GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team Handelsrecht Uitspraak : 28 augustus 2025 Zaaknummer : 200.357.230/01 Zaaknummer eerste aanleg : C/03/339766 / FT RK 25/121 in de zaak in hoger beroep van: [appellant] , wonende te [woonplaats] , appellant, hierna te noemen: [appellant] , advocaat: mr. D.G.A. Rossi te Kerkrade. 1Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst naar het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 8 juli
- 2Het geding in hoger beroep 2.
- Bij beroepschrift met producties 1 t/m 7, ontvangen op 15 juli 2025, heeft [appellant] verzocht voormeld vonnis te vernietigen en alsnog de schuldsaneringsregeling op hem van toepassing te verklaren en (aanvullend) een bedrag ad € 60.368,39 als preferente schuld aan de fiscus op de crediteurenlijst te plaatsen. 2.
- Omdat over de goederen die aan [appellant] toebehoren of zullen toebehoren een bewind is ingesteld (artikel 1:431 lid 1 BW), is de beschermingsbewindvoerder opgeroepen voor de mondelinge behandeling, om haar visie op het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling te geven (vgl. HR 25 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV4021). 2.
- De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 20 augustus
- Bij die gelegenheid zijn gehoord: [appellant] , bijgestaan door mr. Rossi; mevrouw [betrokkene 1] namens Kredietbank Limburg; mevrouw [betrokkene 2] namens mevrouw [betrokkene 3] , hierna te noemen: de beschermingsbewindvoerder. 2.
- Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van: - het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 25 juni 2025, ontvangen op 29 juli 2025; - producties 2 t/m 21, ontvangen op 13 augustus
- 3De beoordeling 3.
- [appellant] heeft de rechtbank verzocht om de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken. Uit de verklaring ex artikel 285 Faillissementswet (Fw) van [appellant] blijkt een totale schuldenlast van € 31.785,
- Daaronder bevindt zich een preferente schuld aan [schuldeiser 1] ter hoogte van € 685,
- Uit voornoemde verklaring blijkt vervolgens dat het minnelijke traject is mislukt omdat niet alle crediteuren hebben ingestemd met het aanbod dat in dat kader is gedaan. Ook zijn er crediteuren die niet op het aanbod hebben gereageerd. 3.
- Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank het verzoek van [appellant] afgewezen. De rechtbank heeft daartoe op de voet van artikel 288 lid 1 aanhef en sub b en c Fw samengevat overwogen dat niet voldoende aannemelijk is dat [appellant] ten aanzien van het ontstaan en het onbetaald laten van schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest noch dat [appellant] de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven. 3.
- De rechtbank heeft dit als volgt gemotiveerd. “2.
- De totale schuldenlast bedraagt € 37.679,97 verdeeld over 33 schuldeisers. Een deel van de schulden is ontstaan in de drie jaren voor de indiening van het verzoekschrift. Opvallend hierbij is de schuld aan [schuldeiser 2] . (…) Wat hiervan ook zij, de schuld aan [schuldeiser 2] heeft betrekking op het vele malen zonder betaling wegrijden na het tanken. De door de verzoeker gegeven toelichting is wellicht een verklaring, maar geen rechtvaardiging. De schuld is dus niet te goeder trouw ontstaan. Dat dit recent niet meer is gebeurd, zoals de beschermingsbewindvoerder ter zitting verklaarde, is niet relevant, nu de wet de beoordelingstermijn beperkt tot 3 jaar. De rechtbank acht de verwijtbaarheid van het ontstaan van de schuld aan [schuldeiser 2] dermate groot dat het oordeelt dat de verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij ten aanzien van het ontstaan van de schulden in de drie jaar voor indiening van het verzoekschrift te goeder trouw is geweest zoals de wet dat bedoelt. 2.
- Voorts heeft de verzoeker niet aannemelijk gemaakt zich tot het uiterste te hebben ingespannen om de schulden te verminderen. Hij werkt niet en is niet op zoek naar een baan. De verzoeker is elektricien, een beroep waarmee hij normaliter een full-time baan kan krijgen (wat in de schuldsaneringsregeling ook wordt verlangd). Hij werkt echter niet, vanwege fysieke belemmeringen, maar vooral niet vanwege de psychische problemen die hij al lang, zeker sinds 2021, heeft. Hij heeft hierbij om hulpverlening verzocht en ook hulp gekregen. Veel vooruitgang lijkt er echter niet te zijn geboekt. (…) Illustratief voor de houding van de verzoeker is tot slot dat hij meent dat hij de door de gemeente als verplichting opgelegde gebruikmaking van voorzieningen, waaronder sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling niet als verplichting ziet. Niet gebleken is dat hij zich sindsdien voldoende heeft ingezet om te herstellen of om een stabiele situatie te bereiken.” 3.
