GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH Team familie- en jeugdrecht Uitspraak: 28 augustus 2025 Zaaknummer: 200.352.735/01 Zaaknummer eerste aanleg: C/02/414177 / FA RK 23-4469 in de zaak in hoger beroep van: [de vader] , wonende te [woonplaats] , verzoeker in hoger beroep, hierna te noemen: de vader, advocaat: mr. L.E. Swart, tegen [de moeder] , wonende te [woonplaats] , verweerster in hoger beroep, hierna te noemen: de moeder, advocaat: mr. N.P.M. Planthof. Deze zaak gaat over [minderjarige] (hierna te noemen: [minderjarige] ), geboren op [geboortedatum] 2017 te [geboorteplaats] . In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is in de procedure gekend: de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie [locatie] , hierna te noemen: de raad. 1Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 20 december 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. 2Het geding in hoger beroep 2.
- Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 18 maart 2025, heeft de vader verzocht voormelde beschikking te vernietigen (naar het hof begrijpt:), alleen voor zover de rechtbank daarbij het verzoek van de vader omtrent het gezag over [minderjarige] heeft afgewezen en, opnieuw rechtdoende, bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: primair: het verzoek van de vader om gezamenlijk met de moeder met het ouderlijk gezag over [minderjarige] te worden belast alsnog toe te wijzen; subsidiair: indien het hof niet voldoende geïnformeerd is, alsnog een onderzoek door de raad te gelasten naar de gezagsvraag voordat op het verzoek van de vader wordt beslist. Kosten rechtens. 2.
- Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 6 mei 2025, heeft de moeder verzocht het hoger beroep van de vader af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen. Kosten rechtens. 2.
- De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 15 juli
- Bij die gelegenheid zijn gehoord: - de vader, bijgestaan door mr. Swart; -de moeder, bijgestaan door mr. Planthof; - de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] . 2.3.
- Het hof heeft de minderjarige [minderjarige] in de gelegenheid gesteld om zijn mening kenbaar te maken. Hij heeft hiervan geen gebruik gemaakt. 2.
- Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van: - het V6-formulier met bijlagen ingediend door de advocaat van de vader op 1 juli 2025; - het V8-formulier met bijlagen ingediend door de advocaat van de moeder op 3 juli
- 2.
- Na de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft het hof partijen en de raad bij brief van 17 juli 2025 bericht dat het hof aanleiding ziet om partijen te verwijzen naar het Uniform Hulpaanbod (UHA). Het hof heeft tijdens de mondelinge behandeling de voorwaarden en de werkwijze inzake de verwijzing naar het UHA niet met partijen besproken. In genoemde brief van 17 juli 2025 heeft het hof partijen alsnog hierover geïnformeerd. Daarbij heeft het hof tevens het verwijzingsformulier ter aanvulling en ondertekening en de lijst met doelen waaraan partijen binnen het UHA dienen te werken naar partijen verstuurd. 2.
- Beide partijen hebben ingestemd met een verwijzing naar het UHA, genoemde verwijzingsformulieren aangevuld en ondertekend aan het hof geretourneerd. Het hof heeft op 29 juli 2025 de verwijzingsformulieren en de doelenlijst per e-mail naar het loket van de samenwerkende gemeenten regio West-Brabant-West verzonden met het verzoek om de verwijzing verder in behandeling te nemen. 3De beoordeling De feiten 3.
- Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. Uit de inmiddels verbroken relatie van partijen is [minderjarige] geboren. De vader heeft [minderjarige] erkend. [minderjarige] verblijft bij de moeder. 3.
- Partijen hebben op 11 januari 2017 een aantekening in het gezagsregister laten plaatsen en oefenden gezamenlijk het gezag over [minderjarige] uit. 3.
- Bij beschikking van 22 december 2020 heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, bepaald dat het gezag over [minderjarige] voortaan aan de moeder alleen toekomt. De procedure in eerste aanleg 3.
- De vader heeft de rechtbank, voor zover in hoger beroep nog van belang, verzocht genoemde beschikking van 22 december 2020 te wijzigen, en te bepalen dat het ouderlijk gezag over [minderjarige] voortaan weer door partijen gezamenlijk wordt uitgeoefend. 3.
- De moeder heeft hiertegen verweer gevoerd en heeft verzocht om het verzoek van de vader af te wijzen. 3.
- Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank, voor zover in hoger beroep van belang, genoemd verzoek van de vader afgewezen. De procedure in hoger beroep 3.
