke vergoeding 12.
- [de werknemer] vordert in hoger beroep opnieuw een (in eerste aanleg afgewezen) billijke vergoeding van € 7.500,--. Hij voert daartoe enkel aan dat de billijke vergoeding dient te worden toegewezen omdat Vof [V.O.F.] de voor een rechtsgeldig ontslag geldende voorschriften niet heeft nageleefd en in strijd met art. 7:671 BW heeft opgezegd. Het hof overweegt het volgende. De Hoge Raad heeft voor de bepaling van de hoogte van de billijke vergoeding een aantal gezichtspunten geformuleerd die een rol kunnen spelen bij de bepaling van de hoogte van de billijke vergoeding. Het licht op de weg van de werknemer die aanspraak maakt op een dergelijke vergoeding om een en ander toe te lichten en te concretiseren. [de werknemer] onderbouwt in hoger beroep de hoogte van de billijke vergoeding niet en volstaat in eerste aanleg enkel met de mededeling dat hij plotseling als kostwinner geen inkomen had en zich tot een advocaat moest wenden. [de werknemer] heeft verder geen inzage in zijn inkomenssituatie gegeven, terwijl hij ter zitting in hoger beroep heeft erkend dat hij enige uitkering in Duitsland heeft genoten en dat hij sinds oktober 2021 als slager werkzaam is. Gelet op het ontbreken van deugdelijke aanknopingspunten voor de bepaling van de hoogte van de billijke vergoeding, de bovendien toe te wijzen gefixeerde schadevergoeding en de transitievergoeding ziet het hof aanleiding de billijke vergoeding matigen tot nihil. Reiskostenvergoeding 12.19 [de werknemer] verzoekt in hoger beroep toewijzing van (in eerste aanleg afgewezen) reiskosten van € 487,
- De kantonrechter heeft overwogen dat [de werknemer] niet aannemelijk heeft gemaakt dat er afspraken zijn gemaakt over de reiskosten. [de werknemer] heeft geen toegelicht bezwaar tegen deze afwijzing gericht. De vordering wordt ook in hoger beroep afgewezen. Proceskostenveroordeling 12.
- De procedure heeft hoofdzakelijk betrekking gehad op de vraag of al dan niet sprake is van onregelmatige opzegging. Op dat punt is vof [V.O.F.] in het ongelijk gesteld en een substantieel deel van de vordering van [de werknemer] toegewezen. 12.
- Vof [V.O.F.] zal derhalve als de hoofdzakelijk in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van [de werknemer] in eerste aanleg en in hoger beroep. Vof [V.O.F.] heeft het bedrag van de schadeloosstelling van de deskundige (€ 3.104,--) al als voorschot voldaan. Dat bedrag dient voor haar rekening te blijven. De kosten voor de procedure in eerste aanleg aan de zijde van [de werknemer] zullen worden vastgesteld op: Griffierecht € 85,-- Salaris advocaat/gemachtigde € 747,-- Totaal € 832,-- De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [de werknemer] zullen verder vastgesteld worden op: Griffierechten € 343,-- Salaris advocaat € 2.574,,-- (3 punt(en) x tarief I) Nakosten € 178,-- (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 3.095,-- 13De beslissing Het hof: - vernietigt de tussen partijen gegeven beschikking van 15 december 2021 voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en met uitzondering van de veroordeling onder 5.2; en opnieuw rechtdoende: - veroordeelt vof [V.O.F.] tot betaling [de werknemer] van een gefixeerde schadevergoeding van € 7.535,45 bruto aan [de werknemer] ; - veroordeelt vof [V.O.F.] tot betaling van € 789,10 bruto aan [de werknemer] (ter zake resterende deel transitievergoeding); - veroordeelt vof [V.O.F.] in de proceskosten aan de zijde van [de werknemer] , in eerste aanleg begroot op € 832,-- en in hoger beroep begroot op € 3.095,-- te betalen binnen veertien dagen na heden. Als vof [V.O.F.] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het arrest daarna wordt betekend, dan moet vof [V.O.F.] € 92,-- extra betalen vermeerderd met de kosten van betekening; - bekrachtigt de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en voor wat betreft de veroordeling onder 5.2; - verklaart deze beschikking voor wat betreft de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad; - wijst af het meer of anders verzochte. Deze beschikking is gegeven door mrs. P.P.M. Rousseau, M.G.W.M. Stienissen en M.E. Smorenburg, ondertekend en in het openbaar uitgesproken op 28 augustus 2025