- [appellant] kan zich met deze beslissing niet verenigen en is hiervan in hoger beroep gekomen. [appellant] heeft, onder aanvoering van 13 grieven tegen het vonnis van de rechtbank, in het beroepschrift en ter zitting – zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd. De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat de totale schuldenlast € 37.679,97 bedraagt over 33 schuldeisers. De schulden aan de fiscus zijn abusievelijk niet in de crediteurenlijst opgenomen. Deze schuld betreft, voor zover op dit moment bekend, € 60.368,39, waarbij het gaat om omzetbelasting over de jaren 2017 en 2018, inkomensheffing over de jaren 2015 tot en met 2017 en motorrijtuigenbelasting over de jaren 2016 tot en met
- [appellant] verzoekt deze schuld toe te voegen aan de crediteurenlijst. De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat de schuld aan [schuldeiser 2] niet te goeder trouw is ontstaan en dat [appellant] daarmee in de drie jaar voorafgaand aan het indienen van het verzoek niet te goeder trouw is geweest. Er is geen sprake van een inconsistentie in de schuld aan [schuldeiser 2] . Uit de stukken blijkt dat het om meerdere dossiers en verschillende schulden gaat, met een totaalbedrag van € 1.178,
- Bovendien is maar een deel van deze schulden ontstaan binnen drie jaar voorafgaand aan het indienen van het verzoek. Deze schulden zijn ontstaan omdat [appellant] psychisch in de put zat en hij alleen rust ervaarde door auto te rijden. Als de tank leeg was, moest hij tanken. De rechtbank heeft te weinig oog gehad voor zijn mentale toestand. [appellant] doet daarnaast een beroep op de hardheidsclausule. Hij heeft zijn situatie nu onder controle aangezien hij onder behandeling staat. De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt zich tot het uiterste te hebben ingespannen om de schulden te verminderen. [appellant] ervaart zowel psychische als fysieke problemen waardoor hij niet in staat is om te werken. Hij is wel gemotiveerd om er alles aan te doen om zo snel mogelijk weer te kunnen werken. De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld van welke problematiek sprake is bij [appellant] en wat is ondernomen om deze problematiek tegen te gaan. Er is geen sprake geweest van een verslaving van [appellant] . Dat het hulpverleningsproces stroef verliep, komt omdat de contactpersonen van [appellant] telkens wisselden en heeft niets met de intrinsieke motivatie van [appellant] te maken. De POH heeft [appellant] pas later doorverwezen naar [GGZ] GGZ. Hier kan [appellant] niets aan doen. Het traject is nu in ieder geval wel opgestart. [appellant] heeft inmiddels de intake gehad. [appellant] stelt zich op het standpunt dat het hem vrij stond om geen gebruik te maken van eHealth. De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat illustratief voor de houding van [appellant] is dat hij meent dat hij de door de gemeente als verplichting opgelegde gebruikmaking van voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling niet als verplichting ziet. Het gaat om een miscommunicatie. [appellant] heeft aan willen geven dat er ten aanzien van zijn persoon sprake is van een vrijstelling ter zake de arbeidsverplichtingen. Daarmee bedoelde hij niet dat er geen verplichtingen zijn. De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat niet is gebleken dat [appellant] zich voldoende heeft ingezet om te herstellen of om een stabiele situatie te bereiken. Zoals uit het voorgaande blijkt, heeft [appellant] zich wel ingespannen om te herstellen en een stabiele situatie te bereiken. [appellant] heeft op sommige aspecten echter maar zeer beperkte invloed. 3.
- De beschermingsbewindvoerder heeft ter zitting in hoger beroep – zakelijk weergegeven – aangevoerd dat [appellant] zich altijd goed houdt aan de afspraken die gelden in het bewind. Ook toen zijn hulpverlening nog niet was gestart werkte hij goed mee en maakte hij geen nieuwe schulden meer. Toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling zal zijn traject nog verder vooruit helpen, aldus de beschermingsbewindvoerder. 3.
- Het hof komt tot de volgende beoordeling. 3.6.
- [appellant] heeft in het beroepschrift allereerst verzocht om een andere preferente schuld aan de belastingdienst ter hoogte van € 60.368,39 aan de crediteurenlijst toe te voegen omdat deze abusievelijk niet in de oorspronkelijke crediteurenlijst is opgenomen. Het hof wijst dit verzoek toe. De totale schuld van [appellant] komt daarmee uit op € 92.154,
- 3.6.
- Ingevolge artikel 288 lid 1 aanhef en sub b Fw wordt het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend te goeder trouw is geweest. Hierbij gaat het om een gedragsmaatstaf die mede wordt gehanteerd om beoogd misbruik van de schuldsaneringsregeling tegen te gaan, waarbij de rechter met alle omstandigheden van het geval rekening kan houden. Daarbij spelen (onder meer) een rol de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin de schuldenaar een verwijt kan worden gemaakt dat de schulden zijn ontstaan en/of onbetaald gelaten en het gedrag van de schuldenaar voor wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen of acties zijnerzijds om verhaal door schuldeisers juist te frustreren. 3.6.