- De vader kan zich met de beslissing van de rechtbank niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen. De standpunten 3.
- De vader voert – samengevat – het volgende aan. De rechtbank heeft ten onrechte het verzoek van de vader om gezamenlijk met de moeder met het ouderlijk gezag over [minderjarige] te worden belast afgewezen. De rechtbank heeft daarbij ten onrechte geoordeeld dat de gewijzigde omstandigheden, te weten het feit dat de vader zijn leven in Nederland heeft georganiseerd en de wijziging in de communicatie tussen partijen, een risico vormen dat [minderjarige] klem of verloren raakt tussen de ouders. Het klopt dat er sprake is van gewijzigde omstandigheden, in die zin, dat de vader zijn leven thans geheel in Nederland heeft en niet meer langdurig in Guinee verblijft. Hij heeft hier, juist vanwege [minderjarige] , bewust voor gekozen. De vader wil nu ook graag weer samen met de moeder gezagsbeslissingen over [minderjarige] nemen. Deze positieve ontwikkeling wordt door de rechtbank echter negatief uitgelegd. Verder voelt de vader zich door de houding van de moeder en de vragen van de raad en de rechtbank over zijn afkomst gediscrimineerd. Daarmee wordt ook de achtergrond van [minderjarige] gediskwalificeerd. Er is geen sprake geweest van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM en ook artikel 8 EVRM is geschonden. Bij de handhaving van het eenhoofdig gezag van de moeder staat de vader buiten spel. De moeder betrekt de vader niet bij de over [minderjarige] te nemen gezagsbeslissingen. De vader zal het gezag niet gaan gebruiken om de moeder tegen te werken. Dat de communicatie tussen partijen niet goed verloopt komt omdat de moeder het niet prettig vindt dat de vader zijn echtgenote naar Nederland heeft gehaald. De moeder voelt zich bedreigd door de aanwezigheid van de echtgenote van de vader, omdat zij nu ook in het leven van [minderjarige] komt. Ook ondermijnt de moeder de omgang tussen de vader en [minderjarige] . Zo zegt de moeder tegen [minderjarige] dat hij naar huis mag wanneer hij het niet leuk heeft bij de vader. De houding van de moeder en haar negatieve uitlatingen over de afkomst van de vader zorgen bij hem voor frustratie. Hieruit blijkt ook dat er meer tussen partijen speelt. Partijen zijn in het verleden echter wel in staat geweest om afspraken met elkaar te maken en om op een constructieve wijze te communiceren. Er is geen reden om aan te nemen dat dit in de nabije toekomst niet opnieuw mogelijk is. Bovendien doet de moeder het in de overgelegde stukken voorkomen alsof partijen altijd ruzie hebben en er niet samen uitkomen. De moeder heeft echter slechts fragmenten van gesprekken overgelegd in plaats van de volledige gesprekken. Dat partijen het niet altijd met elkaar eens zijn over onderwerpen als de opvoeding, de medicatie en scholing van [minderjarige] , mag geen reden zijn om het verzoek van de vader af te wijzen. Een gezaghebbende ouder mag immers een andere mening hebben. De vader erkent dat hij de moeder soms blokkeert wanneer zij boos is. Er is wel altijd contact via [minderjarige] mogelijk. De rechtbank heeft verder ten onrechte het advies van de raad gevolgd. Het advies van de raad is te kort door de bocht en doet geen recht aan [minderjarige] en de vader. De rechtbank heeft daarom ten onrechte geen raadsonderzoek naar het gezag over [minderjarige] gelast. Doordat de situatie van de vader gewijzigd is, dient er alsnog een raadsonderzoek te worden gelast. Ook zou de vader kunnen instemmen met een verwijzing naar het UHA. Een traject binnen het vrijwillig kader naar aanleiding van de melding bij Veilig Thuis is te vrijblijvend. 3.
- De moeder voert - samengevat - het volgende aan. Op basis van de gewijzigde omstandigheden is het in het belang van [minderjarige] om het eenhoofdig gezag te handhaven. Het gaat dan niet om de gewijzigde omstandigheid dat de vader in Nederland is komen wonen, maar om de verslechtering in de communicatie tussen partijen. De moeder betwist dat de communicatie tussen partijen is verslechterd omdat de vader zijn echtgenote naar Nederland heeft gehaald en zij zich door haar aanwezigheid bedreigd voelt. De vader is juist sinds de komst van zijn echtgenote en hun kinderen veranderd. De schuldvraag waardoor de communicatie tussen partijen is verslechterd doet ook niet ter zake. Gezaghebbende ouders mogen een andere mening hebben, maar moeten hierover samen kunnen praten om tot een oplossing/beslissing te komen; dat is niet mogelijk. Partijen zijn sinds de beschikking van 22 december 2020 extreem uit elkaar gegroeid met hun ideeën over de verzorging en opvoeding van [minderjarige] . De moeder informeert de vader wel over [minderjarige] , maar zij wil de eindbeslissingen kunnen nemen. Bovendien moeten partijen rechtstreeks voor elkaar bereikbaar zijn wanneer het gaat over zaken rondom [minderjarige] en niet via [minderjarige] communiceren. Indien de ouders met het gezamenlijk gezag over [minderjarige] worden belast, vreest de moeder dat er problemen voor [minderjarige] ontstaan. Er bestaat een risico dat [minderjarige] klem of verloren raakt tussen partijen. De rechtbank heeft terecht het advies van de raad gevolgd. Van enige discriminatie richting de vader vanuit de moeder, de rechtbank en/of de raad is geen sprake geweest; artikel 6 EVRM is niet geschonden. Evenmin is in strijd gehandeld met artikel 8 EVRM. Het feit dat de vader Afrikaans is en [minderjarige] over zijn afkomst wil informeren, heeft geen invloed gehad op de beslissing van de rechtbank omtrent het gezag over [minderjarige] . Partijen dienen eerst te werken aan de verbetering van de onderlinge communicatie voordat zij eventueel weer gezamenlijk met het gezag over [minderjarige] kunnen worden belast. De moeder betwist dat zij de omgang tussen de vader en [minderjarige] ondermijnt. De moeder kan de omgang ondersteunen, maar de omgang moet wel veilig zijn voor [minderjarige] . [minderjarige] is een kind met een ‘rugzakje’ en hij gebruikt medicatie. De vader houdt hier in zijn thuissituatie onvoldoende rekening mee en doet niets met de door de moeder ter zake gegeven adviezen. De moeder heeft alleen tegen [minderjarige] gezegd dat hij haar altijd mag bellen wanneer er iets is. De moeder heeft, desgevraagd door het hof, verklaard dat zij kan instemmen met een verwijzing naar het UHA. Zij heeft echter de voorkeur voor een hulpverleningstraject binnen het vrijwillig kader omdat er dan geen druk van deze procedure meer bestaat. 3.
- De raad heeft – samengevat – het volgende verklaard. [minderjarige] kampt met ernstige kindeigen problematiek. De moeder weet hoe zij daarmee om moet gaan en zij handelt daarbij in het belang van [minderjarige] . De drukke (thuis)situatie van de vader is voor [minderjarige] ingewikkeld. [minderjarige] krijgt bij de vader niet wat hij nodig heeft, waardoor zijn gedrag daar soms escaleert. De moeder doet haar best om een brug te vormen tussen [minderjarige] en de vader. Er is echter sprake van veel wantrouwen over en weer. Het is niet de bedoeling van de moeder om de vader aan de kant te zetten. De moeder wil dat er omgang is tussen de vader en [minderjarige] en dat [minderjarige] het fijn heeft bij de vader. Deze omgang moet wel veilig zijn voor [minderjarige] . De communicatie tussen de ouders is op dit moment zodanig dat [minderjarige] klem of verloren zou raken wanneer zij het gezamenlijk gezag weer over hem zouden gaan uitoefenen. De raad vindt het in het belang van [minderjarige] dat de ouders opnieuw gaan starten met een hulpverlenings-traject via het UHA of binnen het vrijwillig kader. Veilig Thuis is op dit moment betrokken, maar Veilig Thuis zal ook tot dezelfde conclusie komen. Een raadsonderzoek heeft geen toegevoegde waarde. Ook de raad zal na een onderzoek concluderen dat hulpverlening en/of een ouderschapsreorganisatie noodzakelijk is. De motivering van de beslissing 3.
- Het hof overweegt het volgende. 3.11.
- De raad heeft tijdens de mondeling behandeling naar voren gebracht dat het in het belang van [minderjarige] is dat partijen opnieuw naar een hulpverleningstraject worden verwezen. Ook het hof ziet na hetgeen partijen en de raad tijdens deze mondelinge behandeling naar voren hebben gebracht aanleiding om partijen te verwijzen naar het UHA. Een traject binnen het vrijwillig kader acht het hof te vrijblijvend. 3.11.