- Het hof constateert dat [appellant] een aantal schulden binnen drie jaar voorafgaand aan het indienen van het verzoekschrift heeft laten ontstaan, waaronder schulden aan [schuldeiser 2] door niet te betalen na het tanken. [appellant] verklaarde dat hij dit meermaals heeft gedaan vanwege zijn psychische gesteldheid in die periode. Het hof kan begrijpen dat autorijden voor rust in het hoofd van [appellant] zorgde, maar is met de rechtbank van oordeel dat dit geen rechtvaardiging voor zijn gedrag is. [appellant] weet namelijk goed dat voor het tanken betaald moet worden. Dat hij hiervoor geen geld had en daardoor nieuwe schulden heeft laten ontstaan, kan hem dan ook worden aangerekend. Het hof is op grond hiervan van oordeel dat niet voldoende aannemelijk is gemaakt dat [appellant] ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het betreffende verzoekschrift is ingediend steeds te goeder trouw is geweest. Het maakt hierbij niet uit dat het maar om een deel van de schulden gaat. 3.6.
- Op grond van artikel 288 lid 3 Fw kan [appellant] , ondanks dat er schulden in de drie jaar voor het indienen van het verzoek niet te goeder trouw zijn ontstaan en onbetaald gelaten, worden toegelaten tot de wettelijke schuldsanering als voldoende aannemelijk is dat hij de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan en onbetaald laten van de schulden onder controle heeft gekregen. Dat wil zeggen dat er sprake moet zijn van een bestendige, uit concrete omstandigheden blijkende gedragsverandering, waardoor in redelijkheid kan worden aangenomen dat de problematiek zich niet zal herhalen, omdat de oorzaak daarvan is weggenomen. 3.6.
- Vast staat dat [appellant] ten tijde van het ontstaan van (een deel van) zijn schulden kampte met psychische problematiek. Inmiddels is hij een hulpverleningstraject bij de GGZ gestart om zijn psychische problemen te laten behandelen. [appellant] heeft bij de GGZ weliswaar alleen nog een intakegesprek gehad, maar uit de stukken blijkt ook dat hij al anderhalf jaar bij de praktijkondersteuner van de huisarts loopt en hij dus al langere tijd bezig is om zijn psychische problematiek onder controle te krijgen. Hiermee was hij nog niet bezig op het moment dat hij niet te goeder trouw schulden liet ontstaan. [appellant] spant zich dus in om zijn psychische problemen te boven te komen en lijkt hierin vooruitgang te hebben gemaakt. Zo ziet het hof dat [appellant] na 21 oktober 2022 geen nieuwe schulden heeft gemaakt door te tanken zonder te betalen. Hij heeft dus een nieuwe manier gevonden om rust in zijn hoofd te krijgen. [appellant] werkt ook goed mee aan alle hulpverlening die hij ontvangt. De beschermingsbewindvoerder heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep verklaard dat [appellant] zich netjes aan alle verplichtingen houdt in het kader van het beschermingsbewind en dat dit ook al het geval was toen de hulpverlening nog niet was opgestart. Zowel de beschermingsbewindvoerder als mevrouw [betrokkene 1] heeft daarnaast ter zitting verklaard veel vertrouwen te hebben in de motivatie van [appellant] om zijn verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling na te komen. 3.6.
- Het hof is op grond hiervan van oordeel dat voldoende aannemelijk is dat [appellant] de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan en onbetaald laten van de schulden, onder controle heeft gekregen (artikel 288 lid 3 Fw) en dat [appellant] de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven. Het hof zal [appellant] daarom alsnog toelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling. Het hof wil [appellant] wel expliciet wijzen op het feit dat hij in de schuldsaneringsregeling geacht wordt de daaruit volgende verplichtingen, met name de informatieverplichting en inspanningsverplichting, na te komen. Als blijkt dat [appellant] dit onvoldoende doet, kan de wettelijke schuldsaneringsregeling alsnog tussentijds worden beëindigd. 3.
- Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd. 4De uitspraak Het hof: vernietigt het vonnis waarvan beroep; en opnieuw rechtdoende: verklaart de schuldsaneringsregeling van toepassing ten aanzien van: [appellant] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981, wonende te ( [postcode] ) [woonplaats] aan [adres] ; bepaalt dat de griffier van dit hof onverwijld aan de griffier van de rechtbank Limburg kennis geeft van deze uitspraak in verband met de benoeming van een rechter-commissaris en een bewindvoerder. Dit arrest is gewezen door mrs. J.W. van Rijkom, J.B. Smits en T. van der Valk en in het openbaar uitgesproken op 28 augustus 2025.