- Na de mondelinge behandeling hebben beide partijen schriftelijk ingestemd met een verwijzing naar een traject binnen het UHA. Het hof zal partijen voor een zorgtraject verwijzen naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio West-Brabant-West. Ook hebben partijen ingestemd met het delen van hun bij het hof bekende persoonsgegevens via het verwijzingsformulier met het loket van de zorgregio West-Brabant-West, de in te zetten zorgaanbieder en eventueel de raad. 3.11.
- De doelen waaraan partijen binnen het UHA dienen te werken zijn de volgende: de ouder(s) kunnen gezamenlijk afspraken en beslissingen maken die in het belang van [minderjarige] zijn en zij hebben daarbij oog voor de kindeigen problematiek van [minderjarige] ; [minderjarige] heeft een onbelast contact met beide ouders, waarbij ouders zich respectvol over elkaar uitlaten; zowel in de gezinssituatie van de moeder als in die van de vader dient er aandacht te zijn voor rust, veiligheid en ruimte voor [minderjarige] , zodat er een goede basis is voor de ontwikkeling van [minderjarige] . 3.11.
- Het hof heeft bij brief van 17 juli 2025 partijen ook ervan op de hoogte gesteld dat wanneer het UHA-traject niet succesvol wordt afgerond, het eindrapport van het UHA tevens naar de raad zal worden verzonden. De raad zal vervolgens ambtshalve een nader advies aan het hof uitbrengen (bijvoorbeeld of een raadsonderzoek noodzakelijk is). 3.11.
- In verband met de verwijzing van partijen naar het loket zal het hof de beslissing in deze zaak omtrent het gezag over [minderjarige] aanhouden, teneinde partijen in de gelegenheid te stellen deel te nemen aan de noodzakelijk geachte zorg. 3.11.
- Het hof verzoekt het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio West-Brabant-West om uiterlijk op 4 maart 2026 of zoveel eerder als mogelijk is, bij het hof de eindrapportage over het verloop en de resultaten van het zorgtraject in te dienen. Het hof zal na ontvangst deze eindrapportage doorzenden naar de advocaten van partijen en hen in de gelegenheid stellen daarop binnen twee weken te reageren en daarbij aan te geven of zij een nadere mondelinge behandeling noodzakelijk achten. Indien het UHA-traject niet heeft geleid tot een positief resultaat, verzoekt het hof genoemd loket de eindrapportage tevens tegelijkertijd te zenden naar de raad, zodat de raad kan bezien of (nader) advies door de raad noodzakelijk is. 3.11.
- De raad wordt verzocht binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage het hof te laten weten of de raad aanleiding ziet om advies uit te brengen. Indien de raad besluit om een onderzoek te gaan verrichten en advies uit te brengen, dan verzoekt het hof de raad dit advies uiterlijk binnen vier maanden na deze kennisgeving, of zoveel eerder als mogelijk is, bij het hof in te dienen. Na ontvangst van het advies van de raad zullen partijen vervolgens in de gelegenheid worden gesteld hierop binnen twee weken te reageren, waarna de behandeling van de zaak ter mondelinge behandeling – indien gewenst – zal worden voortgezet. 3.
- Op grond van het voorgaande wordt als volgt beslist. 4De beslissing Het hof: verwijst partijen voor hulpverlening ten behoeve van de realisatie van de hiervoor genoemde doelen naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio West-Brabant-West; verzoekt het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio West-Brabant-West om uiterlijk op 4 maart 2026 PRO FORMA een eindrapportage van de in te zetten zorgaanbieder over het verloop en de resultaten van het zorgtraject in te dienen, zulks met inachtneming van hetgeen in rechtsoverweging 3.11.6 is overwogen. Na ontvangst zal de eindrapportage naar de advocaten van partijen worden gestuurd en krijgen zij vervolgens twee weken de tijd om daar schriftelijk op te reageren; verzoekt de raad, indien de eindrapportage van de zorgaanbieder daartoe aanleiding geeft, het hof (nader) te adviseren, zulks onder gelijktijdige verstrekking van een afschrift van zijn rapport en advies aan de advocaten van partijen, zulks met inachtneming van hetgeen in rechtsoverweging 3.11.
- is overwogen; houdt iedere verdere beslissing omtrent het gezag over de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2017 te [geboorteplaats] , aan. Deze beschikking is gegeven door mrs. J.C.E. Ackermans-Wijn, E.M.C. Dumoulin en S.P.A. Wensink-Vergunst en is in het openbaar uitgesproken op 28 augustus 2025 in tegenwoordigheid van de griffier.